Anoniem
Datering: Circa 200
Moderne editie: Michael J. Curley (vert.), "Physiologus", University of Texas Press, Austin-Londen, 1979
Taal: Latijn

Physiologus (anoniem) circa 200

[Engelse vertaling: Michael J. Curley (vert.), Physiologus. University of Texas Press, Austin-Londen, 1979 = Physiologus ed. 1979]

[Nederlandse vertaling: F. Ledegang (vert.), Christelijke symboliek van dieren, planten en stenen – De Physiologus – Ingeleid, vertaald en toegelicht. Serie: Christelijke Bronnen – deel 6, Uitgeverij Kok, Kampen, 1994 = Physiologus ed. 1994]

 

Genre

 

De Physiologus is het oudste voorbeeld van een bestiarium. Een mogelijke definitie van een bestiarium is: ‘A work which describes the alleged habits of various beasts (…), following each account by an interpretation giving its moral or theological significance’ [Lillian Herlands Hornstein e.a. (red.), The Reader’s Companion to World Literature, The New American Library, New York, 1973 (2), p. 60]. Of: ‘Een middeleeuws didactisch genre, meestal in versvorm, waarin met allegorische bedoelingen de karakteristieke eigenschappen van dieren worden vermeld’ [H. van Gorp e.a., Lexicon van literaire termen, Wolters, Leuven, 1991 (5), p. 43]. De Physiologus bespreekt nochtans niet alleen dieren, maar ook planten en stenen en is geschreven in proza. McCulloch [1962: 15] geeft als omschrijving: ‘a compilation of pseudo-science in which the fantastic descriptions of real and imaginary animals, birds and even stones were used to illustrate points of Christian dogma and morals’.

 

De meest correcte omschrijving geeft Henkel [1976: 12]. Hij stelt dat de term Physiologus verwijst naar ‘eine naturwissenschaftliche Autorität, der ein Buch zugeschrieben wurde, das über bestimmte Eigenheiten von Tieren, Pflanzen und Steinen berichtet. In dem Werk, das wir gewöhnlich als >Physiologus< bezeichnen, wird dieses Naturbuch nur zitiert. Zu den zitierten naturkundlichen Berichten des >Naturforschers< (phusiológos) gibt dann ein christlicher Autor allegorische Auslegungen auf Christus, den Gläubigen, den Teufel etc.’

 

De opzet van de Physiologus is deze: ‘Eerst wordt een bijbeltekst genoemd waarin het betreffende dier wordt vermeld. Dan volgt een natuurhistorische beschrijving van zijn eigenschappen, ingeleid met de woorden “De fysioloog zegt…”. Vervolgens komt een allegorische uitleg, waarna hij besluit met de opmerking, dat de fysioloog juist heeft gesproken. Dit patroon is echter niet overal bewaard gebleven’ [ed. 1994: 17]. De allegorische uitleg in de Physiologus staat duidelijk in een christelijk perspectief.

 

Auteur

 

De term ‘physiologus’ duidde aanvankelijk zonder twijfel op de auteur en niet op de titel van de tekst. Hij bleef echter anoniem. In de loop der eeuwen werden onder meer Aristoteles, Salomon, Peter van Alexandrië, Epiphanios, Johannes Chrysostomos, Athanasius, Ambrosius en Hiëronymus als mogelijke auteur voorgesteld [ed. 1979: xvi]. Bij Aristoteles betekende de term phusiologos: een filosoof wiens theorieën over de natuurverschijnselen gebaseerd waren op de observatie van de zintuiglijk waarneembare wereld, vooral dan van het dierenleven [ed. 1979: xi]. Bij Diodorus Siculus en Cicero bestrijkt de term phusiologia een betekenisveld dat zowel de vroege Griekse speculatieve zoölogie en fysica omvat als de occulte religieuze praktijken van exotische volkeren [ed. 1979: xi]. Plutarchus is echter de eerste die diersymboliek in verband brengt met theologische speculatie: volgens deze auteur van Over Isis en Osiris baseerden de Egyptenaren hun sacrale symboliek op natuurverschijnselen waarvan ze dachten dat ze esoterische informatie over de aard van de goden bevatten [ed. 1979: xi-xii].

 

In de loop van de eerste twee eeuwen na Christus ontstond bij christelijke auteurs (Clemens van Alexandrië, Origines) onder invloed van het neoplatonisme een nieuwe, mystiek getinte opvatting van het begrip phusiologia: men vermoedde dat alle dingen op aarde een gelijkenis of relatie vertoonden met dingen in de hemel. De Physiologus leunt duidelijk aan bij Origines’ denkbeeld van de overeenkomsten tussen de natuurverschijnselen en hun hemelse archetypen, waarvan ze een gelijkenis (similitudo) zijn. Door middel van deze aardse symbolen voor goddelijke zaken was de christelijke wereld in staat de anders onoverbrugbare kloof tussen de visibilia van deze wereld en de invisibilia van de andere wereld te dichten [ed. 1979: xiii-xv]. Naast deze moraliserend-mystieke betekenis had de term phusiologia in de vroege christelijke periode ook nog de meer eenvoudige betekenis van: om het even welke allegorische intepretatie van een mythe of legende [ed. 1979: xv].

 

Uit dit alles blijkt dat de titel van de tekst niet eenvoudigweg betekent ‘de natuurkundige’. De Physiologus is geen traktaat over de natuurlijke historie, zoals de Naturalis Historia van Plinius dat wel was. De betekenis van de term ‘physiologus’ was rond 200: iemand die de transcendente betekenis van de natuur metafysisch, moraliserend en mystiek interpreteert [ed. 1979: xv].

 

Situering / datering

 

De tekstoverlevering van de Physiologus vormt een uitermate complex en verwarrend geheel. Algemeen wordt aanvaard dat de oudste (Griekse) versie van de Physiologus ontstond circa het jaar 200 in Alexandrië (Egypte) [ed. 1979: xvi / xix-xx]. De Griekse Phusiológos is overgeleverd in vier redacties (2de-12de eeuw) en bleef bewaard in handschriften die dateren van de 10de tot de 17de eeuw [Henkel 1976: 18]. De eerste vertaling van de tekst (in het Ethiopisch) dateert uit het begin of midden van de vijfde eeuw. Korte tijd later werd de tekst vertaald in het Syrisch en Armeens. De vroegste Latijnse vertaling dateert waarschijnlijk uit de vierde eeuw maar is in elk geval gedocumenteerd vanaf de vroege zesde eeuw [ed. 1979: xix-xx].

 

Er bestaan verschillende versies van de Latijnse Physiologus die grotendeels hetzelfde materiaal bevatten, maar toch ook belangrijke verschillen vertonen. De belangrijkste versies zijn de zogenaamde y- en b-versies. De y-versie (uitgegeven door Francis J. Carmody in 1933-44) heeft 49 hoofdstukken en verdween na de elfde eeuw uit de circulatie. De b-versie omvat 36 hoofdstukken en was in de Middeleeuwen samen met de Theobaldus-Physiologus de meest verspreide versie van de Physiologus.

 

De Engelse vertaling van Curley uit 1979 is gebaseerd op de twee versies van de Latijnse Physiologus die werden bezorgd door Carmody, de y- en b-versies (waarbij men van de y-versie aanneemt dat ze het dichtst bij de originele Griekse versie staat) [ed. 1979: xxxiii].

Voor zijn vertaling heeft Ledegang gebruik gemaakt van de oudste Griekse versie (48 hoofdstukken), zoals die in 1936 door F. Sbordone is uitgegeven [ed. 1994: 7]. Voor meer informatie over de oudste Griekse versie, zie McCulloch 1962: 15-20 en Henkel 1976: 12-20. Voor meer informatie over de Latijnse Physiologus-versies, zie Henkel 1976: 21-58.

 

Inhoud

 

I Leo / De leeuw [ed. 1979: 3-4] [ed. 1994: 33-34]

Heeft drie kenmerken.

  • Hij veegt zijn sporen uit met zijn staart als een jager hem achtervolgt. Leeuw = Christus: Deze verborg zijn goddelijke natuur voor de joden en voor de engelen die zijn nederdaling wilden verhinderen (dit laatste is heterodox gedachtegoed van de vroeg-christelijke gnostische sekten [ed. 1979: 68-69].
  • Hij slaapt met de ogen wakend open. Leeuw = Christus: Deze sliep fysiek aan het kruis maar zijn goddelijke natuur waakt altijd in de rechterhand van de Vader.
  • De leeuwin baart dode welpen. Na drie dagen komt de leeuw, ademt hen in het gelaat en ze worden levend. Leeuw = God: Deze deed Christus na drie dagen opstaan uit de doden.

 

II Autolops / De antiloop [ed. 1979: 4-5] [ed. 1994: 111-112]

Geen jager kan hem benaderen. Met zijn zaagvormige horens baant hij zich overal een weg. Als hij echter komt drinken bij de Eufraat, raakt hij verstrikt in een met naam genoemde heester (herecine: familie der ericaceae) en begint te roepen. De jager hoort het en komt hem doden.

Antiloop = de mens. Twee horens = het Oude en het Nieuwe Testament. Jager = de duivel. Heester met dunne takken = achterklap, plezier, begeerte, de ijdelheden van de wereld, wijn en vrouwen.

 

III Piroboli Lapides (y) / Lapides Igniferi (b) / Piroboli-rotsen [ed. 1979: 6] [ed. 1994: 113-114]

Dit zijn vuurstenen. Er zijn er mannelijke en vrouwelijke. Als ze elkaar naderen, ontbranden ze en verteren alles = mannen en vrouwen. In de hel zijn er veel mannen die verleid werden door vrouwen. Versie b: laat je niet in met vrouwen of het dubbele vuur zal aangestoken worden dat de goede dingen die Christus geschonken heeft, verteert.

 

IV Serra Marina / De zwaardvis (McCulloch 1962: zaagvis) [ed. 1979: 6-7] [ed. 1994: 116-117]

Heeft vleugels en volgt daarmee soms de schepen op zee. Als hij moe wordt, vouwt hij zijn vleugels op en drijft op de golven terug naar de plaats van vertrek.

Zwaardvis = mensen die een tijd deugdzaam leven maar dan hervallen in zonden en ondeugden. Zee = de wereld. Schepen = profeten en apostelen. Golven = de macht van de duivel.

 

V Charadrius (y) / Caladrius (b) / De charadrius [ed. 1979: 7-9] [ed. 1994: 36-37]

Vermeld in Deuteronomium XIV: 18 (onder de onreine vogels). Een helemaal witte vogel. Zijn uitwerpselen helen tanend oogzicht. Wordt gevonden in de woning van koningen. Keert zijn kop af van een stervende. Een zieke die kan genezen, kijkt hij echter in de ogen. Dan vliegt de vogel naar de zon en verbrandt de ziekte. = Christus: zonder smet, nam onze zonden weg door op het kruis te stijgen (‘naar de zon’), keerde zich af van de joden.

 

VI Pelicanus / De pelikaan [ed. 1979: 9-10] [ed. 1994: 38-39]

De jongen slaan de ouders in het gezicht, deze laatste slaan terug en doden de jongen. Drie dagen lang bewenen ze hen. Na drie dagen maakt de moeder hen weer levend met bloed dat ze uit haar borst pikt.

Pelikaan = God, Christus. Jongen = mensen die de Heer beledigen door hun aardse gerichtheid / de goddelozen sloegen Zijn zijde aan het kruis open, er kwam water en bloed uit. Bloed = de kelk van het Laatste Avondmaal. Water = doopsel.

 

VII Nycticorax / De uil [ed. 1979: 10-12] [ed. 1994: 40-41 (ooruil)]

Latijn: nyctocorax, van Grieks nux = nacht + koraks = raaf, ‘nachtraaf’ dus (bij Aristoteles is ‘nachtraaf’ = ‘eared owl’). Houdt meer van de duisternis dan van het licht.

Uil = Christus die houdt van hen die zich in de duisternis bevinden en in de schaduw van de dood en die Hij het licht bracht. Weliswaar is de uil in Deuteronomium een onreine vogel, maar dat is naar verluidt geen probleem.

Uil = de joden, die Christus niet (h)erkenden en dus meer van de duisternis dan van het licht hielden.

 

VIII Aquila / De arend [ed. 1979: 12-13] [ed. 1994: 42-43]

Wanneer hij oud wordt en zijn vleugels zwaar worden en zijn zicht slecht, stijgt hij op uit een bron naar de zon, hij brandt zijn vleugels en slechte ogen weg, duikt weer in de bron, baadt driemaal en komt als nieuw weer tevoorschijn.

Arend = de mens geschapen naar de gelijkenis van God, moet zich laten dopen in de eeuwige bron en de oude mens afschudden. Oude kleren en slecht zicht = de invloed van de duivel. Zon = Christus, de zon der gerechtigheid. Bron = God, de geestelijke bron, Bron des Levens.

 

IX Phenix (y) / Phoenix (b) / De phoenix [ed. 1979: 13-14] [ed. 1994: 44-46]

Komt na elke 500 jaar vanuit India naar het Libanonwoud en baadt zijn vleugels in goede geuren. Vliegt dan naar Heliopolis waar een priester hout op een altaar heeft gestapeld. De vogel steekt het hout aan en verbrandt zichzelf. De volgende dag vindt de priester een worm op het altaar. De dag daarna een klein vogeltje. De derde dag: een grote arend die de priester groet en terug naar India vliegt.

Phoenix = Christus (vleesgeworden en verrezen uit de dood). Twee vleugels = Zijn beste woorden (liet Hij achter voor ons).

 

X Epopa (y) / Upupa (b) /De hop [ed. 1979: 14-15] [ed. 1994: 47-48]

Als de ouders oud en zwak worden, worden zij verzorgd door hun jongen. De jongen worden de nieuwe ouders van hun eigen ouders.

Hop = voorbeeld van ouderliefde: wie zijn ouders niet liefheeft, is dwaas.

 

XI Onager / De wilde ezel [ed. 1979: 15] [ed. 1994: 49-50]

Als de wilde ezel tot de leiders van de kudde behoort, breekt hij de ballen van zijn veulens, zodat ze geen zaad produceren.

Wilde ezels = apostelen: zij hadden ‘geestelijke zonen’, bezaten ‘hemels zaad’. Het Nieuwe Testament schrijft onthouding voor, geen lichamelijke voortplanting zoals het Oude Testament en de Patriarchen.

 

XII Vipera / De adder [ed. 1979: 15-16] [ed. 1994: 51-52]

Het mannetje heeft het gelaat van een man, het vrouwtje is tot de navel een vrouw, daaronder een krokodil. Het vrouwtje heeft geen genitaliën, enkel een klein gaatje. Zij paren oraal: als het mannetje ejaculeert, bijt het vrouwtje zijn genitaliën af en hij sterft. De jongen worden geboren door het lichaam van het wijfje te doorboren zodat zij sterft.

Adders = farizeeërs: zij doodden hun vader (Christus) en moeder (Jeruzalem). Zij die in zonde leven, zijn dood.

 

XIII Serpens / De slang [ed. 1979: 16-19] [ed. 1994: 53-55]

Positief citaat uit Mattheus X: 16. De slang heeft vier kenmerken.

  • Als ze oud en slechtziend wordt, vast ze 40 dagen tot haar vel los komt te zitten? Dan zoekt ze een nauwe rotsspleet en wringt zich erdoor, zodat haar oude vel afgestroopt wordt en ze weer nieuw wordt. Slang = de mens: voor Christus moet hij de oude mens afwerpen met veel moeite. Rots en nauwe spleet = Christus.
  • Als ze gaat drinken in de rivier, laat ze haar gif achter in haar put. Slang = de mens: bij het samenkomen in de Kerk, het levende water drinken en gif (= slechte aardse verlangens) achterlaten.
  • Zij vreest een naakte man, valt geklede mannen aan. Slang = duivel. Naakte man = de zuivere, vrome mens. Geklede man = mens met zondig, vleselijk en sterfelijk lichaam. De duivel valt de mens alleen aan als hij gericht is op de wereld en de zonde, en dus kwetsbaar is.
  • Als ze door een man aangevallen wordt, beschermt ze haar kop. Slang = de mens: in tijden van verzoeking mag men nooit Christus (= het hoofd) afzweren.

 

XIV Formica / De mier [ed. 1979: 20-23] [ed. 1994: 56-57]

Drie kenmerken.

  • Mieren dragen graankorrels terwijl ze in orde oprukken. Mieren die niets hebben, volgen de sporen van de anderen tot ze ook graankorrels vinden. Mier = het tegenovergestelde van onvoorzichtige en onverstandige mensen = de wijze maagden (in tegenstelling tot de dwaze maagden). [Versie b voegt toe dat er in redeloze dieren heel wat wijsheid te vinden is.]
  • De mier verdeelt graankorrels over twee plaatsen zodat hij in de winter of in regentijd altijd voedsel heeft en niet verhongert. Mier = de mens die het Oude Testament in twee verdeelt: het verhaal zelf (verzinsel) + de geestelijke betekenis (goddelijke waarheid). De joden hebben dit niet begrepen. [Versie b: winterdag = Laatste Oordeel.]
  • In de oogsttijd mijdt de mier de gerst en klimt hij alleen op de tarwe-aren. Gerstkorrels = de ketterse leer [versie b: de arianische ketterij en haar volgelingen = draak die slangengebroed voortbrengt]. Mier = de mens die dit moet mijden.

 

XV Syrena et Onocentaurus / De sirene en de ezel-kentaur [ed. 1979: 23-24] [ed. 1994: 58-60]

Sirenen zijn gevaarlijke zeedieren die rare geluiden produceren. Tot de navel hebben ze een mensengedaante, daaronder zijn het vogels. [Versie b: ze lokken zeelui met hun zoet gezang en doden ze dan.

Sirenen = duivels. [Versie b: sirenen = de wereldse verleidingen, spelletjes, theater die de mens bedriegen en hem overleveren aan zijn vijanden.]

 

De ezel-kentaur is tot aan de borst mens, daaronder ezel.

Ezel-kentauren = duivels. Ezel-kentauren = slechte kooplui (in de kerk zijn ze als schapen, daarbuiten brute beesten).

 

XVI Herinacius / De egel [ed. 24-25] [ed. 1994: 61-62]

De egel klimt op wijnranken en gooit druiven op de grond. Hij rolt zich er dan in zodat de druiven op zijn stekels geprikt worden en en brengt ze dan naar zijn jongen.

Wijngaard = de spirituele dingen van God. Egel = de duivel die de spiritualiteit van de mens (de vruchten) vernietigt als hij te veel op het wereldse gericht is. De ziel wordt dan een rank zonder vruchten.

 

XVII Ibis / De ibis [ed. 1979: 25-26] [ed. 1994: 118-119]

Volgens Leviticus onreiner dan alle andere vogels. Kan niet zwemmen, blijft dus ver van het diepe water en vangt onreine, kleine visjes op de oevers. [Versie b: en leeft van stinkende krengen.]

Diepte = de wijsheid van God. Ibis = de mens die niet geestelijk in de ‘diepte’ kan zwemmen. [Versie b: krengen = de werken van het vlees.] Wie zijn handen niet uitbreidt en zo het teken van het kruis maakt, zal nooit over de zee kunnen vliegen. [Versie b: zij die niet kunnen zwemmen en zich bezighouden met het wereldse, zullen nooit de hemel bereiken. Wie kan vliegen als trekvogels, wel.]

 

XVIII Vulpis / De vos [ed. 1979: 27-28] [ed. 1994: 63-64]

Een bedrieglijk dier dat trucjes gebruikt. Houdt zich voor dood en vangt dan de vogels die denken dat hij een kreng is.

Vos = de duivel: houdt zich voor dood voor wie leeft volgens het vlees. Voor de gelovigen is hij echter écht dood. Lucas XIII: 32 vergelijkt Herodes met een vos.

 

XIX Arbor Peridexion et Columbis / De peridexion-boom en de duiven [ed. 1979: 28-29] [ed. 1994: 105-106]

De peridexion-boom groeit in India en duiven eten van zijn vruchten. De draak, die de vijand is van de duiven, is bang van de boom en zijn schaduw. Als de duiven buiten de schaduw van de boom komen, doodt de draak hen.

Boom = God. Schaduw = Christus. Duif = de H. Geest [versie b: duif = de gelovige mensen]. Draak = de duivel.

 

XX Elephas / De olifant [ed. 1979: 29-32] [ed. 1994: 123-125]

De olifant kent geen kwade begeerte bij het copuleren. Mannetje en wijfje gaan naar het oosten, in de buurt van het aards paradijs. Daar groeit de ‘mandragora-boom’. Het wijfje eet ervan en geeft ervan aan haar man. Pas dan wil het mannetje copuleren. Het wijfje baart haar jong in een vijver, het mannetje staat op wacht, bang voor de slang die de vijand is van de olifant. De olifant kan niet opstaan als hij valt. Daarom slaapt hij tegen een boom. De jager zaagt de boom door om de olifant te vangen. Een grote olifant komt dan helpen, maar slaagt er niet in de gevallen olifant op te krikken. Twaalf andere olifanten komen: evenmin met succes. Dan komt een kleine olifant en die slaagt er wel in. Waar een stukje haar of been van een kleine olifant begraven wordt, daar kan de slang niet meer komen.

[Versie b: kleine olifant = de zaken van God die de duivel verdrijven.] Twee olifanten = Adam en Eva: copuleerden niet vóór hun uitdrijving uit het paradijs. Toen Eva van de mandragora at en liet eten, werden zij slecht. De draak (= duivel) overwon hen. Grote olifant = de Oude Wet. 12 olifanten = de profeten. Kleine olifant = Christus.

 

XXI Amos de profeet [ed. 1979: 32-33]

[Alleen in versie b. Amos zei van zichzelf dat hij een geitenhoeder was. Geiten = de zondige mensheid. Zij die in de kudde werden opgenomen = de christenen. Zij die in de wildernis rondlopen = de joden.

 

XXII Dorchon, Caprea / De ree (gazelle?, geit?) [ed. 1979: 33-34] [ed. 1994: 120-121]

Houdt van de hoge bergen, maar zoekt voedsel aan de voet van de bergen. Ziet van ver wie nadert, en kent hun bedoelingen.

Ree = wijsheid van God: Hij ziet alles. Hoge bergen = de profeten. De ree spring over de bergen (= profeten) en loopt rond in de heuvels (= apostelen). [Versie b: voedsel in de valleien = de Kerk waar Christus zich voedt. Valleien en bergen = kerken op verschillende plaatsen.]

 

XXIII Achatis Lapis / De agate-steen [ed. 1979: 34] [ed. 1994: 126-127]

Wordt gebruikt om parels op te sporen (door ambachtslui en duikers).

Agate-steen = Johannes de Doper die wees op Lam Gods, de geestelijke parel (zie ook XXIV).

 

XXIV Sostoros Lapis et Margarita / De oestersteen en de parel [ed. 1979: 38] [ed. 1994: 126-127]

’s Morgens komt de oester uit de zee naar boven en vangt het licht van de zon, de maan en de sterren in haar open schelp. Zo ontstaat een parel.

Parel = Christus (licht = de hoge plaatsen). Zee = wereld. Duikers = de heilige doctores. Oesterschelpen = het Oude en Nieuwe Testament. [Versie b: (oester)schelp = de Maagd Maria. Koopman die één waardevolle parel kocht (Mattheus XIII) = de apostelen die één van geloof waren en Christus volgden. Andere goede parels = profeten, apostelen, partiarchen (de Wet en de Profeten).]

 

XXV Adamantinus Lapis / De adamant-steen (diamant) [ed. 1979: 38] [ed. 1994: 122]

Vreest geen ijzer, neemt geen rookgeur op. Demonen en boze dingen mijden het huis waar hij gevonden wordt. Wordt gevonden in het huis van koningen.

Adamant-steen = God.

 

XXVI Onager et Simius / De wilde ezel en de aap [ed. 1979: 38-39] [ed. 1994: 128]

De wilde ezel wordt gevonden in vorstenhuizen. De 25ste maart balkt hij 12 keer [versie b: 12 keer overdag en 12 keer ’s nachts, één keer elk uur], en men weet dan dat het zomerzonnewende is. Ook als de aap zeven keren watert, is het zomerzonnewende.

Wilde ezel = de duivel die huilt om de zielen die naar de hemel zijn. Aap = de duivel want een aap heeft geen ‘einde’ (staart), net als de duivel [versie b: de duivel heeft geen ‘einde / staart’ omdat hij op het einde der tijden verloren zal gaan]. De aap is daarenboven lelijk, vooral aan zijn achterwerk. De duivel heeft ook ‘geen goed einde’.

 

XXVII (Indicus) Senditicos Lapis / De Indische steen, watersteen [ed. 1979: 40] [ed. 1994: 129]

De (s)indicus (Indische steen, watersteen) trekt het water uit iemand die aan waterzucht lijdt.

Sindicus = Christus: onttrekt aan ons het water van de duivel.

 

XXVIII Herodius id est Fulica / De reiger, ooievaar, meerkoet? [ed. 1979: 40] [ed. 1994: 130-131]

Komt altijd terug naar één nest. Voedt zich niet met krengen. Vliegt niet ver weg.

Reiger/ooievaar = de goede katholiek die de Kerk aanhangt en de ketters (het ver weg vliegen, krengen) links laat liggen.

 

XXIX Psycomora / De vijgenboom (moerbeivijgenboom?) [ed. 1979: 41] [ed. 1994: 132-133]

Amos zei: ik ben een geitenhoeder die vijgen verzamelt. Lucas-citaat: in vijgen zitten insecten in de duisternis. Als men de vijg opent, zien zij het licht.

Amos = Christus. Geiten = de personen die boete doen. Vijg = Christus: Zijn zijde werd geopend door een lans. Insecten (in het Latijn: muggen, muskieten) = mensen die dankzij Christus het goddelijke licht zien.

 

XXX Panther / De panter [ed. 1979: 42-45] [ed. 1994: 65-66]

Een heel mild dier, vriend van alle andere dieren, alleen niet van de draak. Heeft vele kleuren en is heel mooi. Na het eten valt hij in slaap en wordt pas wakker na drie dagen. Dan brult hij en dat klinkt heel mooi. Iedereen volgt hem dan.

Panter = Christus. Panter betekent: ‘hij die alles verzamelt’.

 

XXXI Cetus id est Aspisceleon / De walvis [ed. 1979: 45-46] [ed. 1994: 67-69]

Zeelui denken dat de walvis een eiland is en gaan erop staan. Als ze eten koken, duikt de walvis onder en doet hen verdrinken.

Walvis = de duivel: wie op de duivel zijn hoop stelt, zal in de hel verzinken.

 

De walvis opent zijn mond en dan komt er een aangename geur uit. Kleine vissen worden erdoor aangetrokken en opgeslokt. Grotere vissen blijven uit de buurt.

Walvis = de duivel. Kleine vissen = mensen met een klein geloof. Grotere vissen = de sterke gelovigen (Job, Mozes, de profeten, Jozef, nog andere bijbelse parallellen).

 

XXXII Perdix / De patrijs [ed. 1979: 46-47] [ed. 1994: 70-71]

De patrijs broedt eieren van andere vogels uit en voedt de jongen op. Als ze volwassen zijn en beginnen te vliegen, keren de jonge vogels echter weer naar hun ouders en laten de patrijs alleen.

Patrijs = de duivel. Jonge vogels = mensen die eerst een klein geloof hebben en zich dan bekeren. Ouder-vogels = Christus, de profeten en de apostelen.

 

XXXIII Vultur / De gier [ed. 1979: 47-49] [ed. 1994: 72-73]

Leeft op hoge bergrotsen en op pinakels van tempels. Als het wijfje zwanger wordt, vliegt ze naar India en zoekt de eutocius-steen. Deze is zo groot als een noot en bevat binnenin een andere steen die een belgeluid maakt als men de steen beweegt. De vogel gaat op die steen zitten en baart zonder pijn.

Eutocius-steen = Christus (van buiten mens, van binnen God) of = Maria (die Christus van binnen droeg). Gier = de mens die God moet zoeken.

 

De gier heeft niet één nest.

Gier = de mens niet op het nest van de oude ketterij en afgoderij bleef zitten maar gered werd door Christus.

 

XXXIV Mirmicoleon / De mierenleeuw [ed. 1979: 49] [ed. 1994: 74]

Zijn vader is een leeuw en daarom heeft hij een leeuwenhoofd. Zijn moeder is een mier en daarom heeft hij het lijf van een mier. Kan geen planten en geen vlees eten, en daarom sterft hij van honger.

Mierenleeuw = de mens met een bedrieglijk hart en dubbele moraal: hij bidt en zondigt toch, volgt twee paden.

 

XXXV Mustela / De wezel [ed. 1979: 50] [ed. 1994: 75-76]

Volgens Leviticus XI: 29 een onrein dier. Het wijfje ontvangt het zaad van het mannetje via de mond en baart via de oren. Via het linkeroor baart ze wijfjes, via het rechteroor mannetjes.

Slechte dingen ontstaan via de oren. Wezel = mensen die in de kerk het woord horen en het buiten de kerk vergeten.

 

[Versie b: als men de adder uit zijn hol wil lokken met muziek, stopt hij zijn ene oor dicht door het op de grond te drukken, en het andere door het met zijn staart af te sluiten.

Adder = de rijke mensen: lenen één oor aan aardse verlangens, en het andere stoppen ze dicht door nieuwe zonden aan de oude toe te voegen. De bezweerder = de predikers, de H. Schrift.]

 

XXXVI Monoceras (y) / Unicornis (b) / De eenhoorn [ed. 1979: 51] [ed. 1994: 77-78]

Is klein, listig, heeft één hoorn midden op het voorhoofd en is heel sterk, zodat de jagers hem niet kunnen vangen. Een kuise maagd kan hem wel lokken: de eenhoorn legt zich in haar schoot, zij warmt en voedt hem en neemt hem mee naar het paleis der koningen.

Eenhoorn = Christus: één met de Vader, hoorn der redding (Lucas I: 69) en kwam in de baarmoeder van Maria (een maagd). [Versie b: Christus was ook listig want engelen noch duivels kunnen Hem begrijpen. Klein = de nederigheid toen Hij mens werd.]

 

XXXVII Castor / De bever [ed. 1979: 52] [ed. 1994: 79-80]

Een vreedzaam dier. Zijn genitaliën hebben medische waarde. Achtervolgd door de jager om deze reden bijt hij zijn genitaliën af. Wordt hij weer opgejaagd, dan gaat hij op zijn rug liggen en de jager gaat weg, want er is geen reden meer om de bever te doden.

Bever = de mens die zijn zondig leven (= begeerte, overspel, diefstal) heeft afgesneden en aan de duivel (= de jager) heeft gegeven. [Versie b: zonden = de werken van het vlees.]

 

XXXVIII Hyena / De hyena [ed. 1979: 52-53] [ed. 1994: 81-82]

Onrein volgens Leviticus XI: 27. Is een hermafrodiet.

Hyena = de mens met een dubbele moraal: mannelijk bij samenkomsten (missen), vrouwelijk als de mis gedaan is. [Versie b: mens die eerst vroom is, dan zondig. Hyena = de mens die haakt naar lust en begeerte maar het niet doet. Hij is niet mannelijk en niet vrouwelijk, niet trouw en niet trouweloos.]

 

XXXIX (Hydrus) Niluus / De Niluus [ed. 1979: 53-54] [ed. 1994: 83-84]

Leeft in de rivier en heeft de vorm van een hond. Is de vijand van de krokodil. Besmeert zichzelf met modder, laat die opdrogen en kruipt dan in de mond van de krokodil, trekt de ingewanden stuk en komt er levend weer uit.

Niluus = de hel die de zielen doodt.

Maar ook: krokodil = de hel. Niluus = Christus die in de hel ging en alles stukmaakte en de zielen redde die daar waren.

 

XL (Ichneumon) Echinemon / De echinemon [ed. 1979: 54] [ed. 1994: 85]

Vijand van de draak. Smeert zich in met modder, bedekt zijn neusgaten met zijn staart om zich zo te verbergen en vergroten. Zo weerstaat hij de draak tot hij hem doodt.

Echinemon = Christus: nam aards lichaam aan en versloeg de duivel (= draak).

 

XLI Cornicola / De (kleine) kraai [ed. 1979: 54-55] [ed. 1994: 86-87]

Het vrouwtje blijft alleen als het mannetje dood is.

Kleine kraai = het jodendom: bleef verlaten achter nadat het zijn hemelse man (Christus) gedood had.

Kleine kraai = christendom: zuivere bruid van één man (het Woord).

 

XLII De struisvogel [ed. 1979: 55-56]

Legt eieren in de zomer (als zij ziet dat de ster Virgilia opkomt: één van de Pleiaden) onder het zand en vergeet ze dan. De warmte van het zand broedt de eieren uit.

Struisvogel = de mens die de aardse dingen vergeet en omhoog kijkt naar hemelse dingen.

 

XLIII Turtur / De tortelduif [ed. 1979: 56-57] [ed. 1994: 88-90]

De tortelduif woont graag alleen in de wildernis.

Tortelduif = Christus en zij die Christus willen imiteren: zij houden van eenzaamheid.

[Versie b: de tortelduif leeft kuis en trouw met haar man. Neemt na zijn dood geen andere man. Tortelduif = de H. Kerk: zag Christus sterven en verrijzen en bleef Hem trouw. Tortelduif = de gelovige die Christus trouw blijft.]

 

XLIV Hyrundo / De zwaluw [ed. 1979: 58] [ed. 1994: 103-104]

Legt maar één ei.

Zwaluw = Christus: ook maar één maal ontvangen, gedragen, gekruisigd en opgestaan uit de dood. Eén God, één geloof, één doopsel.

 

XLV Cervus / Het hert [ed. 1979: 58-60] [ed. 1994: 92-95]

Het hert is de vijand van de draak (slang). De draak vlucht voor het hert in spleten. Maar het hert drinkt water uit een stroom en spuwt het in de spleet, zodat de draak eruit komt en kan doodgetrapt worden. Waar hertenhaar in huis is, of hertenbeenderen werden verbrand, komt nooit een slang.

Hert = Christus die de duivel (= draak) doodde met het hemels water van de onbeschrijflijke wijsheid. Wie God vreest, heeft geen last van duivels.

[Versie b: Jezus dreef duivelen uit in een kudde varkens. N.a.v. een psalm: bergen = apostelen, profeten, priesters. Herten = gelovigen die via apostelen, profeten en priesters kennis van Christus willen verwerven.]

 

XLVI Rana / De kikker [ed. 1979: 60-61] [ed. 1994: 91]

Er zijn kikkers die op het droge leven (cerseus). Kunnen tegen de zomerhitte, maar als ze nat worden van de regen, sterven ze.

Cersei = mensen die onthouding kunnen verdragen. Regen = aardse verlangens.

De waterkikkers leven in het water. Als ze warm worden van de zon, duiken ze terug het water in.

Waterkikkers = mensen die de onthouding niet volhouden. Water = hun vroegere wereldlijke verlangens.

 

XLVII Saura id est Salamnadra / De hagedis (salamander) [ed. 1979: 61] [ed. 1994: 96-97]

Als hij in vuur gezet wordt, dooft hij het vuur uit.

Salamander = Daniël en de zijnen: doofden vuur van de oven door hun rechtvaardigheid en geloof. [Versie b: salamander = de gelovige die niet aangetast wordt door hellevuur.]

 

XLVIII Magnis Lapis / De magneet [ed. 1979: 61] [ed. 1994: 115]

Trekt ijzer aan en houdt het vast.

Magneet: beter nog is de Schepper die de hemel aan de aarde vastbindt.

 

XLIX Adamantinus Lapis / De adamant-steen (diamant) [ed. 1979: 62-64] [ed. 1994: 98-102]

Wordt ’s nachts gevonden in het oosten. Domineert alles en is onoverwinnelijk.

Adamant-steen = Christus, de gelovige. Berg in het oosten = God.

[Versie b: Christus gaf de lamp die de duivel uitdoofde, weer licht. Lamp = lichaam en ziel. Adamant-steen wordt niet aangetast door magneet (= de dood), door vuur (= de duivel) of door andere stenen (= mensen en andere schepsels).]

 

L Columbae / De duif [ed. 1979: 64-66] [ed. 1994: 107-110]

Er zijn duiven in allerlei kleuren.

Rode duif (heerst over de andere en verzamelt hen in de duiventil) = Christus. Zwarte duif = het Oude Testament (duistere woorden en onduidelijke betekenis). Gevlekte duif = de 12 profeten. Blauwe duif = Elias. Asgrauwe duif = Jonas. Gouden duif = de drie jongelingen voor Nebuchadnezar. Honingkleurige duif = Elisha. Witte duif = Johannes de Doper. Rode duif = Stefanus, de eerste martelaar.

Rood = de kleur van Christus’ Passie en van martelaarschap (bloed). Wit = maagdelijkheid.

 

LI Saura Eliace hoc est Anguilla Solis / De pauw, zonhagedis? [ed. 1979: 66-67] [ed. 1994: 35]

Wordt blind als hij oud wordt. Kijkt dan door een spleet in een muur naar het oosten, en de oostelijke zon geeft hem het zicht weer terug.

Oostelijke zon = Christus. Pauw = mens die zoekt naar Christus.

 

Thematiek

 

De primaire bedoeling van de Physiologus is een stichtelijke interpretatie leveren van een aantal dieren (planten, stenen) die in de Bijbel vermeld worden.

 

Receptie

 

In de 5de eeuw: een blijkbaar getrouwe Ethiopische vertaling van het Griekse origineel. Waarschijnlijk even oud: de Armeense vertaling. De allegorieën wijken hier af van het origineel. Bevat 35 dieren waarvan drie nergens in de Griekse teksten voorkomen (bij, tijger en Zerehav-vogel). Even oud: de Oud-Syrische vertaling. De allegorieën en soms ook de bijbelcitaten zijn weggevallen. In deze vroegste vertalingen reeds de tendens om de inventaris van dieren uit te breiden.

 

Twee Arabische vertalingen: de ene bevat slechts 11 hoofdstukken, de andere 35. Waarschijnlijk in de 8ste eeuw: Georgische vertaling.

 

4de-6de eeuw: de vroegste Latijnse vertaling. De oudste manuscripten pas uit de 8ste, 9de en 10de eeuw. De allegorieën worden hier meestal uitgebreid. Bloemlezingversies beginnen te verschijnen: het Glossarium van Ansileubus, de zogenaamde Dicta Chrysostomi, de zogenaamde Theobaldus-Physiologus (met een origineel hoofdstuk over de spin). Deze Theobaldus-versie was in de late Middeleeuwen schoollectuur: dus zeer belangrijk qua invloed in die periode [ed. 1979: xxviii (noot 3)].

 

Tweede helft 8ste eeuw: oudste Europese volkstaalversie: Oudengels, in verzen. Erg vrije interpretaties in vergelijking met het origineel (typisch voor de verdere Middeleeuwen). 11de/12de eeuw: twee Oudhoogduitse vertalingen van de Dicta Chrysostomi. Fragmenten in het Vlaams, Ijslands, Provençaals, Russisch en Middeleeuws-Grieks.

 

13de eeuw: incorporatie in de encyclopedies en natuurhistorische compendia van de late Middeleeuwen, via de Etymologiae van Isidorus van Sevilla (circa 623), vooral boek 12 (De animalibus), en via Thomas van Cantimpré, Albertus Magnus, Vincent van Beauvais, de pseudo-Hugo van St. Victor, Alexander Neckam, Jacobus van Virty, Bartholomeus Anglicus en Honorius van Autun.

 

Tegen eind 12de eeuw, een nieuw populair genre van natuurboeken: het bestiarium. Vooral belangrijk zijn de Franse bestiaria van Philippe de Thaon, Gervaise, Guillaume le Clerc en Pierre de Beauvais, tussen 1125 en 1225. Het oudste Franse bestiarium is dat van Philippe de Thaon (circa 1121).

 

Altijd in het oog te houden: welke ook de bronnen zijn van de middeleeuwse teksten over dieren, uiteindelijk gaan ze praktisch altijd terug tot de Physiologus. [zie voor dit alles ed. 1979: xxvi-xxxiii]

 

Bartelink [1990/91: 13] noteert: ‘De Latijnse vertaling van de Griekse tekst wordt voor het eerst genoemd in het Decretum Gelasianum (496), en wel duidelijk afwijzend: Liber Physiologus, qui ab haereticis conscriptus est et beati Ambrosii nomine praesignatus, apocryphus. Het werd een echt volksboek, tot ver in de Middeleeuwen, en het had een niet geringe invloed op literatuur, kunst en volksgeloof. De wonderbaarlijke, veelal fabelachtige eigenschappen van de beschreven dieren werd [lees: werden] in symboolvorm op Christus, de Kerk, de duivel en de mens toegepast’. Henkel [1976: 21 (noot 1)] signaleert dat ‘der griechische Physiologus weitaus länger populär ware als der lateinische, der im 14./15. Jh. am häufigsten überliefert ist, während das beim griechischen im 16./17. Jh. der Fall ist’. Dezelfde auteur [1976: 27] stelt ook dat de Latijnse b-versie in de Middeleeuwen het meest verbreid was: ‘Die Wirkung der Versio b ist beträchtlich gewesen. Die meisten Physiologus- bzw. Bestiarienformen, die in England und Frankreich entwickelt wurden, gehen auf b zurück, gleichfalls die sog. Dicta Chrysostomi’.

 

Profaan / religieus?

 

Duidelijk stichtelijk-religieus.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Wanneer Bax [1948: 279] het heeft over de mogelijke invloed van bestiaria op Bosch, noteert hij ‘dat Bosch met de inhoud van dergelijke geschriften bekend kan zijn geweest. Reeds in de bron van vele bestiaires, het natuurkundige werk Physiologus, komt een beschrijving voor van een geit met één scherpe hoorn op het hoofd, die, opgenomen in bestiaria, de schilder geïnspireerd kan hebben tot een wonderlijke creatie in de Wellusttuin’. Bax [1948: 210-211] doelde daarmee op het ‘hertachtig dier met een hoorn als die van een eenhoorn’ dat meedraait in de ruiterstoet rond de vijver met naakte vrouwen, onderaan links (rechts van de ruiter die een sikkel omhooghoudt) en bracht dit in verband met de eenhoorn, die in de Physiologus beschreven wordt als een kleine geit (of bok) met één hoorn op het midden van de kop [ed. 1979: 51]. Tégen deze determinatie spreekt dat Bosch op het linkerbinnenluik een ‘gewone’ eenhoorn afbeeldde (een paard met een hoorn). Wat uiteraard niet wegneemt dat Bosch inderdaad kan geïnspireerd zijn geweest door afbeeldingen in bestiaria.

 

De allegorische interpretaties van dieren zoals die in de Physiologus gegeven worden, lijken in elk geval weinig invloed op Bosch te hebben uitgeoefend. Dat wordt bijvoorbeeld heel duidelijk bij de hop die als een voorbeeld van liefde voor de ouders wordt gezien, iets wat totaal niets te maken heeft met de hop die zich op het middenpaneel van de Tuin der Lusten in een erotische context bevindt. De enige mogelijke verbanden tussen de Physiologus en Bosch die ik zie, zijn de waterkikkers (XLVI) die vergeleken worden met mensen die de wereldse ijdelheden niet kunnen opgeven (zie de kikkers onderaan het linkerbinnenluik) en de heesters met dunne takken waarin de antiloop (II) verstrikt raakt en die geassocieerd worden met achterklap, plezier, begeerte, de ijdelheden van de wereld, wijn en vrouwen. Werkt dit niet enigszins verhelderend in verband met de talrijke kronkelende stengels en woekerende planten op het middenpaneel? Is hier al sprake van enige relevantie, dan zal Bosch’ bron waarschijnlijk toch niet de Physiologus geweest zijn, maar gaat het om topoi die uiteindelijk wel teruggaan tot de Physiologus, maar de laatmiddeleeuwer bekend waren via bestiaria of andere teksten. Interessant is overigens ook dat in het hoofdstukje over de ibis (XVII) gezegd wordt dat ‘wie zijn handen niet uitbreidt en het kruisteken maakt’ nooit over de zee (de wereld) zal kunnen vliegen. Gespreide armen die de houding van Christus aan het kruis imiteren: is dit in verband te brengen met de man die in de kuif van een hop zit en zijn armen als een gekruisigde uitspreidt?

 

Geraadpleegde literatuur

 

  • Florence McCulloch, Mediaeval Latin and French Bestiaries. University of North Carolina Studies in the Romance languages and literature – Number 33, The University of North Carolina Press, Chapel Hill, 1962.
  • Nikolaus Henkel, Studien zum Physiologus im Mittelalter. Hermaea Germanistische Forschungen – Neue Folge Band 38, Max Niemeyer Verlag, Tübingen, 1976.
  • G.J.M. Bartelink, “Diermetaforen en -symbolen voor de duivel en de demonen in oudchristelijke teksten”, in: Kleio, jg. 20, nr. 1-2 (oktober 1990-maart 1991), pp. 5-18.

 

[explicit 3 augustus 1993 / 7 september 2016]