BLOEM

 

Over de emblematische betekenis en het symbolische gebruik van een aantal planten en bloemen tussen 1500 en 1800 (onder meer in volksgebruiken en bij huwelijk- en begrafenisrituelen, zie Keith Thomas, Het verlangen naar de natuur – De veranderende houding tegenover planten en dieren, 1500-1800, Amsterdam, 1990, pp. 234-244.

 

1 Bloem = Christus

[Falkenburg 1985: 38, noteert: ‘Hierboven hebben wij gezien dat in de schilderijen met de rust op de vlucht naar Egypte van Gerard David en Joos van Cleve uitvoerig gebruik is gemaakt van een bloemen- en plantensymboliek. In dit opzicht zetten deze schilderijen een in de late middeleeuwen algemeen verbreid gebruik voort, verwijzingen naar de heilsgeschiedenis, en speciaal naar Maria’s en Jezus’ rol daarin, uit te drukken in een symbolen-“taal” van bloemen en planten’.]

 

Vanden levene Ons Heren I ed. 1968 (XIIIA?)

  • 14 (verzen 177-179). Jezusleven. De engel Gabriël tot Maria: Maria voer alle vrouwen vercoren / Een kint sal werden van .v. geboren / Het es die bloeme gi sijt die doren [tak]. Vergelijke Isaïas 11, 1.
  • 122 (verzen 3479 / 3483 / 3487). Maria tot Jezus: Bloeme du wets al dat gesciet / (…) Bloeme dit heeft mi vertroest / (…) Bloeme hoe mochtic serich sijn.
  • 123 (verzen 3500 / 3507). Idem: Lieue bloeme en belgt niet v / (…) Lieue bloeme lieue minne.

Reis van Jan van Mandeville ed. 1908 (XIVB)

  • Kolom 95 (regels 8-9). Reisverslag. Jhesus kerstus, die bloem ende vrucht des leuens es

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 288 (Winterstuc, hoofdstuk 38, regels 151-155). Theologisch compendium. Die ander sake is, op-dat die ghene souden warden eens menschen kint inder aerden, die een Gods soon was inden hemel. Inder aerden heeft hi een moeder sonder vader, ende inden hemel een vader sonder moeder; also gelijct hi der bloemen.
  • 298-299 (Winterstuc, hoofdstuk 40, regels 43-58). Naar aanleiding van Aarons roede waaraan bloemen groeiden: de dorre roede = Maria, de bloem = Christus. De H. Geest (duif) rust daarop.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 170-171 (Somerstuc, hoofdstuk 10, regels 249-301). Theologisch compendium. Christus’ Verrijzenis wordt vergeleken met een bloem om vier redenen. Een bloem ontluikt in de zon / Chritus’ goddelijkheid openbaarde zich op aarde (dit is de betekenis van de bloem de koningin van Saba naar Salomon bracht). Een bloem is prachtig / Christus was ook prachtig na Zijn Verrijzenis (relevant is hier een bloem de ‘oculus Cristi’ heet, een bloem met vijf blaadjes en op elk blad een rode stip als een druppel bloed). Een bloem verliest haar geur niet als men ze fijnwrijft / Christus’ leer werd na Zijn dood verder verspreid (te vergelijken met de bloem die door een jonkvrouw in het woud werd gevionden en begon te bloeden toen zij geplukt werd). Een bloem is licht / Christus kon zich zeer snel verplaatsen (te vergelijken met de bloem die Isaïas zag, Isaïas 11, 1).
  • 170 (Somerstuc, hoofdstuk 10, regels 258-261). Vergelijk de passage hierboven. Dit beteikende die bloem, die die coninghinne van Saba brachte totten coninc Salomonem, dair rechte voort die bieckens opvloghen. Dit is interessant in verband met het detail op het middenpaneel van Bosch’ Aanbidding der Wijzen (Prado), dat het bezoek van de koningin van Sheba aan Salomon voorstelt.

Spieghel der menscheliker behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 30 (hoofdstuk 4, verzen 17-26). Typologisch rijmtraktaat. Eene roede [tak] zal zonder waen / Uter wortele van yesse voortgaen / Ende ene bloume zal in reynre wisen / Van hare, dats vander roede, risen, / Daer des helichs gheest gracie al / Zevenvoudich rusten zal. / De roede, dats marie onse vrouwe, / Vruchtbarich metten hemelschen douwe / De welke roede, also ic noeme, / Ons voort brochte dese zoete bloeme. Tak = Maria, bloem (bloesem) = Christus. Vergelijk Isaïas 11, 1.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 175-178 (13de preek). Prekenbundel. Korenbloemen = de armoede van Jezus.
  • 187-192 (16de preek). Krans van kruidnagelen = alle geneugten die Jezus nu geniet in de hemel.

Menen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 381 (verzen 135-136). Rederijkersspel. Dankzij het verrijzen van Christus mag men blomkins van trooste plukken.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 212 (fol. 110v, verzen 16-23). Vroed liedje. Daer zal eenne Roede / huutghaen by Expresse / sprack Esayas de vroede / van die wortel iesse / End een blomme zal upclemmen / van huerer wortel zaen / daer doude vaders stemmen / of deden groot vermaen. Maria = tak en Christus = bloem (bloesem) die daaraan groeit.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 269 (fol. 305r, verzen 28). Vroed rederijkersrefrein, geestelijk meilied. Als een blomme int velt an tcrucen hout verheuen. En versierd met vijf rode rozen = de wonden van Christus.

De Bruyne II ed. 1880 (15979-83)

  • 113 (nr. 68, strofe 4, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Ghy syt een bloeme des velts, niemants versmadere.
  • 127 (nr. 71, strofe 1, verzen 10-11). Vroed rederijkersrefrein. Ghy syt een bloeme des velts gemeene, / voer niemant ghesloten.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 65 (nr. 103, strofe 1, vers 9-10). Vroed-amoureus rederijkersrefrein. Christus tot Zijn bruid: Ick ben als een blomme, hoe sal ickt maken / des velts al onder de doren geplant.

 

2 Bloem = Maria

 

Beatrijs ed. 1995 (XIV)

  • 86 (vers 813). Berijmde Marialegende. Over Maria: Ghi sijt alre doghet bloeme.

Speghel der Wijsheit ed. 1872 (circa 1400)

  • 6 (verzen 129-137). Stichtelijk rijmtraktaat. Bi dezen blomen mach men merken / .V. pointen van vulmaecter deught / in exemplen ende in ghewerken, / comende, Vrouwe, uut uwer jeught: / an die corsoude goedertiere, / omoedichede an acolie, / an de goudblome ghetrouwichede, / ende zuverhede an de lelie vrie, / ende an de roze goede minne. De madelief-topos wordt verder uitgewerkt in verzen 217-220 (p. 9), de akolei in verzen 256-260 (p. 11) en de roos in verzen 317-320 (p. 13).

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 438 (nr. 97, verzen 1-3). Vroed lied. Binnen in mir hertzen cas [(reliek)schrijn] / Daer staet een bloume, die lieft mir bas [meer] / Dan wes ich anders doen begrijf.

Spieghel der menscheliker behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 26 (hoofdstuk 3, verzen 196-198). Typologisch rijmtraktaat. Du bist ene bloume die altoos blect, / Boven rosen ende lelien mede / Ende boven allen bloumen talre stede.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 198 (18de preek, regels 63-64). Prekenbundel. Die soete maechdelike bloem maria.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 156 (vers 71). Vroed rederijkersgedicht. Bloeme vol trauwen.
  • 159 (verzen 161 / 165). Vroed rederijkersgedicht. Reyn edel fluere / (…) O blomme alder soetste van ghuere.
  • 188 (vers 42). Vroed rederijkersgedicht. Rosemareyn Ripelicke Roede.
  • 190 (vers 24). Vroed ABC-dicht. Flauherteghen Fruyt Frequenterende Fluere.
  • 191 (vers 44). Vroed ABC-dicht. Liefste Lelie, Lauendre, Lauweriere.

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 196 (vers 5563). Rederijkersspel. Maria die reyne bloeme verheven.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 86 (refrein 45, vers 13). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Loff suete rosyne lof rosemareyne.
  • 130 (refrein 67, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Suuerste bloeme, reyn van coluere natuerlic / om v te louen, versmaet gheen cleynicheijt / bloeme ic v noeme, suet van oduere figuerlick.
  • 275 (refrein 129, verzen 67-69). Vroed rederijkersrefrein. Eerwerdighe maria hoochst verheuen / Liefelick pyoene van smetten vrij / Edel bloeme die moeder en maecht es bleuen.
  • 302 (refrein 139, verzen 13 / 21-27). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Dit woort neemt danckelic bloeme vermaert / (…) Lof bloeme van nazareth ghebendyt / die bloeme der bloemen wilde syn gheboren / Van v o bloeme, diet al verblyt / ende inder tyt der bloemen vercooren / O bloeme, v bloeme en heeft nye verloren / groijtsel, lucht, roke of heerscapije / Mer bliuende bloeme schoon als te voren.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 15 (refrein 143, vers 66). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Ende int groiten Elizabeth bloeme vermaert.
  • 27 (refrein 148, vers 2). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Alder scoonste bloeme die god ije wrochte.
  • 33 (refrein 151, vers 46). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Edel bloeme wt jessen hoghe prelate.
  • 40 (refrein 154, verzen 67-68). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Lof lelye, kersouwe menigherhande / lof akelye, fiolette, lof rose root.
  • 221 (refrein 246, verzen 54-59). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. In de derde strofe wordt Maria vergeleken met een schoon rode roose, een violette, een kerssouwe, een witte lelije, een edel goutbloeme, een pioene, een accoleije, een blou corenbloemken en een cawoirdeken. Dan volgt: Looft de fonteijne cleijne ende groot / Dees bloemkens minjoot / neemt in v behoetsel / Die v syn erende in gheender noot / En laetse niet steruen den onuersinneghen doot / lof reyne fonteyne alder bloemen voetsel.
  • 224-225 (refrein 248, verzen 1-10). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Maria wordt genoemd: een akolei, een lelie, een madelief, een viooltje en een roos.
  • 227 (refrein 249, vers 41). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. O Maria werde roosemareijne.
  • 228 (refrein 250, vers 5). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Die bloeme vol gracien wtuercoren.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 188 (nr. 133, strofe 2, vers 3). Vroed rederijkersrefrein. Sy was vol gratien, een bloeme der bloemen.

 

3 Bloem = vrouwelijke heilige

 

Groot Labuer ende Sober Wasdom ed. 1920 (1530)

  • 282 (verzen 647-649). Rederijkersspel. By sHelichs Gheetsts gracie mids de drie blommen / Magdaleene, Kateryne, Barbara ghepresen fyn / Die als Drie Santinnen met ons vutghelesen zyn. Verwijzing naar de drie patroonheiligen van de Brugse rederijkerskamer de Drie Santinnen.

Hoedeken van Marye ed. 1920 (1530)

  • 419 (verzen 294-295). Rederijkersspel. Midsgaders de Drye Santinnen zoet / Die jn ons herte als drye blommen zyn.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 103-105 (fol. 45v, verzen 7-8 / 25-29 – fol. 46r, verzen 1-35 – fol. 46v, verzen 1-17). Vroed rederijkersrefrein. Over de Brugse Gilde van de Drie Zantinnen. Ick ghildebroeder zynde van blommekens drie / Catherina, Barbara en magdaleene. De H. Catharina wordt vergeleken met een witte lelie, de H. Maria Magdalena met een rode roos en de H. Barbara met een ‘gentyle’.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 13 (fol. 154v, verzen 23-24). Rederijkerslyriek. Ghildebroeder der bloeyender drie blomkens zoet / gheintituleert der drie zanttinnen ghilde. De drie bloemen zijn de heiligen Catharina, Maria Magdalena en Barbara.

 

4 Bloem(en) = bepaalde deugd(en), positieve geestelijke kenmerken

 

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 281 (Winterstuc, hoofdstuk 37, regels 176-195). Theologisch compendium. Bij de Blijde Boodschap was Maria een krans van duechdeliken bloemen aan het vlechten. Die negen bloemen (deugden) worden dan uitgelegd: zij verwijzen naar eenzaamheid, eenvoud, wijsheid, inzicht, zuiverheid, gehoorzaamheid, minzaamheid, ootmoedigheid en ‘innicheit’ (vurigheid van geest).

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 137 (Somerstuc, hoofdstuk 8, regels 165-168). Theologisch compendium. Dese twie vloeden doen dat herte purpur veruwe ontspruten van bloemen der duechden ende lelyen der cuuscheit, rose der verduldicheit, fiole der stantachticheit.

Spieghel der menscheliker behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 242 (hoofdstuk 42, verzen 113-116). Typologisch rijmtraktaat. Over de hemel: Ende die zielen die daer comen, / Zullen hebben der joncheden bloemen, / Die nemmermeer sullen verdroghen. / Men zal daer niet houd werden moghen.

Byen Boeck ed. 1990 (XV)

  • 91 (Boek II, hoofdstuk 14, regels 9-10). Stichtelijk prozatraktaat. Jn der scrifturen plecht men bi den blomen to verstane den hope der vruchte ende de werdicheit der doghede.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 150-154 (8ste preek). Prekenbundel. In juni moeten de zusters elke dag een lavendelkrans vlechten = overdenken hoe Christus’ schone lichaam te lijden heeft gehad.
  • 165 (11de preek, regels 33-24). Doe sie bekende dat soe menighe maghet mit haer selfs consent verliesen soude die bloem hoerre reynicheit.
  • 192-196 (17de preek). Krans van akker- en watermunt = meditatie over het Laatste Oordeel.
  • 196-200 (18de preek). Krans van goudbloemen = meditatie over eigenschappen van verschillende hemelbewoners.
  • 246-247 (40ste preek). In de Goede Week moeten de zusters elke dag een bloemenkrans maken door Jezus’ goede eigenschappen te loven.
  • 250 (22ste preek, preek van de H. Geest, regels 29-32). Lavendelbloemen = meditatie over Jezus’ zoete verkeren onder de mensen.

Brussel: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 409 (verzen 15-16). Rederijkersspel. Hoe lustigh eyst wandelen in zyne [Gods] paden, / Want daer blomkins der warachtigheyt spruten.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 162 (nr. 126, strofe 4, vers 12). Vroed rederijkersrefrein. Over de woorden van de Schrift: Haer woorden syn soete als violieren.

Coninck Proetus Abantus ed. 1992 (1589)

  • 22r (verzen 1451-1456). Rederijkersspel. Obedientie die sal de vrucht sijn / daer wij om buijgen sellen ter aerden / So die bloemkens van grooter waerden / ootmoedelijck onder haer bladerkens duijcken. Bloemen die onder hun bladeren zich verschuilen // onderdanige gehoorzaamheid aan God.

 

5 Bloem = het beste onderdeel van iets of iemand

 

Der Leken Spieghel III ed. 1848 (1325-30)

  • 81 (Boek III, hoofdstuk 3, vers 1237). Didactisch rijmtraktaat. Hier einden dese blomen. Bloemen = uitgelezen fragmenten, bloemlezing.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 250 (42ste preek, regels 5-8). Prekenbundel. Door de Passie verloor Christus de bloem van Zijn jeugd.

Een sAnders Welvaren ed. 1920 (1511/12)

  • 57 (vers 145). Rederijkersspel. Wilt met ons plucken der vruechden blommen.

Peeter van Provencen ed. 1982 (circa 1517)

  • E1r. Volksboek. Magelone zegt: want ic bemint ben van so edelen vromen wysen schoonen ridder een bloeme der ridderscap.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 190 (refrein 104, vers 73). Vroed rederijkersrefrein. Als bevechters van het kwaad zijn rechters als slot ende sluetel der welvaert fluere.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 156 (vers 62). Rederijkersspel. Vergilius wordt genoemd: Flör der scientien, thoot der poeeten.
  • 159 (verzen 173-176). Antwerpen is flör van allen steeden sonder faelen. / Een blûeme vruchtbaerich / Daer Duijtschen en Waelen / Hör hoonich haelen, soot mach blijcken.

Herenthals: proloog in Antwerpen 1561 ed. 1962 (1561)

  • 96 (vers 167). Proloog. Steden noemt Antwerpen dalderschoonste bloeme.

Cieraet der vrouwen ed. 1983 (1566)

  • 18 (verzen 691-682). Artestekst. Waer is er fraeyer dinck onder ’t firmament, / Dan ’t lichaem jent in sijn fluere te bewaren?

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 464 (Boek III, refrein 70, strofe f, verzen 10-14). Vroed rederijkersrefrein. Doen Gregorius hem voor tPauschap verberch, / En sachmen naer croonen oft naer ducaten, / Maer men sochte uuten volcke de bloeme en dmerch, / Stichtige, eerlijcke mannen, sonder erch, / Die de kercke verlichten claer als den robijne.

 

6 Bloem = geld

 

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 317 (nr. 41, verzen 25-28). Lied. Dat ghelt dat es die bloume / Die elkerlijc begheert. / Dies ic mi niet beroume: / Mijn ghelt es al verteert.

Joseph ed. 1975 (1565-66?)

  • 141 (vers 1616). Rederijkersspel. Een sinneke over geld: Tgeldeken is de blomme. Het gaat hier om een uitdrukking die betekent dat geld iets heerlijks is.

 

7 Bloem // vergankelijkheid van de mens en de wereld

[In Hadewijch: Visioenen ed. 1996: 167, wordt gesignaleerd: ‘De vergelijking van de schoonheid van de mens met een bloem die bij de eerste stormvlaag verwelkt, is door de bijbel geïnspireerd, met name Psalm 103 (102): 15-16 en Jesaja 40:6-7’.]

 

Der leken spieghel III ed. 1848 (1325-30)

  • 230 (Boek IV, proloog, verzen 5-10). Didactisch rijmtraktaat. Job die maect ons ooc cont, / Dattie mensche onlanghe stont / Op dese werelt mach beiden / Vol alre onsalicheiden, / Die als een bloem beghin ontfaet / Ende als een scade over gaet.

Orloy der ewigher wysheit ed. 1926 (XIVA)

  • 152 (regels 2-6). Stichtelijk traktaat. O roede rosen ende blickende lelien ende onbevlecte violetten, ghi heilige, zuvere zielen, aensiet dese spadeghe bloeme; merct ende siet, dat ic den doren ghelike bin ende aensiet in u herte, hoe saen die bloeme verdorret ende valt, die dese werelt pluct. Rozen, lelies en viooltjes = de vrome zielen, doorn / bloem die door de wereld geplukt wordt = de zondige ziel.
  • 180 (regel18) – 181 (regel 16). De ‘ik’ vertelt over zijn jeugd toen hij zich met vrienden en vriendinnen losbandig vermaakte: ende als springhende ende al dansende seiden si deze woerde: die tiit es cort ende verdrietelic is die tiit ons levens ende en is gheen vermakinghe in des menschen ynde ende nyement en is bekent, die weder comen is van der doot, want wi siin van niet ghemaect ende hierna sullen wi siin als oft wu noit geweest en hadden. Coemt dan en laet ons ghebruken der ghenoechten die nu is ende der creaturen eernsteliken in onser ioecht ende laet ons vervollen mit preciosen winen ende mit duerbaren unguenten ende bloeme der tiit en ontgaen ons niet. Cronen wi ons mit rosen, eer se verdroghen ende en gheen beemt en si, die vertorden en si van onser oncuusscheit. Laet ons overal laten teekene onser bliiscepe, want dit hoert ons toe ende is onze deel. Doen si dit seiden so plagense hairre gelost ende plucten blomen die si ghecrighen conden. Alse ic dit ghesien hadde bleef ic in mi zelven staen, twivelende in minen moet, twivelende wat ic doen mochte. Doe sach ic dat die scone bloeme, die ic te voren mit zoe groter cierheit ghesien hadde, in enen ogenblic al verdroecht ende verdorret was / ende viel van den hoede. Doen mi des verwonderde quam ic tot mi zelven ende verzwoer dat ic gheen verganclike blomen en soude minnen, die ic in alsoe corten tide sach bloyen ende onlanghe daerna verdroeghen.
  • 186 (regels 5-11). De ‘discipel’ zegt: En wort niet scoenheit des hemels van der glorien der sterren ende de cierheit der velde ghemerct uut menichvoudicheit der blomen? Ende aldus wert oec somwile scoenheit der joncfrouwen ende der weerliker brude ghemerct in cierheit harre cledinghe, want si chieren hen mit guldenen clederen ende mit duerbaren ghesteinte ende mit menigherande cierheit. Wijsheid legt vervolgens aan de discipel uit dat hij in plaats van deze tijdelijke zaken te bewonderen eerder hun Maker zou moete bewonderen.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 515 (Somerstuc, hoofdstuk 42, regels 60-66). Theologisch compendium. Over ‘heidense beelden en schilderijen’ die deugden en ondeugden weergaven: Die meester Ysidorus die maelt der werelt minne aldus in eens onghesinnes ionghelinx beelde, want die waerlike minne pleghen die ionghe luden te draghen ende die pleghen selden reden te gherbuken, mer hoorre sinnen drifte te volgen. Dit beelt had in die hant een bloem, want die ionghe luden minnen alle scoenheit of ghedaente.

Drie Blinde Danssen ed. 1955 (1482)

  • 97. Allegorisch droomvisioen. O mensche trect dijnen verdoelden sin / Van tgheen dat verdeluwet als die bloemen / Die ziele leydende int verdoemen.

Uure vander doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 75 (verzen 12-14). Strofisch rederijkersgedicht. In de proloog sluimert de ‘ik’ in in zijn studeerkamer: Maer so den bloemkens haest haer cracht beswijckt / Doer stercken vorst besweeck mi memorie. / Der werelt bliscap es een corte glorie.
  • 111 (verzen 980-983). Een mensche gheboren vander vrouwen / Onlanck leuende, vervult met rouwen / Wast als een arm bloemken en vergheet. / En als een scaduwe, elck maecht bescouwen. Citaat uit het Boek Job.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 117 (refrein 190, verzen 5-6). Vroed rederijkersrefrein. Vermaning gericht tot een hoer: Wel ruijkende bloymken ghy wert vast stinckende / Verdoijmt al lachende ter hellen sinckende.

Leffinge: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 58 (verzen 34-38). Rederijkersspel. Verwijzing naar een ‘figure’ met een naakt kindje dat een rol met tekst vasthoudt. De tekst is Job 14, 2. Schriftuerlic Troost zegt: Merckt dit kindekins vertoogh gheschreven, / Twelck als een blomme (wilter naer hooren) / Wtspruut, corts vergaet midts sdoods verstooren, / Vlied als een schaduwe, nemmermeer blijft / In eenen staet.

Nieuwpoort: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 215 (verzen 105-111). Rederijkersspel. Vaett Iobs vermonden: / De mensche, aerm vander vrauwe ghebooren, / Levende een corten tijt, zoo elc magh hooren, / Vervult met vele mizeryen (dit es de somme) / Die hem eerst vertooghde ghelijc een blomme, / Wegh varende ghelijc een schauwe lydelick, / Als hoy vergaende.

Brussel: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 420 (verzen 234-236). Rederijkersspel. Wat es de mensche, heere, die ghy tleven iont: / Als een blomkin des velts, verdrooght in corter stont, / En als tblaeykin, dat keert met allen winden. Job 14, 2.

Cristenkercke ed. 1921 (1541)

  • 59 (verzen 1363-1364). Rederijkersspel. Selfs Goetduncken verleidend tot Vprecht Simpel Gheloven: en laet ons die blome des tijdts amoreus / soe schielick en vlues niet voorbij passeren.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 254 (fol. 135r, verzen 26-28). Rederijkerslyriek. Staet vp huwe ioncheyt gheenssins want / als een blomme des ackers moet ghy verdrooghen / De mensch es niet dan stof eerde en zant.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 20 (fol. 159r, vers 1). Rederijkerslyriek, een epitaphium. Over de vergankelijke mens: Als een blomme bloeyt hy, wiens Iuecht sterflick ontglyd.
  • 104 (fol. 209v, vers 28). Vroed rederijkersrefrein. Peynst als een blomme des ackers verdrooght dyn Iuecht.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 235 (Boek III, refrein 4, strofe d, verzen 3-4). Vroed rederijkersrefrein. Wij gaan oppe als een bloeme en verdwijnen so oock, / Wanneer dat de doot comt, diet al verslint (Job XIIIIa).
  • 236 (Boek III, refrein 4, strofe g, verzen 3-4). Vroed rederijkersrefrein. Niemant so jonc, so schoone in sijnen fleure, / Die weet oft hij morghen leven sal (Eccl. IXc).
  • 244 (Boek III, refrein 6, strofe e, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Prince, wat is der werelt glorie? / Een bloeme des gras, die geringe verdwijnt (Is. XL).
  • 252 (Boek III, refrein 9, strofe d, verzen 5-7). Vroed rederijkersrefrein. Haer [nl.: van de venuskinderen] lachen, haer singen en haer boeleren / En blijft altijt in sijnen fleure; / Tijtlijck jolijt moet metter tijt passeren.
  • 450 (Boek III, refrein 66, strofe c, verzen 1-4). Vroed rederijkersrefrein. Ghij hooveerdige menschen, vol van roeme, / Die zijt gemaect van eertschen slijme, / Besiet, wat ghij anders zijt dan een bloeme, / Die geringe vergaet met eenen rijme.

Reyne Maecxsele ed. 1906 (1571-83)

  • 59 (verzen 1312-1319). Rederijkersspel. Vleesschelickheyt wordt vergeleken met een veldbloem: Seer wanckelbare rieten / zyn alle vleesschelicke minnaers bevonden warachtich / zoot byder Vleeschelickheyt als vooren bleeck voordachtich / wyens wesen onachtich den Prophete in fyguere stelt / jeghens een blomme scoone staende jnt puere velt / die hedent lustich bloyt duer shemels dau verscynich / maer den mayer commende zietmense haest verdwynich / gheenen tyt gheduerende huer scoone coraguesheyt.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 40 (nr. 52, strofe 3, verzen 1-4). Vroed rederijkersrefrein. Disgelycx oock den mens vanden wyve geboren / vol onrusten is levende eenen corten tyt; / hy gaet op als een schoone bloeme vercoren, / & valt aff als een schaduwe die verslydt.
  • 204 (nr. 86, strofe 2, vers 10). Vroed rederijkersrefrein, vermaning tegen de hang naar rijkdom: uwen schat sal verdwynen gelyc een blomme.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 117 (nr. 116, strofe 1, vers 8). Vroed rederijkersrefrein. Over het aardse goed: Sententie spreckt: sulcx verdwynt als ackerbloemen.
  • 102 (nr. 112, strofe 3, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Als hooy wordt den mens overal geleken, / & als een bloem des velts sietmense verdryven.
  • 122 (nr. 117, strofe 2, verzen 3-6). Vroed rederijkersrefrein. Waey vlees lust, oogen lust, slevens hooverdye, / tsaet, de wortele van smenschen verdoemen, / den babeloesen mantel, tsieraet, de bloemen, / daer hen de godloose me tooyen & behangen.
  • 127 (nr. 118, strofe 3, verzen 5-7). Vroed rederijkersrefrein. Als een bloeme des velts, wilt dit gronderen, / soo en sydy maer van Godt hier gestelt. / Die heden schoon staet, morgen comt tot verneren.

Wie haer op troost verlaeten ed. 1992 (XVIB)

  • 128v (verzen 625-626). Rederijkersspel. Sinneke dat probeert te verleiden tot zonde, zegt: laet de bloem des tijts niet sijn gepasseert / croont u met roosen eer sij verwelcken uuijt.

 

8 Bloem = mooi en/of geliefd en/of gerespecteerd meisje (geldt ook voor vrouwelijke allegorische personages)

[Kalff 1967: 335, signaleert: ‘Niet zelden vergelijken minnaars hunne geliefde met eene bloem en men zou niets tegen die vergelijking op zich zelve kunnen inbrengen, indien maar niet steeds dezelfde vergelijkingen en dezelfde bloemen terugkeerden’.]

 

Orloy der ewigher wysheit ed. 1926 (XIVA)

  • 181 (regel 17) – 182 (regel 8). Stichtelijk trakaat. Doen geviel op enen dach, dat ic ongheduerich was van moede ende sach al omme ende sochte een stat om mi te rustene in die scaduwe, want ic scuwen woude die middag hitte. Daer sach ic op enen hogen berch alse ene scone edele velt bloeme, die lusteleken was aen te sine ende scoen sceen sonder ghelike allen den bloemen die ic ghesien hadde. Doen ic mi haeste dese bloeme te siene, doen wert si verwandelt ende en sceen niet meer bloeme, maer si scheen ene godinne alre scoenheit voir mi staende. Si roedde alse ene roede rose, si blicte alse snee ende si scheen claerre dan die sonne ende hair sprake was vol scoenheden. Deze ‘godin’ blijkt vervolgens (Gods) Wijsheid te zijn.

Beatrijs ed. 1995 (XIV)

  • 52 (vers 128). Berijmde Marialegende. Beatrijs en haar minnaar worden genoemd twee soe scone bloemen.

Vrouwen heimelijcheit ed. 2011 (1405)

  • 110 (vers 1088). Artestekst. De auteur over zijn geliefde: Si dunct mi bloeme van allen wiven.

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 47 (vers 1330). Rederijkersspel. Over Katherina: Maer wie is dese bloeme vermaert.
  • 59 (vers 1687). Dierick tot Katherina: Ghegroet zijt bloeme.
  • 59 (vers 1689). Dierick tot Katherina: O troostelijck cruyt.
  • 62 (vers 1752). Dierick tot Katherina: O bloeme jolijs, schoon violier.
  • 63 (vers 1783). Dierick tot Katherina: Scoon bloeme van vrouwen, en wilt niet screyen.
  • 65 (vers 1839). Dierick tot Katherina: O alder weertste bloeme vercoren.
  • 85 (vers 2423). Dierick over Katherina: O princesse schoon bloeyende rosemarijne.
  • 96 (vers 2717). De neef tot Katherina: O bloeme vol seghen.
  • 96 (vers 2724). De neef tot Katherina: Spreect my doch toe reyn bloeme van vrouwen.
  • 112 (vers 3170). De neef tot Katherina: O bloeme van vrouwen.
  • 124 (vers 3497). Sinneke tot Katherina: reyn bloeme vermeert.
  • 133 (vers 3747). Dierick over Katherina: een bloeme soo reyn van sade.
  • 137 (vers 3864). De neef tot Katherina: Och wat is u edel bloeme eerbaer?
  • 147 (vers 4170). Vader van Dierick tot zijn vrouw: O bloeme vercoren.
  • 169 (vers 4783). Dierick over Katherina: Katherina die bloeme vol minnen.
  • 198 (vers 5627). Katherina citeert Dierick: Mijn lief riep vaste: scoon bloeme van minnen.
  • 201 (vers 5701). Een burger over Katharina: Wie was doch die bloeme?

Coopman die vyf pondt groote vercuste ed. 1920 (1513)

  • 108 (vers 113). Rederijkersspel. Een waard noemt zijn vrouw myn weerdste blomme fyn.

Ghevecht van Minnen ed. 1964 (1516)

  • 62 (vers 513). Ars amandi. Hi gruetse ooc die bloeme vol iuechden.
  • 67 (vers 692). Teghen hem comt die bloeme weert.

Mariken van Nieumeghen ed. 1980 (circa 1516)

  • 51 (vers 249). Mirakelspel. De duivel Moenen tot Mariken: schoon edel blomme.

Peeter van Provencen ed. 1982 (circa 1517)

  • N3r. Volksboek. Peeter ziet een bloemenveld met daarin één heel mooie bloem: Ghelijc dese bloeme anderen bloemen te boven gaet van schoonheden ende roke also ghinc die schoone magelone allen anderen maechden te boven.
  • P1v. O hertlijc schoon lief schoon bloeme vol minnen.

Pyramus ende Thisbe ed. 1965 (circa 1520)

  • 174 (vers 189). Rederijkersspel. Pyramus tot Thisbe: Soet guerighe bloeme balsemierich.
  • 229 (vers 938). Thisbe over zichzelf: Dat ic den fleur van allen vassalen [edellieden].

Wellecomme van den predicaren ed. 1920 (1523)

  • 160 (vers 445). Rederijkersspel. Vreidsaem Regement (= het bestuur van Brugge) noemt Brugghe (een vrouwelijk allegorisch personage) scoon blomme net ghecoluert.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 24 (refrein 8, vers 52). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Bloem excellent.
  • 39 (refrein 17, vers 19). Vroed rederijkersrefrein. Over Esther: Hester die duechdelyke bloeme claer.
  • 44 (refrein 19, vers 48). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Totter bloemen die ick aldus beminne.
  • 73 (refrein 38, vers 2). Amoureus rederijkersrefrein. Bloem excellent.
  • 133 (refrein 70, verzen 7-13). Vroed rederijkersrefrein. De verteller ziet een visioen van een prieel: Daer sachick noch meer soe ick vermonde / dies ick my vonde van herten swaer / Duer die menichte der hasen loos van responde / die tot dien stonde belaechden daer / Die bloymkens eerbaer, int pryeel van solase / die ouerluyt seyden mit woorden claer / wat vintmen menighen lepen hase. Dubbelzinnig en tegelijk (onduidelijke) politieke satire?
  • 167 (refrein 86, vers 27). Zot rederijkersrefrein. Soe gaense beraest op die bloeme vercoren.
  • 201 (refrein 101, vers 50). Vroed rederijkersrefrein over de Dood. Sara de rosemarijne.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 85 (refrein 174, verzen 10-11). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Over Leander en Hero: Leander het ghinc uwer sielen te nae / dat ghy scheet van Ero der bloemen reen.
  • 122 (refrein 192, vers 13). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. O hemels wesen o bloijm eerbaer.
  • 122 (refrein 192, vers 42). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Doit my verdrach, reyn bloyme minjoot.
  • 130 (refrein 196, vers 31). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Dus wilt mij troosten scoon rosemareijne.
  • 188 (refrein 227, verzen 35-36). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Nu ic moet deruen tbloijsel van vrouwen / die bloeme verheuen teghen mynen danck.
  • 199 (refrein 234, verzen 26-29). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Vermaldedijt sijt tot euwijgher uren / Veijnsteren, deure, sloten mueren / Die dus bestoppen tvier der flueren / dat icse secretelick niet en mach spreken.

Ghewillich Labuer ende Volc van Neerrynghe ed. 1920 (1526)

  • 183 (vers 23). Rederijkersspel. Ghewillich Labuer (een landbouwer) noemt Vrouwe Pays blomme playsant.
  • 184 (vers 43). Idem, maar nu blomme van vreden.

Vigelie ed. 1920 (1526/27)

  • 78 (vers 35). Rederijkersklucht. Een man noemt zijn vrouw scoon blomme ghepresen (wat ironisch, want hij weigert immers seks).

Stout ende Onbescaemt ed. 1920 (1527)

  • 175 (vers 212). Rederijkersspel. Een koster tot een boerin met wie hij gaat paren: scoon blomme ghepresen.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 9 (refrein 1A, vers 3). Amoureus rederijkersrefrein. Gescreuen staet in mijn herte een bloeme vermaert.
  • 10 (refrein 1B, vers 18). Amoureus rederijkersrefrein. Dan ic sou laten die bloeme van staten.
  • 24 (refrein 9, vers 3). Amoureus rederijkersrefrein. Noch bloeme so fier mijn ogen sagen.
  • 25 (refrein 9, vers 27). Amoureus rederijkersrefrein. Och bloeme vermeert, waert dat ic v so paste.
  • 32 (refrein 12, verzen 33-36). Amoureus rederijkersrefrein. Al saechdi alle der werelt weeldekens, / die bloemen der vrouwen die wtghelesen sijn / wt Venus berge, die schoonste beeldekens, / ten mach mer een int herte ghepresen sijn.
  • 34 (refrein 13, vers 24). Amoureus rederijkersrefrein. Dat ic moet deruen die rosemarine.
  • 35 (refrein 13, vers 47). Amoureus rederijkersrefrein. Reyn bloeme, ic v voor die liefste houwe.
  • 47 (refrein 18, verzen 16-17). Amoureus rederijkersrefrein. In absencie van deser bloeme reene / in absencie deser bloeme reene.
  • 51 (refrein 20, vers 40). Amoureus rederijkersrefrein. Wies ic vermach, bloeme minyoot.
  • 54 (refrein 22, vers 37). Amoureus rederijkersrefrein. Troostmi nv bloeme, als een die wel gesint is.
  • 61 (refrein 25, vers 43). Amoureus rederijkersrefrein. O bloeme van vrouwen, ouerlegghet ynde.
  • 68 (refrein 28, vers 26). Amoureus rederijkersrefrein. Mochtse mi gebueren, die bloeme reene.
  • 89 (refrein 44, verzen 3-4). Amoureus rederijkersrefrein. Hoe sal ic mijn sinnen dan bestieren nv / die tuwaerts bloeme in duechden vermeert staen.
  • 89 (refrein 44, vers 15). Amoureus rederijkersrefrein. Troostelike bloeme, mijns herten beclijf.
  • 89 (refrein 44, vers 26). Amoureus rederijkersrefrein. O rosemarijne, gheeft my v te spreken spoet.
  • 95 (refrein 48, vers 13). Amoureus rederijkersrefrein. Si is een bloeme, een schoone gheerde.
  • 96 (refrein 48, verzen 20-24). Amoureus rederijkersrefrein. Al haddic zara in minnen verchiert / doors enghels ingeuen, Thobias getrouwe / door reynichede des bloemkens [= alle meisjes] gheuiert / ic en begheere wel ghemaniert / tgesichte alleene, die bloeme van gouwe.
  • 97 (refrein 48, verzen 73-74). Amoureus rederijkersrefrein. Heeft v den gheesteliken meelbuyl bestouen, / die bloeme is weerdich in duechden verheuen.
  • 98 (refrein 50, vers 1). Amoureus rederijkersrefrein. O Lieflijc engien, schoon bloeme vercooren soet.
  • 100 (refrein 51, vers 11). Amoureus rederijkersrefrein. Och sneuen doet mi die bloemen soet.
  • 105 (refrein 55, verzen 9-10). Amoureus rederijkersrefrein. Ic en mocht dat bloemken wt reynder nacien / den mont niet eens om cussen bien.
  • 105 (refrein 55, vers 26). Amoureus rederijkersrefrein. Mijende die bloeme suet van luchten.
  • 124 (refrein 67, vers 5). Amoureus rederijkersrefrein. Bloeme, daer ic met allen sinnen op lette.
  • 126 (refrein 68, vers 34). Amoureus rederijkersrefrein. Al niet in schijne tegen die rosemarijne.
  • 127 (refrein 69, vers 13). Amoureus rederijkersrefrein. Laet staen v keruen, reyn bloeme gepresen.
  • 128 (refrein 69, vers 43). Amoureus rederijkersrefrein. En lates niet, reyn bloeme wtghelesen.
  • 136 (refrein 5, vers 4). Amoueus rederijkersrefrein. Die wil y reyn bloeme onghelaect.
  • 137 (refrein 75, vers 41). Amoureus rederijkersrefrein. Mer ic bid v minlijc schoon rosemarijne.
  • 145 (refrein 79, vers 18). Amoureus rederijkersrefrein. In mijn herte schoon bouen alle bloemen.
  • 190 (refrein 105, vers 3). Vroed rederijkersrefrein. Over Esther: Bi Assuerum gericht een bloeme der bloemen.
  • 197 (refrein 108, vers 43). Vroed rederijkersrefrein. Niet doende dan cussen die rosemarine.
  • 256 (refrein 144, vers 35). Zot-erotisch rederijkersrefrein (seks beschreven in schaatstermen). Ist nv wel ghereden, sprac ic, schoon blome.
  • 269 (refrein 152, vers 23). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Doen was verblijt die bloeme soet. Hier ironisch gezegd van een hoertje.

Aerm inde Buerse ed. 1920 (1529)

  • 293 (vers 305). Rederijkersspel. Aerm inde Buerse tot Couver Ghebruuckynghe: Scoon blomme.

Maria gheleken byden throon van Salomon ed. 1920 (1529)

  • 299 (vers 9). Rederijkersspel. Jonstich Begheeren tot Rethoryckelicke Verjolysynghe: Scoon blomme.

Groot Labuer ende Sober Wasdom ed. 1920 (1530)

  • 274 (vers 341). Rederijkersspel. In een amoureus liedje tot de geliefde: Blomme bouen alle blommen.

Wonderlijcke Oorloghen van Keyser Maximiliaen ed. 1957 (circa 1531)

  • 6. Historiografische postincunabel. Adolf van Ravesteyn tot Maria van Bourgindië: o edel bloem vrouw Marie.

Bedroch der Vrouwen ed. 1983 (circa 1532)

  • K2v. Volksboek. Een man zegt tegen een vrouw: Doe seyde Jan: Schoon bloeme en twijfelt niet.

Pays ed. 1920 (1538)

  • 550 (vers 175). Rederijkersspel. Pays es een blomme, vul van virtuten.
  • 550 (vers 186). O pays blomme bouen allen flueren.
  • 551 (vers 230). Over Eleonora, de zuster van Karel V: de blomme der blommen.

Nieuwkerke: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 201 (vers 402). Rederijkersspel. Geloof wordt aangesproken als reyn fleur van vrauwen.

Nieuwpoort: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 212 (vers 18). Rederijkersspel. Goddelijke Waarheid wordt aangesproken als zuver blomme.

Cristenkercke ed. 1921 (1541)

  • 48 (vers 1157). Rederijkersspel. Selfs Goetduncken tot Vprecht Simpel Gheloven: blome inbevlect.
  • 48 (vers 1164). Idem: mijn blome vermaert.
  • 51 (verzen 1211 / 1214 / 1217). Idem: drie maal edel blome verheuen.
  • 52 (vers 1233). Een sinneke over Vprecht Simpel Gheloven: blome soet.
  • 53 (vers 1259). Selfs Goetduncken tot Vprecht Simpel Gheloven: mijn blome.
  • 55 (vers 1300). Idem: mijn welruijckende rosemarijn.
  • 80 (vers 1878). Christus noemt Vprecht Simpel Gheloven: die lieflijcke blome.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 42 (nr. 38, strofe 2, verzen 1-2). Lied. Noyt roose soet van soeter rueck / En heeft mijn herteken so seer beuangen.
  • 44 (nr. 39, strofe 3, vers 3). Lied. Als ick die schoone bloeme aensach.
  • 200 (nr. 172, strofe 5, vers 9). Lied. Wel schoone rosemarijn.
  • 201 (nr. 173, strofe 3, vers 5). Lied. Wel rieckende roosemarijne.
  • 238 (nr. 202, strofe 5, vers 9). Lied. Wel schoone roosemarijn.

sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 137 (vers 409). Rederijkersspel. Een sinneke tot Verganckelijcke Schoonheit: U flöre is van edelre substance.
  • 143 (verzen 488-489). De sinnekes zingen een liedje: Dör die flör van allen wijven / De hier nu is present.
  • 150 (verzen 592-607). sMenschen Sin tot Verganckelijcke Schoonheit: al lag hij in een prieel vol bloemen (penceekens, rode roosjes, hoelangherlieverkes, eglentier, korenbloemen, violetten klaverbloemen), het zou niets zijn zonder haar.
  • 152-153 (verzen 635-652). Al was een vrouw zo edel als allerlei bloemen en planten (accoleijen, lelies, bloemen van speelcoren, raepkens, lauwertelgen, eik, koren, rapenbloem), Verganckelijcke Schoonheit zal altijd liever en mooier zijn.
  • 155 (vers 680). sMenschen Sin tot Verganckelijcke Schoonheit: schoon accoleije.
  • 158 (vers 713). Een sinneke over sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit: Die flöre van vrouwen, hûe mach hij se pöselen.

Diversche Liedekens ed. 1943 (XVIb)

  • 11 (nr. 5, strofe 2, vers 5). Amoureus liedje. Gheeft my doch troost blomme excellent.
  • 23 (nr. 10, strofe 4, vers 9). Amoureus liedje. Adieu schoon violiere.
  • 24 (nr. 11, strofe 1, vers 11). Amoureus liedje. De blomme vulprezen.
  • 29 (nr. 12, strofe 6, vers 8). Amoureus liedje. Dit is die blomme reene.
  • 50 (nr. 21, strofe 5, vers 1). Amoureus liedje. Blomme mignoot.
  • 57 (nr. 24, strofe 1, verzen 5-6). Amoureus liedje. Dat ick mocht cussen dijn rooden mondt / Vermeil als violieren.
  • 57 (nr. 24, strofe 2, vers 1). Amoureus liedje. Reyn blomme vol vreughden wel gheraeckt.

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 613 (vers 204). Rederijkersspel. sMenschen Gheest tot tVleesch (een hoer): lustich rosierken, moy violierken.

Vreese des Heeren en Wijsheijt ed. 1968 (circa 1550)

  • 387 (vers 617). Rederijkersspel. Doude Serpent tot Goetwillich Herte over de hoer Dongerechticheyt: Dese soude v wesen een bloeme vol ionsten.

Mars en Venus ed. 1991 (1551)

  • 234 (verzen 52-53). Rederijkersspel. Venus zegt: wie zou geloven dat mannen hun eigen vrouw niet meer liefhebben om andere bluemkens de up den acker staen / Der jöchdelijcheit?
  • 264 (vers 516). Mars tot Venus: Dat sijdij ghij, blueme.
  • 270 (vers 606). Mars noemt Venus welrieckende violiere.

Sint Jans onthoofdinghe ed. 1996 (vóór 1552)

  • 86 (verzen 514 / 519). Rederijkersspel. De knappe dochter van Herodias wordt genoemd alsulcken blûemken en reyn blûemken verheeven.
  • 90 (vers 556). Idem: dit blûemken der vrouwen.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 166 (vers 378). Rederijkersspel. Eneas tot Venus: o blûeme van vrouwen.
  • 183 (vers 844). Eneas tot Dido: O blûeme recht veerdich, om vollooven quaedt.
  • 216 (vers 1770). Eneas tot Dido: O blûemighe jöght.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 209 (fol. 272r, vers 36). Amoureus liedje. Tot de geliefde: Reyn fleur van allen wyfuen.
  • 239 (fol. 288v, vers 12). Amoureus rederijkersrefrein. Over dansende vrouwen: int Ronde keerende als cleene Pimperneelkens.

Cieraet der vrouwen ed. 1983 (1566)

  • 6 (vers 312). Artestekst. Tot Vrouw Rhetorica: O bloem, die ’t al doet triumpheren.
  • 12 (vers 510). De auteur spreekt de vrouwen aan: Soete goedertieren bloemkens verheven.
  • 18 (vers 672). Auteur tot de jonge vrouw die zijn tekst leest: Denct, schoonste vrouwe der maechden fleure.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 169 (nr. 80, strofe 3, verzen 11-12). Amoureus rederijkersrefrein. Mercurius sprake & oock den sanck / Der Serenen heeft de bloeme te loone.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 12 (nr. 91, strofe 2, vers 11). Amoureus rederijkersrefrein. Schenckt lieffde voer lieffde, schoon bloeme der vrouwen.
  • 13 (nr. 91, strofe 3, vers 13). Idem: Och! Wacht u wel, rueckende bloeme minioot.

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 21 (nr. II, vers 15). Amoureus rederijkerslied. Ghij sijt die fleur van vrouwen.
  • 23 (nr. III, vers 33). Amoureus rederijkerslied. Die fluer boven allen vrouwen.

Ontrouwen Rentmeester ed. 1899 (circa 1587)

  • 95 (vers 461). Rederijkersspel. Sinneke over Venus: Stelt u behaghen op haer, due fluer van vrouwen.

Dolende Mensche ende de Gratie Gods ed. 1893 (circa 1600)

  • 8 (vers 103). Rederijkersspel. Dolende Mensche noemt Gratie Gods reyn edel blomme.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 166 (strofe 57). Amoureus liedje. Reyn bloemken eloquent.
  • 168 (strofe 6, vers 6). Amoureus liedje. Adieu Prince bloeme.
  • 198 (strofe 5, vers 4). Meiliedje. V fleur van alle Vrouwen.
  • 199 (strofe 2, vers 4). Amoureus liedje. Reyn bloemken vol van vreughden.

Broeckaert ed. 1893 (circa 1600)

  • 53 (refrein 4, strofe b, vers 8). Amoureus rederijkersrefrein. Blom der figueren, blust doch mijn ongherief.
  • 53 (refrein ‘, strofe b, vers 12). Idem. So tuycht den brief, o blom van de vrouwen.
  • 35 (refrein, 4, strofe c, vers 1). Idem. O blomme der blommen, blust mijn verseeren.
  • 55 (refrein 5, strofe a, vers 6). Amoureus rederijkersrefrein. Blust mijn benauwen, o blomme succadich.
  • 55 (refrein 5, strofe b, vers 8). Idem. O blom soet geurich, hoort mijn supplieren.

 

9 Bloem = geliefde man, jongen, minnaar

 

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 61 (vers 1743). Rederijkersspel. Katherina tot Dierick: Hoe comt dit by, reyn fluer van lieve?

Trauwe ed. 1899 (vóór 1595)

  • 186 (vers 1382). Rederijkersspel. Valschyt tot Die Werelt over Fortse: Siet oft ghy u greyt in synen fluere [zie of zijn aantrekkelijk voorkomen u behaagt].

 

10 Bloem // liefde en erotiek

[De Beatis 1520: 80 (editie-1979): in Duitsland (1517) dragen jonge meisjes in het hoogseizoen bloemenkransen op het hoofd, vooral op feestdagen. Schooljongens en misdienaars doen dat ook.]

[Over bloemen en vruchten als liefdes- en smaakmetaforen in de Zuid-Nederlandse schilderkunst rond 1500, zie: Reindert Falkenburg, “Smaak in beeldspraak – Een liefdesmetafoor in schilderijen van Maria met het Kind uit de Zuidelijke Nederlanden (1450-1550)”, in: Spiegel Historiael, jg. 26, nr. 10 (oktober 1991), pp. 419-425.]

 

Der minnen loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 140 (Boek II, verzen 461-465). Ars amandi. Het waer emmer een cranck room, / Dat hi sijnre minne bloom, / Die so louter blieyende stont, / Setten soude op een ander gront / Ende minnen sijns heren wijff. Ridder die overspel pleegt met de vrouw van zijn heer.

Der minnen loep II ed. 1846 (1411-12)

  • 45 (Boek III, verzen 1209-1215). Ars amandi. De auteur heeft het over incest: Doch noch sek ic als ic seyde: / Leefden su in reynre weyde / Ende lieten die grove stoppelen staen, / Daer sy die bloemkijn mede verslaen / Ende dat menschelike cruut / Niet en wyesse ter aerden uut, / So mochtment noch verantwoirden wat. Potter vindt dus incest nog enigszins te verantwoorden, als er geen kinderen worden verwekt. Betekent ‘bloemkijn’ hier misschien ‘maandstonden’? In elk geval geen gemakkelijke passage.

Seuen wijse mannen van romen ed. 1898 (1479)

  • C3v. Volksboek. Vrouw van ridder tot haar man: Alheel bistu inder sotheyt verdoelt want du hebste die bloem mijnre ioghet tot dijnre ghenuechten en(de) noch bestu ghelopen tot dine hoeren.

Teghen die strael der minnen ed. 1965 (1480-85)

  • 92 (regels 10-15). Novelle. Marina heeft van haar man toestemming om tijdens zijn afwezigheid (hij gaat op reis) overspel te plegen. Zij redeneert: Mijn natuer begheert wat anders en is gheliken die eerste bloemen die in die maerte self uut lopen ende hebben hette ende roke. Mer wanneer si van haer natuerlike crachten worden gehouden ende ghehindert, soe beluken si lichteliken ende verdorren. De ‘bottom line’ is: seks is goed voor jonge vrouwen.

Drie Blinde Danssen ed. 1955 (1482)

  • 21. Allegorisch droomvisioen. Cupido beschrijft het erotische handelen van landlieden, arbeiders en herders. Onder meer Hanneken die Lijsken een bloemken dan tusschen hoir borstkins stelt / segghende mijn herte lief tot v helt. Bloem tussen borsten leggen = erotische toenadering zoeken.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 195 (refrein 232, verzen 37-38). Zot-amoureus rederijkersrefrein. Een vrouw ontkent tegenover haar man haar overspeligheid: Soudj myn hoofken comen besaijen / ende verliesen tbeste bloijmken van al.

Mars en Venus ed. 1991 (1551)

  • 268 (verzen 593-594). Rederijkersspel. Mars tot Venus: wanneer zullen wij verzamen Om die bluemkens van luinnen als roosen pören / Tondeckene, nae duijtgheeven der natören?
  • 270 (vers 610). Venus neemt afscheid van Mars: Tot tavont dat jonste hör bluemkens saijt.

 

11 Bloem = vagina

 

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 401 (vers 32). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Int donckere den Jonckere wijsde zy tblommeken.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 237 (fol. 287r, vers 22). Amoureus rederijkersrefrein. Over de kenmerken van een mooie vrouw: een bruun blomken tusschen witte dien ghevoughelick. Bruin bloempje = hier: de pubis van een vrouw (met bruin schaamhaar).
  • 268-269 (fol. 304v, verzen 30-34). Meilied. Al eist datse hu comt beCueren / met haer blomken amoureux fier / en wilt huer daer om niet zueren / bluscht fraeyelicke dan der minnen vier / int groen Roozier.

 

12 Bloemen plukken = seksuele gemeenschap hebben

 

Beatrijs ed. 1995 (XIV)

  • 62 (verzen 342-345). Berijmde Marialegende. Beatrijs’ minnaar probeert haar te overhalen om seks te hebben: Hi seide: ‘Lief, waert u ghevoech, / Wi souden beeten ende bloemen lesen. / Het dunct mi hier scone wesen. / Laet ons spelen der minnen spel.

De Vooys 1926 (XIVd)

  • 330. De Vooys citeert een passage uit de Brabantse vertaling van Suso’s ‘Horologium sapiencie aeterne’, waarin de auteur vertelt hoe hij in zijn jeugd zijn vrienden losbandigheid zag bedrijven. Ende al dansende seiden si deze woerde: “(…) Cronen wi ons met rosen eerse verdroghen, ende engheen beemt en si, die niet vertorden en si van onser oncuuscheit. Laet ons over al laten teekene onser blijscepe, want hi hoert ons toe ende is onze deel”. Doen si dit seiden, so plagense hairre gelost ende plucten blomen die si ghecrighen conden.

Winter ende Somer ed. 1946 (circa 1408)

  • 46-47, verzen 32-35). Abel spel. Die dan met sinen liefken gaet / Spelen in der minnen dal, / Ach, dats vroude boven al, / Metten dauwe die bloemken lesen.

Der minnen loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 124 (Boek II, verzen 27-33). Ars amandi. Soudet daer altoes op staen / Alsmen mit wanckel hadde misdaen / Ende men all den somer uut / Gheplucket hadde een vreemd cruut, / Datmen dan des winters soude / Weder comen also houde / Ende plucken die matelieven? Een vreemd kruid plukken = vreemdgaan, de madeliefjes plukken = seks met de eigen vrouw.

Der minnen loep II ed. 1846 (1411-12)

  • 44 (Boek III, verzen 1184-1186). Ars amandi. Raad aan eerbare vrouwen: Ende laet u eer niet ontplucken, / Behout dat bloemkijn eer vast, / Soe doedi uwer herten rast.

Broeder Russche ed. 1950 (circa 1520)

  • 7. Prozaroman. Een hoertje wordt uitgenodigd om te komen seksen met de abt van een klooster. Zij zegt: Ic souden noch lieuer in mijn armkens eruen / Om der natueren bloemkens te lesen.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 150 (refrein 78, verzen 20-21). Zot rederijkersrefrein, erotische context: Tjan dochtic dat en is gheen dupen / die sulcke bloimkens int coren can plucken.
  • 168 (refrein 86, verzen 58-59). Zot rederijkersrefrein, erotische context: Mer alsser een cloickaert coomt ongelet / en pluct die bloijmkens tot synder orboren.

Bedroch der Vrouwen ed. 1983 (circa 1532)

  • H2r. Volksboek. Ende gingen doe te samen slapen daer si hem leyde in haer vier armkens / zeer begeerlijc lesende die bloemkens der natueren inden soeten rosegaert.

Mars en Venus ed. 1991 (1551)

  • 284 (vers 857). Rederijkersspel. Phebus maakt ’s morgens Venus en Mars wakker die naakt met elkaar in bed liggen: De die bluemkens der natueren ghebruijcken.

Borchgravinne van Vergi ed. 1988 (1558-60)

  • 265 (regel 415). Volksboek. Beschrijving van seks: daer worden de bloemkens der natueren ghelesen.
  • 276 (regels 838-839). Beschrijving van seks: ende die bloemkens der natueren ende den loon van Venus wert daer minnelijck ghegheven.

Ontrouwen Rentmeester ed. 1899 (circa 1587)

  • 88 (vers 221). Rederijkersspel. De sinnekes tot Tgroot Getal: wij zullen u niet met rust laten ghy en sult van Venus struycxken een bloemken gepluct hebben.

 

13 Bloem plukken = ontmaagden (waarbij bloem = maagdelijkheid)

[In een druk van de Somme ruyrael van Jan Bottelgier (Antwerpen, Claes de Grave, 1520), in een ‘Vocabulaer’ van bastaardtermen uit de jurisdictie: Defloratie dats een vrouwe te ontsetten van haerder eren. Slaat dit opverkrachtig in het algemeen of op verkrachting van een maagd in het bijzonder?]

 

Lanseloet van Denemerken ed. 1979 (circa 1408)

  • 121 (verzen 488-502). Toneelspel. In dit ‘abele spel’ hanteert Sanderijn de bekende ‘boom-bloem-valk’-allegorie om duidelijk te maken dat zij door Lanseloet ontmaagd werd: Ane siet desen boem scone ende groen, / Hoe wel dat hi ghebloyet staet. / Sinen edelen roke, hi doer gaet / Al omme desen bogaert al. / Hi staet in soe soeten dal, / Dat hi van rechte bloyen moet. / Hi es soe edel ende soe soet, / Dat hi versiert al desen bogaert. / Quame nu een valcke van hogher aert / Ghevloghen op desen boem ende daelde, / Ende ene bloeme daer af haelde, / Ende daer na nemmermeer neghene, / Noch noit en haelde meer dan ene, / Soudi den boem daer omme haten / Ende te copene daer omme laten? Deze allegorie wordt daarna nog drie maal hernomen: zie ed. 1979: 127-128 (verzen 793-812), 131-132 (veren 866-883) en 132-133 (verzen 894-897). Zoals Beckers 1993: 50, noteert, zijn er voor de ridder aan wie Sanderijn dit vertelt, ‘nog genoeg bloempjes die hij kan plukken’ (al gaat het in dit geval eerder over ‘bloesems’ aan een boom die vruchten – kinderen – kunnen voortbrengen). Bij het plukken van die resterende bloesems is er dan weliswaar geen sprake meer van maagdelijkheidssymboliek, maar bij die eerste geplukte bloesem duidelijk wel.

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 48 (verzen 1363-1365). Rederijkersspel. Over Katherina: Dats de maechdelicheyt uwer dochteren soet. / Het is een juweel dat haest verloren is / Ende een bloem die boven al vercoren is.
  • 48-49 (verzen 1379-1385). Idem. Maer tbloemken dat op den acker staat / Is eer ghepluct, ghevelt, gheschint / Dan een bloemken datmen in die hoven vint / Ghesloten voor diese schandaliseren. / Die bloemkens die hem abandoneren / Op den acker en zijn doch niet gheacht / Byde bloemkens in hoven ghebracht. Wilde bloemen = losbandige maagden, tuinbloemen = eerbare maagden.
  • 184 (vers 5230). Moeder van Dierick, misprijzend over Katherina: Men heeft al veel schoonder bloemen gepluct.

Leander ende Hero ed. 2002 (1612)

  • 168 (Spel 3, verzen 363-366). Rederijkersspel. De ‘voedster’ van Hero over Leander: Het zoude oock wel zijn een grove beeste, / Dat hy zoo schoonen Dochter zoude verlaten, / Naer dien dat hy gheproeft heeft der vreuchden keeste, / En d’eerste bloemkens ghepluct heeft t’synder baten.

 

14 Bloemen = maandstonden

 

Mostert 1995 (1235-50)

  • 248 (nr. 52). In de Summa de confessionis discretione (De officio cherubim) van Frater Rudolfus (Duits, 1235-50) lezen we in boek II, hoofdstuk 9, paragraaf 52: Quiddam, quod floren suum uocant [dat wat zij (de eenvoudige volksvrouwen namelijk) hun bloem noemen]. Het gaat daarbij over maandstonden.

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 153 (vraag 236, regels 14-17). Artestekst. De koning vraagt hoe een kind in de buik van een zwangere vrouw gevoed wordt. Sidrac antwoordt: God hout ende voedt in haren lichame ende en leeft anders af dan vanden bloede des wijfs, dats te wetene van haren bloemen ende vander locht die dwijf in asemt ende vander spisen ende drancke die sy nuttet. Vergelijk Sidrac ed. 1997: 719 (vraag 115, fol. 157rb, regels 28-36): Die aelmachtighe god voedet inden lichame ziere moeder Ende het heuet al meest zijn voetzel vanden bloede des wijfs. Dats te verstane van hare bloume ende oec vanden ademe dien so intrect ten monde ende oec vander spise ende den dracke die dat wijf nuttet.

Heimlijchede van mannen ende van vrouwen ed. 1893 (1351)

  • 152 (verzen 1059-1069). Artestekst. Daerbi om de nature van wiven / Om te behagen haer hitte met / So heeft I purgatie geset, / Die men menstrua doet noemen / Ende die men gemeinlike heet bloemen, / Want gelijc alse men siet / Dat de bloeme en draget niet / Sonder bloyen, dat verstaet, / Diegelike so ne ontfaet / Dat wijf sonder bloeme geen kint, / Als ons nature wel ontbint.
  • 154 (verzen 1122-1124). Ende dese siecheden comen / Omdat behorlike titde der bloemen / Den vrouwen gebreken, wet dat wale.
  • 155 (verzen 1155 / 1158 / 1166 / 1170). Vele bloemen hebber daerbi / (…) Haer bloemen, omdat haer bloet / (…) Die bloemen, overmids errede / (…) Ende werden de bloemen oec daernaer.
  • 156 (verzen 1178-1179). Es dat sake dat men mach scouwen / Te lettel bloemen an die vrouwen…
  • 156 (verzen 1195-1196). Van enen wive diere gebraken / IX maent die bloemen na das…
  • 159 (vers 1293). Dat die bloemen comen iet.

Vrouwen heimelijcheit ed. 2011 (1405)

  • 66 (verzen 78-79). Artestekst. Die menstrua: dat zijn de bloemen / die telker maent voert comen.
  • 72 (verzen 245-249). Ghelijc dat gheen boem vrucht en mach / hebben sonder bloeme, als ic besach, / so ne moghen de vrouwen twaren / gheene vrucht oppenbaren, / sine moeten eerst haere bloemen risen.

Grant Kalendrier et Compost des Bergers ed. 1976 (circa 1500)

  • O108. Artestekst. Pour femme qui ne peult avoir ses fleurs.

Vrouwen natuere ende complexie ed. 1980 (circa 1538)

  • A3r. Volksboek. Sulcke vrouwe(n) hebbe(n) luttel va(n) haer bloeme ofte me(n)strum/ en(de) tencoemt alle maenden n(iet) ghelijck a(n)dere(n) vrouwe(n).
  • A4r. Tekenen van zwangerschap. Onder meer: ophoude(n) va(n) haer bloeme.
  • B3r. Voorwaarden om zwanger te worden: En(de) die vrouwe die daer toe sal bequae(m) zijn/ moet zij(n) ionck/ oft dat si haer bloeme noch heeft.
  • B4v. Tekenen van zwangerschap: mer si wete(n)t meeste(n)deel als dije eerste maent ghelede(n) is/ want si dan haer bloeme niet meer en heeft. (…) Wa(n)t ist dat si eue(n) wel hare bloeme heeft/ dat is ee(n) teyken dat de vrucht cranck is.
  • C2v. Die vloet va(n) haer bloeme/ oft d(at) bloede(n) va(n) ee(n) beuruchte vrouwe/ en(de) die water begeere(n) te drincke(n)/ zij(n) teykene(n) dat die vrouwe cranc is.

 

15 Verwelkte bloem = oude vrouw

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 119 (refrein 190, vers 63). Vroed rederijkersrefrein. Een oude hoer wordt genoemd: Een verflout bloimken ende verdroocht planten.

 

16 Verwelkte bloem // liefdesverdriet

 

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 205 (strofe 4, verzen 3-8). Amoureus liedje. Een man spreekt: Schoon Lief u sinnen aerdigh / Bid ick te my waerts went / Of ick worde gheschent / Als een bloemken kan bederven / Geplukt, dus liefde seyt / Of van rou moet ick sterven.

 

17 Bloemen plukken = zijn behoefte doen (waarbij bloemen = uitwerpselen)

 

Lodder ed. 2002 (circa 1405-08)

  • 112 (verzen 134-135). De boerde ‘Een bispel van II clerken’. Doen peinsde hi, sijt seker das, / Dat si ware gegaen bloemen lesen. Zie ook Middelnederlandse boerden ed. 1957: 42 (nr. 7, verzen 134-135).

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 359 (refrein 45, strofe G, vers 9). Zot-scatologisch rederijkersrefrein dat focust op het anale. De duergaende margriete, de suypscyte. Hier gaat het blijkbaar over termen voor buikloop.
  • 359 (refrein 45, strofe I, verzen 2-3). Dit zyn de saken daer wy af couten. / Palloken scudden en flueren vuytlaten. Fleuren (bloemen) (uit)laten = winden laten of zijn behoefte doen?

Mane ed. 1992 (XVIB)

  • 149r (verzen 506-507). Rederijkersklucht. Een man zegt: Och mijn lust so wel bloemen te gaen lesen / ick bekac mijn van anxt beghinttet weer te bijsen.

 

[explicit 29 januari 2017]