BEURS

 

1 Platte beurs = armoede

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 31 (refrein 12, verzen 22-23). Zot rederijkersrefrein. Een losbandige vrouw maakt de ‘ik’ arm: Sy leerde my den wech hoe ic sou gheraken / ter platter bursen (…). Eventueel tegelijk erotisch-dubbelzinnig (de context geeft daar aanleiding toe: zie bijvoorbeeld de verzen 24-25).

Sorgheloos ed. 1980 (circa 1540?)

  • 121 (regels 8-9). Spotprognosticatie. O seyt meester Jan Claes Crioel in sinen Eersten Boec Van Platten Borssen, in ’t vierde capittel Van Armoeden (…).

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 91 (nr. 78, strofe 9, verzen 1-2). Zot liedje over een man die zijn geld aan hoeren geeft: Doen ginc hi thuyswaert sweermen / Met platter borssen bloot. Tegelijk erotisch-dubbelzinnig.

Veelderhande Geneuchlijcke Dichten ed. 1977 (1600)

  • 110. Hier begint dat leven van sinte Reyn-uyt / Ende den wegh tot Platte-borse, daer menigh Schavuyt / Hem besoect hoe dattet met hem ghestelt is / Die een openbaer vyandt tegen zijn gelt is.

 

2 Beurs = balzak

 

Van den Vos Reynaerde ed. 1991 (XIII)

  • 71 (verzen 1266-1267). Dierenepos. Tibeert bespringt de pastoor: Ende spranc dien pape tusschen die been / In die burse al sonder naet. Men vraagt zich af: de mannelijke balzak heeft toch juist wel een ‘naad’? Bedoeld wordt echter het draadje waarmee middeleeuwse geldbeurzen bovenaan werden dichtgeregen. Zie in dit verband: Walter Verniers, “Van den beiaard en de beurze zonder naad”, in: Tiecelijn 26. Jaarboek 6 van het Reynaertgenootschap, 2013, pp. 45-51.

Roman van de Roos ed. 1991 (circa 1270)

  • 513 (verzen 19.635-19.19.642). Allegorisch leerdicht. En dat ze om hun slechte zeden / mogen verliezen, en liefst heden, / hun beursje met daarin de munten / die hen tot echte mannen munten! / En ook de hanger weggemaakt / waaraan hun beurs is vastgehaakt! / En de twee hamers op hun beurt / dan uit dat beursje losgescheurd! Beurs = scrotum, hanger = penis, hamers = teelballen.

Die Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 111 (verzen 6671-6674). Allegorisch leerdicht. Die lieden geven, dats grote scame, / Desen dingen [nl. de teelballen] menichgen name: / Si hetent borsen, si hetent harnasch, / Oec heetmen hapertasch. Voor het origineel (circa 1270) zie Roman van de Roos ed. 1991: 200 (vers 7113): beurs, vistuig, ding, pik, pijp of stekel. Vergelijk ook editie-1974: 214 (vers 7143).

Die heimlijchede van mannen ende van vrouwen ed. 1893 (1351)

  • 139 (verzen 601-603). Geneeskundig-gynecologisch rijmtraktaat. Ende die gegaden van den man / Die heeft vaste besloten dan / In ene borse die nature.

The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 105 (Fragment III, Group D, verzen 44a- 44b). The Wife of Bath’s Prologue. De Vrouw van Bath over haar 5 echtgenoten: Of whiche I have pyked out the beste, / Bothe of here nether purs and of here cheste (van wie ik het beste heb gekozen, / zowel wat hun onderste beurs als wat hun geldkoffer betreft). Het gaat hier om een latere invoeging die niet vertaald wordt in de editie-1972. Van Altena vertaalt: Van alle vijf hield ik alleen het vaste / dat in hun beurs zat, of lag in hun kasten [ed. 1995: 188 (verzen 5655-5656)].

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 134 (refrein 198, verzen 24-25). Zot rederijkersrefrein. Satire op dronkenschap en bordeelbezoek: Sy ontknoopt syn bursken sacht dat minneken / Ende sij ontreckt hem daer een vinneken.

De pastoor van Kalenberg ed. 1981 (XVIa)

  • 60 (regels 552-553). Volksboek. De pastoor van Kalenberg staat naakt zijn kleren te wassen in het water: ende waste sijn cleederen met den eers in de lucht ende sijn borse sloech aen alle canten.

Veelderhande Geneuchlijcke Dichten ed. 1977 (1600)

  • 111. Een jongeman die aan de ‘venusplaag’ lijdt, zoekt een hoer op: Ghy moet (sprac zy) wildy ander ghenesen sijn vast / Om uwen aflaet te Platte-borse gaen / Te Platte-borse te gaen gaf hem groot wonder / Want hy noch stijf ghenoegh was ghegort / Hy ondersocht dat Vrouken van boven tot onder / Wat hy daer doen soude met woorden cort / Sy heeft hem doe de saken plat wt ghestort. Erotisch-dubbelzinnig.

Matt Kavaler 1986 (XVI)

  • 19. Over een beurs en een messenhouder die zouden verwijzen naar de teelballen en de fallus in een schilderij van Joachim Beuckelaer.

Camille 2000

  • 64-65: over de beurs als metafoor voor het scrotum in tekst en beeld (Middeleeuwen).

 

3 Beurzen = borsten

 

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 35 (nr. X, strofe 1, vers 7). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Een op seks belust tienermeisje zegt: Mij jocken die boerskens offt peerkens waren.

 

4 Beurs = vagina

 

Camille 2000

  • 19: ‘Een beurs, met een koord om te openen en te sluiten, was in veel Europese talen een gebruikelijke metafoor voor de vulva.’
  • 64-65: de beurs als metafoor voor de vagina in woord en beeld (Middeleeuwen).

 

5 Beurs = geldtas (zegswijzen en symboliek)

 

Den triumphe ende ’t pallersel van den vrouwen ed. 1996 (1514)

  • 290 (verzen 24 e.v.). Een kledingallegorie. Over die borse der miltheyt. Connotatie: vrijgevigheid, mildheid.

De uure vander doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 101 (verzen 718-719). Strofisch rederijkersgedicht. Over de bedrieglijke wereld: Den eenen gheuende sijn mate vol wijns, / Den anderen nauwe bors half sat.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 60 (refrein 164, vers 42). Vroed rederijkersrefrein. Satire op hebzucht rond de term ‘rapen’ (werkwoord/substantief). Over ‘rapen’: want sy die sieck syn inde borse ghenesen. Bedoeld wordt: geld rapen maakt de geldbeugel gezond.

Joncheyt ende Redene ed. 1920 (XVIA)

  • 478 (verzen 43-44). Tafelspel. Joncheyt draagt een beurs mee met de naam ‘Tydelicke Haeue’. Hij zal ze verspillen met Zinnelicke Ghenouchte. Connotatie: aardse ijdelheid.

sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 130-131 (verzen 316-320). Rederijkersspel. De sinnekes Manier en Gewoonte zijn sMenschen Sin aan het kleden, ter voorbereiding van zijn ontmoeting met Verganckelijcke Schoonheit. Zijn kledij bestaat uit dingen die symbolisch verwijzen naar aardse ijdelheid: een ‘paltrock’, een kap, een rode muts met pluim, verscheidene ringen en ook een degen en een beurs: GEWOONTE: Dan mûet hij noch draghen, / Jent van behagen, een fraijen stootdeghen. / MANIER: En sijn börse vanden ghelde mûet als loot wegen. / Of sij noot cregen onder hem beijde / So mögense hem voirsien.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 46 (regel 20). Spreekwoordenverzameling. Sie heft hem lief/ ia op dier zijden/ daer hem die tassche hangt. Hebzucht.

Gerlach 1979b

  • 199. Naar aanleiding van de tas van de rechter in de Avaritia-scène van het Zeven Hoofdzonden-paneel (Madrid, Prado): de trapeziumvormige geldtas is een verkleind model van de weitas en was het gewone model in de late Middeleeuwen.

 

[explicit 29 december 2013]