Ontcijfering van Jeroen Bosch Boek omslag Ontcijfering van Jeroen Bosch
Bax, Dirk
Non-fictie, kunstgeschiedenis
Staatsdrukkerij- en Uitgeversbedrijf, 's-Gravenhage
1948
308 + 132 illustraties

Bax 1948

 

Ontcijfering van Jeroen Bosch (Dirk Bax) 1948

[Staatsdrukkerij- en Uitgeversbedrijf, ’s-Gravenhage, 1948, 308 blz. + 132 ill.]

[Engelse vertaling: Dirk Bax, Hieronymus Bosch. His Picture Writing Deciphered. A.A. Balkema, Rotterdam, 1979, 432 blz.]

[Ook vermeld in Gibson 1983: 51-52 (D44)]

 

Deze monografie van professor Bax (zijn doctoraal proefschrift, verdedigd aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen in januari 1949) is ongetwijfeld een standaardwerk. Bax’ benadering van Bosch kan men ‘cultuurhistorisch’ noemen: om de schilder te begrijpen moet men zich de moeite getroosten om een grondige studie te maken van de taal, de literatuur, de folklore en in feite van de hele culturele geschiedenis van de Lage Landen, plus daarbij van het uitgebreide gebied van de West-Europese kunst, dit alles voor wat de periode van circa 1300 tot circa 1600 betreft. Bovendien zal men ook aandacht dienen te besteden aan bepaalde relevante aspecten van de Duitse en Franse literatuur en folklore.

 

Het lijkt een hele opdracht, maar Bax zelf getuigt in zijn werk voortdurend van een verbazingwekkende belezenheid en een haast encyclopedische materiaalkennis. Zijn grote ‘vondst’ is geweest dat hij in Bosch een soort ‘schilderende rederijker’ zag. De rederijkers van de vijftiende en de zestiende eeuw hadden immers in hun werk een voorkeur voor puzzels, rebussen en andere ‘taalspielereien’. Bax stelt nu dat dit bij Bosch eveneens het geval was, met als enige verschil dat hij gebruik maakte van beelden, en niet van woorden, om (andere) woorden op te roepen. Concreet komt het erop neer dat Bosch’ schilderijen vaak (dus niét altijd) tot in de kleinste onderdeeltjes kunnen opgesplitst worden, waarna dan aan elk stukje van de puzzel een linguïstische, folkloristische of algemeen-culturele referentie vast te knopen is.

 

Deze methode leidt bij Bax vaak tot belangwekkende verhelderingen. Hij stelt bijvoorbeeld dat het gegeven dat de hoofdfiguur van de Marskramer-tondo (Rotterdam) op een schoen en een pantoffel loopt, verband houdt met de oude Nederlandse zegswijze ‘op een schoen en een slof lopen’ die betekent: een verlopen, schamel iemand zijn. In feite is het een minder gelukkig voorbeeld, omdat in dit geval het verband reeds vóór Bax gelegd werd. Het originele van Bax is echter dat hij in praktisch élk detail een soortgelijke referentie meent te zien, wat sporadisch nochtans leidt tot enige intellectuele acrobatiek om de methode die zo vaak vruchtbaar is gebleken, toch maar te doen sluiten. Een goed voorbeeld van dit laatste zijn de bespiegelingen die Bax ten beste geeft naar aanleiding van de rog die aan de vlag van het eend-schip hangt in de rechterbenedenhoek van het middenpaneel van de Antonius-triptiek (Lissabon).

 

Aan een gedetailleerde analyse van deze laatste triptiek is het eerste deel van deze monografie gewijd, waarbij Bax vaststelt dat de symboliek ervan gebaseerd is op de Middelnederlandse taal, op bepaalde zeden en gebruiken en op de meer wereldlijk geïnspireerde beeldende kunsten van de late middeleeuwen. In het tweede deel bespreekt Bax de symboliek van een aantal voorwerpen (trechter, keukenwerktuigen), dieren (uil, vis … ) en personages (bedelaars, carnavalvierders … ) die vaak in Bosch’ oeuvre voorkomen. Meestal blijken deze motieven wel iets te maken te hebben met carnaval of met andere vormen van pretmaken waaruit Bax concludeert dat Bosch deze dingen verafschuwde en ze daarom behepte met diabolische betekenissen. Verder volgen dan nog een aantal kortere analyses van kleinere werken (geen triptieken) en het laatste hoofdstuk biedt een compact overzicht van alle invloeden uit literatuur, beeldende kunsten, toneel, folklore enzovoort die men aan Bosch heeft toegeschreven en waaraan Bax zijn eigen bevindingen toevoegt.

 

Ten slotte trekt Bax een aantal samenvattende conclusies. Bosch was volgens hem een moralist en een satiricus met een sterke voorliefde voor het bizarre (zie de erotiek en de wreedheden in zijn werk, dit alles nochtans behandeld op een cerebraal-symbolische wijze). Alle standen, van paus en keizer tot prelaat en bedelaar, worden door Bosch op de korrel genomen, maar zijn grootste verontwaardiging gaat uit naar mensen van de lagere klassen die een ondeugdzaam leven leiden. Naar verluidt lijkt Bosch’ boodschap wel te zijn: elke zonde is een vorm van dwaasheid, en vooral te veroordelen zijn bandeloosheid en liederlijkheid.

 

Bax waagt zich ook aan een psychologisch portret: Bosch was volgens hem een intelligente, energetische man die de sombere kijk van een boeteprediker had. Toch was hij geen aartspessimist: heil en redding zijn mogelijk want Bosch schilderde soms de hemel, zijn heiligen weerstaan de duivel en zijn landschappen zijn vaak opvallend zuiver. Zijn voorkeur voor het bizarre trok hem echter eerder naar hel en duivel dan naar hemel en engel. Bax wijst ook op de belangrijke iconografische vernieuwingen die Bosch doorvoerde en op het feit dat zijn kritiek op de Kerk niet bewijst dat hij een ketter was. In een appendix volgt dan nog een (zeer kritische) bespreking van Fraengers Das Tausendjährige Reich (zie Fraenger 1947).

 

Deze Ontcijfering van Jeroen Bosch is geen vlotte en gemakkelijke lectuur. Het boek bevat echter zoveel rake bevindingen en interessant referentiemateriaal dat het niet anders dan een onmisbaar apparaat voor de Bosch-studie kan genoemd worden. Wie Bosch ernstig wil bestuderen, kan niet om Bax heen. Jammer daarom dat de taalkloof ervoor gezorgd heeft dat zijn teksten en ideeën pas vanaf de jaren zeventig echt internationele erkenning begonnen te krijgen, onder meer dankzij de Engelse vertaling van onderhavige monografie.

 

Andere reacties

 

  • Massing 1994: 125 (noot 18). Naar aanleiding van de Antonius-triptiek (Lissabon): The best study is still that of Bax (…) who, however, perhaps attempts too systematic an account of every detail as symbolic.

[explicit]