AKKER (ploegen)

 

1 (Venus’) akker in erotische context (coïtus)

 

Decamerone ed. 1989 (1349-53)

  • 162 (II, 10). Een vrouw zegt: Als u aan de landarbeiders van uw buitengoed evenveel vrije dagen toekende als aan het spittertje dat mijn akkertje moet bewerken, zou u nooit een graankorrel oogsten, neem dat van me aan.
  • 205 (III, 6). Een vrouw heeft zonet gecopuleerd met haar man (die dacht dat zij zijn minnares was) en zegt tot hem: Maar God zij dank, je hebt je eigen akkertje bewerkt en niet dat van een ander.
  • 484 (VII, 10). Nu vond Tingoccio echter in Mita een vruchtbaar terrein, waarin hij zo heftig spitte en hakte dat hij er ziek van werd.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 402 (verzen 5-6). Zot rederijkersrefrein over een geil zeepverkoopstertje: Want om haar landeken omme te spittene / Was haer van noode een wijder spade.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 150 (refrein 78, verzen 27-29). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Nae veel cussens en tookens soe ic versinne / ghinghen sy een stuck te coornwerts inne / en wrochten in venus acker soit.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 160 (refrein 211, verzen 60-61). Zot rederijkersrefrein over de lasten en plichten van de gehuwde man: daer hoort veel toe oec moet hij bouwen / Venus acker, twort dan vry wit. Hetzelfde in Doesborch II ed. 1940: 275 (refrein 154, verzen 60-61): Daer behoort veel toe; ooc moet hi bouwen / Venus acker alst past, twort dan vry wit.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 70 (refrein 29, verzen 22 / 26). Zot rederijkersrefrein. Een vrouw op jacht naar een man en seks zegt onder meer: ende opden haerdries iaghen steken / (…) sou hem yemant op mijnen acker gheneeren.

Bedroch der Vrouwen ed. 1983 (circa 1532)

  • D3v. Volksboek. Ende hebben neerstelic venus acker gebouwen.
  • E1r. Ende daer hi venus acker bouwede.
  • K3r. Ende si bouden daer venus acker met vieriger begeerten.

Colloquia familiaria ed. 1967 (1533)

  • 174. Latijnse dialogen. De dialoog ‘Uxor Mempsigamos’. Xanthippe is zwanger en Eulalia zegt: Daar heeft een vruchtbare akker [fundus] een goede boer [cultor] gevonden.
  • 200. De dialoog ‘Adolescentis et scorti’. Een hoertje over haar werk: Dat is ons werk, dat is onze akker [fundus].

Mars en Venus ed. 1991 (1551)

  • 274 (vers 694). Rederijkersspel. Phebus tot Vulcanus: vrouwen zijn van nature snel geneigd om up den acker van minnen te plucken.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 259 (fol. 299v, verzen 25-26). Zot-erotisch rederijkersrefrein. De melckeghe es vroylick en zoucket Labaeyen / en theerderken wil haeren ackere Bezaeyen.
  • 260 (fol. 300r, vers 14). Hetzelfde refrein: es nv bezaeyt haer Landeken.

Jongeling en Wulps Leven ed. 1932 (XVI?)

  • 132 (verzen 312-313). Rederijkersspel. Reden over de goede vrouw: Ja sis den acker daer hij sijn lijfs vrucht af teelen / Mach door des Heeren hulp.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 198 (strofe 4, vers 6). Meiliedje. Haer acker te besaeyen spoort.

Leander ende Hero ed. 2002 (1621)

  • 129-130 (Spel 2, verzen 66-67). Rederijkersspel. Leander zegt: Kan ick haer liefde tot mynen wil verwecken, / Zoo zal ick wel labeuren in den acker van minnen.

 

2 Voor = vagina

 

Wesen ed. 1920 (1512)

  • 39 (verzen 78-79). Rederijkersspel. Een vrouw klaagt over haar man bij een buurvrouw: Cleen liefde tmywaerts hy bewyssende es. / Seer lettele hy om myn voere gheift. ‘Voere’ = vagina. Hij zou haar dus verwaarlozen in bed…

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 258 (refrein 145, vers 39). Zot-erotisch rederijkersrefrein, aansporing tot seks: Grabbelt na die vore, segt mi en roeck [zeg: het kan mij niet schelen].

Joseph ed. 1975 (1565-66?)

  • 113 (vers 811). Rederijkersspel. Wachters over een vrijend koppel: Hij salse vooren eer hijer aff gaet. Aantekening noteert: ‘vooren’ = een voor maken in, beploegen = coire.
  • 133 (vers 1379). Een wachter zingt een obsceen liedje: Maer haest u uuter voren, uuter voren. Aantekening noteert: ‘voor’ = vagina.

 

3 Ploegen = coire

 

Roman van de Roos ed. 1991 (circa 1270)

  • 510 (verzen 19.513-19.530). Allegorisch leerdicht. Genius houdt een pleidooi voor de procreatie: Maar al wie met Natura’s schat / – verraders op het levenspad – / haar hamer, aambeeld, griffel, lei, / niet doen wat zij daarover zei, / of met haar ploegmes, dat het ploegen / gemakkelijk maakt en zonder zwoegen, / of met haar braakland zonder stenen, / vruchtbaar en grazig naar ‘k wil menen, / dat graag zeer diep geploegd wil zijn / want dan brengt het genot zeer fijn, / al wie daarmee niet willen werken / tot haar eer, zullen het wel merken, / zij die naar haar vernieling streven, / haar aambeeld mijden in dit leven, / haar braaklanden en ook haar leien, / zeer lief en kostelijk tussenbei’en, / niet aanwenden voor het nageslacht, / zodat een loze Dood hen wacht…
  • 512 (verzen 19.613-19.620). Idem: zij zijn wel domme stakkers, want / zij ploegen in het dorre land / waarin hun zaad in droge voren / niet op zal komen, maar verloren / gaat, en wel daar zij steeds hun ploegen / tegennatuurlijk laten zwoegen / en met verdorvene praktijken / boosaardigheid sterk laten blijken.

Esopus ed. 2016 (1476/77)

  • 431-433 (nr. 153). Een fabel uit de Esopus-druk van Steinhöwel (1476/77). In het Latijn staat er: Conveniunt leti, amplexantur se, figunt basia ac Veneris vomere terra colitur hirsuta, umbrosumque nemus [verheugd kwamen zij samen, ze omhelsden elkaar en zoenden elkaar en met het ploegijzer van Venus werd de ruige aarde bewerkt en het lommerrijke bos].

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 46 (nr. 41, strofe 4, vers 4). Amoureus liedje over een ruiter die zijn geld aan een hoertje verliest: Si sleepten te samen vrou Venus ploech.

Ulenspieghel ed. 1980 (1560)

  • 75 (vers 242). Spotprognosticatie. Over de Antwerpse hoertjes: En crijghender dan die pocken door alsulck gheploch.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 55 (strofe 3). Amoureus liedje. Een ‘venusjankster’ (verliefde vrouw) zegt: Ick heb om uwent wille goet lief / Die hant geslagen aenden ploegh / Doen ick u lestmael loofde met gerief / Dat geschieden des morgens vroegh.

 

4 Ploegen op (Venus’) akker = coire

 

Roman van de Roos ed. 1991 (circa 1270)

  • 514-515 (verzen 19.671-19.722). Allegorisch leerdicht. Genius houdt een pleidooi voor de procreatie: Bij God, baronnen, ploeg! Ploeg voort, / zorg voor opvolging naar ’t behoort, / verzorgt u zelf uw akker niet, / gewis dat geen gewas opschiet; / uw kleed moet voor steeds openhangen / als om de wind erin te vangen; / ga, zo u wilt, bloot door ’t bestaan, / trek slechts bij hitte of kou iets aan. / Hef hoog toch, met de blote hand, / uw ploegstaart boven ’t vruchtbaar land, / steun op uw armen naar behoren, / stuur stijf uw kouter door de vore / en zorg daarbij vooral altijd / dat het heel diep naar binnen snijdt; / bij God, de paarden voor uw ploeg / zijn, hoe rap ook, nooit rap genoeg! / Geef ze de sporen, zet ze aan, / gebruik de zweep om ze te slaan, / stoot door, stoot door, weet van geen wijken / om ’t diepst der vore te bereiken; / koppel de twee gehoornde ossen / aan ’t ploegjuk, jaag ze erop los en / steek ze de prikstok in de schoften, / want goed geprikt biedt de belofte / van beter ploegwerk en de hoogste / opbrengst wanneer u straks gaat oogsten. / Als u dan zeer goed hebt geploegd / en zeer vermoeid ben uitgezwoegd / en door uw taak bent uitgeput / en rust zoekt en wer nieuwe fut / – want als je arbeidt zonder rust / dan ben je weldra uitgeblust -, / en niet aanstonds weer door kunt werken / omdat u eerst wat aan moet sterken, / word dan toch nooit het willen moe. / Cadmus, Pallas zette ‘m ertoe, / ploegde meer dan een morgen landen / en zaaide daarin slangetanden, / daar groeiden sterke ridders uit / die zó vochten met haar en huid / dat ze ter plaatse moesten sneven, / slechts vijf bleven ervan in leven / die hem hielpen als zijn getrouwen / toen hij de muren moest gaan bouwen / van Thebe, stad door hem gesticht. / Ze tilden stenen van gewicht, / bevolkten daarna deze stede, / een van de oudste uit ’t verleden. / Cadmus had dus gezaaid met kracht, / hetgeen zijn volk veel welvaart bracht. / En als u ook zo goed begint, / groeit uw geslacht van kind tot kind.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 371 (vers 138). Rederijkerslyriek. Een ‘argument’ over een man met twee vrouwen in een bootje. De ikverteller wordt wakker en voelt zich of ick ghereden hadde op venus ackere. Handschrift A heeft ‘gheploecht’in plaats van ‘ghereden’.

Pastoor te Kalenberghe ed. 1981 (XVIa)

  • 53 (regels 417-419). Anekdotenbiografie. De pastoor van Kalenberg tot een bisschop: Ghy en moet niet al laten uwe oude gewoonten. O eerweerdighe bader, gaet gy te nacht by een schoon vrouken dicwils u natuere verlichten ende in Venus’ acker ploegen.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 185 (fol. 258v, verzen 2-6). Rederijkerslyriek, ABC-dicht. Yeghelick die hem thuwelicke voughen / moeten AnNemen een zoorghfuldich leuen / In gheenen vreimden ackere meer ploughen / maer het tribuut martimoniael gheuen / den ghuenen daer thuwelick om es bedreuen.

Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 15 (verzen 252-256). Satirisch rederijkersgedicht. Over seks in bordelen: Tis een dienende leen maar tdoet de mans flouwen / En den ploech trecken met grooten labuere; / Niet dan strijckvoren, heb ict wel onthouwen, / En canmen daer ackeren mits tquaet humuere / Twelck desen lande is quellende alduere. ‘Strijckvoren’ is waarschijnlijk corrupt. Zie ook Leenhof der Ghilden/Parafrase ed. 1950: 44 (regels 270-272): Item een schoene groete hoeve geleghen te Putiers, hovende onder Augustyn deuchniet ende is dienende Leen, want den mannen moeten den ploech trecken ende men ackert daer met den strijck voerre.

Hans Snapop ed. 1997 (XVI)

  • 75v (verzen 209-210). Rederijkersklucht. Jan Lampsoijr tot een hoerige waardin: Weerdinneken connen wij snapop quijt geraecken / so mochten [lees: mochten wi] ploegen in venus ackere. Zie ook Hans Snapop ed. 1974: 35 (verzen 153-154).

 

5 Ploegen (op akker) // liefdesverdriet

 

Ghevecht van Minnen ed. 1964 (1516)

  • 51 (verzen 153-154). Berijmde ars amandi. Waarschuwing voor liefdesverdriet, gericht tot Elck amoreus herte, dat hem ter minnen voecht, / Byden welcken men den acker van drucke ploecht.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 91 (refrein 47, verzen 56-57). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht: elc wacht hem claer / dat hi venus acker niet en vernouwe.
  • 166 (refrein 86, vers 8). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Over ‘blokslepers’ (ongelukkige minnaars): den ploich te trecken is grote pijne.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 145 (refrein 79, verzen 33-34). Amoureus rederijkersrefrein. Al de minnaers die in tijden voorleden / Met den ploech der minnen waren beswaert.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 125-126 (refrein 34, strofe f, verzen 17-19). Amoureus rederijkersrefrein. Al sleype ic den ploech, mijn herteken loech; / Zeer vriendelijck ic mijn oogskens op u sloech, / Als ic gheseten was bij uwer sijden.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 175 (nr. 153, strofe 5, verzen 5-8). Amoureus lied. Die noeyt dat pack van minnen en droech / Oft en trock die ploech / der ialousien in swaer verdriet / Ic rade v voor tbeste, sidyer niet en coemter niet.

Borchgravinne van Vergi ed. 1988 (1558-60)

  • 279 (verzen 945-946). Amoureus refrein in volksboek. Al die minnaers die in tijden voorleden / Met den ploech der minnen waren beswaert.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 209 (fol. 271v, verzen 11-12). Amoureus liedje. Doet my doch huten plough / die gheenen troost Can pluchten.

Al Hoy ed. 1964 (circa 1600)

  • 3 (vers 46). Rederijkersspel. Buijcsken Seldensat tot Ydel Lustken (een playboy): Mij dunct ghy sleurt der minnen ploech.

 

6 Ploegen (op akker): andere betekenissen (niet-erotisch)

 

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 86-87 (Somerstuc, hoofdstuk 6, regels 411-413). Theologisch compendium. Ambrosius seit: Adam was ghemaect van aerde, die nye gheploecht en wert. Cristus was ghemaect uut eenre ioncfrouwen, dair nye man an en gheraecte.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 138 (4de preek, regels 25-27). Prekenbundel. Als ghi bidt voer die geheel kerstenheit Soe segghet. Douwet ghi hemelen van boven. op dat vruchtbaer worde die acker gods.
  • 293-294 (Hs. E, 4de preek van de H. Geest, regels 17-52). De H. Geest graaft in een akker met een spade. Akker = de akker der ‘minnen’ waarvan de H. Geest de tuinier is. Hetzelfde op pp. 299-300 (Hs. G, preek van de H. Geest, regels 17-53).

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 18 (refrein 5, strofe c, verzen 10-11). Vroed rederijkersrefrein. Door sploechs oorboren moet deerde duersneden sijn, / Salse vruchten voortbringen achter oft vooren. De deugd moet bereikt worden via lijden en tegenspoed. Hetzelfde in De Bruyne III ed. 1881: 29 (nr. 95, strofe 3, verzen 10-11): duer sploechs oorbooren moet deerde duersneden syn, / salse vrucht voortbrengen, achter oft voren.
  • 290 (refrein 79, strofe d, vers 4). Vroed rederijkersrefrein. Ic en wilde mijn hand niet steken aenden ploech. Ik wilde mij niet afkeren van de zonde, een begin van bekering maken.

sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 113 (verzen 71-72). Rederijkersspel. Een vrouw over haar man: Neen, als sijn buijck vol biers is, heeft hij genûech. / Der dronckaerts plûech sleept hij vast voort.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 97 (fol. 370v, vers 8). Zot rederijkersrefrein. Context: brassen op vastenavond: bespoeyt nv met drancke dyns lichaems Ackere.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 252 (Boek III, refrein 9, strofe c, verzen 16-18). Vroed rederijkersrefrein. Om meer te ghecrijghen spaede ende vroech. / Dus sleypen Adams kinderen den ploech; / Sij soecken ruste en sij en vinden gheene. Deze bewijsplaats ondersteunt de theorie van Falkenburg 1985 dat in de schilderijen van Joachim Patinir landschappen met onder meer op het veld werkende boeren verwijzen naar de zondige wereld.
  • 443 (Boek III, refrein 64, strofe e, vers 13). Vroed rederijkersrefrein. Den acker uus vlees met abstinentien ploecht.

Reyne Maecxsele ed. 1906 (1571-83)

  • 52 (verzen 1140-1141). Rederijkersspel. Goetwillich Herte (= Christus) zegt: O jc die Lansman bem van myns Vaders ackere / en hoe verblyt mynen gheest in desen groten Oest zaen. Landbouwer = Christus, de akker = de Kerk, het christendom, de oogst = de goede zielen die naar de hemel mogen.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 134 (nr. 120, strofe 2, vers 15). Vroed rederijkersrefrein. Aansporing tot een goed christelijk leven: Hout handt aende ploech, & wilt niet achterwaert meeren.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 152 (verzen 1374-1377). Rederijkersspel. Aansporing tot de toeschouwers: Om nerstich te ploughen, als aerbeyders wackere / Int helich woordt Gods den vruchtbaren ackere, / Up dat ghy vruchten voortbrinckt zeer overvloedich/

Boer en Meester Marten ed. 1997 (XVI)

  • 30r (verzen 91-92). Rederijkersklucht. Een boer denkt dat zijn vrouw elke maand een kind gaat kopen (zij is immers na één maand huwelijk reeds in het kraambed beland) en dus gaat hij twaalf wiegen kopen. Zijn buurvrouw zegt: Gaet coop een wijech, en ghij hebtter genoech / en bewaert dan u ploech wel te degen. Dit laatste betekent: en let dan beter op het seksuele gedrag van uw vrouw.

Marot Sot Geclap ed. 1998 (XVIB?)

  • 98r (vers 28). Een marot (symbool van de dwaasheid) zegt (via de nar die haar vasthoudt) dat zij vaak mannen en vrouwen heeft doen trouwen omwille van tot zwangerschap leidende seks vóór het huwelijk: in venus ploech soo gingen sij Delven.

 

[explicit 14 april 2017]