BOOMGAARD

 

1 Boomgaard = aangename, lieflijke plaats

 

Gloriant ed. 1976 (circa 1410)

  • 92 (verzen 1086-1087). Een ‘abel spel’. Het land van ‘Bruuyswijc’ wordt door Floriant den edelen boegaert genoemd.

Esmoreit ed. 1977 (circa 1410)

  • 125 (vers 38). Een ‘abel spel’. Robberecht noemt Sicilië edel bogaert.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 220. Aansporing van De Castelein tot de jonge dichters: zij moeten veel oefenen. Die scoonen boomgaerd gheerd, moet menig scuetkin coopen.

 

2 Boomgaard = Maria

 

Gloriant ed. 1976 (circa 1410)

  • 68 (vers 596). Een ‘abel spel’. Maria = den edelen bogaert.

Eerste Bliscap van Maria ed. 1978 (1448)

  • 129 (vers 1790). Mysteriespel. Maria = den edelen bogaert.
  • 129 (vers 1799). Maria = suver geerde.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 189 (vers 5). Lofdicht op Maria: Bogaert Bloeyende.

Suuerlijc boecxken ed. 1957 (1508)

  • 36 (lied XIII, strofe 4, vers 1). Kerstlied. Maria die suuer gaerde.

 

3 Boomgaard = de menselijke ziel, het menselijke geweten

 

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 219 (28ste preek, regels 3-8). Prekenbundel. Susteren een reyn puer consciencie, daer veel goeder ghedachten in gheoefent werden, dat is enen hemelschen lelyen hof, Daer die brudegom onder ghevoet wort alre soetelicste. Si is een hemels boemgaert, daer die bloemen der eynre begheerten voert brenghen die soete vruchten der menichvoudigher duechden.

Geraardsbergse handschrift ed. 1994 (1460-70)

  • 81-85 (nr. 66, verzen 1-120). Een allegorie over de ‘boomgaard der zuiverheden’, met zeven boomsoorten, zeven bloemsoorten en zeven vogelsoorten.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 125 (refrein 65). Vroed rederijkersrefrein. De ‘ik’ heeft een visioen van een boomgaard vol kwade kruiden en wormen (= de zonden).

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 53 (refrein 100, strofe 1, verzen 13-15). Vroed rederijkersrefrein. Op des boomgaers schoon hout wilt niet dincken; / want hoe schoon de schorsen oft blanderen blincken, / aen de vruchten salmen den boomgaert kennen. Schoon hout (hypocrisie in geloofszaken) in de boomgaard is vaak bedrieglijk.
  • 54-55 (refrein 100, strofe 3, verzen 1-10). Vroed rederijkersrefrein. Boomgaarden met mooie bomen maar rotte appelen = ketters, sekten. Er zijn ook boomgaarden waar men Gods woord onderhoudt en die zijn door God geplant.

 

4 Boomgaard = geliefd(e), begeerd(e) of gerespecteerd(e) vrouw / meisje

[Zie ook Wijngaards 1964: 109-110, over de boomgaard als symbool van de ongenaakbaarheid van het meisje en van haar voorbestemdheid voor de éne uitverkorene (in Floris ende Blanchefloer).]

 

Der minnen loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 251 (Boek II, vers 3502). Ars amandi. De vrouw = die zuete wijflike gaerde.
  • 275 (Boek II, vers 4126). De vrouw = Louter bloeyende, schone gaert.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 24 (refrein 9, vers 1). Amoureus rederijkersrefrein. O Lustich prieel, mijns harten vergier.
  • 95 (refrein 48, vers 13). Amoureus rederijkersrefrein. Si is een bloeme, een schoone gheerde.

Coninck Proetus Abantus ed. 1992 (1589)

  • 13r (verzen 528-529). Rederijkersspel. De koning zegt dat zijn dochters boomgaarden van edelheid zouden moeten zijn.

 

5 Boomgaard = plaats van erotisch vertier (soms meer bepaald: vagina)

 

Borchgravinne van Vergi ed. 1997 (1315)

  • 34 (verzen 63-68). Berijmde novelle. Een boomgaard speelt een belangrijke rol in de geheime liefdesrelatie tussen de burggravin en een ridder. Ende hadden vercoren om dat / ene scoene heimelike stat / in enen boegaert, daer hi plach / dic te gane inden dach, / alse ofte si hem vermeien gingen. / Niemen en wiste van die dinghen. Via de boomgaard bereikt de ridder de kamer van de burggravin.

Gloriant ed. 1976 (circa 1410)

  • 69 (verzen 617-618). Een ‘abel spel’. Florentijn over Gloriant: Ic sie den valke van hogher aert / Neder dalen in minen bogaert.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 92 (refrein 177, verzen 38-41). Vroed-amoureus rederijkersrefrein. Van minnaars die niet kunnen naleten te pochen over hun erotische escapades, wordt gezegd: Mer die en syn niet weert te hebben beuelen / te ghenieten venus gifte als Paris dede / Om te roseren oft te spelen / in venus boomgaerdeken naer haer zede.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 233 (refrein 129, verzen 33-34). Zot-erotisch rederijkersrefrein: aansporing tot seks. Lust v fruyt en ghi sijt ten bogaert gerocht, / Ghi souter met uwen cluppel in smijten. Boomgaard = vagina, kluppel = penis.
  • 257 (refrein 145, verzen 6-7). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Een wellustig meisje zegt tot een ‘ruiter’ (in erotische context): Tvrouken antwoorde: vrient mijn vergier / Is ongeoefent, dlant leet nv brake. Boomgaard = vagina.
  • 258 (refrein 145, vers 37). Idem. Aansporing tot seks vanwege de zender: In haer vergier sprinct int beghinne. Boomgaard = vagina.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 47 (nr. 42, strofe 1, vers 4). Amoureus lied. Jongen tot meisje: Mochte ic in uwen boomgaert gaen.
  • 47 (nr. 42, strofe 2, vers 2). Idem. Laet mi in uwen boomgaert gaen.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (XVIIA)

  • 175 (kolom B, strofe 1, verzen 5-8). Amoureus-erotisch liedje. Minnaar tot maagd: Mocht ick met u eens gaen spaceren / In Venus bogaert spelen gaen / Ick meen ick sou u soo wel tracteeren / Dat ick in u gracy soude staen.

Bouwen en Pleun ed. 1985 (1610)

  • 238 (kolom 119, verzen 193-194). Rederijkersklucht. Verliefd meisje over haar vrijer: Was ick by hem wy souden ons vermeyen / In Venus boogaert t’hert zijn vermakende.

 

[explicit 19 december 2016]