Der Wald, der sieht und hört - Zur Erklärung einer Zeichnung von Bosch Boek omslag Der Wald, der sieht und hört - Zur Erklärung einer Zeichnung von Bosch
Benesch, Otto
Non-fictie, kunstgeschiedenis
1937
Jahrbuch der Preussischen Kunstsammlungen, 58 (1937), pp. 258-266

Benesch 1937

 

“Der Wald, der sieht und hört. Zur Erklärung einer Zeichnung von Bosch” (Otto Benesch) 1937

[in: Jahrbuch der Preussischen Kunstsammlungen, 58 (1937), pp. 258-266. Opnieuw uitgegeven in: Eva Benesch (red.), Otto Benesch. Collected Writings. Volume II: Netherlandish Art of the 15th and 16th centuries – Flemish and Dutch Art of the 17th century – Italian Art – French Art. Phaidon, NewYork-Londen, 1971, pp. 279-285]

[Ook vermeld in Gibson 1983: 129-130 (F4)]

 

Benesch bespreekt de Bosch-tekening die zich onder inventarisnummer 549 in het Berlijnse “Kabinett” bevindt. Hij geeft de tekening de foutieve titel Der Wald, der sieht und hört. De correcte titel is immers manifest Het veld heeft ogen, het woud heeft oren. Deze fout is des te merkwaardiger omdat Benesch de tekening – wél correct ditmaal – in verband brengt met het spreekwoord de boschen hebben ooren, en de velden oogen en met een Nederlandse houtsnede uit 1546 die dit spreekwoord uitbeeldt.

 

De inscriptie – die volgens Benesch door de oorspronkelijke tekenaar werd aangebracht (Bosch dus) – leest hij als volgt: Miserrimi quippe est ingenii semper uti in bestiis et nunquam iucundis. Deze zin (= het is het kenteken van een ongelukkige geest steeds met dieren omgang te hebben en nooit met vriendelijke) komt ook grafisch tot uitdrukking: vogels spotten met een uil. De vogels die zich opgewonden bewegen en krijsen, zijn exotisch (ara’s of iets dergelijks), de twee stille vogels zijn eksters. Eksters in de buurt van een uil zijn ook aanwezig op de Bosch-tekening Het uilennest, die naar verluidt het spreekwoord het is een regt uilennest illustreert, en op de tekening met de Boommens in de Weense Albertina. Deze laatste tekening illustreert geen spreekwoord maar gaat waarschijnlijk terug op een laatmiddeleeuws symbolisch idee dat we ook aantreffen in een kopergravure van de Meester met de Banderollen: de levensboom die in een bootje op het water drijft. Dit idee is ook terug te vinden op Bosch’ Narrenschip (Parijs, Louvre).

 

Ook de vos en de haan aan de voet van de boom in de Berlijnse Bosch-tekening drukken vijandschap uit. Aangezien “Bosch” Wald betekent, had het spreekwoord dat Bosch uitbeeldde, voor hem een speciale betekenis: Bosch tekende hier een eingekleidetes Selbstbildnis. Bosch beeldde zichzelf uit als vos (vergelijk het spreekwoord hij is tot een vos gheworden, hij heft sich versteken), als bos, als boom en als uil. Misschien dacht Bosch van zichzelf hij is soo droefgeestig als een uil. Bosch beeldde zichzelf uit als afstandelijke observator die de wereld waarneemt en haar een spottende spiegel voorhoudt.

 

Het is duidelijk dat deze interpretatie van Benesch verward, oppervlakkig en weinig overtuigend is. Bax noteerde over dit artikel: “Het bos dat hoort zou op Bosch zelf slaan. Dit gaat er nog mee door, maar hij ziet de kunstenaar ook weergegeven in de ogen, de boom, de vos en de uil, wat onaanvaardbaar is” [Bax 1948: 162 (noot 13)]. Het zinnetje bovenaan de tekening luidt overigens in werkelijkheid: ‘Miserrimi quippe est ingenii semper uti inventis et nunquam inveniendis’ (het is immers eigen aan een allerellendigste geest om altijd dingen van anderen te gebruiken en nooit zelf iets te bedenken) [zie Vandenbroeck 1981a: 178].

 

[explicit]