Het Reisverslag van Antonio de Beatis Boek omslag Het Reisverslag van Antonio de Beatis
Works Issued by The Hakluyt Society - Second Series No. 150
De Beatis, Antonio
Non-fictie, reisjournaal
1521 (1979)
J.R. Hale en J.M.A. Lindon (ed./vert.), "The Travel Journal of Antonio de Beatis - Germany, Switzerland, The Low Countries, France and Italy, 1517-1518", The Hakluyt Society, Londen, 1979

De Beatis 1521

 

Het Reisverslag van Antonio de Beatis (Antonio de Beatis) 1521

[Engelse vertaling uit het Italiaans: J.R. Hale en J.M.A. Lindon (ed./vert.), The Travel Journal of Antonio de Beatis – Germany, Switzerland, The Low Countries, France and Italy, 1517-1518. Works Issued by The Hakluyt Society – Second Series no. 150, The Hakluyt Society, Londen, 1979, 207 blz.]

[Ook vermeld in Gibson 1983: 31-32 (C4)]

 

Van mei 1517 tot maart 1518 vergezelde don Antonio de Beatis, kanunnik van Molfetta, zijn beschermheer, de welgestelde 42-jarige kardinaal Luigi d’Aragona (wiens kapelaan en privé-secretaris hij was), op een reis doorheen Italië, Zwitserland, Oostenrijk, Duitsland, de Nederlanden en Frankrijk. Hij noteerde daarbij zijn indrukken en ervaringen in een reisdagboek. Dagelijks een gemiddelde afstand van 39,5 kilometer afleggend, reisde het gezelschap van de kardinaal (aanvankelijk op 35 rijdieren en uiteindelijk op meer dan 45 rijdieren) in totaal 5451 kilometer. Tijdens de reis gaf de kardinaal een bedrag van ongeveer 15.000 dukaten uit.

 

In 1905 publiceerde de Duitse auteur Ludwig Pastor een kritische editie van De Beatis’ reisjournaal [Antonio de Beatis – Die Reise des Kardinals Luigi d’Aragona durch Deutschland, die Niederlande, Frankreich und Oberitalien, 1517-1518 – Als Beitrag zur Kulturgeschichte des ausgehenden Mittelalters veröffentlicht und erläutert von Ludwig Pastor. Freiburg im Breisgau, 1905]. Deze editie was gebaseerd op drie manuscripten, alle drie geschreven in de Italiaanse volkstaal [ed. 1979: x-xi]…

  • Een volledige transcriptie geschreven door De Beatis zelf en gedateerd ’29 mei 1521’. Indertijd was dit handschrift eigendom van Pastor, de tegenwoordige verblijfplaats is onbekend.
  • N. 1 : ook een volledige transcriptie van de hand van De Beatis zelf en gedateerd ’21 augustus 1521’ (Napels, Biblioteca Nazionale Vittorio Emanuele III, MS. x.F.28).
  • N. 2 : een manuscript met talrijke kleine leemtes, ongedateerd, kopiist onbekend (Napels, Biblioteca Nazionale Vittorio Emanuele III, MS. xiv.E.35).

In 1913 publiceerde Madeleine Havard de la Montagne een wat onbetrouwbare Franse vertaling [Voyage du Cardinal d’Aragon en Allemagne, Hollande, Belgique, France et Italie 1517-1518. Parijs, 1913]. In 1979 publiceerden J.R. Hale en J.M.A. Lindon een Engelse vertaling.

 

Kardinaal Luigi d’Aragona (1474-1519), een bastaardzoon van Markies Enrico van Gerace (die zelf een bastaardzoon was van Ferdinand I, koning van Napels) ondernam zijn reis door noordelijk Europa met de wens om zichzelf kenbaar te maken bij de grote vorsten van zijn tijd (keizer Maximiliaan, de jonge koning van Spanje Karel V, de Franse koning Frans I en de Engelse koning Hendrik VIII) en om de verbannen leden van zijn familie te ontmoeten, ofschoon het grotendeels ook om een plezierreis ging. De kardinaal slaagde er niet in Maximiliaan en Hendrik te ontmoeten, maar in juli 1517 werd hij in Middelburg ontvangen door de 17-jarige Karel V (die op het punt stond naar Spanje te vertrekken vanuit de haven van Vlissingen) [ed. 1979: 89-90] en in augustus 1517 bezocht hij de Franse koning in Rouen. Volgens De Beatis was Frans I ‘opgewekt en erg innemend, ofschoon hij een grote neus heeft en volgens velen, waaronder mijn patroon, zijn benen te dun zijn voor zo’n groot lichaam’ [ed. 1979: 107-108].

 

In 1492 huwde Luigi met een nicht van paus Innocentius VIII maar twee jaar later werd het huwelijk ontbonden door paus Alexander VI en Luigi, nauwelijks 20 jaar oud, werd tot kardinaal benoemd (met de Santa Maria-kerk in Cosmedin als zetel). Luigi was rijk en had veel invloed en goede relaties. In een brief aan kardinaal Wolsey (aangaande de vraag of het gepast zou zijn om Luigi naar Engeland te laten komen) schreef Sir Thomas Spinelly (de agent van Hendrik VIII in Calais) over hem: ‘De kardinaal in kwestie heeft eerder de uitstraling van een wereldlijke dan van een geestelijke vorst’ [ed. 1979: 10]. Een echo van deze Engelse kenschets kan waargenomen worden in het wellicht wat verrassend aantal passages waarin Antonio de Beatis (tenslotte een geestelijke die schreef voor een geestelijke) aandacht besteedt aan het uiterlijk van de vrouwen in de streken die door de kardinaal bezocht werden. De vrouwen in Duitsland zijn ‘knap en sympathiek’, zelfs ‘wellustig’ [ed. 1979: 80], de vrouwen in Den Haag zijn ‘uitzonderlijk mooi’ [ed. 1979: 91], de vrouwen in Lyon behoren ‘tot de mooiste van Frankrijk’ [ed. 1979: 139], de vrouwen in Avignon zijn ‘zeer aantrekkelijk’ [ed. 1979: 148] en hetzelfde geldt voor de vrouwen in Nice en Genua [ed. 1979: 163 / 178], terwijl de vrouwen in Normandië en Picardië ‘lelijk’ zijn [ed. 1979: 106] en de vrouwen van de Riviera ‘verschrikkelijk onaantrekkelijk’ [ed. 1979: 178]. Ofschoon de tekstbezorgers meedelen dat laatmiddeleeuwse reisverslagen ‘onvermijdelijk tafelgesprekken weerspiegelden’, herinneren zij er ook aan dat ‘er niets professioneel-celibatairs was aan de functies die [Luigi en Antonio] bekleedden (en al evenmin aan het privé-leven van de kardinaal, voor zover we weten)’ [ed. 1979: 43-44]. Wanneer de kardinaal in november 1517 een publiek banket bijwoont in Avignon, noteert De Beatis: ‘Er waren talrijke mooie dames aanwezig, en na het eten werd er tot middernacht gedanst, met veel ongeremde pretmakerij en vermaak’ [ed. 1979: 151].

 

Persoonlijke aantekeningen van De Beatis zijn zeer zeldzaam in dit reisverslag. De enige opmerkelijke uitzondering is wanneer er op een nacht, tijdens een herbergverblijf in Pont-de-l’Arche op 4 september 1517, enkele persoonlijke bezittingen en een geldsom uit zijn zadeltas gestolen worden, een herinnering die onmiddellijk aanleiding geeft tot een scherpe uitval naar het gewone Franse volk dat ‘bijzonder verachtelijk, lui en boosaardig is’ [ed. 1979: 111-112]. Verder vertoont De Beatis’ tekst alle typische kenmerken van een renaissancistisch reisverslag [ed. 1979: 22]: gedateerde aantekeningen, opgave van de plaatsen waar gegeten en geslapen werd, opgave van de dagelijks afgelegde afstanden, beschrijvingen van belangrijke gebouwen en van het platteland, indrukken van de omwallingen, straten, pleinen, huizen, monumenten en inwoners van steden, uitgebreide opstellen over de belangrijkste sociale en natuurkundige kenmerken van ganse streken en portretschetsen van belangrijke personen die men onderweg ontmoet.

 

Het cultuurhistorische belang van De Beatis’ tekst kan dan ook moeilijk overschat worden. Enkele van de meest opmerkenswaardige dingen zijn de volgende.

  • Op 3 juni 1517 bezoekt het gezelschap van de kardinaal Lauingen. De Beatis noteert dat dit ‘de geboorteplaats van Albertus Magnus’ is [ed. 1979: 70]. Als zij Keulen bezoeken (‘gewoonlijk beschouwd als het eindpunt van Opper-Duitsland en het begin van Neder-Duitsland, of Vlaanderen’) op 28 juni 1517, vernemen we dat ‘het lichaam van Albertus Magnus zich in het klooster van de Dominicanen bevindt’ en dat de bibliotheek van dit klooster een De natura animalium bezit, geschreven door Albertus zelf. De kathedraal van Keulen bezit de hoofden en de lichamen van de drie koningen Caspar, Balthasar en Melchior [ed. 1979: 77-78].
  • ‘De residentie van ‘prinses Margaretha’ (van Oostenrijk) in Mechelen heeft een bibliotheek voor vrouwen: ‘De boeken zijn allemaal in het Frans geschreven (…). Er zijn ook mooie paneelschilderingen en andere kunstwerken van verschillende kunstenaars, allemaal vakkundige meesters’ [ed. 1979: 92-93].
  • Op 1 augustus 1517 bezoekt de kardinaal Gent, ‘de hoofdstad van Vlaanderen (…) met ongeveer 20.000 haarden’. In de ‘hoofdkerk, de Sint-Jan’ (in 1540 herdoopt tot Sint-Baafs) ziet hij het Lam Gods-retabel van de gebroeders Van Eyck [ed. 1979: 95-96].
  • ‘In Vlaanderen, net als in Opper-Duitsland, zijn ze heel bedreven in het bewerken van steen en hout. Maar er is geen eikenhout in Opper-Duitsland en ofschoon dat wel het geval is in Italië kan dit niet vergeleken worden met het eikenhout in Vlaanderen, ook al wordt dit over zee ingevoerd vanuit Rusland en de bergen: nergens wordt het zo mooi bewerkt als in Vlaanderen, vooral in het geval van bepaalde kasten die in alle kamers te vinden zijn en een fraaie indruk maken’ [ed. 1979: 99].
  • ‘Al kunnen ze bijna allemaal Frans spreken, de taal en de woordenschat van de Vlamingen klinken veel zachter dan die van de Duitsers en zij hebben zoveel verschillende woorden dat ze elkaar niet makkelijk kunnen verstaan’ [ed. 1979: 102]. En ook: ‘Vanaf het moment dat we in Vlaanderen waren, was er haast geen dag zonder regen of harde wind, zodanig dat juli en augustus in Vlaanderen lijken op een november in Rome’ [ed. 1979: 102].
  • Op 10 oktober 1517 ontmoet kardinaal Luigi Leonardo da Vinci (‘een oude man van meer dan zeventig, de voortreffelijkste schilder van tegenwoordig’ – in feite was Leonardo 64 op dat moment) in Amboise [ed. 1979: 132].
  • Op 11 december 1517 zien de kardinaal en zijn gezelschap de Heilige Graal, ‘de schaal waaruit Christus en Zijn leerlingen aten’, in de kathedraal van Genua [ed. 1979: 176].

 

De Beatis en Bosch

 

Eén van de belangrijkste redenen waarom het reisverslag van De Beatis bekend is geworden bij kunsthistorici, is het feit dat de tekst de oudste beschrijving van Jheronimus Bosch’ Tuin der Lusten-drieluik (vandaag: Madrid, Prado) bevat [ed. 1979: 94]. Op 30 juli 1517 (Bosch werd begraven op 9 augustus 1516) bezoekt het gezelschap van de kardinaal het Brusselse paleis van de Graaf van Nassau, Hendrik III. Na gesignaleerd te hebben dat in het paleis zeer mooie schilderijen te zien zijn, ‘onder meer een Hercules en Deianeira, naaktfiguren van aanzienlijke grootte, en het verhaal van Paris met de drie godinnen, heel fraai uitgevoerd’, schrijft De Beatis in zijn reisverslag: Ce son poi alcune tavole de diverse bizzerie, dove se contrafanno mari, aeri, boschi, campagne, et molte altre cose, tali che escono da una cozza marina, altri que cacano grue, donne et homini et bianchi et negri de diversi acti et modi, ucelli, animali, de ogni sorte et con molta naturalità, cose tanto piacevoli et fantastiche che ad quelli che non ne hanno cognitione in nullo modo si li potriano ben descrivere [geciteerd naar Steppe 1967: 8 en Gombrich 1967: 403-404]. In vertaling: ‘En verder zijn er enkele panelen met verscheidene grilligheden waarop zeeën, luchten, bossen en velden en vele andere dingen zijn weergegeven; figuren die uit een zeeschelp komen, andere die kraanvogels kakken, mannen en vrouwen, blanken en zwarten in verschillende handelingen en houdingen, vogels en dieren van allerlei soorten en heel natuurgetrouw, zaken zo aangenaam en fantastisch dat het totaal onmogelijk is hen te beschrijven aan wie ze niet zelf gezien heeft’.

 

In 1962 was Jan Karel Steppe de eerste om deze passage in verband te brengen met Bosch’ Tuin der Lusten [in: Jaarboek Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, 1962, pp. 166-167]. In 1967 herhaalde hij dit inzicht in een bijdrage aan de cataloog met wetenschappelijke artikelen die verscheen naar aanleiding van de Bosch-tentoonstelling in ’s-Hertogenbosch [zie Steppe 1967: 8-11] en in hetzelfde jaar publiceerde Ernst H. Gombrich een gelijkaardige conclusie in een artikel in het Journal of the Warburg and Courtauld Institutes [zie Gombrich 1967] dat met enkele kleine wijzigingen herdrukt werd in zijn boek Gombrich on the Renaissance – Volume 3: The Heritage of Apelles (1976, tweede druk: 1993). Of het artikel van Gombrich in enig opzicht schatplichtig was aan Steppe of onafhankelijk van Steppe tot stand kwam, blijft onduidelijk.

 

Behalve wat één detail betreft, komt alles wat De Beatis vermeldt ook voor in Bosch’ triptiek en met de enkele panelen kan hij de drie onderdelen van een drieluik bedoeld hebben. Het enige dat niet past, zijn de figuren die kraanvogels uitscheiden. Maar op het rechterbinnenluik komen er wel zwarte vogels uit de anus van een man die in de hel gefolterd wordt: dit zijn echter geen kraanvogels, maar hoogstwaarschijnlijk zwaluwen. En toch: hoe teleurstellend oppervlakkig is voor het overige deze oudste en dus voor de moderne Bosch-studie zo waardevolle bron! Gombrich [1967: 405] merkte op: ‘Antonio de Beatis keek naar een aantal bizarre details, maar naar een betekenis van het geheel lijkt hij niet gezocht te hebben. De toon van zijn beschrijving wijst op entertainment, maar niet op afgrijzen of angst’. Inderdaad: we krijgen een (korte) opsomming van merkwaardige details, maar geen onderwerpen van de afzonderlijke panelen, geen titel, geen toeschrijving aan een kunstenaar en geen iconografische totaalinterpretatie. Hadden De Beatis en zijn gezelschap te weinig tijd om zich te verdiepen in het schilderij (de schilderijen), hadden zij die dag toevallig een waardeloze gids of wist men aan het Hof van Nassau zelf niet waar het drieluik om draaide? Zeer onwaarschijnlijk toch, één jaar na de dood van de schilder.

 

Zoals wordt gesignaleerd door zowel Steppe als Gombrich, kunnen we vandaag zeker zijn dat De Beatis inderdaad de Tuin der Lusten beschreef, want ongeveer een halve eeuw later, in 1568, werd Bosch’ triptiek in hetzelfde Brusselse paleis geconfisqueerd door de Hertog van Alva. Het paleis behoorde op dat moment toe aan Willem van Oranje (Willem de Zwijger), die het geërfd had van zijn oom René van Châlon (overleden in 1544), die het zelf geërfd had van zijn vader Hendrik III van Nassau (overleden in 1538). Na de inbeslagname werd de Tuin der Lusten verworven door don Fernando de Toledo (een bastaardzoon van Alva) en toen deze stierf, werd het drieluik verkocht aan Filips II in 1591. In 1593 liet deze het schilderij naar het Escorial overbrengen.

 

Ofschoon De Beatis’ tekst van het allergrootste belang is gebleken in verband met de pedigree van het drieluik, is hij helaas van weinig nut bij een iconografische interpretatie. Dat kan enigszins verwonderlijk lijken, gezien de overduidelijke erotiek die het drieluik (en dan vooral het middenpaneel) bevat en de reputatie van kardinaal Luigi als iemand die meer op een ‘wereldlijke vorst’ dan op een geestelijke leider leek (zie supra). In dit verband is het opmerkelijk dat de andere schilderijen van Hendrik III die door De Beatis vermeld worden, zich ook lijken toe te spitsen op erotiek: de levensgrote naakten van Hercules en Deianeira (waarschijnlijk het schilderij van Jan Gossaert dat zich vandaag in het Barber Institute in Birmingham bevindt, zoals gesignaleerd wordt door Gombrich) en een Oordeel van Paris, met meer dan waarschijnlijk drie naakte godinnen. Wat De Beatis evenmin vergeet te vermelden, is het reusachtige bed dat aanwezig was in het paleis van Hendrik: ‘Er is ook een grote kamer met een bed dat 34 canne breed is en 26 canne lang met peluwen aan het hoofd- en voeteneind, lakens en een witte sprei, en we lieten ons vertellen dat de graaf dit had laten maken omdat hij regelmatig banketten hield en hij ervan hield zijn gasten dronken te voeren, en als ze niet langer op hun benen konden staan, liet hij hen op dit bed gooien’ [ed. 1979: 94-95]. Ditzelfde bed (waarin naar verluidt 50 personen konden liggen) werd ook beschreven door Albrecht Dürer toen hij in augustus 1520 Hendrik III’s Brusselse paleis bezocht [zie Dürer 1520-21] en het wordt ook vermeld in een nog steeds ongepubliceerde ‘gids voor West-Europa’ waarin een anonieme Milanese auteur zijn tussen 1516 en 1519 ondernomen reizen beschrijft: volgens deze auteur was het grote bed de voornaamste curiositeit in het Brusselse paleis van de Graaf van Nassau [ed. 1979: 53-54, British Museum, Add. MSS. 24180].

 

De Beatis’ gedeeltelijk onnauwkeurige en in elk geval oppervlakkige beschrijving van de Tuin der Lusten kan verklaard worden doordat hij moest vertrouwen op zijn geheugen toen hij zijn ervaringen van de dag uitschreef en misschien ook door het feit dat noch hij noch zijn beschermheer grote kunstliefhebbers waren [zoals ook gesuggereerd wordt in ed. 1979: 155 (noot 2)]. Wanneer De Beatis schrijft over het Lam Gods-retabel in Gent [ed. 1979: 96] begaat hij ook vergissingen: hij schrijft het schilderij toe aan Robert (in plaats van Hubert) en diens broer en beweert dat het onderwerp van het kunstwerk ‘de Hemelvaart van Maria’ is, terwijl het in werkelijkheid gaat om de Aanbidding van het Lam Gods. De Beatis’ reisverslag bevat nog meer kleine onjuistheden (men vergelijke de voetnoten in de editie-1979). Een opvallend voorbeeld hiervan, niet direct in verband met kunst, is het feit dat hij op de weg naar Nieuwpoort, ‘vier mijlen van Brugge’, een omwalde stad vermeldt die Imbruch heet [ed. 1979: 97]. Tekstbezorger J.R. Hale was niet in staat om deze plaats te lokaliseren, net zo min als wij.

 

[explicit 2 november 1992 / 20 juni 2016]