Rhetoricale toelichting bij het hooi en den hooiwagen Boek omslag Rhetoricale toelichting bij het hooi en den hooiwagen
De Keyser, P.
Non-fictie, kunstgeschiedenis
1939-40
Gentsche Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis, VI (1939/40), pp. 127-137

De Keyser 1939-40

 

“Rhetoricale toelichting bij het hooi en den hooiwagen” (P. De Keyser) 1939/40

[in: Gentsche Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis, VI (1939/40), pp. 127-137]

[Ook vermeld in Gibson 1983: 98 (E153)]

 

Onze zestiende-eeuwse schilders en rederijkers (overigens uut jonsten versaemt in dezelfde Sint-Lucasgilden) putten voor hun onderwerpen uit eenzelfde bron: het rijkgeschakeerde volksleven van de zestiende eeuw. Bovendien hielden de rederijkers van het vernuftig oplossen van rebussen en raadsels, net als de schilders.

 

De Keyser signaleert dan een zestiende-eeuwse druk: Ordinantie van de nieu Punten van onser Vrouwen Ommeganck half Oogst 1563 (Antwerpen, Hans de Laet). Deze bevat een beschrijving van de punten (praalwagens met een allegorische voorstelling) van de Onze-Lieve-Vrouwe-ommegang te Antwerpen in 1563. Eén van deze punten was een hooiwagen. De druk bevat ook een zestiende-eeuws liedje in refreinvorm met als stokregel diet wel besiet / het is al niet. Het liedje vormt een vermanende aanklacht tegen het verblind nastreven van de ‘ijdele werken van de Wereld’ (verzen 41-42) en van het eertsch gewin (vers 29), dat wil zeggen: eer en geld (vers 36). Bedrog (verzen 20-24) en zotheid (vers 33) geven daarbij de toon aan. Belangrijk in verband met Bosch’ Hooiwagen is het optreden van de symbolische begrippen ‘hooi’ en ‘hooiwagen’ in dit liedje. De hooiwagen waaraan iedereen (elck) wil plukken, kan men gelijkstellen aan Weerelt en Eertsch gewin. Uit het grammaticale parallellisme tussen de stokregel het is al niet en vers 17 (int eynde ist al Hoy) blijkt de nietswaardigheid van dat alles.

 

Merkwaardig is overigens het volgende. Het origineel van de druk zou zich bevonden hebben in de Brusselse Koninklijke Bibliotheek, als nummer 277.814 van de Catalogus Van Hulthem. Dit exemplaar werd echter door De Keyser niet teruggevonden. Hij baseerde zich op een afschrift in de nagelaten papieren van Kan. Dr. J. Bols (in 1887 benoemd tot lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie). Blijkens een brief van 24 december 1887 had deze de tekst van de druk overgeschreven uit een exemplaar dat in het bezit was van zijn collega P. Génard (in 1886 benoemd tot lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie).

 

De Keyser stelt dat Bosch’ Hooiwagen (evenals de ets van Frans Hogenberg) niets anders is dan een voorbeeld van een punt uit of voor een ommegang. De voorstelling beantwoordt aan eenzelfde behoefte: de toeschouwers moraliseren en stichten door nieuwe, alledaagse en toch eigenaardige vondsten.

 

[explicit]