Felicia - Een Jeroen Bosch-roman Boek omslag Felicia - Een Jeroen Bosch-roman
Boni, Armand
Fictie, roman
D.A.P. Reinaert Uitgaven, Brussel
1966
231

Boni 1966

 

Felicia – Een Jeroen Bosch-roman (Armand Boni) 1966

[Roman, D.A.P. Reinaert Uitgaven, Brussel, 1966, 231 blz.]

 

‘Niets is funester voor een waarachtig inzicht in persoon en werk van onze Brabantse schilder (…) dan de historische romans, of wat daarvoor moet doorgaan’, schreef pater Gerlach in 1967 naar aanleiding van onder meer de Bosch-roman Felicia van de Vlaamse priester-schrijver Armand Boni [P. Gerlach O.F.M. Cap., “De interpretatie van Jeroen Bosch”, in: Brabantia, XVI (1967), p. 185]. Vanuit kunsthistorische optiek had pater Gerlach natuurlijk gelijk. Maar bovendien is ook de zuiver literaire waarde van het boek – waarover Gerlach niet kon en wilde oordelen – gering. Dat heeft voornamelijk te maken met het volgende.

 

Boni slooft zich 219 bladzijden lang uit om Bosch voor te stellen als een man die door en door getraumatiseerd was door zijn huwelijk: zijn licht-frigide vrouw Felicia baart namelijk slechts dode of misvormde kinderen. Jeroen wijt dit aan zijn eigen, zogenaamd duivelse bezetenheid en reageert het af in zijn schilderijen. Dat gaat dan zo: ‘Ik zal vele naakte vrouwenfiguren doen folteren, denkt Bosch, terwijl hij de druppels bloed van zijn voorhoofd wast en de stuiptrekkingen van Felicia’s lichaam angstig gadeslaat; ik zal de pijnen van de hel uitbeelden, borsten en buiken en geslachtsdelen met pijlen en vorken doorkerven, doch jouw lichaam, Felicia, zal ik koesteren als de weke schaduw van de dood’ [p. 152].

 

Op dat moment hebben we in het boek al kennis gemaakt met Dionysius de Kartuizer (wiens preek in de Sint-Jan historisch én literair tot de betere passages behoort), is Bosch op reis geweest naar Frankrijk waar hij omgang had met de Schelpbroeders en met enkele hoertjes, werd zijn huwelijk geregeld door proost Paulus (de pastoor van Bosch’ parochie wiens beschermeling Jeroen is en wiens alchemistenlaboratorium hij erft) en is hij in de gunst gekomen bij de jonge hertog Filips de Schone. De opvolger van proost Paulus (proost Ansgar, die heimelijk verliefd is op Felicia) slingert Jeroen echter verwijten van ketterij naar het hoofd maar mede op voorspraak van de hertog loopt het goed af voor de schilder. Felicia overleeft een tijdje later ternauwernood haar derde kraambed.

 

Dan (tien pagina’s vóór het einde van de roman) laat Boni Jeroen Bosch ontwaken uit een coma: zijn vrouw Aleid zit nu naast zijn ziekbed en deken Willem Hameker komt hem ervan overtuigen dat hij (Jeroen dus) altijd een trouw lid van de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap is geweest. Jeroen en Aleid trekken zich terug op hun landgoed ‘Het Rodeken’ bij Oirschot maar vestigen zich de volgende winter opnieuw in de stad, waar de kunstenaar kort daarna overlijdt.

 

Deze kunstgreep zet natuurlijk de voorafgaande 219 bladzijden op losse schroeven: dat waren immers slechts koortsbeelden in Bosch’ (rijke) fantasie zodat Boni’s historisch geromantiseer (alle verwikkelingen rond Felicia, Bosch als amateur-alchemist, de reizen naar Frankrijk…) goedgepraat wordt. Meteen staan echter ook de sporadische elementen die wel historisch verantwoord waren (Bosch die miniaturen bestudeert, Bosch die de Hooiwagen en de Tuin der Lusten schildert…) eveneens buitenspel.

 

Voor de lezer is het resultaat van deze tweeslachtigheid: verwarring, onbegrip en het gevoel 219 pagina’s lang op een literair weinig talentvolle manier aan het lijntje te zijn gehouden.

 

Andere reacties

 

  • Ed Hoffman, Jheronimus bosch – Zijn Spiegels – Zijn Verten – Zijn Scheppers – Zijn Werken. Jheronimus Bosch Art Center, ’s-Hertogenbosch, 2007, pp. 65-67: ‘De eerste 200 bladzijden van dit boek vertellen een sappig en krols geschreven schelmenverhaal. En omdat dat slechts een comateuze droom blijkt te zijn, hoeft de schrijver zich niet druk te maken over de vraag of de feiten wel kloppen’.

 

[explicit]