Jérôme Bosch Boek omslag Jérôme Bosch
Combe, Jacques
Non-fictie, kunstgeschiedenis
Editions Pierre Tisné, Parijs
1946
107 + 142 (illustraties)

Combe 1946

 

Jérôme Bosch (Jacques Combe) 1946

[Editions Pierre Tisné, Parijs, 1946, 107 blz. + 142 blz. afbeeldingen]

[Ook vermeld in Gibson 1983: 3 (A14)]

 

Combe twijfelt er niet aan dat het werk van Bosch reeds voor diens tijdgenoten het esoterisch karakter bezat dat ons nu voor zoveel raadsels stelt. Zijn schilderijen waren naar verluidt slechts volledig begrijpelijk voor een klein aantal gelijkgestemde ingewijden die zich thuisvoelden in dezelfde cultuurwereld als die waaruit Bosch zijn inspiratie putte. Voor wat de inhoud van Bosch’ werk betreft, is dat de wereld van de mystiek, van Ruusbroec vooral, en van diens navolgers, de Moderne Devoten. Onder invloed van hun leer schilderde Bosch in zijn grote triptieken portretten van het geestelijk leven, waarbij hij de onrust van het menselijk geweten bij het kiezen van de juiste levensweg uitbeeldt. Op zijn panelen van de heremieten heeft de schilder een aantal momenten van spirituele triomf over die geestelijke onrust weergegeven.

 

Voor de juistheid van deze visie (de beïnvloeding van Bosch door de mystiek dus) pleit volgens Combe het grote succes dat zijn schilderijen in de zestiende eeuw in Spanje hadden. Is het immers louter toevallig dat precies tijdens de grote mystieke bloei in Spanje dit land zich aangetrokken voelt tot afbeeldingen die de gedachten van de Vlaamse mystici weergeven? In het Spanje van de zestiende eeuw wordt Bosch geliefd, bestudeerd en op de juiste manier geïnterpreteerd.

 

De uitdrukkingsvormen voor zijn ideeën vond Bosch in het wereldje van de mystieke symboliek, maar ook in dat van de esoterische wetenschappen: magie, tarot en vooral – vanaf de Verzoekingen van de H. Antonius (Lissabon) – alchemie. In de vijftiende eeuw legden de alchemisten immers een grote activiteit aan de dag en, verknoopt als zij waren met allerlei ketterijen, werden zij voortdurend geassocieerd met hekserij en zwarte magie. In de Verzoekingen van de H. Antonius en in de Tuin der Lusten (Madrid) gebruikt Bosch dan ook heel wat alchemistische symbolen, maar hij plaatst ze steeds in een context van boosheid, bedrog en valsheid, wat trouwens heel goed overeenkomt met de houding die humanisten als Sebastiaan Brant tegenover de alchemie aannamen.

 

Combe besteedt ook een aantal bladzijden aan de nawerking van Bosch. De navolgers hebben soms wel mooie schilderijen geproduceerd, maar zij misten het oorspronkelijke en geniale inzicht van hun grote voorbeeld. Alleen Pieter Bruegel de Oude wist door de toevoeging van Bosch’ lessen aan zijn eigen genie een origineel en belangrijk oeuvre te scheppen. Het zijn echter de landschappen van Bosch die het meeste invloed hebben uitgeoefend op de werken van latere schildersgeneraties.

 

In de twintigste eeuw is het werk van Bosch nauw verbonden met dat van de Surrealisten. Ook hun symboliek bezit een permanente erotische ondertoon en net als Bosch trachten zij de mens te schilderen, niet zoals hij zich voordoet, maar zoals hij in werkelijkheid is in zijn meest verborgen en intieme wezen. Daar ligt de moderniteit van Bosch’ oeuvre en de reden waarom het ons nu nog zo aanspreekt.

 

[explicit]