Panorama op de wereld - Het landschap van Bosch tot Rubens Boek omslag Panorama op de wereld - Het landschap van Bosch tot Rubens
Cat. 's-Hertogenbosch 2001 (Paul Huys Janssen e.a.)
Non-fictie, kunstgeschiedenis
Tentoonstellingscatalogus ('s-Hertogenbosch, Noordbrabants Museum, 17 maart-10 juni 2001), Noordbrabants Museum-Waanders Uitgevers, 's-Hertogenbosch-Zwolle
2001
224

Cat. ‘s-Hertogenbosch 2001

 

Panorama op de wereld. Het landschap van Bosch tot Rubens

(Paul Huys Janssen e.a.) 2001

[Tentoonstellingscatalogus (’s-Hertogenbosch, Noordbrabants Museum, 17 maart-10 juni 2001), Noordbrabants Museum-Waanders Uitgevers,’s-Hertogenbosch-Zwolle, 2001, 224 blz.]

 

Deze uitgave bevat naast een inleiding en een catalogus van de tentoongestelde werken drie wetenschappelijke bijdragen (van Hans Devisscher, Edwin Buijsen en Koenraad Brosens). In zijn bijdrage schrijft Hans Devisscher over Bosch [p. 15]: ‘Waar Van Eyck eerder een observator lijkt, weet Bosch zich meer in te leven in zijn landschappen en ze met een heel eigen sfeer te begiftigen. Bovendien hanteert hij in een aantal werken, bijvoorbeeld op het middenpaneel van De hooiwagen, de sfumato-techniek waardoor de achtergronden gaandeweg vervagen. Daarnaast werkt hij reeds met een opdeling in drie kleurenplans – een bruine voorgrond, een groen middenplan en een blauwe achtergrond -, een werkwijze die de hele zestiende en zeventiende eeuw bijzonder populair zal zijn’.

 

In de tentoonstellingscatalogus zelf komen in verband met Bosch vijf interessante werken aan bod.

  • Het dubbelpaneel De Heilige Jacobus en Hermogenes de magiër / Kloosterhuis van volgelingen van de H. Antonius (Valenciennes, Musée des Beaux-Arts) [pp. 82-89, met duidelijke kleurafbeeldingen] (vergelijk verder infra);
  • De gravure met De boommens (beïnvloed door het rechterluik van de Tuin der Lusten [pp. 89-90];
  • De Bosch-navolging De verzoeking van de H. Antonius (Berlijn) [pp. 90-91, met kleurafbeelding];
  • En ten slotte twee door Hieronymus Cock uitgegeven prenten, misschien naar ontwerpen van Bosch (?): één uitgevoerd door Johannes en Lucas van Doetecum (een Antonius-verzoeking), en één uitgevoerd door Jan Wellens de Cock (een Christoffel) [pp. 92-93].

 

Het belangrijkste onderdeel van de tentoonstelling en van de catalogus is ongetwijfeld de (door Paul Huys Janssen geschreven) commentaar bij catalogusnummer 1 [pp. 82-89]: het dubbelpaneel van Valenciennes. Volgens Huys Janssen dient de oorspronkelijke toeschrijving aan Jeroen Bosch te worden heroverwogen [p. 86] en hij voert daarvoor twee argumenten aan. Hieronder wordt deze argumentatie uitgebreid besproken.

 

Het eerste argument van Huys Janssen

 

Het gaat naar verluidt om kwalitatief hoogstaande voorstellingen. Wat Huys Janssen hier precies mee bedoelt, wordt uit zijn tekst niet erg duidelijk, en bovendien hebben wij persoonlijk altijd gevonden dat de kwaliteit van deze twee voorstellingen mijlenver beneden het niveau van Bosch staat. Wij staan daarin overigens niet alleen. Ofschoon Friedländer in 1927 dit dubbelpaneel nog als een originele Bosch beschouwde, wordt in de latere literatuur de eigenhandigheid ervan afgewezen. In 1946 stelt Combe vast dat de kant met het Antonius-klooster niets van de kunst van Bosch heeft (de kant met Jacobus en Hermogenes beschouwde hij als een oude kopie van een origineel Bosch-werk) [Combe 1946: 95, cat. nrs. 120 en 121]. Tolnay [Tolnay 1965: 384-385, cat. nr. 57] wees op de inferieure kwaliteit van het geheel en op de totaal van Bosch afwijkende penseelvoering. Gerd Unverfehrt [Unverfehrt 1975: 135-137 en Unverfehrt 1980: 133-137/242, cat. nr. 7] ging nog verder. Volgens hem is het dubbelpaneel van Valenciennes zelfs geen kopie en bevindt het zich aan de grens van de herkenbare Bosch-invloed. Hij situeert het werk rond 1500-10 en schrijft het samen met nog drie andere werken toe aan een slechts matig door Bosch beïnvloede Hollandse meester uit Haarlem of Leiden, die hij de noodnaam Meester van het dubbelpaneel van Valenciennes meegeeft.

 

Huys Janssen signaleert wel nog dat, net als op originele Bosch-werken, de ondertekening op verscheidene plaatsen te zien is en de verf erg dun is opgebracht. Bovendien zijn de duivelse wezens geschilderd in de trant van Bosch. Maar techniek en stijl zijn toch zaken die kunnen geïmiteerd worden? Verder stelt Huys Janssen dat het landschap op de Antonius-zijde overeenkomt met het landschap op Bosch’ Aanbidding der Wijzen-drieluik (Madrid, Prado). Wij zijn niet van slechte wil, maar als wij de twee door Huys Janssen bedoelde schilderijen met elkaar vergelijken, dan zien wij in het ene geval het product van een geniale schilder op de toppen van zijn kunnen, en in het andere geval het werk van een bijzonder middelmatig begaafd iemand.

 

Uit dit alles blijkt nog maar eens hoe subjectief het oordeel van kunsthistorici over stijl en kwaliteit soms kan zijn, wat nog niet hoeft te betekenen dat alle kunsthistorici ongeloofwaardig zijn. Het betekent enkel dat sommige vakspecialisten beter kijken dan andere. In onderhavig geval kan het onmogelijk zo zijn dat het dubbelpaneel van Valenciennes tegelijk een originele Bosch is, én ternauwernood herinnert aan de stijl van Bosch. Eén van de twee opvattingen zit fout, zoveel is zeker. En dan lijkt het ons dat Huys Janssen met sterkere argumenten uit de hoek moet komen dan een aanvechtbare subjectieve indruk, om de Bosch-kenners alsnog te overtuigen van de authenticiteit van het in Valenciennes bewaarde dubbelpaneel. Huys Janssen heeft echter nog een tweede argument achter de hand. Misschien heeft dit meer bewijskracht?

 

Het tweede argument van Huys Janssen

 

Dit argument heeft te maken met de herkomst van het dubbelpaneel. Het werd in 1796 tijdens de Franse Revolutie in beslag genomen bij de Prinsen van Croÿ-Solre, een familie waarvan de voorouders belangrijke posities vervulden aan het Bourgondische hof. In de vijftiende en zestiende eeuw waren een aantal Van Croÿ’s kunstliefhebbers, sommige van hen kwamen wel eens in ’s-Hertogenbosch en de naam Van Croÿ komt voor op de ledenlijsten van de Bossche Onze-Lieve-Vrouwe-broederschap. Karel van Croÿ (1560-1612) bezat vijf werken die toentertijd werden toegeschreven aan Bosch. Twee van deze voorstellingen, beide een Antonius-verzoeking in een zwarte vergulde lijst, zijn volgens Huys Janssen identiek aan het dubbelpaneel van Valenciennes, waarbij we dienen te veronderstellen dat in de archiefbron de voorstelling met Jacobus en Hermogenes foutief werd geduid als een Verzoeking van Antonius.

 

Deze gegevens tonen wel aan dat het geslacht-Van Croÿ rond 1500 contacten kàn hebben gehad met Bosch en dat Karel van Croÿ Bosch-werken (of wat daarvoor werd aangezien) bezat, maar dat is dan ook alles. Hoe zou immers uit de door Huys Janssen verstrekte informatie onomstotelijk moeten blijken dat het dubbelpaneel in Valenciennes een originele Bosch is? Wanneer we bovendien de door hem gebruikte bron opslaan [Steppe 1967: 23], blijkt er iets merkwaardigs aan de hand. Steppe citeert een van rond 1600 daterende inventaris van de inboedel van het kasteel van de hertogen van Croÿ te Heverlee bij Leuven (het huidige Arenberg-kasteel), en daaruit blijkt duidelijk dat de door Huys Janssen bedoelde Antonius-verzoekingen in twee verschillende lijsten hingen, en zelfs in twee verschillende zalen. Hoe kan het hier dan om het huidige dubbelpaneel van Valenciennes gaan, of moeten we het zo zien dat deze beide panelen in latere tijden aan elkaar geplakt werden?

 

Het zal duidelijk zijn dat ook dit tweede argument van Huys Janssen even zwak uitvalt als het eerste en dat er voorlopig geen enkele reden is om het dubbelpaneel van Valenciennes te beschouwen als een origineel Bosch-werk.

 

[explicit]