Landschap en Wereldbeeld van Van Eyck tot Rembrandt Boek omslag Landschap en Wereldbeeld van Van Eyck tot Rembrandt
Bakker, Boudewijn
Non-fictie, kunstgeschiedenis
Uitgeverij Thoth, Bussum
2004
487

Bakker 2004

 

Landschap en Wereldbeeld van Van Eyck tot Rembrandt (Boudewijn Bakker) 2004

[Uitgeverij Thoth, Bussum, 2004, 487 blz.]

 

In hoofdstuk 7 [pp. 136-169] van de handelseditie van zijn proefschrift onderzoekt de Nederlandse kunsthistoricus Boudewijn Bakker de landschappen in de schilderijen van Jheronimus Bosch, Joachim Patinir, Quinten Massijs en Gerard David. Hij komt daarbij tot de conclusie dat het eerste kwart van de zestiende eeuw niet beschouwd dient te worden als een tijd waarin het landschap in de schilderkunst zich begint los te maken van de belerende inhoud, maar integendeel als de bloeitijd van het allegorische landschap in de oude Nederlandse schilderkunst. Met andere woorden: kort na 1500 was het geschilderde landschap nog steeds drager van een geestelijk-allegorische inhoud, al blijft de vraag of dit in even intensieve mate gold voor de zoveelste repliek of bewerking in het atelier van deze schilders en voor het werk van hun vele navolgers [p. 169].

 

Wat het oeuvre van Bosch betreft, onderzoekt Bakker de landschappen in de Hooiwagen, het Weense Laatste Oordeel en de Tuin der Lusten om daaruit te concluderen dat het landschap bij Bosch een wezenlijk en betekenisvol onderdeel uitmaakt van zijn in beeld gebrachte boetepreken en op die manier past binnen de religieuze functie als altaarstuk of devotiepaneel die (‘naar men tegenwoordig algemeen aanneemt’) zijn drieluiken en losse panelen hadden [pp. 136-144]. In vergelijking met andere (vroegere en contemporaine) schilders vormt Bosch echter wel een buitenbeentje. Terwijl bij die andere schilders het landschap voornamelijk bedoeld is om via de schoonheid van de schepping de pure schoonheid van de Schepper te beklemtonen, wordt bij Bosch de zichtbare schepping negatief voorgesteld en primeert een gedachtegang die de wereld verbindt met ijdelheid en valse schijn.

 

De drie door Bakker bestudeerde triptieken volgen naar verluidt een gelijkaardig somber concept, waarbij twee dingen opvallen: enerzijds speelt de wereldgeschiedenis zich van begin tot eind af binnen één enorme landschappelijke ruimte (een ‘wereldlandschap’), anderzijds is de geschiedenis hier een proces waarin zonde en straf het verloop van de wereld van begin tot einde volledig beheersen en waarin geen plaats is voor verzoening en verlossing. Alleen het Weense Laatste Oordeel biedt een element van troost: de twee heiligen op de buitenluiken. Bij Bosch is de christelijke heilsgeschiedenis eerder een onheilsgeschiedenis. De geschiedenis van mens en wereld is volledig getekend door het kwaad en de enkeling die zich tracht te verzetten (zie Bosch’ heiligen) wordt aan alle kanten geteisterd door bedreigingen en verleidingen waartegen alleen het geloof in Christus kan helpen.

 

Het landschap vervult binnen deze iconografie een centrale rol: ‘Soms laat hij de “normale” natuur her en der overwoekeren door bastaardschepsels met veelal sterk erotische en gewelddadige associaties. Op andere plaatsen schildert hij een schitterend gevarieerd, in zijn bijna tastbare “Nederlandsheid” herkenbaar maar kennelijk universeel bedoeld landschap, waarin overal waar men dat niet verwacht tekenen opduiken van onheil: branden, schipbreuken, turkse vlaggen, galg en rad, apen en varkens en bedrijvers van allerhande ondeugd’ [pp. 142-143]. Deze gedachtegang en vooral de drie centrale thema’s in zijn werk (de gevaarlijke verleidelijkheid van de wereld, de zondigheid van de mens en de goddelijke voorbeschikking van zonde en straf) zijn ook terug te vinden bij een aantal oudere en eigentijdse schrijvers: ‘Uit meerdere bronnen blijkt dat veel tijdgenoten van Bosch het gevoel hadden dat ze leefden in een tijd van geestelijke crisis. De door God bedoelde orde leek allerwegen verstoord. Velen verwachtten spoedig het einde der tijden en daarmee het gevreesde Laatste Oordeel’ [p. 143].

 

Met de stellingen dat het landschap bij Bosch een belangrijke betekenisdrager is en dat Bosch’ landschappen doortrokken zijn van het kwaad, kan men het makkelijk eens zijn. Bakker lijkt nochtans het pessimisme van Bosch enigszins te overdrijven doordat hij de positieve aspecten van Bosch’ boodschap minimaliseert: de rol van Christus en van de heiligen in Bosch’ oeuvre wordt onderschat, de aanwezigheid van geredde zielen op het middenpaneel van het Weense Laatste Oordeel wordt niet gesignaleerd en de marskramer op de buitenluiken van de Hooiwagen wordt ‘een weinig hoopvol alternatief’ en ‘een eenzame zwerver in een wereld vol roof en wellust’ [p. 139] genoemd, terwijl het op de volgende bladzijde luidt: ‘Bij de anonieme zwerver buitenop de Hooiwagentriptiek blijft dat in het midden [namelijk of het hier om een element van troost gaat, edb]: is hij de zwervende verloren zoon of een vrome en gekwelde christenpelgrim in een kwaadaardige wereld?’ [p. 140]. Nogmaals kunnen we hier herhalen: op de buitenluiken van zijn triptieken toont Bosch steeds het goede voorbeeld. Over het algemeen geeft Bakker overigens niet de indruk grondig vertrouwd te zijn met de secundaire literatuur over Bosch. Zijn eindnoot 283 [p. 408] kan in dit verband niet anders dan magertjes genoemd worden. Omdat het hier geen monografie over Bosch betreft, is dat wel enigszins begrijpelijk, maar daarom nog niet minder riskant bij het formuleren van generaliserende conclusies.

 

Recensies

 

  • Brigitte Dekeyzer, “Landschappen van de geest”, in: De Leeswolf, jg. 10, nr. 6 (september 2004), pp. 504-505.

 

 

[explicit 28 augustus 2016]