BISSCHOP

bisschoptopos 

1 De erotische uitdrukking ‘met de bisschop rijden’

 

Dekker 1982: 97-100, wijst erop dat de uitdrukking ‘met de bisschop rijden’ de betekenis kon hebben van coire (paren). Hij verwijst daarvoor naar een passage uit De Wellustige Mensch, naar het RG van Mak en naar een liedje uit een Antwerpse druk van 1551. Volgens Dekker heeft Bruegel in zijn Luxuria-tekening, waar we een man met gebonden handen en een bisschopsmijter op zijn hoofd op een monster zien meegevoerd worden, ook aan deze uitdrukking gedacht. Dat ‘bisschop’ in de uitdrukking verwijst naar de penis, wordt door Dekker nergens vermeld.

 

Naar de erotische betekenis van ‘met de bisschop rijden’ verwijst ook Coigneau II 1982: 392 (noot 338).

 

De Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 123 (verzen 635-636). Rederijkersspel van Jan van den Berghe. De hoofdpersoon Wellustige Mensch geeft zich af met een hoer. Het sinneke Vleijsschelijcke Sin wordt er zelf geil van en zegt: Ick sou nochtans oock wel metten bisschop terstont rijen, / So wel als ons meester, die nu den cadet maeckt. Uit de omringende verzen wordt duidelijk dat het hier om erotische beeldspraak gaat, waarbij ‘bisschop’ blijkbaar naar de penis verwijst. In de verklarende voetnoot signaleert Kruyskamp de Engelse slang-uitdrukking to shoot a bishop = een natte droom hebben.

 

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 88 (nr. 76, strofe 2, verzen 9-13). Liederenbundel. Zot meilied. Drie meivierders zingen: Reyn armkens blanck / Naer uwen danck / Is ons verlanck. / Dat bischop stranck / Brocht ons in desen ganck. Is ‘bischop’ hier een zetfout voor ‘vischop’? Dat hoeft niet: ‘bischop stranck’ kan verwijzen naar een erectie (stranck = stevig, hard, stijf). Anderzijds: bisschop is toch niet onzijdig?

De dove bitster ed. 2009 (XVI)

  • 128 (vers 337). Rederijkersklucht. Faes, één van de drie bedrogen, ‘blind’ gemaakte vrijers zegt: Wij mogen nu metten blinden bisschop danssen. Dit kan letterlijk betekenen: wij zijn nu arme blinden (naar analogie met de ‘kreupele bisschop’), maar bevat tegelijk ook een erotische dubbelzinnigheid die slaat op masturberen. Dat ‘blinde bisschop’ verwijst naar de penis, wordt aannemelijk gemaakt door een passage in Plaijerwater ed. 2009: 60 (verzen 116-117) (rederijkersklucht uit XVIa): U wijf plecht den blijndeman te leijen / Int foereest van Venis palen. ‘Blindeman’ is hier duidelijk: de penis.

 

Omtrent de ‘bisschop’ in Bruegels Luxuria-tekening

 

Muchembled 1991: 58/60, noteert: rond 1500 werden bedrogen echtgenoten soms op een ezel rondgereden door de plaatselijke vrijgezellen. Bij Bruegel is het een echtbreker: die werden in dorpen in die tijd vaak rondgereden, achterstevoren op een ezel gezeten. Op de oorspronkelijke tekening draagt de man een bisschopsmijter. Dit werd in de prent gecensureerd. De clerus gaf vaak genoeg het slechte voorbeeld: daarom koos Bruegel hen ook als mikpunt.

 

Dekker 1982: 100, stelt echter de vraag waarom de clerus zich aangesproken zou moeten voelen, aangezien het om een gehuwde man gaat. Volgens hem is de bisschopsmijter bedoeld als een verwijzing naar de erotische uitdrukking ‘met de bisschop rijden’. Toch heeft de graveur het zekere voor het onzekere genomen, en censuur toegepast.

 

2 Met de bisschop of hoveling rijden = de grote Jan uithangen

 

Dekker 1982: 100-101, verwijst in dit verband naar Proverbia teutonica latinitate donata, een spreekwoordenboekje van Tacitus Nicolaus Zegerus dat gedrukt werd in Antwerpen in 1551. Hier lezen we: Met den bischop oft met den houe rijden / Met den grooten hansen houden / Ad foelicem inflectere parietem. Dit Latijnse spreekwoord werd door Zegerus ontleend aan Erasmus’ Adagia (Adagium 216).

 

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 150-151 (fol. 238r, verzen 1-3/13). Rederijkerslyriek. Zot refrein dat allerlei zotte dingen opsomt. Dat alle kamuse ende keuerbecte / deluwe besproette Bootzuese beplecte / eens tsiaers metten buschop Reden, om een verblyden / (…) Dat waere wat vreimds End zoo ghebuerde.

 

3 Iemand bisschop maken = iemand ophangen aan een galg

 

De berch ed. 1920 (XVIA)

  • 490 (vers 63). Tafelspel van Cornelis Everaert. De man Boerdelic Zin en zijn vrouw spotten met een pelgrim. Boerdelic Zin zegt: Jc maecte hem busscop, haddic een myttere.

Lieripe ed. 1980 (1561)

  • 83 (regels 213-216). Spotprognosticatie. Daer mocht ooc wel eenich van desen ghemaect werden bisschop buyten der Muyepoorte, die zijn schapen sou wachten in de mane en segenen de passanten met den voeten.

 

4 De kreupele bisschop

 

Een vastenavondfiguur met allegorisch-satirische betekenis: een soort leider van de (al dan niet valse en bedrieglijke) mismaakte bedelaars. De ‘kreupele bisschop’ komt voor in het onderschrift bij een prent naar Bosch. Zie Coigneau II 1982: 392 (noot 338).

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 129 (refrein 66, verzen 24-26). Zot rederijkersrefrein. Over een bruiloft van arme personen: En daer die croepele biscop eerbaer / mit voerreyen den dans verstect [lees: versterct?] / Tis een pouer bruloft ic segt v claer.

Boertelijck Sin ed. 1946 (XVIIA?)

  • 190 (verzen 169-170). Rederijkersklucht. Vader geeft dochter een pak slaag, zij klaagt: wat zou je gedaan hebben als ik een been had gebroken? Vader: Dan zouwt ghi hebben ghereden / Met den crepelen bisschop, op stelten of crucken.

 

[explicit 5 december 2016]