Hieronymus Bosch and Italy Boek omslag Hieronymus Bosch and Italy
Aikema, Bernard
Non-fictie, kunstgeschiedenis
2001
Jos Koldeweij, Bernard Vermet en Barbera van Kooij (red.), "Hieronymus Bosch - New Insights Into His Life and Work", Museum Boijmans Van Beuningen-NAi Publishers-Ludion, Rotterdam, 2001, pp. 24-31

Aikema 2001a

 

“Hieronymus Bosch and Italy?” (Bernard Aikema) 2001

[in: Jos Koldeweij, Bernard Vermet en Barbera van Kooij (red.), Hieronymus Bosch. New Insights Into His Life and Work. Museum Boijmans Van Beuningen-NAi Publishers-Ludion, Rotterdam, 2001, pp. 24-31.]

 

In zijn Notizia d’opere del disegno meldt de Venetiaanse patriciër Marcantonio Michiel dat hij in 1521 drie werken van ‘Hieronimo Bosch’ zag in de verzameling van de Venetiaanse kardinaal Domenico Grimani (1461-1523): een doek met een Hel, een doek met Dromen en een doek met Fortuna en de walvis die Jonas opslokt. Deze onderwerpen komen blijkbaar niet overeen met de onderwerpen van de drie Bosch-werken die zich vandaag in het Hertogelijk Paleis in Venetië bevinden: het drieluik met de Gekruisigde Martelares, het Heremieten-drieluik en de vier panelen met Visioenen uit het Hiernamaals. We weten niet wat er verder met de drie door Michiel vermelde werken is gebeurd. Rond 1528 verscheepte Marino Grimani, een neef van Domenico, een aantal schilderijen uit de erfenis van zijn oom naar Rome, waaronder een Vlaams schilderij met twee luiken over het Laatste Oordeel, een Vlaams olieverfschilderij met een Hel en twee aan Bosch toegeschreven doeken met de Verzoekingen van de H. Antonius. Het is niet duidelijk of het schilderij met de Hel hetzelfde was als de Hel die door Michiel gesignaleerd werd, en evenmin is het duidelijk of de Hiernamaals-luiken die nu nog in Venetië zijn, kunnen geïdentificeerd worden als de luiken van de rond 1528 vermelde Laatste Oordeel-triptiek. Wat er verder met de schilderijen van Marino Grimani gebeurd is, weten we niet.

 

In 1664 signaleert de kunstcriticus Marco Boschini de aanwezigheid in het Hertogelijk Paleis (Venetië) van vijftien kleine, aan Civetta (Herri met de Bles) toegeschreven panelen met monsters, dromen en visioenen, en een aan ‘Girolamo Bassi’ toegeschreven triptiek met een gekruisigde vrouwelijke heilige. In 1733 signaleert Antonio Maria Zanetti dat deze laatste triptiek het werk is van ‘Girolamo Bosch’ en dat in het paleis nog een andere triptiek van Bosch aanwezig is met als onderwerp Sint-Hiëronymus en twee andere heiligen. Bovendien signaleert Zanetti dat slechts vier van de vijftien aan Civetta toegeschreven schilderijen inderdaad van de hand van deze meester waren. Misschien moeten deze vier schilderijen geïdentificeerd worden als de vier Hiernamaals-luiken die vandaag nog in Venetië zijn.

 

Dit alles leidt tot de conclusie dat het mogelijk, maar hoegenaamd niet zeker is dat de drie Bosch-werken die zich vandaag in Venetië bevinden, oorspronkelijk deel uitmaakten van de collectie van kardinaal Domenico Grimani. Er zijn dan twee mogelijkheden: Grimani bestelde deze werken zelf bij Bosch (wat naar verluidt onwaarschijnlijk is omdat de iconografie van de werken geen verband lijkt te hebben met de kardinaal), of hij kocht ze van een tussenpersoon, die dan de werken ofwel in de Nederlanden ofwel in Italië kocht. Een aantal auteurs die deze laatste mogelijkheid aanhangen, veronderstellen dat Bosch rond 1500 een reis naar Italië maakte. Leonard Slatkes is één van deze auteurs en zijn belangrijkste argument is dat de hoofdfiguur op de triptiek met een Gekruisigde Heilige niet Sint-Wilgefortis is, maar wel Sint-Julia, die speciaal vereerd werd in Brescia. Aikema is integendeel van mening dat het wel degelijk Sint-Wilgefortis is (haar baard was wellicht oorspronkelijk heel dun en werd later verwijderd).

 

Phyllis Williams Lehmann meent dat Bosch in Italië rondreisde omdat de olifant en de giraf op het linkerluik van de Tuin der Lusten grote gelijkenis vertonen met tekeningen van deze dieren door de vroeg-vijftiende-eeuwse reiziger en humanist Cyriacus van Ancona. Wat Lehmann echter niet signaleerde, is dat in Sigismondo Tizio’s laat-vijftiende-eeuwse druk Historiae Senensis een prent van een giraf voorkomt die gebaseerd is op Cyriacus’ tekening. Via in Europa rondreizende kooplui kan Bosch een exemplaar van dit boek, of zelfs kopieën van Cyriacus’ tekeningen in zijn geboortestad leren kennen hebben.

 

Aikema beklemtoont dat de min of meer ‘italianiserende’ elementen in het werk van Bosch op zichzelf staan in contexten die geen technische of stilistische overeenkomsten vertonen met de contemporaine (Noord-)Italiaanse schilderkunst. Maar hoe raakte Bosch dan bekend in Italië en vooral bij kardinaal Grimani? Vanaf het midden van de vijftiende eeuw is er een groeiende interesse vanwege het Italiaanse publiek voor Noord-Europese schilderkunst. Bovendien onderhield karidinaal Grimani’s joodse lijfarts, Abrahàm ben Meir de Balmes, nauwe contacten met de belangrijkste uitgever van joodse boeken in Venetië, de Vlaamse, uit Antwerpen afkomstige handelaar Daniel van Bomberghen. Aikema veronderstelt nu (in navolging van Lorne Campbell) dat Van Bomberghen kort na Bosch’ dood in 1516 Bosch-schilderijen kocht in de Nederlanden en deze kort daarna verkocht aan kardinaal Grimani.

 

Het feit dat op de zijluiken van de triptiek met de Gekruisigde Martelares twee opdrachtgevers overschilderd werden, kan erop wijzen dat de triptiek op deze manier ‘verkoopbaar’ werd gemaakt. Aikema veronderstelt dat Van Bomberghen achter deze manipulatie zat. Hij liet ook twee scènes met een landschap en brandende gebouwen toevoegen, omdat landschappen en branden onderwerpen waren die in de vroege zestiende eeuw succes hadden in Italië als het ging om ‘Vlaamse’ schilderijen. Ook de Heremieten-triptiek en de Hiernamaals-luiken wijzen in dezelfde richting. Waarschijnlijk liet kardinaal Grimani zich bij de aankoop niet leiden door de onderwerpen van de Bosch-schilderijen, maar door zijn ‘artistieke smaak’.

 

Volgens Aikema maakte Bosch dus geen Italië-reis en waren zijn werken pas na 1516 in Italië te zien. Hij is het dan ook niet eens met de auteurs die Bosch-invloeden ontwaren in het werk van Giorgione en zijn kring. Een interessant voorbeeld van een door Bosch beïnvloede Noord-Italiaanse schilder is wel Giovanni Girolamo Savoldo (werkzaam na 1520) wiens werken sterke verwantschap vertonen met onder meer Bosch’ marskramerfiguren en met de Brugse Laatste Oordeel-triptiek. Savoldo was overigens gehuwd met een Nederlandse.

 

Dit is een interessante en stimulerende bijdrage van Aikema, die goed vertrouwd blijkt met de Italiaanse primaire literatuur uit de zestiende eeuw én met de moderne secundaire literatuur rond de kwestie ‘Bosch en Italië’. Zijn visie op de vraag: maakte Bosch een Italië-reis?, is echter nog wat te veel gebaseerd op hypothesen. Vooral de connectie Bosch-Daniel van Bomberghen-kardinaal Grimani vraagt bedenktijd (en verder onderzoek).

[explicit 29 mei 2007]