Exotica Boek omslag Exotica
Colenbrander, Herman
Non-fictie, kunstgeschiedenis
2010
Eric De Bruyn en Jos Koldeweij (red.), "Jheronimus Bosch - His Sources - 2nd International Jheronimus Bosch Conference, May 22-25, 2007, Jheronimus Bosch Art Center, 's-Hertogenbosch, the Netherlands", Jheronimus Bosch Art Center, 's-Hertogenbosch, 2010, pp. 73-89

Colenbrander 2010

 

“Exotica” (Herman Colenbrander) 2010

[in: Eric De Bruyn en Jos Koldeweij (red.), Jheronimus Bosch. His Sources. 2nd International Jheronimus Bosch Conference, May 22-25, 2007, Jheronimus Bosch Art Center, ’s-Hertogenbosch, The Netherlands. Jheronimus Bosch Art Center, ’s-Hertogenbosch, 2010, pp. 73-89]

 

In het verleden werd reeds gewezen op een aantal prenten, boekillustraties en tekeningen als mogelijke bronnen voor de exotische planten en dieren in Bosch’ Tuin der Lusten. In verband met de palmboom, de drakenbloedboom, de olifant, de giraf, de dromedaris, de herten, de antilopen en het vreemde dier dat doet denken aan een Indische geit, kan men geen geschreven bronnen aanwijzen maar de beeldbronnen die Bosch zouden kunnen geïnspireerd hebben, zijn evenmin erg bevredigend. Bij het weergeven van fauna en flora ging Bosch niet natuurgetrouw te werk, hij schilderde hen zelfs met veel fantasie. De aardbei, de madroño en de drakenbloedboom zijn nochtans duidelijk herkenbaar. De madroño is de vrucht van de aardbeiboom (arbutus unedo) die alleen groeit op het Iberisch schiereiland. De drakenbloedboom was evenmin endemisch in Brabant: hij komt oorspronkelijk van de Canarische Eilanden en Madeira, maar reeds in 1494 kon men uit zaad geteelde exemplaren zien in Lissabon en Sevilla. Deze twee voorbeelden tonen aan dat het gebied waaruit Bosch zijn inspiratie haalde, niet moet gezocht worden in Italië of het Midden Oosten maar wel in het westelijk deel van het Middellandse Zee-gebied, meer bepaald op het Iberisch schiereiland. De vraag is dan: op welke wijze verkreeg Bosch zijn kennis van deze en andere exotische elementen in de Tuin?

 

Ten eerste mag men niet vergeten dat ’s-Hertogenbosch zich niet zo ver van Antwerpen bevindt, in die tijd één van de belangrijkste havens van het noorden. Antwerpen onderhield intensieve handelsrelaties met het zuiden van Europa. Bosch kan inspiratie hebben gezocht bij afbeeldingen en exemplaren die door reizigers en schepen naar Antwerpen werden gebracht vanuit Portugal, Spanje, de Canarische Eilanden, de Azoren en Amerika. De mogelijkheid dat Bosch zelf naar het Iberische schiereiland reisde, kan evenmin uitgesloten worden. In dit artikel signaleert Colenbrander echter een ander kanaal waarlangs Bosch zijn kennis van exotica in de Tuin kan hebben verworven: het hof in Brussel.

 

Bosch was geen vreemde aan het hof in Brussel. Filips de Schone bezocht als hertog van Brabant verscheidene malen ‘s-Hertogenbosch. Bosch had ook contacten met Hendrik III van Nassau, één van de belangrijke ridders aan het hof. In diens Brussels paleis bevond zich de Tuin. Ofschoon het enige harde bewijs dat we bezitten, de bestelling van een Laatste Oordeel door Filips de Schone is, kunnen anderen aan het hof diens voorbeeld gevolgd hebben en het is aannemelijk dat Bosch exotische dingen leerde kennen via het Brusselse hof omdat dit hof twee keer voor een redelijk lange periode naar Spanje is gereisd. Bosch’ naam komt niet voor in de lijsten van de deelnemers aan deze reizen, maar de mogelijkheid dat hij toch meereisde, blijft bestaan. Hij had wellicht ook de gelegenheid (zowel in Spanje als in Brussel) om de wonderlijke voorwerpen te bekijken die de ontdekkingsreizigers meebrachten van Amerika, voorstelden aan de koning en tentoonstelden aan het hof. Deze exotica moeten een geweldige indruk hebben gemaakt, maar blijkbaar hebben zij geen sporen nagelaten in de Europese kunst en fungeerden zij niet als inspirerende voorbeelden voor kunstenaars. Het is nochtans tegen de achtergrond van de voortdurende stroom van wilde geruchten en fantastische verhalen over de nieuwe ontdekkingen van paradijselijke plekken en over de goudschatten, parels, wonderlijke voorwerpen, onbekende mensensoorten, dieren, planten en vruchten die naar Europa werden gebracht, dat we de Tuin moeten bekijken.

 

Eén van deze fantastische verhalen betreft de ontdekking van de zogenaamde Verjongingsbron op het eiland Bimini door de Spaanse conquistador Juan Ponce de Léon in 1512. De bron werd ook, mét een illustratie (zie de kleurenafbeelding op p. 80), opgenomen in de Atlas Miller van circa 1519. Voorbeelden zoals dit herinneren aan Bosch’ Tuin en tonen aan dat Bosch vertrouwd was met eigentijdse opvattingen over exotische plekken. Of Bosch zelf naar het buitenland reisde, kan niet met zekerheid gezegd worden. Nochtans hebben Slatkes en Van Dijck erop gewezen dat Bosch vanaf 1504 door zijn collega’s van de Onze-Lieve-Vrouwe-broederschap ‘Jeronimo’ in plaats van ‘Jheronimus’ werd genoemd. Volgens Slatkes en Van Dijck zou dit betekenen dat Bosch naar Italië is gereisd, maar Colenbrander merkt op dat Bosch in dit geval ‘Girolamo’ zou moeten genoemd zijn. ‘Jeronimo’ is niet de Italiaanse, maar de Spaanse of Portugese vorm van ‘Jheronimus’.

 

Colenbrander situeert de Verjongingsbron in St. Augustine (Florida), waar zich inderdaad een Fountain of Youth National Archaeological Park bevindt. Bimini is echter een eilandengroep zo’n 80 km ten oosten van Miami Beach. Op één van de eilanden (Noord-Bimini) bevindt zich vandaag nog steeds een geneeskrachtige bron (bron: Wikipedia). Hoe dit ook zij, de ontdekking van een zogenaamde Verjongingsbron in 1512/13 lijkt een beetje te laat om Bosch’ Tuin beïnvloed te kunnen hebben en de Atlas Miller kwam tot stand rond 1519, terwijl Bosch in 1516 reeds overleden was. Natuurlijk is het niet Colenbranders bedoeling om aan te tonen dat Bosch de bron op Bimini kénde: hij wil enkel aannemelijk maken dat Bosch kan geïnspireerd zijn door gelijkaardige verhalen over gelijkaardige exotische plekken, voorwerpen, planten en dieren.

 

[explicit 27 december 2011]