De bezeten visionair - Vijfhonderd jaar controverse over Jheronimus Bosch Boek omslag De bezeten visionair - Vijfhonderd jaar controverse over Jheronimus Bosch
Boom, Henk
Non-fictie, kunstgeschiedenis
Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam
2016
296

Boom 2016

 

De bezeten visionair – Vijfhonderd jaar controverse over Jheronimus Bosch (Henk Boom) 2016

[Athenaeum-Polak &Van Gennep, Amsterdam, 2016, 296 blz.]

[Spaanse vertaling: Henk Boom, El Bosco al desnudo – 500 años de controversia sobre Jheronimus Bosch. A. Machado Libros, Madrid, 2016, 248 blz.]

 

Henk Booms in januari 2016 verschenen boek De bezeten visionair is gebaseerd op een bijzonder aardig idee: een overzicht bieden van de interpretaties en controversen die het oeuvre van Jheronimus Bosch de afgelopen vijf eeuwen gegenereerd heeft. Het werd in het verleden reeds vaker vastgesteld: de secundaire literatuur over Bosch, vooral die van de laatste anderhalve eeuw, is haast even fascinerend én verwarrend als de werken van de Brabantse schilder zelf. Niet in de laatste plaats omdat de omvangrijke en vrijwel onoverzienbare reeks aan Bosch gewijde boeken en artikelen grote kwaliteitsverschillen vertoont (gaande van hilarische onzin over degelijk kunsthistorisch vakwerk tot bijna oninneembare burchten van geleerdheid) en gekenmerkt wordt door hypothesen en bevindingen die elkaar niet zelden vierkant tegenspreken.

 

Voor de niet-ingewijde die tijd (en geld) ontbeert om het allemaal op de voet te kunnen volgen, maakt de Bosch-studie dan ook al gauw de indruk een krabbenmand te zijn waarin alles en iedereen over elkaar heen rolt (een verschijnsel dat overigens geenszins beperkt blijft tot de Bosch-exegese, men denke bijvoorbeeld aan wat er reeds over Kafka, nog zo’n iconische figuur, geschreven werd). Het is dan ook logisch dat een niet-gespecialiseerde lezer zijn voordeel kan doen met iemand die met kennis van zaken het kaf van het koren weet te scheiden, zeker in een jaar waarin Bosch weer een keer volop in de belangstelling staat.

 

Even logisch is vervolgens de vraag of Boom zich met vrucht van deze taak heeft gekweten. Vlot leesbaar is het met zijn 296 bladzijden toch redelijk forse boek alleszins. Niet voor niets is Boom een ervaren journalist: hij hanteert een toegankelijke causeriestijl, schuwt de roddel en de anekdote niet, strooit regelmatig kwinkslagen in het rond en weet zo een breed publiek te boeien. Het boek leest als een romannetje, op twee avonden heb je het makkelijk uit. Bovendien woont Boom in Spanje en spreekt en leest hij vlot Spaans. Dat merk je wanneer hij in de hoofdstukken 3 tot 5 behartenswaardige dingen zegt over de voorliefde van de Spaanse koning Filips II voor Bosch, een bezoek brengt aan het Escorial en dieper ingaat op het oordeel van zeventiende-eeuwse Spaanse auteurs over El Bosco. Boom schrijft op deze pagina’s zo bevlogen dat hij je er bijvoorbeeld toe aanzet om eindelijk maar eens de Sueños (Dromen) van Francisco de Quevedo te gaan lezen (in de vertaling van Barber van de Pol weliswaar). Het is en blijft een compliment waard, wanneer een auteur zijn lezer zodanig kan inpalmen dat deze aangespoord wordt tot verdere lectuur.

 

Op nog andere momenten weet Boom interessante dingen toe te voegen aan de geschiedenis van de Bosch-exegese en toont hij duidelijk aan dat hij het nodige veldwerk heeft verricht. Zo bijvoorbeeld wanneer hij het heeft over de (door het communisme geïnspireerde) Oost-Duitse auteur Wilhelm Fraenger (die in Bosch een aanhanger zag van de ketterse Adamietensekte) of over de wederwaardigheden van enkele Bosch-schilderijen tijdens de Spaanse burgeroorlog. Ook de hoofdstukken waarin hij uitgebreid het gelobby achter de schermen beschrijft in de aanloop naar de dit jaar in ’s-Hertogenbosch en Madrid georganiseerde Bosch-tentoonstellingen en de ambities van het Bosch Research and Conservation Project, hebben een hoge journalistiek-informatieve waarde, ondanks (of net dankzij?) het feit dat Boom hier af en toe excelleert als onverbeterlijke roddeltante. Bovendien wordt regelmatig verwezen naar minder bekende secundaire bronnen over Bosch (vaak van vóór de twintigste eeuw en soms ook van de hand van literaire auteurs zoals Karel Van de Woestijne en Simon Vestdijk). Deze kleine steentjes in het grote mozaïek van de Bosch-receptie zijn weliswaar niet altijd wereldschokkend, maar zonder uitzondering toch boeiend.

 

Wanneer het gaat om het eigenlijke overzicht van Bosch-interpretaties (vooral die van de laatste vijftig jaar), valt op dat zowat iedereen vroeg of laat aan bod komt (de een al wat meer dan de ander), al dient toegegeven dat er nooit werkelijk diep wordt ingegaan op de visie van een auteur en dat Booms tekst nogal rommelig is gestructureerd, wat de niet in Bosch gespecialiseerde lezer vermoedelijk een gevoel van verwarring zal bezorgen. De behandelde materie is natuurlijk ook in hoge mate complex, maar dat laat onverlet dat Boom zich niet altijd even trefzeker toont als gids doorheen Bosch-land. Reeds in het eerste hoofdstuk is hij minder gelukkig als hij de Bosch-studie meent te kunnen indelen in twee hoofdstromingen: enerzijds de didactisch-moraliserende interpretatie die religie en de Bijbel centraal stelt, anderzijds de iconografisch-iconologische stroming die Bosch’ symboliek terugplaatst in de cultuurhistorische context. Het is ronduit merkwaardig dat Boom blijkbaar niet doorheeft dat het hier om één en dezelfde Bosch-benadering gaat. Als er al een tweedeling is vast te stellen in de Bosch-literatuur, dan lijkt het veel logischer enerzijds een ‘gematigde’, cultuurhistorische benadering te onderscheiden en daar vervolgens een ‘alternatieve’ reeks van benaderingen (Bosch als alchemist, ketter, Rozenkruiser, drugsgebruiker, anaal- geobsedeerde enzovoort) tegenover te stellen.

 

Bovendien doet Boom zijn best om de recente Bosch-exegeten voor te stellen als een bende kemphanen die niets leuker vinden dan elkaar in de haren vliegen en andermans inzichten met de grond gelijkmaken in voetnoten. Niemand zal uiteraard beweren dat iedereen het altijd eens is als het over Bosch gaat maar – Boom lezende – kan een buitenstaander makkelijk de indruk krijgen dat al die zogenaamde Bosch-kenners het ook niet weten en als een blinde naar het ei slaan. Wat dan op de achterflap leidt tot het belachelijke (hopelijk als blurb bedoelde) zinnetje: ‘Vijfhonderd jaar na de dood van Jheronimus Bosch weten we nog altijd niets over de schilder’.

 

Het is een denkfout die je wel vaker aantreft in verband met de Bosch-literatuur. Om dit even te verduidelijken met een metafoor: men stelt vast dat een muur door de enen wit, zwart of groen, door anderen weer rood, blauw of geel wordt genoemd en concludeert daaruit dat ze allemaal fout zitten. Terwijl die muur in werkelijkheid wel degelijk wit is. De juiste conclusie is in dit geval niet dat iedereen slechts wat raaskalt, maar dat zij die de muur wit noemen, gelijk hebben en dat de anderen zich – beleefd gezegd – vergissen. ‘Waar de ene auteur een specht ziet, ziet de ander een koolmeesje,’ noteert Boom cynisch op pagina 39. Ik zou zeggen: en dan? Als Bosch nu inderdaad een koolmeesje schilderde, moet dan iedereen geridiculiseerd worden omdat sommigen een vogel niet correct weten te determineren? En nog een stap verder: mag je die ‘specht-auteurs’ er dan niet vriendelijk op wijzen dat het om een koolmees gaat? Je loopt dan wel het risico door Boom arrogant en eigenwijs bevonden te worden.

 

Bij sommige (let wel: zeker niet àlle) Bosch-auteurs valt het op dat zij anderen bepaalde dingen verwijten om zich vijf minuten later aan precies diezelfde dingen te bezondigen. Niet alleen ikzelf word arrogant genoemd (op pagina 189), maar ook de Bossche bobo’s rond burgemeester Rombouts en de medewerkers van het Bosch Research and Conservation Project wordt hetzelfde verweten (in hoofdstuk 8). Het minste wat je van Boom kan zeggen, is dat hij af en toe onhoffelijke dingen noteert. Marijnissen (‘de decaan van de Vlaamse Bosch-exegeten’) en Paul Vandenbroeck (‘een veelgeciteerde Vlaamse Bosch-connaisseur’) komen er nog best goed van af, maar Fritz Koreny is ‘de Oostenrijkse Bosch-goeroe’, Bernard Vermet is ‘een verwarde provocateur’ en ikzelf ben ‘de Bosch-profeet uit Antwerpen’. Of zou het allemaal tongue-in-cheek bedoeld zijn?

 

Bijzonder komisch (en toch zeker ook wel een ietsepietsie arrogant) is in elk geval dat Boom zich tien hoofdstukken lang uitslooft om aan te tonen dat de Bosch-studie grotendeels een samenraapsel is van gebakken lucht en eigenlijk niet veel meer dan wat onschadelijk kunsthistorisch getier langs de zijlijn, om vervolgens in de laatste hoofdstukken plots precies hetzelfde te doen als al die andere, door hem geviseerde Bosch-auteurs. Ondanks zijn belofte in het voorwoord dat hij ‘geenszins de pretentie (had) om met dit boek op de stoel van de kunsthistoricus te gaan zitten’. In die laatste hoofdstukken brengt Boom een nieuwe, gedeeltelijk uit de eigen koker komende interpretatie van de Tuin der Lusten.

 

Volgens Boom stelt het rechterluik het vagevuur voor en zien we op het middenpaneel het aards paradijs nà de Zondeval dat volgens middeleeuwse opvattingen dienst deed als een soort wachtkamer vóór de hemel, bestemd voor de zielen die gelouterd uit het vagevuur waren gekomen. ‘De bedoeling van Bosch is duidelijk’, luidt het categorisch op pagina 283. Ik zou in dat geval dan toch graag even horen waar de engelen zijn die bij dat aardse paradijs als wachtkamer horen (vergelijk bijvoorbeeld het linkerluik van de Brugse Laatste Oordeel-triptiek of het Aards Paradijs-paneel in Venetië), waarom er zich zeemeerminnen en zeeridders in dat aards paradijs bevinden, waarom er zich op het middenpaneel wél en op het rechterluik géén zwarten bevinden, en of de niet weinige toespelingen op homoseksualiteit op het middenpaneel volgens de middeleeuwers ook pasten bij ‘zielen die gelouterd uit het purgatorium zijn gekomen’. ‘Het staat eenieder vrij om in Bosch te zien wat hij of zij wil zien’, citeert Boom de Bosch-catalogus van Rotterdam 2001 en ‘zo heeft iedereen zijn eigen Bosch’. Daar is geen speld tussen te krijgen, maar ik persoonlijk vind wel dat je daarbij duidelijk moet aangeven op welke stoel je gaat zitten. Zeker als je een boek schrijft waarin je de visies van anderen danig op de kritische korrel neemt.

 

In dat verband ligt er ten slotte nog een laatste kalf gebonden in De bezeten visionair. Daarmee bedoel ik dan niet de sporadische bokjes die Boom schiet. Dat een hopke (bedoeld is de vogel) in het Middelnederlands zou betekend hebben ‘een wipje, naar de hoeren gaan’ (p. 40) bijvoorbeeld (correct is dat hopken onder meer een woord voor ‘hoer’ was). Of dat hij op bladzijde 84 Ambrosio de Morales en Felipe de Guevara in 1570 laat onderhandelen met gezanten van Filips II over de aankoop van schilderijen, terwijl Felipe al overleden was op dat moment. Of dat Hendrik III van Nassau nu eens de oom, dan weer de neef van Willem van Oranje wordt genoemd (pp. 72 / 236 / 276, oom is correct). Of dat Laurinda Dixon koppig Laura blijft genoemd worden doorheen het boek. Zulke slordigheidjesfoutjes worden gemaakt door iedereen die niet grondig vertrouwd is met de omvangrijke secundaire literatuur rond Bosch en kunnen makkelijk vergeven worden, zelfs door miezemuizers.

 

Bedenkelijker is nochtans dat Boom soms personen in een dubieus daglicht stelt door hen zaken te laten zeggen die zij nooit gezegd hebben. Een duidelijk voorbeeld hiervan op bladzijde 65. Boom bezoekt daar met een Spaanse kunsthistorica de slaapkamer van Filips II in het Escorial, waar zij concluderen dat het Tafelblad met de Zeven Hoofdzonden nooit aldaar aan het plafond kan hebben gehangen, zoals Marijnissen ooit suggereerde. De waarheid hier is dat Marijnissen wel veronderstelde dat het Tafelblad als plafonddecoratie gediend heeft, maar natuurlijk niet in de slaapkamer van Filips II ‘zodat de vorst er liggend in zijn bed naar kon kijken’. Of het Tafelblad nu al dan niet door Bosch zelf werd geschilderd, het werd in elk geval nooit besteld door Filips II, en al zeker niet voor het Escorial, dat pas vanaf 1563 werd gebouwd. Op vergelijkbare wijze laat hij mij op pagina 186 zeggen dat aan dieren bij Bosch verschillende betekenissen moeten worden toegeschreven als zij op verschillende panelen voorkomen, terwijl zij dezelfde betekenis hebben binnen hetzelfde paneel. Waarbij ‘paneel’ vanzelfsprekend vervangen moet worden door ‘context’.

 

Henk Booms De bezeten visionair is gebaseerd op een aardig idee, geeft de lezer een niet onverdienstelijke, met de nodige luim geschreven eerste indruk van de Bosch-exegese en vertelt af en toe boeiende nieuwe dingen. Het is een boekje dat ik elke lezer zou durven aanraden in dit op Bosch gerichte jaar 2016. Maar op een dieper gravende en wat steviger gestructureerde geschiedenis van de moderne en oudere Bosch-receptie zal het toch nog even wachten worden.

 

Recensies

 

  • Eric De Bruyn, “Over Henk Booms De bezeten visionair”, in: Bossche Kringen, jg. 3, nr. 4 (juli 2016), pp. 59-62 [zie de bovenstaande tekst].

 

Verdere lectuur

 

  • Theo van de Zande, “’Den Bosch was te arrogant’ – De Bezeten Visionair is nieuw boek rond strijd om het werk van Jeroen Bosch”, in: Brabants Dagblad, 30 januari 2016, p. 15.

 

De Spaanse vertaling van dit boek komt niet helemaal overeen met het Nederlandse origineel. Er werden enkele foto’s toegevoegd (onder meer van Wilhelm Fraenger, Miguel Zugaza en Pilar Silva Maroto), sommige passages werden geschrapt (vooral die waarin minder bekende Nederlandse auteurs of kwesties aan bod komen) en andere werden toegevoegd. In het bijzonder de hoofdstukken 7 en 8 ondergingen aanpassingen: de recente ‘verwikkelingen’ tussen het BRCP-project en het Prado komen hierin aan bod, maar op de inhoud van bovenstaande recensie heeft dat alles geen invloed.

 

[explicit 4 september 2016]