Willem van Affligem
Datering: 1274
Moderne editie: Yolande Spaans en Ludo Jongen (ed./vert.), "Het Leven van Lutgard - Bloemlezing uit het Kopenhaagse handschrift", Middelnederlandse Tekstedities 3, Verloren, Hilversum, 1996
Taal: Middelnederlands

Het Kopenhaagse Leven van Lutgard (Willem van Affligem) 1274

[Teksteditie: Yolande Spaans en Ludo Jongen (ed./vert.), Het Leven van Lutgard. Bloemlezing uit het Kopenhaagse handschrift. Middelnederlandse Tekstedities 3, Verloren, Hilversum, 1996 = Leven van Lutgard ed. 1996]

 

Genre

 

Het Kopenhaagse Leven van Lutgard is de Middelnederlandse bewerking in rijm van de Vita Lutgardis, een in Latijns proza geschreven heiligenleven, dat gehoorzaamt aan de wetten van de hagiografie: de heilige wordt uitgebeeld als een uitverkorene van God.

 

Auteur

 

De auteur van de Latijnse tekst is de Brabantse, dertiende-eeuwse dominicaan Thomas van Cantimpré (ca. 1200-ca. 1272). Hij schreef de vita op verzoek van Hadewijch, de abdis van het klooster Aywières waar Lutgard de laatste veertig jaar van haar leven doorbracht.

De auteur van de Middelnederlandse bewerking is vermoedelijk Willem van Affligem, een monnik van de benedictijnerabdij van Affligem [ed. 1996: 25]. Er waren in de abdij van Affligem in de tweede helft van de dertiende eeuw echter twee monniken die ‘Willem’ heetten. De ene, Willem van Mechelen, een bastaardzoon van de Mechelse heer Wouter Berthout, werd in 1277 abt in Sint-Truiden. De andere trad rond 1262 in Affligem in en werd daar in 1295 prior. Het is deze laatste Willem die hoogstwaarschijnlijk de auteur is van het Leven van Lutgart. [Mantingh 2000: 389]

 

Situering / datering

 

Thomas van Cantimpré schreef een eerste versie van de Latijnse tekst tussen 1246 en 1248: Lutgard stierf op 16 juni 1246 en in 1248 stierf Thomas’ opdrachtgeefster, abdis Hadewijch [ed. 1996: 7/17/23]. Daarna onderging de vita nog een aantal bewerkingen, die vermoedelijk rond 1262 definitief werden afgerond [ed. 1996: 24].

De Latijnse Vita Lutgardis werd twee keer vrij letterlijk vertaald in het Middelnederlands, één keer in rijm en één keer in proza. Van de vijftiende-eeuwse prozaversie bleven alleen brokstukken van het eerste boek bewaard maar dat het Leven van Sente Lutgart van broeder Geraert slechts fragmentarisch overgeleverd zou zijn [ed. 1996: 24], klopt niet [zie De Man 1997: 76]: het enige handschrift van de dertiende-eeuwse rijmvertaling werd weliswaar in de negentiende eeuw door Franse nonnetjes gedeeltelijk verknipt tot bladwijzers, maar de tekst kon (moeizaam) gereconstrueerd worden en is in een diplomatische editie bereikbaar in het Corpus-Gysseling.

De vita werd ook één keer in het Middelnederlands bewerkt in rijm. Het enige bekende handschrift werd in 1897 ontdekt in de Kopenhaagse Koninklijke Bibliotheek (N.K.S. 168 4°). Het is geen autograaf, maar een kopie. Deze kopie is hoogstwaarschijnlijk geschreven in 1274. De oorspronkelijke tekst van de Middelnederlandse bewerking is vermoedelijk ontstaan tussen 1263 en 1274. Helaas is het Kopenhaagse handschrift niet volledig: boek I is spoorloos verdwenen. De bewaarde boeken II en III (respectievelijk bestaande uit 43 en 28 hoofdstukken) omvatten in totaal 20.406 verzen, exclusief inhoudsopgave en opschriften. Het dialect is West-Brabants. [ed. 1996: 24-25/28]

 

De editie-1996 is een bloemlezing waarbij uit de 20.406 verzen zo’n 5.800 verzen geselecteerd werden. Een volledige diplomatische editie van de tekst is bereikbaar in het vijfde deel van Maurits Gysselings Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300). Reeks II: Literaire handschriften (1985), dat ook opgenomen werd in de Cd-rom Middelnederlands (1998).

 

Inhoud

 

In de Vita Lutgardis wordt in drie delen het mystieke leven van Lutgard van Tongeren (vermoedelijk geboren in 1182 te Tongeren en overleden in 1246) beschreven. In het eerste deel wordt haar jeugd behandeld: op twaalfjarige leeftijd gaat ze naar een benedictinessenklooster vlakbij Sint-Truiden, waar ze haar eerste mystieke ervaring heeft. Rond haar 23ste wordt ze tot priores gekozen, maar ze houdt niet van de dagelijkse beslommeringen die dit meebrengt en een zekere Jan van Lier raadt haar aan in te treden in het cisterciënzerinnenklooster Aywières. Omdat men daar Frans spreekt, verkiest Lutgard een klooster in Herkenrode (bij Hasselt). God geeft haar echter te verstaan dat ze beter naar Aywières gaat. Het tweede deel beschrijft dan de periode vanaf haar intrede in Aywières tot het moment waarop ze blind wordt (in 1235). In Aywières wil men Lutgard al snel belasten met leidinggevende taken, maar dan moet ze Frans leren. Maria, de moeder Gods, komt haar echter geruststellen: ze zal heel haar leven geen Frans kunnen spreken. Wel heeft Lutgard voortdurend mystieke ervaringen. Het derde deel beschrijft de laatste jaren van haar leven. [Zie voor een wat uitgebreidere samenvatting ed. 1996: 20-22.]

Wat Thomas van Cantimpré niet vermeldt, is dat het klooster Aywières (Les Awirs) tijdens Lutgards leven twee keer verplaatst is. Bij haar intrede in 1206 bevond het zich in Gleixhe, een dorp nabij Luik. In 1210 verhuisde het naar Lillois (ten noorden van Nijvel) en rond 1216 werd het voorgoed gevestigd in Couture-Saint-Germain, een dorp ten zuidoosten van Waterloo. [ed. 1996: 22]

Zoals gezegd bleven in de Middelnederlandse bewerking alleen het tweede en het derde deel bewaard, waarin Lutgards veertigjarig verblijf in het cisterciënzerinnenklooster Aywières beschreven wordt.

 

Thematiek

 

Naar eigen zeggen verkeerde Thomas van Cantimpré zo’n 25 jaar op vertrouwelijke voet met Lutgard, gedurende welke periode hij waarschijnlijk aantekeningen heeft gemaakt over wat zij hem meedeelde over haar jeugd, over het leven in de kloosters waar ze verbleef, en over haar mystieke ervaringen. In vergelijking met Thomas’ vita is de Middelnederlandse bewerking veel gedetailleerder, kleurrijker en uitvoeriger: wat bij Thomas in hoofdstukjes van enkele tientallen regels wordt verteld, wordt door de Middelnederlandse auteur breed uitgesponnen. [ed. 1996: 18/26]

De bedoeling van dit heiligenleven is overigens manifest de lezer/luisteraar stichten aan de hand van het voorbeeldig-vrome leven van Lutgard. Relevant in deze context is hoe in de proloog van het tweede boek door de bewerker afgegeven wordt op ridderromans (die handelen over ‘oorlogen en de tafelronde’), hoofse romans (die handelen over ‘minnen’) en dierenromans (waarin men ‘stomme beesten doet spreken’): dit soort van teksten wordt als onzin (‘scheren ende schop’) beschouwd, terwijl de vita van Lutgard ‘vromelic ende goet’ genoemd wordt. [ed. 1996: 34-40]

 

Receptie

 

Manifest kloosterliteratuur.

 

Profaan / religieus?

 

Manifest stichtelijk-religieus.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

De editie-1996 is een bloemlezing die slechts zo’n 25% van de originele tekst omvat. We kunnen het eens zijn met wat Mulder-Bakker in haar recensie [1998: 90] schrijft: Persoonlijk zou ik er de voorkeur aan hebben gegeven een getrouwe vertaling van de complete tekst te hebben; de medioneerlandicus zou dan verwezen kunnen worden naar de diplomatische uitgave van Gysseling. De eerlijkheid gebiedt echter te zeggen dat deze bloemlezing niet echt aanspoort om de volledige tekst te gaan lezen en wel om twee redenen. Ten eerste is er de inhoud die weinig wereldschokkend is. Weliswaar bevat de tekst een aantal merkwaardige passages. Dat Lutgard na haar overstap van een Nederlandstalig naar een Franstalig klooster van Maria de verzekering krijgt dat zij nooit Frans zal kunnen spreken (om zo te ontsnappen aan een leidinggevende functie), is anno 2011 (nu de tegenstelling Vlamingen-Walen scherper is dan ooit) natuurlijk iets dat de aandacht trekt. En tegelijk koddig en ietwat macaber is de bescheiden rel na Lutgards overlijden in verband met haar pink: tijdens haar leven had Lutgard die pink als relikwie beloofd aan Thomas van Cantimpré, maar Lutgards abdis wil die pink eerst niet geven, en na wat gemiezemuis krijgt Thomas dan eindelijk toch wat hij zo graag wil hebben, op voorwaarde dat hij Lutgards vita op schrift stelt. Je kan je het geruzie om die pink zo voorstellen, als je het leest. Meestal is echter de levensbeschrijving van Lutgard heel wat minder bruisend, om niet te zeggen: een beetje saai. De ontmoetingen van Lutgard met de duivel bijvoorbeeld vallen nogal weinigzeggend uit en niet voor niets signaleert de auteur in de proloog bij boek III dat tijdens het voorlezen van boek II een aantal luisteraars in slaap waren gevallen. Gedommel bij het luisterend publiek zou niet zo onvoorstelbaar zijn, want enige langdradigheid, soms op het slaapverwekkende af, valt dit Leven van Sente Lutgard niet te ontzeggen, noteert Frits van Oostrom droogjes [2006: 395].

 

Ten tweede is er de vorm. Vergeleken met die andere Willem die (ook in de dertiende eeuw) Van den Vos Reynaerde schreef en algemeen beschouwd wordt als onze meest getalenteerde Middelnederlandse auteur, lijkt Willem van Affligem ons minstens enkele klassen lager te spelen als dichter van berijmde verzen. Deze laatste Willem vertoont al te vaak de neiging om lange en ingewikkelde ciceroniaanse periodes over zijn verzen te strooien, zodat je meer dan eens de grammaticale draad van zijn betoog kwijtraakt en pas na enkele malen herlezen begrijpt wat hij bedoelt. In zijn inleiding stelt Ludo Jongen [ed. 1996: 28]: Het Middelnederlandse dichtwerk lijkt door de vaak lange zinnen, het dialect en de spelling zeer weerbarstig. Hardop voorlezen kan het begrip ten goede komen. Dan zal blijken dat de Middelnederlandse auteur de titel ‘dichter’ met ere draagt. Hmm. Van Mierlo [1939: 191/194] had er nochtans blijkbaar minder moeite mee: Wijdloopig? Misschien, maar dat moet toch nooit verveeld hebben, omdat de dichter zoo onderhoudend weet te vertellen en nergens het contact met zijn hoorders verliest, en: Zijn taal is voornaam en rijk en hij weet als geen ander in de Middeleeuwen zijne zinnen periodisch te bouwen door tien, twintig en meer verzen heen. Hmm, hmm. En ook Knuvelder [1970: 175] had het over een ritmisch nergens eentonig verhaal. Van Oostrom [2006: 393-394] noteert nogal neutraal: De dichter geeft zijn verzen een soms vergiliaans aandoende lange en complexe zinsbouw mee, maar ook een dwingende cadans, die neigt naar jambische viervoeters. In haar recensie van de editie-1996 heeft De Man [1997: 77/79] het onzes inziens correct over de lengte van de toch al vaak gecompliceerde zinnen en over de Middelnederlandse tekst, die inderdaad vaak erg moeilijk is.

 

Voor wie het Middelnederlands van Willem van Affligem echt te lastig uitvalt, is er in de editie-1996 gelukkig de hertaling van Yolande Spaans en die is zeer vlot, toegankelijk en betrouwbaar, op enkele verwaarloosbare details na. Als Willem bijvoorbeeld in de proloog bij Boek II de ongeïnteresseerde luisteraar wegstuurt zodat hij de anderen niet hindert met sire nosen [ed. 1996: 42 (vers 179)], dan wordt dit vertaald als met zijn gesnuif, waarbij de term ‘nosen’ blijkbaar in verband wordt gebracht met neus. Nose heeft echter niets met een neus of gesnuif te maken, maar betekent gewoon storend gedrag, zoals verderop duidelijk blijkt uit onder meer de verzen 397 [p. 52] en 595 [p. 62] (waar de term overigens wél correct vertaald wordt). En als de duivel tegen Lutgard aan het schelden slaat en haar in vers 4933 [p. 150] met wijf aanspreekt, dan betekent dit volgens ons gewoon vrouw en niet rotwijf. Maar zoals gezegd, het zijn slechts details en voor de rest valt er op deze bloemlezing-met-hertaling weinig te beknibbelen. En waar dat toch het geval is, moet broeder Willem met de vinger gewezen worden.

 

Recensies

 

Anja J. de Man, “’Een goet exempel’: het Leven van Lutgard toegankelijk gemaakt”, in: Queeste, jg. 4 (1997), nr. 1, pp. 75-79.

Anneke B. Mulder-Bakker, in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, deel 113 (1998), afl. 1, pp. 89-90.

 

Verdere lectuur

Baur en J. Van Mierlo, Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden. Deel I, Standaard Boekhandel-Teuling’s Uitgevers-mij., Antwerpen-Brussel-’s-Hertogenbosch, 1939, pp. 189-195.

G.P.M. Knuvelder, Handboek tot de Geschiedenis der Nederlandse Letterkunde. Deel I, L.C.G. Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1970 (5de, geheel herziene druk), pp. 173-175.

Erwin Mantingh, Een monnik met een rol. Willem van Affligem, het Kopenhaagse Leven van Lutgart en de fictie van een meerdaagse voorlezing. Middeleeuwse Studies en Bronnen – deel LXXIII, Verloren, Hilversum, 2000 [een recensie van dit boek in: Millennium, jg. 17 (2003), nr. 1, pp. 64-66].

Frits van Oostrom, Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2006, pp. 391-397.

 

[explicit 25 juni 2011]