Betrachtungen zum Werke des Hieronymus Bosch Boek omslag Betrachtungen zum Werke des Hieronymus Bosch
Baldass, Ludwig von
Non-fictie, kunstgeschiedenis
1926
Jahrbuch der kunsthistorischen Sammlungen in Wien, Neue Folge - Band I (1926), pp. 103-122

Baldass 1926

 

“Betrachtungen zum Werke des Hieronymus Bosch” (Ludwig Baldass) 1926

[in: Jahrbuch der kunsthistorischen Sammlungen in Wien, Neue Folge – Band I (1926), pp. 103-122]

[Ook vermeld in Gibson 1983: 41 (D1)]

 

Van het kleine aantal werken die “recentelijk” aan Bosch werden toegeschreven, kunnen er slechts drie als zeker authentiek worden beschouwd. De Bruiloft te Kana (Rotterdam) toont naast de satirische ook de diabolische Bosch. De thematiek van het schilderij is voor Baldass een raadsel. Het paneel behoort tot de jeugdwerken van Bosch, maar is niet het werk van een beginneling (een laat jeugdwerk dus). De Kruisiging (Brussel) sluit veel minder aan bij de Zuid-Nederlandse schilderkunst van de vijftiende eeuw dan Friedländer wil doen uitschijnen. Ook dit paneel behoort tot Bosch’ late jeugdperiode. De Kruisdraging (Wenen) is eveneens een laat jeugdwerk, maar rijper dan de Bruiloft te Kana. Baldass situeert het paneel omstreeks 1480. Het zou een zelfportret van Bosch als ongeveer dertigjarige bevatten (de man die aan de linkerbenedenrand de toeschouwer staat aan te kijken). De achterkant van het paneel met een naakt kindje en een looprek zorgt weer voor interpretatieproblemen. Wordt de wereld opgevat als een spelend kind of is het kind de jeugdige Christus? Het verloren gegane andere zijpaneel zou wellicht de oplossing van het raadsel kunnen bieden.

 

Bosch heeft een grote verbeeldingskracht, niet alleen in zijn uitbeeldingen van hel en paradijs, maar ook in triptieken als de Hooiwagen en de Tuin der Lusten, die uit het niets verzonnen lijken te zijn. Ook in zijn genreschilderingen is Bosch hoogst origineel. De didactisch-satirische aarde van deze laatste is verwant aan de vroege Duitse kopergravures (Meister E.S.). Bosch staat op de grens van middeleeuwen en renaissance: enerzijds is er zijn onnaturalistische vormentaal waarin niet het uiterlijke, maar wel de betekenis van de dingen primair is, anderzijds de ethische behandeling van religieuze thema’s en de grote verbeeldingskracht. De oorsprong van zijn stijl is nog niet opgehelderd. Bosch vertoont verwantschap met Geertgen tot Sint-Jans (veel minder met de Meester van de Virgo inter Virgines). Baldass maakt terloops ook gewag van een “Meester van ’s-Hertogenbosch”: de gravures van Alaert du Hameel zouden niet teruggaan op Bosch, maar op werken “zoals die van deze anonieme meester”. De eyckiaanse Laatste Oordeel-panelen (Sint-Petersburg) zouden Bosch direct geïnspireerd hebben.

 

De Bosch-navolging in de zestiende eeuw valt uiteen in twee groepen: de Antwerpse kunstkringen circa 1520 en de Zuid-Nederlandse kunst circa 1550. Jan Wellens de Cock (Jan van Leyen) en vooral Joachim Patinir behoren tot de eerste groep. Tot de tweede groep behoren Hiëronymus Cock (zoon van Jan de Cock), Jan Mandyn, Pieter Huys en vooral de jonge Pieter Bruegel de Oude.

 

Sinds het dendrochronologische onderzoek van Peter Klein (2001) weten we dat de Rotterdamse Bruiloft te Kana geen Bosch-origineel kan zijn.

 

(explicit)