Jeroen Bosch Boek omslag Jeroen Bosch
Cohen, Edward
Non-fictie, kunstgeschiedenis
Amsterdam Boek, Weert
1975
96

Cohen 1975

 

Jeroen Bosch (Edward Cohen) 1975

[Amsterdam Boek, Weert, 1975, 96 blz.]

[Ook vermeld in Gibson 1983: 3 (A13)]

 

Deze beknopte inleiding voor leek en liefhebber (aldus de binnenflap) sluit nauw aan bij Bax en bij de visie die Bosch beschouwt als een moralist. Met humor die soms neigt tot bijtende satire en met letterlijke uitbeeldingen van spreekwoorden en zegswijzen neemt Jeroen de zwakheid van de zondige mens op de korrel. Daarnaast meent Cohen enkele nieuwe details te kunnen toevoegen aan de Jeroen Bosch-kunde. Het belangrijkste daarvan is de vaststelling dat naaktheid (zolang deze niet gepaard ging met het onbeschaamd-geslachtelijke) in de middeleeuwen helemaal niet zo schokkend werd ervaren als nu en dat bijgevolg een drieluik als de Tuin der Lusten niet zozeer erotisch is omwille van de blote figuurtjes, dan wel omwille van de vele symbolen en attributen van de wellust die erin gebezigd worden.

 

Cohen, die zelf joods is, besteedt ook een hoofdstuk aan joodse elementen in de schilderijen van Bosch en dit leidt weer tot een paar constataties die tot nu toe weinig aandacht kregen van de Bosch-kenners. Cohen heeft het onder meer over het handgebaar van het kindje Jezus in de Aanbidding van het Kind te Keulen, naar verluidt een verkeerde weergave van een typisch joods-ritueel zegengebaar: de kohaniem. Vergelijk echter ook Cohen 1984 waar corrigerend gesteld wordt dat het niet om een joods maar om een christelijk ritueel gebaar gaat. Cohen signaleert verder het boek op de schoot van Johannes in de Berlijnse Johannes op Patmos (Johannes schrijft van rechts naar links en dus in het Hebreeuws, maar Bosch maakte een vergissing: het boek had een rol moeten zijn), de politieke dubbele bodem van de Rotterdamse Bruiloft te Kana (Bosch zou hier bekeerde joden hekelen) en de eigenaardige figuur in de stal op de Aanbidding der Wijzen te Madrid. Deze figuur zou de joodse Messias zijn, te herkennen aan de gouden ketting die volgens een oude legende zijn handen bindt. De wonde aan zijn scheenbeen, die hem volgens de Talmud als melaatse kenmerkt, wordt hier bedekt door een doorzichtige koker.

 

Minder overtuigend is Cohen wanneer hij in navolging van Mosmans en Brion zelfportretten van Bosch wil herkennen in de Aanbidding der Wijzen (Philadelphia) en de Doornenkroning (Madrid). Gewoon vergezocht is zijn hypothese dat de Christus-figuur op dit laatste schilderij een portret van Albrecht Dürer zou zijn: Bosch spot hier naar verluidt met de ijdelheid van Dürer, die zichzelf ook wel eens als Christus afbeeldde.

 

[explicit]