Afbeeldingen van het Antoniusvuur in het werk van Hiëronymus Bosch Boek omslag Afbeeldingen van het Antoniusvuur in het werk van Hiëronymus Bosch
Bauer, V.H.
Non-fictie, kunstgeschiedenis
1972
R.-H. Marijnissen e.a., "Hiëronymus Bosch", Arcade, Brussel, 1974 (2) (eerste uitgave: 1972), pp. 211-216

Bauer 1972

 

“Afbeeldingen van het Antoniusvuur in het werk van Hiëronymus Bosch” (V.H. Bauer) 1972

[in: R.-H. Marijnissen e.a., Hiëronymus Bosch, Arcade, Brussel, 1974 (2) (eerste uitgave: 1972), pp. 211-216]

[Ook vermeld in Gibson 1983: 105 (E188)]

 

Bauer bespreekt het Antonius-vuur in het werk van Bosch. Met ‘Antonius-vuur’ wordt moederkorenvergiftiging of ergotisme bedoeld: een aandoening die veroorzaakt wordt door een giftige plant en leidt tot hevige inwendige pijnen en het afsterven van ledematen of tot epileptische aanvallen. De kloosterorde der Antonianen legde zich toe op het verplegen van deze zieken.

 

Bosch moet (blijkens zijn afbeeldingen ervan) goed vertrouwd geweest zijn met de ziekte. Men mag dus ook vermoeden dat hij met de orde der Antonianen in betrekking heeft gestaan en van hen misschien opdrachten heeft gekregen. Op het middenpaneel van de Weense Laatste Oordeel-triptiek zien we een monster met gezwollen buik: de wangen zijn overdekt met blaren, aangezicht en voeten zijn blauw, de benen zijn verschrompeld, de handen zijn perkamentkleurig. Dit zijn allemaal kenmerken van moederkorenvergiftiging. Het monster draagt een kaproen: de verpleegden moesten dit kledingstuk dragen. Waarom is dit detail ondergebracht bij de hellestraffen? Het roosteren aan een braadspit is een toespeling op de fysieke pijnen waarmee de ziekte gepaard gaat: men heeft het gevoel innerlijk te verbranden (vandaar Antonius-vuur).

 

Op het middenpaneel van de Lissabonse Antonius-triptiek staat een gebouw in brand: het heeft de architectuur van de toenmalige hospitalen van de Antonianen (de toren is bekroond met een tau of Antonius-kruis). De houten stelt van de kreupele blinde met een draailier wijst erop dat dit een slachtoffer is van Antonius-vuur. Deze iconografie is merkwaardig: gewoonlijk zijn de zieken beschermelingen van Antonius, hier gaat het om een kwelgeest (zie de klauw aan zijn voet). De man met de hoge hoed heeft een kruk bij zich, zijn afgeknelde rechtervoet ligt op een doek, links zien we een voetboei. Het verlies van de rechtervoet kan een gevolg zijn van Antonius-vuur. Dit zijn duivels die de gedaante hebben aangenomen van arme stakkers waarover de heilige zich pleegt te ontfermen. De duivel bedriegt Antonius. Verstoten door de Kerk en verstoken van het Heilig Sacrament (slechte reputatie van speellieden en zwervers) gaven deze zwervende mensen zich over aan de duivelsdienst. Bauer verwijst ook naar de bedelaar op het rechterbuitenluik van het Weense Laatste Oordeel en op enkele bedelaars en kreupelen op tekeningen van/naar Bosch.

 

Wat de scène met het varken op het middenpaneel in Lissabon betreft: het varken was een attribuut van Sint-Antonius. De Antonianen lieten varkens rondlopen met een belletje die door het volk werden vetgemest en vervolgens geslacht werden zodat het vlees kon worden uitgedeeld. Hier echter wordt een gespietst varken aangevoerd door monsters: rad en beulshoed met fazantenveder verwijzen naar het galgenveld. Beul, vilder, rad en galg zijn motieven van de planeet Saturnus en haar kinderen (zie de Planetenkinderbilder). De kreupele, de arme boer, de eremiet en de gevangene zijn kinderen van Saturnus (in prenten vindt men ook steeds een gevangene die in een prang gekneld zit: de voetboei op het Lissabonse middenpaneel neemt misschien de plaats in van een prang).

 

Op het Antonius-paneel in het Prado zijn blijkbaar geneeskrachtige kruiden geschilderd (moederkoren werd ook gebruikt om moeders bij bevallingen te helpen). De middeleeuwse mens stond machteloos tegenover Antonius-vuur en riep daarom heiligen aan, in dit geval Sint-Antonius. Leden van de Antonius-broederschap droegen als kenteken een kostbare halsketting waaraan een zilveren Antonius-kruis (tau) met belletjes hing.

 

In feite is deze bijdrage een korte samenvatting (gemaakt door Edwin Maria Landau) van het proefschrift van Veit Harold Bauer [zie Bauer 1973 en Gibson 1983: 50 (D40)].

 

[explicit]