CONTRA NATURAM

contranaturamtopos 

Wanneer in Middelnederlandse teksten sprake is van de ‘tegennatuurlijke zonde’ (die sonde jegen natueren, in het Latijn: peccatum/vitium contra naturam), dan is het vaak niet duidelijk wat hiermee precies bedoeld wordt. In dat verband wordt ook gesproken van peccatum mutum of ‘stomme zonde’, dat wil zeggen: de zonde waarover weinig of niets gezegd mag worden. Wat logischerwijze mede de vaagheid verklaart die rondom het onderwerp hangt.

 

*** de wandaad van de benjamieten ***

 

In het bijbelboek Rechters (hoofdstukken 19-21) lezen we het verhaal van een anonieme man uit het geslacht van Levi wiens uit Bethlehem afkomstige vrouw hem verlaat, waarop de man haar, met succes, weer gaat ophalen in Bethlehem. Tijdens de terugreis zoeken ze onderdak voor de nacht in de stad Giba (Gabaa) waar joden uit het geslacht van Benjamin wonen, maar niemand wil hen helpen behalve een oude man, die zelf een vreemdeling is in de stad. Tijdens het avondmaal komen de mannen van de stad, naar verluidt echte ‘duivelskinderen’, de anonieme leviet opeisen om, aldus de Petrus Canisius-vertaling, ‘gemeenschap met hem te houden’. De oude man smeekt de mannen van Giba om ‘dat kwaad’ en ‘zoiets schandelijks’ (Rechters 19:23) niet te doen, en biedt zijn eigen maagdelijke dochter en de vrouw van de leviet aan, zodat de mannen van Giba met hén hun wil kunnen doen, maar die mannen hebben daar geen oren naar.

 

In de Noordnederlandse historiebijbel (1458) [ed. 1998: 469] heeft de oude gastheer het in verband met het opeisen van de anonieme leviet over die lelike sonde en die sonde jegen natueren. In dit geval is het duidelijk dat het om mannelijke homofilie gaat. Jacob van Maerlant heeft het in zijn Rijmbijbel (1271) naar aanleiding van dezelfde passage over: Dat was sonde jeghen nature [Rijmbijbel I ed. 1858: 373 (hoofdstuk 166, vers 8343)].

 

Het bijbelverhaal vertelt dan verder hoe, wanneer de mannen van Giba niet weggaan, de anonieme leviet zijn vrouw aan hen overlevert, waarna zij haar heel de nacht verkrachten, totdat zij ’s morgens sterft (Rechters 19:25-28). Het gevolg van deze wandaad is dat het geslacht van Benjamin, één van de twaalf joodse stammen, door de andere geslachten van Israël tot op 600 man na uitgeroeid wordt (Rechters 20-21). In verband met de groepsverkrachting noteert de Noordnederlandse historiebijbel [ed. 1998: 470]: Si waren alle die nacht ongewoentelic daermede. De Latijnse Vulgaat-versie heeft hier: Quacum tota nocte abusi essent (en de hele nacht misbruikten ze haar). In de versie van Rechters 20 uit de Noordnederlandse historiebijbel verwijst de anonieme leviet tijdens het latere proces als volgt naar de wandaad: Ende si wouden mi verslaen ende mijn wijf uut wreetheit onnatuerliken besigen ende misbruken. Bovendien is er sprake van alsulke ongeoerlofde sonde en tweemaal van die grote lelike sonde. Maerlant formuleert de passage met de groepsverkrachting zo: Doe leedden si daer uter dure / des ghasts wijf daer si mede daden / haren wille sonder ghenaden / ende niet als men ter redenen pliet / maer dattie nature weder biet [Rijmbijbel I ed. 1858: 373 (hoofdstuk 166, verzen 8344-8348)]. De Petrus Canisius-vertaling heeft het in deze context enkel in algemene termen over ‘gemeenschap met haar hebben’, ‘hun lusten koelen’, ‘verkrachten’ en ‘een afschuwelijke misdaad’. Of het misbruiken van de vrouw louter slaat op het feit van de groepsverkrachting, of dat er bovendien sprake is van anaal verkeer of nog andere dingen, blijft op die manier onduidelijk.

 

*** Lot en de twee engelen in Sodoma ***

 

Iets gelijkaardigs als de oude gastheer uit Rechters, overkwam ook Lot toen hij in de verdorven stad Sodoma het bezoek kreeg van twee engelen. Ook de inwoners van Sodoma eisen de twee ‘mannen’ op om met hen hun wil te doen en Lot biedt hen zijn twee maagdelijke dochters aan (Genesis 19: 4-8). In Maerlants Rijmbijbel luidt deze passage over de ‘Sodomiten’ als volgt: Tote Lotthe so seiden si dan: / Brinct ons hare voort die man; / later ons mede doen onsen wille. / Loth sprac te hem: Swighet stille / doet minen ghasten niet te leede / ende neemt mine dochtren beede / die maghet sijn ende ombesmet / ende doeter uwen wille met [Rijmbijbel I ed. 1858: 85 (hoofdstuk 41, verzen 1871-1878)].

In het allegorisch-moraliserende prozatraktaat Dat Kaetspel ghemoralizeert (1431) wordt wat de ‘sodomiten’ met de twee ‘mannen’ willen doen, zonde boven natuere genoemd: Inden bibel int bouc van Genesis staet dat Loth ontfync twee gasten in syn huus ende waren twee inghelen inde ghelikenesse van twee mans. Ende als de sodomiten de twee gasten wisten int huus van Loth, waenden dat twee ionghelynghen gheweest hadden ende wildense hebben omme daer mede te doene zonde boven natuere. Ende Loth dat ziende, presenteerde hem lieden zine twee dochteren die maechden waren, omme haren wille daer mede te doene [Dat Kaetspel ed. 1915: 99 (regels 18-25)]. Met ‘zonde boven natuere’ wordt hier dus duidelijk weer mannelijke homoseksualiteit bedoeld.

 

Men zou hieruit kunnen afleiden dat met de term ‘sodomie’ in middeleeuwse teksten steeds mannelijke homoseksualiteit bedoeld wordt. Dat is echter niet zo, want in Het Boek van Sidrac (circa 1320) wordt sodometrie, waarover meegedeeld wordt dat het een ergere zonde is dan moord of diefstal en dat God deze zondaars verschrikkelijk zal pijnigen in de hel, als volgt gedefinieerd: Dat es sodometrie, dat sijn die ghene die liggen met wiven in anderen manieren dan sy souden [Sidrac ed. 1937: 129 (regels 13-15)]. Welke manieren dat dan wel zijn, wordt echter niet uitgelegd. Men kan veronderstellen dat anaal verkeer hier één van de mogelijkheden is, maar wat precies bedoeld wordt, blijft in hoge mate onduidelijk.

 

Hieronder geven wij een systematisch-chronologisch overzicht van tekstpassages die meestal even onduidelijk zijn, maar soms toch wat meer in detail gaan.

 

*** de ‘zonde tegen de natuur’ in andere teksten ***

 

Rijmbijbel I ed. 18581271)

  • 239 (hoofdstuk 114, verzen 5373-5375). Een berijmde historiebijbel. In de bewerking van het bijbelboek Leviticus, de geboden die God de joden gaf: Ooc verbood hi stomme sonden. / Ware die man met mannen vonden / Of met beesten, men sloghene doot. Duidelijk mannelijke homofilie en bestialiteit.

Nieuwe Doctrinael ed. 1915 (XIV)

  • 237-238 (verzen 1167-1189). Een zondenspiegel. De onkuisheid heeft zes ‘graden’: Die vierde graet es aldus bediet: / Peccatum contra naturam. / Om dese sonde es God gram, / Want daer omme versanc Zodoma, / Adama, Gomorra ende Vala, / Die soe groot waren, dat elke stat / Enen coninc hadde diese besat. / Dats als man ende wijf / Andersins deilen haer lijf, / Tsi elc met andren of allene, / Of met beesten sijn ghemene. / Dats dootsonde boven al / Ende der zielen den swaersten val / Ende scamenisse elker creaturen; / Ja, die duvel ende sine naturen / Scamens hem en willens niet sien. / Dits die ene sonde van drien, / Daer God selden ghenaden af doet; / Dander es wanhope, die en was nie goet; / Die derde onghelove of heresye; / Want soude men beteren dese drie, / En weet ic hulpe, troest noch raet, / Ja diere met willen in volstaet. Blijkbaar wordt hier dus onder de tegennatuurlijke zonde onder meer masturbatie, bestialiteit en seks tussen man en vrouw op ongewone wijze verstaan. Dit laatste blijft echter onduidelijk.

Die Spiegel der Sonden I ed. 1900 (XIV)

  • 11-12 (deel II, hoofdstukken 9-10, verzen 839-902). Een berijmde zondenspiegel. In hoofdstukje 9 wordt gesteld dat ‘luxurie’ (onkuisheid) vijf dochters heeft. Over de vijfde dochter het volgende: Die vijfte, onkuussche misdaet, / die teghen der naturen gaet, / dat mans of wijfs te gader driven. Aan deze dochter wordt vervolgens een apart hoofdstukje (10) gewijd, met als titel: Buggernye is eene vule sonde, walgelic vor Gode, vor enghelen ende vor menschen. In de verzen 855-856 wordt deze ‘buggernye’ ook sonde boven der naturen genoemd. God heeft in de bijbel deze zonde drie keer bestraft: zij was ten eerste de oorzaak van de Zondvloed, ten tweede leidde zij tot de vernietiging van vijf steden die gelegen waren waar nu de Dode Zee is, en ten derde werd Cornan (lees: Onan) door God gestraft omdat hij zine onreynicheit in die eerde deed. De zwaarheid van deze zonde bleek toen Lot liever zijn twee dochters opofferde dan deze zonde te laten begaan. De auteur zegt ten slotte dat hij over deze zonde veel beschreven heeft gevonden, maar hij wil het niet meedelen. Des en wert niet meer van my bediet (verder wil ik hierover niets meer zeggen, vers 902). Blijkbaar gaat het in deze passage dus vooral over mannelijke homoseksualiteit, maar gezien vers 849 (dat mans of wijfs te gader driven) betreft het hier ook vrouwelijke homoseksualiteit. Via Onan wordt eveneens coïtus interruptus gesuggereerd.
  • 187 (deel VII, hoofdstuk 19, verzen 14.499-14.502). Er zijn vier zonden die tot God roepen om wraak: de eerste is weduwen en wezen versmaden, de derde is de arbeiders niet geven waar ze recht op hebben, de vierde is manslacht en de tweede is: Die ander quaetheit na der scrifture / is oncuuscheit theghen nature. / Daer af is ghenoech geseit / ter speciën der onsuverheit. Er wordt dus gewoon verwezen naar hoofdstukje 10 uit deel II.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 179 (Winterstuc, hoofdstuk 25, regels 244-247). Een theologisch compendium. Over de dochters van de onkuisheid: Die achte is illicita concupiscencia, dat hiet ongheoorlofde lust, als dat hi niet alleen onmaticheit en soect an sinen trouden wive, mer an overspel, an ioncfrouwen, an ghewyede nonnen, an sonden ieghen der naturen. Dit laatste zonder verdere uitleg, dus onduidelijk.
  • 195 (Winterstuc, hoofdstuk 29, regels 9-12). Over zonden die slechts door een bisschop kunnen worden kwijtgescholden: Voort een man, die mit sijnre nyften (= nichten), of mit eenre nonnen, of teghen der naturen misdede, datmen hiet stomme sonden, om-dat mense niet noemen en moet. Wat met deze zonde bedoeld wordt, blijft onduidelijk.
  • 225-226 (Winterstuc, hoofdstuk 32, regels 524-553). Naar aanleiding van het zesde gebod (geen overspel plegen) dat drie aspecten heeft. Het derde is: Die derde clausel ende verstaen des gebots is: du en selte ghien onnatuerlicheit doen mit dinen lichaem. Ende dat om drierleye wil. Die eerste is, want die sonden iegen der naturen sijn so recht vervaerlic ende onmenschelic, datsi overmits onsprekeliker lelicheit stomme sonden hieten, dat is: datsi ghien naem en hebben. Want sinte Augustijn seit: diese opten meyedach noemde int velt, die en soude des morgens vroe genen douwe op sinen voetstappen vinden, daer hi die sonden iegen der naturen genoemt hadde. Ende om hoorre groter onnatuerlicheit willen, so en wil ghien duvel enige mensche daer of becooren, noch hi en mach daer niet bi wesen, als si gescien. Die ander sake is, want dese sonden iegens der naturen die hele werelt bevelschen (= bevalsen, slecht maken, verontreinigen), si onsuvert die lucht, si ontreynt dat water, si doet die aerde verslimen, si gluyet dat vuer ende verwandelt den mensch boven beesteliker naturen, also dat een mensche diese doet, en is niet waerdich inder aerden te vulen (= verrotten), noch inder galge te drogen. Also seer is hi uut gegaen alre dingen mate, want doe God sach dese sonden vanden mensche gescien, beide hi so lang, dat hi ghien mensch en wort ende haddet volnae aftergelaten, also sinte Augustijn seit. Die derde sake is, want dese sonden sel God alre zwaerlicste wreken geliken alset gesciet is op Zodoma ende Gomorra. Die enghel maectse also blint, datsi die doer niet vinden en conden, ende reghende op hem vijf steden zwavel ende vuer ende lietse versincken in dat afgront vander hellen ende liet op die stede een doot meer werden, daer ghien levende dier, noch barnende kaersse en mach in staen; daer wassen vruchten vol stoves (= stof, as), daermen noch hoort gecrijsch uut der hellen. Dit gesciet noch al gheestelic, diet al wel mocht vertellen. Veel uitleg, maar géén definitie: dus onduidelijk.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 468 (Somerstuc, hoofdstuk 37, regels 181-184). Over het sacrament van het huwelijk. Die derde questi is: in wat manieren dat een man mit sinen ghetrouden wiven mach sondighen? Die eerste is als hi haer misbruyct, dat hi niet natuerliken mit haer te doen en heeft, als die ghemeen wise der werlt is. De tegennatuurlijke zonde blijft hier beperkt tot de coïtus tussen man en vrouw, maar wat we precies moeten verstaan onder ‘die ghemeen wise der werlt’ blijft ook nu onduidelijk. Is alleen de missionarishouding toegelaten, of zijn ook andere vormen (bijvoorbeeld coïtus a tergo) natuurlijk, zo lang men alleen van de vagina gebruik maakt? We mogen vermoeden dat bijvoorbeeld anaal en fellatio in elk geval uitgesloten zijn.

Des coninx summe ed. 1907 (1408)

  • 278-279 (paragraaf 111). Een biechtspiegel. De onkuisheid heeft veertien takken of graden: Dat seste is, dat een man sijns selfs wive ontameliken dinghen doet, dat teghen natuere of teghen goeder ordinanciën van wittachtigen hylic is of die verboden sijn. Een man mach hem selven mit sijns selves zwaerde wel doden; also mach hi met sijns selves wive wel dootsonde doen. Want om deser sonden wil sloech god onse here Onan quader doet, Iacobs neve. Ende om deser sonde verhenghede god een duvel die Ysmodeus hyet, dat hi seven man worchde, die der heyligher ioncfrouwen Sare ghetrouwet waren, die daer na des ionghen Tobias wijf was. Het en is niet behoerlic, datmen die heilighe sacramenten der heiligher kercken oneerliken of onmanyerlic tracteert, wantmense sculdich is in groter reverenciën te hebben. Het gaat hier om seks tussen man en vrouw, maar verder blijft alles onduidelijk, al blijkt coïtus interruptus (zie Onan) wel geviseerd te worden.
  • 280 (paragraaf 114). Dat viertiende ende die leste ende die quaetste ende die onreynste, die lelic te nomen is, dats sonde teghen nature, die die duvel den mensche leert doen in veel manyeren, die niet te nomen en sijn, want die materie daer te dorper ende te onaerdich sijn ende onmenschelic is te horen; mer inder byechten sal ment segghen den luden soet wedervaren is. Want hoe die sonde meerre is, hoe die biecht nutter is; want die grote scaemte die een mensche hevet, die sulke lelike sonden byecht, is een groot deel der penitenciën. Dese sonde voerscreven mishaget gode alte seer, daer om dede hi om deser sonden wille reghenen bernende vier ende stinckende zwavel op die stede Zodoma ende Gomorra, ende lyet vijf steden daer om versinken. Die duvel selve scaemt hem, als hi enen mensche daer toe brenghet, dat hi dese sonde doet, also onreyne is si. Onduidelijk.

De Spieghel der Menscheliker Behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 184-185 (hoofdstuk 31, verzen 274-280). Stichtelijk traktaat. Over de stad Die gheheeten was sodoma, / Die te niet ghinc ende verdranc, / Daer god om der zonden stanc / Van ener telghe van luxuren, / Die de zonde heet ieghen naturen, / Dat mans te gader of wiven / Oncuusheit van luxurien driven. Mannelijke en vrouwelijke homofilie dus.

Blome der doechden ed. 1904 (XVa)

  • 81. Stichtelijk traktaat. Er zijn vier vormen van onkuisheid: Die vierde is alsoe overdragende vuyl ende quaet dat sij niet en is te noemen want sij onnatuerlijck is. Onduidelijk.

Die Spiegel der Sonden II ed. 1901 (1434-36)

  • 45-46 (regels 31-42/1-24). Een zondenspiegel in proza. In het tweede deel, dat over de onkuisheid handelt, treffen we een hoofdstukje aan met de titel: Buggerie is een vuyl sunde ende ongeneem den minschen. Deze zonde was de oorzaak van de Zondvloed, van de ondergang van Sodom en Gomorra en van cornam (lees: Onan). Het feit dat Lot zijn twee dochters opofferde, toont de zwaarheid van deze zonde aan, want overspel of maagden ontzuiveren werd blijkbaar minder erg geacht dan deze zonde. Er is veel over deze zonde geschreven dat de auteur niet wenst openbaar te maken. Ende hierom en wordt niet meer van haer beduydt. In deze prozaversie wordt met ‘buggerie’ dus duidelijk mannelijke homoseksualiteit bedoeld. Vreemd is dat, net als in rijmversie (zie hoger), ook Onan ter sprake komt, want het geval-Onan heeft toch niets met homofilie te maken, maar wel met het verspillen van zaad (voor het zingen de kerk uitgaan, coïtus interruptus).

Dat Cancellierboeck ed. 1932 (XVB)

  • 176. Een biechtspiegel. De onkuisheid heeft naar verluidt zeven ‘ghedaenten’: Die sevende het Contra naturam, dat is teghen natuer. Ende in elke van desen ghedaenten mach mennighe sunde ghevallen; mer het en is niet tamelic voel daer af te scryven, mer in rade of in biechten mach men teghen den ghenen dys noet heeft, daer af spreken. Onduidelijk dus.

Het Geraardsbergse handschrift ed. 1994 (1460-70)

  • 100 (nr. 73, regels 194-198). Een beknopte biechtspiegel. Eén van de vragen die men naar aanleiding van de onkuisheid bij zichzelf moet stellen alvorens te biechten: Of ghi dese sonde ghedaen hebt anders dan natuere gheordineert heeft of contrarie der heerbaerheden behoerende ten huwelike si in de daet of dat daer an cleuen mach van welker saken men bet besoucken mach in biechtene dan claerder of te scriuene. Onduidelijk.
  • 102 (nr. 74, regels 40-49). Een andere beknopte biechtspiegel. Over zonden die een priester niet mag absolveren zonder speciale toestemming: jtem de letleke (lees: leleke) versmaedde ende onnutte sonde die men seit jeghen natuere die es ghereserueert eist dat die ghedaen sijn in hem seluen alleene oft met andere persoene van sier sexen. ofte in andren steden vanden lichame dan natuere gheordeneert heeft of met andren creatueren dan met menschen de welke sonden sijn quader en vreeseliker dan vleesch te etene vp den goeden vrindach daer omme moet men hem daer af biechten neerstelic ende claerlic vp de peyne van verdommenessen. Dit lijkt onder meer te wijzen op masturbatie, homofilie en lesbianisme, anale seks, fellatio en bestialiteit.

Die pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 418 (regels 18-22). Allegorisch-stichtelijk traktaat. Venus legt de onderdelen van Luxuria uit: Weet dat die ierste heetet Raptus, dander Stuprum, de derde Incestus, de vierde Adulterium, de vijfte Fornicatio. Hier omme soe maecht dij wel ghenuegen ende du moghes di wel houden gepayt, want vander sester en es men niet sculdich te seggene, noch het en ware oec niet behoerleec datmer vele af seide. Volgens een voetnoot van de tekstbezorgster wordt hier sodomie mee bedoeld. In elk geval onduidelijk.

Brugman ed. 1948a (circa 1470)

  • 44-45 (preek III, regels 174-185). Een preek. Over de geboortedag van Jezus: Ten lesten heeft oec die helle bekent desen roep. Want si verslant alle die vianden des geboren conincs, die tegen die natuer sundichden, die hi aen-nam. Dese sunderen sijn geheeten sodamiten of molles, die alle in deser nacht over alle die werelt verslagen worden, als Iheronimus seit. Ende dat dede christus, op-dat in die natuer, di hi aen-nam, voert-aen niet alsoe grote onreynicheit ghevonden en souden werden. Van deser stinckender sunden en wil ic niet meer seggen, want ten is niet tamelic te horen. Ja, alsoe myshagelic is god dese sunde, gelijc als Augustinus seit, dat god aensiende die sunden, die tegen der natueren geschien in die menschelike natuer, liet bi-nae achter mensche te werden. Blijkbaar wordt homofilie bedoeld.

Tvoyage van Mher Joos van Ghistele ed. 1998 (XVd)

  • 20 (Boek I, hoofdstuk 4). Een reisverslag. Over de mohammedanen: Vander zonden jeghens natuere en makense gheen weerc, zegghende dat hemlieden dat bij harer wet gheconsenteerd es in een capittele daer staet: ”ende elc zal moghen doen met zijnen goede dat hem ghelieft ende dat ghebruucken naar zijnen wille”, daer af niet vele en behoort gheseyt te zijne. Het gaat blijkbaar over seks tussen man en vrouw, maar het blijft zeer onduidelijk.

Der Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • E4r (hoofdstuk 13). Bewerking van ‘Das Narrenschyff’. Over onkuisheid: Maer dalder mesprijselijcste sotten ende sottinnen sijn die teghen natuere minnen oft dwerc van minnen schaffen diemen sal metten viere straffen. Onduidelijk.

 

*** op zoek naar meer duidelijkheid ***

 

Uit bovenstaand overzicht kunnen we in elk geval concluderen dat onder de ‘zonde tegen de natuur’ onder meer verstaan werden: mannelijke homofilie, lesbianisme, masturbatie, bestialiteit, coïtus interruptus en waarschijnlijk ook anale seks en fellatio/cunnilingus, al worden deze laatste drie dingen nooit met zoveel woorden genoemd of beschreven. Ook de coïtus a tergo (op zijn hondjes) kàn als abnormale seks beschouwd worden, maar wordt nooit duidelijk vermeld.

 

Ook Latijnse bronteksten uit de middeleeuwen nemen vaak een schaamblad voor de mond, als het om het ‘peccatum contra naturam’ gaat. Nemen we als voorbeeld de beruchte Malleus Maleficarum (1487) van Heinrich Kramer, waarin we lezen: Het volgende verdient ten zeerste de aandacht: hoewel de Schrift spreekt over incubussen en succubussen die vrouwen lastig vallen, leest men waar de tegennatuurlijke zonden worden genoemd – niet alleen de sodomie maar ook elke zonde die buiten het daartoe bestemde vat verkeerd wordt bedreven – nergens dat die door incubussen en succubussen worden bedreven. Hierdoor wordt de enormiteit van deze zonden aangetoond, want alle demonen, zonder onderscheid en van alle categorieën,vinden het afschuwelijk om ze te bedrijven, omdat ze ze beschamend vinden. Dit schijnt ook de betekenis te zijn van de glosse bij Ezechiël 16:27: “Ik zal u overleveren in handen van de Filistijnen, dat wil zeggen: demonen, die eveneens blozen om uw pervers gedrag”, waaronder de tegennatuurlijke zonde moet worden verstaan. Wie ogen heeft, moet inzien dat men hier het gezag van de Schrift, wat demonen betreft, moet erkennen. Geen enkele zonde werd immers bij zo velen zo vaak door God gestraft met een smadelijke dood [Malleus Maleficarum ed. 2011: 86 (pars I, quaestio 4), vergelijk ook Malleus Maleficarum ed. 1986: 88-89]. Het gaat hier dus niet enkel over homofilie, maar manifest ook over seks tussen man en vrouw, maar wat Kramer preciés bedoelt, blijft onduidelijk.

 

In Berents 1985 50, lezen we: ‘Het middeleeuwse kerkrecht maakte dan ook een theoretische indeling van de “sodomie” waarbij sprake was van “sodomia perfecta” (anaal-genitaal verkeer tussen mannen), “sodomia imperfecta” (tussen man en vrouw) en “bestialitas” (geslachtsgemeenschap met een dier)’.

 

Volgens Dupond 1996: 20, is de ‘onnoembare zonde’ sodomie, wat in enge zin betekent: mannelijke homoseksualiteit, maar in bredere zin ook elke vorm van seksueel contact die niet tot voortplanting leidt. Volgens noot 6 op p. 164 betreft het vooral anale coïtus tussen homo’s en bestialiteit, maar eveneens masturbatie, fellatio en heteroseksueel anaal contact. Dupond 1996: 27, signaleert dat in de vijftiende en zestiende eeuw de stedelijke autoriteiten in de Nederlanden en Noord-Italië tientallen homo’s tot de brandstapel veroordeelden (noot 25 op p. 164 geeft een bibliografie in dit verband).

 

Bange 1988: 47, noteert in een bijdrage rond voorstellingen over seksualiteit in de late middeleeuwen: ‘De houdingen die men kon aannemen waren eveneens voorwerp van discussie: behalve die waarbij de vrouw op haar rug ligt waren alle houdingen zondig tot zéér zondig. Ten eerste omdat de bevruchting in de eerste houding het beste kon plaatsvinden, en ten tweede omdat men meende dat alle andere houdingen werden gepraktizeerd om meer lustgevoelens op te wekken. Met name het a tergo werd beestachtig genoemd, omdat bij de dieren het mannetje zo zijn wijfje benadert. Anderzijds werd de dierenwereld wel eens als positief voorbeeld aangehaald: dieren paren alleen voor de voortplanting, en zo zou het bij mensen ook moeten zijn’.

 

Het duidelijkste antwoord dat we tot nu toe gevonden hebben op de vraag wat men precies onder de ‘tegennatuurlijke zonde’ dient te verstaan, staat in de Summa Theologiae, het werkelijk monumentale scholastieke compendium dat in 1265-1274 geschreven werd door Thomas van Aquino. Wanneer het gaat over de ‘vitium contra naturam’, schrijft deze geleerde dominicaan:

 

Quod quidem potest pluribus modis contingere. Uno quidem modo, si absque omni concubitu, causa delectationis venereae, pollutio procuretur, quod pertinet ad peccatum immundiatiae, quam quidam mollitiem vocant. Alio modo, si fiat per concubitum ad rem non eiusdem speciei, quod vocatur bestialitas. Tertio modo, si fiat per concubitum ad non debitum sexum, puta masculi ad masculum vel feminae ad feminam, ut apostolus dicit, ad Rom. I, quod dicitur sodomiticum vitium. Quarto, si non servetur naturalis modus concumbendi [sic], aut quantum ad instrumentum non debitum, aut quantum ad alios monstruosos et bestiales concumbendi modos [Secunda pars secundae partis, quaestio 154, articulum 11, bron: www.corpusthomisticum.org/sth3146.html#4].

 

Dit luidt in vertaling (zie voor een Engelse vertaling bijvoorbeeld ook www.sacred-texts.com/chr/aquinas/summa/i):

 

‘Deze zonde kan verschillende vormen hebben. De eerste vorm is wanneer men zichzelf los van de coïtus, louter omwille van het seksuele genot, bevlekt. Dit is van toepassing op de zonde der onreinheid, die sommigen ‘weekheid’ noemen. De tweede vorm is wanneer men de coïtus uitvoert met een andere soort, wat bestialiteit genoemd wordt. De derde vorm is wanneer men de coïtus uitvoert met iemand van het verkeerde geslacht, bijvoorbeeld een man met een man of een vrouw met een vrouw, zoals de apostel (Paulus) zegt in Romeinen I (:27), en dit heet sodomie. Ten vierde is er het niet uitvoeren van de coïtus op de natuurlijke manier, ofwel omdat men gebruik maakt van de verkeerde lichaamsdelen, ofwel omdat men de coïtus uitvoert op andere monsterlijke en beestachtige wijzen.’

 

We hebben dus op een rijtje: masturbatie, bestialiteit, mannelijke en vrouwelijke homofilie en ongepaste seks tussen man en vrouw. Alleen dit laatste laat aan duidelijkheid nog wat te wensen over, maar vlak voor de hierboven geciteerde passage staat een argument (het derde van drie) waarop Thomas vlak na de hierboven geciteerde passage (Thomas’ Summa is erg complex gestructureerd) antwoordt. Het argument luidt: Praeterea, luxuria consistit circa actus ad generationem humanam ordinatos, ut ex supra dictis patet. Sed vitium contra naturam consistit circa actus ex quibus non potest generatio sequi. Ergo vitium contra naturam non est species luxuriae. In vertaling: ‘Bovendien bestaat de onkuisheid uit handelingen die bestemd zijn voor de menselijke voortplanting, zoals uit het bovenstaande blijkt. Maar de zonde tegen de natuur bestaat uit handelingen die niet leiden tot de voortplanting. Dus is de zonde tegen de natuur geen vorm van onkuisheid’. Thomas’ antwoord hierop is: Ad tertium dicendum quod luxuriosus non intendit generationem humanam, sed delectationem veneream, quam potest aliquis experiri sine actibus ex quibus sequitur humana generatio. Et hoc est quod quaeritur in vitio contra naturam. Vertaald: ‘Tegen het derde argument moet ingebracht worden dat de onkuise mens niet de menselijke voortplanting nastreeft, maar het seksuele genot, en dit kan niet anders gebeuren dan via handelingen die tot menselijke voortplanting leiden. En dit genot is precies wat hij zoekt in de zonde tegen de natuur’.

 

Daarmee geeft Thomas van Aquino ons de finale sleutel in handen: als het gaat om seks tussen man en vrouw, dan behoort alles wat niet leidt tot voortplanting tot de tegennatuurlijke zonde. Men kan dus fellatio, cunnilingus, coïtus interruptus en anale seks ook tot deze zonde rekenen, zelfs al worden ze door Thomas niet met zoveel woorden beschreven of vermeld. En tot de ‘monsterlijke en beestachtige wijzen’ waarop men de coïtus uitvoert, zullen hoogstwaarschijnlijk de coïtus a tergo (op zijn hondjes) en vermoedelijk àlle standjes behalve de missionarishouding behoren, zelfs al leiden zij wél tot zwangerschap.

 

Enigszins grappig om te vermelden in verband met dit laatste, is het volgende. In zijn Rijmbijbel van 1271 beschrijft Jacob van Maerlant hoe een zekere Metodius een goddelijk visioen kreeg over het begin van de wereld, meer bepaald over de periode die duurde van Adam tot Noach en de Zondvloed: Hi bescreef dat doe plaghen / die quade man, in haren daghen / te verkeerne der naturen seden / want si boven liggen deden / die wive, ende selve onder laghen. / Hier omme wildse God plaghen / ende hiet Noe maken die erke [Rijmbijbel I ed. 1858: 51-52 (hoofdstuk 25, verzen 1111-1117)]. God zou de mensheid dus met de Zondvloed gestraft hebben, omdat tijdens de coïtus de vrouwen boven lagen. Was en is dat dan zo erg, is men anno 2012 geneigd te vragen. Maerlant hoeft echter niet zo snel van preutsheid beschuldigd te worden, want na bovenstaand betoog begrijpen we beter dat men in de middeleeuwen ook het cowgirl-standje wel degelijk als een vorm van de ‘zonde tegen de natuur’ beschouwde.

 

[explicit 15 juli 2012]