De vos als allegorisch motief in het geschilderde oeuvre van Jheronimus Bosch Boek omslag De vos als allegorisch motief in het geschilderde oeuvre van Jheronimus Bosch
De Bruyn, Eric
Non-fictie, kunstgeschiedenis
2000
Tiecelijn, jg. XIII (2000), nr. 3, pp. 107-119

De Bruyn 2000

 

“De vos als allegorisch motief in het geschilderde oeuvre van Jheronimus Bosch” (Eric De Bruyn) 2000

[in: Tiecelijn, jg. XIII (2000), nr. 3, pp. 107-119]

 

Bij de iconografische analyse van het Bosch-oeuvre dient men zich te hoeden voor het overhaast interpreteren van bepaalde motieven: al keert eenzelfde iconografisch element verscheidene malen terug, toch kan het vaak – afhankelijk van de onmiddellijke omgeving waarin het voorkomt – op verschillende manieren geduid worden.

 

In het algemeen als authentiek aanvaarde geschilderde oeuvre van Bosch komt vier maal een vos voor. De vos op het middenpaneel van de Tuin der Lusten-triptiek kan in verband worden gebracht met erotiek en onkuisheid via de term hoenderdief (= kippendief = vos) die in Middelnederlandse teksten uit de zestiende eeuw vaak verwijst naar personen die zich onledig houden met verdachte, in het geheim bedreven erotiek in het algemeen en met bordeelbezoek in het bijzonder. De scène met een vos, een kip en een haan op het linkerbinnenluik van de Laatste Oordeel-triptiek (Wenen) vormt een allegorische parallel met de Zondeval-scène, waarbij de vos verwijst naar de duivel, de kip naar Eva en de haan naar Adam. Het detail van de met zijn achterpoten aan een boom opgehangen, dode vos op het Sint-Christoffel-paneel (Rotterdam) kan allegorisch geduid worden als een overwinning op de duivel.

 

De slapende vos in de linkerbenedenhoek van het Sint-Hiëronymus-paneel (Gent) dient, samen met de vogels en de vogelnesten die op het schilderij voorkomen, in verband gebracht met het bijbelcitaat: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon heeft niets om zijn hoofd op te leggen’ (Mattheus 8: 20 / Lucas 9: 58). In de Middelnederlandse literatuur van de dertiende tot en met de zestiende eeuw blijkt een duidelijke traditie aan te wijzen die dit citaat associeert met het streven naar kuisheid en vrijwillige armoede. De vos en de vogels hebben hierbij een pejoratieve connotatie: zij worden gezien als verwijzingen naar de verwerpelijke aardse ijdelheden en lijnrecht tegenover de vrijwillige armoede van Christus geplaatst. Bij Bosch geldt hoogstwaarschijnlijk hetzelfde. Het streven naar kuisheid en vrijwillige armoede vormt immers een belangrijk motief in laatmiddeleeuwse teksten rond de H. Hiëronymus. Bovendien beeldde Bosch de vos en enkele van de vogels slapend af, wat kan gerelateerd worden aan de in de middeleeuwen topische gelijkstelling ‘slaap = toestand van zondigheid’.

 

Bij Bosch kan de vos dus geconnoteerd worden aan onkuisheid, aan zondigheid en aan de duivel, wat naadloos aansluit bij het negatieve imago van de vos in de (laat)middeleeuwse literatuur en beelding.

 

[explicit]