BRIL

 

Van Belle 2001: 232-234, heeft het over de betekenis van brillen in de zestiende-eeuwse beelding.

  • Neutraal-functioneel: iemand die een bril nodig heeft (bijvoorbeeld voor zijn werk).
  • Laudatief: als verwijzing naar de respectabele ouderdom en/of wijsheid van een persoon.
  • Pejoratief: associatie met zotheid, spot, illusie en bedrog.

 

Bril = bedrog, leugen

Iemand brillen = iemand bedriegen

Brillen verkopen = bedriegen, leugens vertellen

Een bril dragen = bedrogen worden

 

MNHW 1981: 117, geeft bij het werkwoord ‘brillen’: bedriegen, misleiden.

RG 1959: 79, geeft bij ‘bril’ (ten onrechte weifelend): Gril? Kletspraatje? Waardeloze zaak?

 

Jheronimus Bosch – Verzoekingen van de H. Antonius (Lissabon) : middenpaneel (de bebrilde figuur in het eend-vaartuig)

Naar aanleiding van deze figuur schreef Bax [1948: 73]: ‘Heeft hij zich een bril gekocht, d.w.z. is hij bedrogen of misleid, nl. door de Boze? Iemand brillen verkopen betekent reeds in het begin der 16de eeuw: iemand bedriegen, misleiden, iemand iets op de mouw spelden of een valse voorstelling van iets geven’. Bax citeert hier duidelijk Grauls 1939-40: 151 (zie infra), maar noot 48 geeft verdere concrete voorbeelden.

 

Jheronimus Bosch – Johannes op Patmos (Berlijn) : rechtsonder, een duiveltje met bril

 

Jheronimus Bosch – Laatste Oordeel (Wenen) : onderaan rechterbinnenluik, een brildragende duivelse secretaris of procureur van de hel

Bax 1983: 228, noteert hier: ‘Do the spectacles of the “secretary of hell” have a symbolic function as well? In the 16th century a pair of eyeglasses could be a symbol of deceit in the Low Countries’ (met voetnoot die verwijst naar Bax 1948: 78).

 

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 390 (Winterstuc, hoofdstuk 50, regels 123-126). Theologisch compendium. Dirc van Delf geeft een merkwaardige vertaling van I Cor. 13: 12. Want die wijl dat wi hier inden lichaem sijn, soe sie wi God doer een spieghel ende brille, mer als wi in sijnre ieghenwoordicheit sijn, so sel wi en kennen van aensicht tot aensicht. ‘Bril’ is ten opzichte van de bijbeltekst toegevoegd en benadrukt het onvolmaakte en bedrieglijke van ons ‘zien’ op aarde.

Jacob Cornelisz. Van Oostsanen – De brillenkoopman (?) (XVIa)

Een paneel van Jacob Cornelisz. van Oostsanen dat aanwezig was op de Rotterdamse Bosch-tentoonstelling van 1936 en toentertijd in het bezit was van J. Goudstikker te Amsterdam [Cat. Rotterdam 1936, Cat. nr. 98, Schilderijen – afb. 94]. In de catalogus wordt aan het schilderij de blijkbaar verkeerde titel De brillenkoopman gegeven. Het gaat veeleer om een satirische uitbeelding van het ongelijke liefde-thema. Op de achtergrond ondr meer een jongeman die flirt met een oude vrouw en een nar die door de vingers kijkt. Op de voorgrond koopt een oudere man een bril van een jonge vrouw. Met andere woorden: zij bedriegt hem.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 70 (refrein XXXV, verzen 38-40). Zot rederijkersrefrein. Er wordt gespot met dwaze ‘venusjonkers’ (verliefde jongemannen): Als icse dus sie van minnen onbelust / voer oghen hebbende den bril / soe lach ick dat ic bersten wil.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 217 (nr. 186, strofe 9, verzen 6-8). Lied. De auteur zegt over zichzelf: Op meynerts gaerde en wilt hi niet meer zyn / Hi laet hem sijn brillen vercoopen / Hi wilt blijuen bi tkeysers hoopen. ‘Meynert’ / Meynaert is een Gelderse vijand van keizer Karel V.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 115 (Boek II, refrein V, strofe f, vers 15). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Sij vercoopen u brillen sonder glasen.

Duytsche adagia ofte spreecwoorden ed. 2003 (1550)

  • 189 (nr. 25.1/25.2). Spreekwoordenverzameling. Brillen vercoopen. / Fluyten vercoopen. / Dat sijn die ghene die andere luyden wonderlicke dinghen te verstaen willen gheven ende wijs maken.

Pieter Bruegel de Oude – Het Zottenfeest (circa 1559)

Een burijngravure met de uitbeelding van ‘zotten’ (dwazen). Tegen de rechterbeeldrand zien we een zot die brillen verkoopt. Het bijschrift onderaan vermeldt onder meer: De sulck, vercoopt trompen, en dander brillen. Marijnissen [1988: 112] noteert: ‘”Trompen en brillen” verkopen is een omschrijving van oplichterij’. Deze beeldbron ook vermeld in Bax 1948: 78 (noot 48).

Ulenspieghel ed. 1980 (1560)

  • 61 (verzen 54-55). Spotprognosticatie. Ick pleghe te schrijven veel wonderlijcke grillen / Van ijseren, tinnen, houten en ghelasen brillen.

Antwerpen, Onze-Lieve-Vrouwe-ommegang (1563)

De beschrijving van het derde ‘punt’ (een soort allegorische praalwagen) dat in 1563 tijdens de Onze-Lieve-Vrouwe-ommegang door de straten van Antwerpen trok, vormde een uitbeelding van het bedrog: Op den waghen sittende Outbedroch, gecroont met een haringhe Croone, eenen halsbant aene van Trompen ende Brillen, voor haer ligghende veel blau Huycken, de welcke Eyghen bate compt halen, met haer Maerte Valsche practijcke, ende hanghe se om Ghemackelijcken Peer, ende Lichtghelaet hancse om Versuften Ouderdom, twee creemers voor op den Waghen, deen met Brillen, ende dander met Trompen [De Keyser 1939-40: 134]. Ook Grauls 1939-40: 151, verwijst naar deze tekstbron en noteert: ‘Reeds in den aanvang der 16e eeuw was de uitdrukking (iemand) brillen verkoopen zeer gebruikelijk voor: bedriegen, misleiden (bepaaldelijk met leugens, verzinsels, praatjes), iemand wat op de mouw spelden, enz. Zie dienaangaande het Wdk der NL TL, Dl III, blz. 1378. Dit Wdk vermeldt eveneens het werkwoord brillen met de beteekenis van bedriegen’. Deze bron ook vermeld in Bax 1948: 78 (noot 48).

Gravure (naar Pieter Bruegel de Oude?) (1568-69)

Een zijn hoofd krabbende marskramer die brillen verkoopt en naast een vrouw zit. Het bijschrift luidt: Wie met bedroch sijn craem stoffeert, / En also meijnt te ghewinnen rijckdom groot: / Voorwaer hij ten lesten met pover logeert, / Bij de bruijt sittende craut sijn hoot. Vergelijk over deze gravure Grauls 1939-40: 152-153, Grauls 1957: 202-203, Marijnissen 1988: 384-386, De Bruyn 2001a: 208. Van deze gravure is ook een versie op tondovormig paneel bekend van Pieter Breughel de Jonge van circa 1600 (Antwerpen, KMSK, inv. nr. 872). Zie Cat. Antwerpen 1992: 189-191, Cat. Antwerpen 1998: 331 (cat. nr. 115).

De Machabeen ed. 1992 (1590)

  • 35r (verzen 1006-1007). Rederijkersspel. Eleasar wil niet ingaan op het voorstel van Anthiochus om varkensvlees te eten. Diens dienaars willen hem helpen door te doén alsof ze hem varkensvlees voorzetten. Reactie van Eleasar: ten is niet dan een verblinden bril / dien ghij mijn op wilt setten sonder verbeijt.

Menich Mensch en Onversadelijcke Begeerte ed. 1998 (1597)

  • 37v (verzen 681-682). Rederijkersspel. Het sinneke Eijgen Baet zegt: Hout u gerust sij sullen u na haer vermogen stillen / en met een schoone logen brillen diese u inde hant sullen stecken.

Etymologicum ed. 1974 (1599)

  • 72. Nederlands-Latijns woordenboek. Brillen verkoopen. adag. Facere fucum, dare verba, sarcire centones (zegswijze: bedrog plegen, bedriegen, leugens verkopen).

Cranckheijt des Vleijsch ed. 1992 (XVIB)

  • 101r (verzen 1294-1295). Rederijkersspel. Het ene sinneke tot het andere: Ghij segt goet bescheijt Laet ons dan gaen drillen / en maecken niet dan brillen voort volck met een.

Ruijt Verstant en drie bijbelse vrouwen ed. 1946 (circa 1600)

  • 216 (vers 263). Rederijkersspel. De bijbelse Rachel tot Ruijt Verstant: Ick hoore wel, ghi bringht brillen van allen ghesichte.

Sebastiaan Vrancx – Spreekwoorden (Brussel, KMSK) (circa 1600)

Een marskramer verkoopt brillen, fluiten en netten. Vergelijk over dit schilderij Van Puyvelde 1931: 293-299, Grauls 1939-40: 154 (met afbeelding op p. 150), Grauls 1957: 203 en De Bruyn 2001a: 208.

J.Th. De Bry – Emblemata Saecularia (XVIIa)

Gravure nr. L: een jonge vrouw houdt een oude man een bril voor en schenkt haar hart aan een jonge man. Volgens het bijschrift zegt de vrouw: Den ouden couden Hutselar dus brillick / Maer den jonghen myn Herte wil bieden wil ick. Vergelijk Grauls 1957: 204.

 

[explicit 5 juni 2016]