DANS (dansen)

 

Vergelijk over het betekenisveld ‘dansen’ ook De Bruyn 2001a: 311-313 / 431-434.

 

1 Dansen geconnoteerd aan amoureus-erotische vreugde (positief)

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 58 (refrein 28, vers 18). Amoureus rederijkersrefrein. Om een mer met haer te dansen en springen.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 50 (refrein 20, verzen 17-18). Amoureus rederijkersrefrein. Alle ordinancien van eedelheden, / harpen, luten, fluyten, danssen, springhen gebeuren ter ere van de geliefde.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 140 (refrein 38, strofe h, verzen 2-4). Amoureus rederijkersrefrein. Een meisje met een ontrouwe vrijer krijgt raad van een vriendin: Vermaeckt uwen geest met herpen, met luytkens, / Wilt eten en drincken; / Gaet dansen en springen met bommen, met fluytkens.
  • 262 (refein 70, strofe d, verzen 7-9). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Singen, spelen, trompetten schalmeyen, / Reyen, dansen, huppelen en springen, / Dingen van genuechten mij druck bij bringen.

 

2 Dansen geconnoteerd aan religieuze vreugde, hemels vermaak (positief)

[C.G.N. de Vooys, Middelnederlandse legenden en exempelen, Groningen-Den Haag, pp. 311-312: over maagden die met Jezus dansen in de hemel in exempelen.]

 

Orloy der Ewigher Wysheit ed. 1926 (XIV)

  • 188 (regels 18-21). Stichtelijk prozatraktaat. Wijsheid zegt: O hoe salich ware hi, die siin mochte bi deser salegher blittheit ende bi deser blider salicheit, die reyen mochte mitten hemelschen ioncfrouwen, die met mi den rey leiden ende hen mit mi in den hemel salichlike verbliden.

Schmitt 1995 (circa 1480)

  • 100 (met zwartwitafbeelding). Miniatuur uit het Getijdenboek van Charles d’Angoulême (Parijs, circa 1480). Dansende boeren = uitdrukking van vreugde bij de aankondiging van de Geboorte door engelen.

Indestege ed. 1951 (XVd)

  • 74-75 (lied V). Vroed lied met als titel: Een lidgen van den reynderen meechden ende cierheit van haren dansen. Over maagden die in de hemel dansen.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 69 (refrein 18, strofe d, vers 15). Vroed rederijkersrefrein. De maegdekens zelen dansen aen Jesus dans.

Crul ed. 1954 (XVIA)

  • 64 (verzen 274-276). Vroed abc-dicht. Yoecht, zingt, danst en maket in roeren; / Looft hem met psalmen, herpen en snaren. / Speelt op chimbalen, pijpen, tamboeren. Hetzelfde in De Bruyne I ed. 1979: 186 (nr. 41, strofe 22, verzen 1-3).

 

3 Dansen geconnoteerd aan losbandig-zondig vermaak en het zich overgeven aan de aardse ijdelheden of aan ketterij (negatief)

[Marijnissen/Ruyffelaere 1987: 59 (noot 121). Dansen werd in de late Middeleeuwen gezien als een duivels bedrijf. Met verwijzingen naar primaire literatuur.]

[Herman Pleij, Nederlandse literatuur van de late middeleeuwen, Utrecht, 1990, p. 42: ‘Over de defunctionalisering van bij voorbeeld het dansen klaagt Sebastian Brant in zijn Narrenschiff (1494), ruim verspreid in het Nederlands in edities van 1500, 1504 en later. Dansen is altijd al een riskante onderneming geweest, die de mens van God dreef en tot vleselijke begeerten bracht: denk aan het volk van Israël, dat om het gouden kalf danste. En nu is die kwalijke houding weer helemaal teruggekeerd. Onkuise gedachten, woorden en betastingen komen daardoor als vanzelf op. Dat geldt ook voor een hele rij hoofd- en bijzonden, van hoogmoed via jaloezie naar agressie’.]

[Herman Pleij, Dromen van Cocagne, Amsterdam, 1997, p. 230. ‘Dans en muziek op aarde waren verdacht. Ze behoorden naar algemene overtuiging tot de favoriete instrumenten van de duivel om de mens tot ledigheid te verleiden, vooral op momenten dat deze zich aan godsdienstige plichten zou moeten overgeven. (…) In het bijzonder dansen zou de moeder zijn van vele andere zonden. Literatuur en beeldende kunst grepen vooral de dans van de joden rond het gouden kalf aan om hun waarschuwingen kracht bij te zetten. Minstens zo aantrekkelijk bleek de uitbeelding van het wereldse leven van Maria Magdalena, dat steevast gedomineerd werd door muzikanten en trommelslagers, met veel dans op de achtergrond. Maar ook de behandeling van de hoofdzonden in het algemeen bracht bijna vanzelf muziek en dans in beeld, door Jeroen Bosch opgehangen aan duivelachtige figuren.’]

 

Boec van Gods Wraken ed. 1869 (1346-51)

  • 394-395 (boek II, hoofdstuk 13, verzen 1088-1109). Stichtelijk rijmtraktaat. De term ‘dansen’ is afgeleid van het geslacht van Dan: zij dansten om een afgod. Uit dit geslacht zal de Antichrist voortkomen.

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 20-23 (II Oncuuschede, hoofdstukken 25-28, verzen 1493-1744). Stichtelijk rijmtraktaat. Dansen is grote zonde. Verwijzingen naar de dans om het gouden kalf en naar de onthoofding van Johannes de Doper. Dansen leidt tot vele zonden, door de mooie vrouwen die eraan meedoen. Door dansen vangt de duivel de mens (via zien, tasten en spreken).

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 193 (Winterstuc, hoofdstuk 28, regels 42-43). Theologisch compendium. In een opsomming van de ‘sonden des wercks’: ghewoente in sonden, dansen, spelen, wildicheit te dryven.
  • 235 (Winterstuc, hoofdstuk 32, regels 767-768). Zonden tegen het 9de gebod, tweede clausel: geen goederen op kwade wijze verkwisten. Onder meer: Of die in wijn baden of op laken dansen.

Achte personen wenschen ed. 1992 (circa 1405-08)

  • 29 (verzen 117-120). Wensdicht. De wens van de monnik onder meer: Baden ende stoven / Altoes en banckenteren, / Springhen, dansen, hoven, / dobbelen, goet verteren.

Spiegel der Sonden II ed. 1901 (1434-36)

  • 59 (regel 28) – 61 (regel 21). Stichtelijk prozatraktaat. In het gedeelte dat handelt over ‘oncuuschede’: drie hoofdstukjes die het dansen in een pejoratief daglicht plaatsen, met als titels ‘Dansen is grote sunde’, ‘Dansen is vreeslic om der groter sunden die daer wt comen’ en ‘Dansende vanget die duvel den minschen bi drie reden’.

Boeck vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (XV)

  • 136 (regels 11-14). Stichtelijk prozatraktaat. Die derde sonderlinghe pine des lichaems is, wanttet in deser tyt ydelheit ghemynt heuet, mit ydelen singhen, mit dansen, of mit springhen, ende mit menyghen andere ydelheden.
  • 170 (regels 4-7). Over de bestraffing van ‘gula’ in de hel: Hoer danse, hoer springhen, hoer ander ydelheit wert verwandelt in een iammerlic misbaren ende hantslach mit handen ende mit voeten ende mit allen leden.
  • 171 (regels 8-24) – 173 (regels 1-18). Talrijke zonden komen voort uit het dansen. Vaak worden alle geboden van God gebroken tijdens het dansen. Enkele exempelen die aantonen dat dansen zeer zondig is.
  • 175 (regels 14-18). In dat boeck vander ewigher wysheit staet oec ghescreuen dat die coene houaerdighe vrouwen, die gaerne dansen, die ropen inder hellen ende screyen ende gheuen iammerlyc gheluyt.
  • 181 (regels 15-20). De bestraffing van ‘luxuria’ in de hel: Of die oec enich idel ghelaet in dansen, singhen of in enighe ander dinghe oncuysche wise of venynde minlicheit voer den menschen ghedaen hebben om hem te behaghen ende tot oncuysche begheerte te trecken. Dese syn oec in dese gruwelike pine.
  • 195 (regels 1-3). De straf van de overtreders van het derde gebod in de hel: onder meer zij die mit dansen ende mit ydelen spelen ende mit ydelen woerden ende mit ydelen sanghe die heilighe tijt toe ghebrocht hebben. Dansen op heilige dagen is zonde.

Cancellierboeck ed. 1932 (XV)

  • 166. Stichtelijk prozatraktaat. Naar aanleiding van de overtredingen van het derde gebod: of die reyden of danssen of dobbelen ende mennighe ander onnutte dinghen dryven ende hantieren. Het waer mynre sunde lant te eren des sondaechs dan danssen. Augustinus: melius est arare in diebus festinis quam coricare. Want danssen kan men selden onschuldighen van doetsunden.

Geraardsbergse handschrift ed. 1994 (1460-70).

  • 100 (nr. 73, regels 203-205). Een biechtspiegel. Over onkuisheid: Of ghi hebt ghewilt datmen v begheerde om v schoenheit contenenatie vt nemende cleedinghe blancketten dansene of reyene of lonckelec aensiene.

Brugman ed. 1948a (vóór 1473)

  • 104 (preek 8, regels 411-417). Prekenbundel. Tussen Pasen en Pinksteren gebeuren veel zonden: Want dan soe geschiet veel bloetstortinge ende oec dicwilen soe comen daer sterften na ende oec meniger-hande sunden, als dronckenscap, gulsicheit, toernicheit, haet ende nijt, dansen ende menich sundich werck, daer hem die arme sundige mensche van schamten af moghen onthouden, souden si haer niet schinen te scamen dat openbaer quaet.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 299 (verzen 89-96). Het vroede vanitasgedicht ‘Vander mollen feeste’: Dese meyskens zijn oock alle ghedaecht / Die te vastenauonde pijpers hueren / Eest dienstbode, voestre oft maecht / Die haer voeten te dansene rueren / Dese moeten wech in corter uren / Hoe ionck sy sijn, hoe blijde van gheeste / Dit danssen, dit reyen mach hier niet dueren / Ghy moet ghaen danssen ter mollen feeste.

Drie Blinde Danssen ed. 1955 (1482)

  • 9-10. Moraliserend traktaat. Danssen ende solaes / Maken menighen dwaes / Ende gheuen hem aes / Om quaetheyt te voeden / O griete ende claes / Roept ymmer nv eylaes / Dat ghi mit eender blaes / V laet soe vermoeden / Gheleect ghi den vroeden / V hertte werde swaer / Ghi moet onverhoeden / Danssen en weet niet waer / (…) Jonghers keert v ghelaet / Vandes danssers scare / Wt luttel iuechden saet / Spruyt een pine sware.

 

Indestege ed. 1951 (XVd)

  • 58 (gedicht XVI, verzen 9-10). Wat maagden niet mogen doen: Ende sunderlinghe boven alle dinghen / Soelen sy laten dansen ende springhen.

Tanzende Tod ed. 1983 (circa 1500)

  • 66-67. Een citaat van de volksprediker Johann Geiler von Kaysersberg (1445-1510, een tijdgenoot van Bosch dus) over dansen: Es werden vil gefunden, die tanzen also bübischer weis mit Werken und Geberden, dass nicht genugsam von ihrer Üppigkeit zu sagen ist. Man treibt zu unsern Zeiten solche unziemliche Üppigkeit unter dem Tanzen, das vor nie ersehen noch erhört ist worden. Desgleichen bringt man soviel Tänze auf die Bahn, die vor nie in Brauch sein gewesen, dass sich nicht genug darob zu verwundern ist. Als da ist: der Schäfertanz, der Bauerntanz, der welsch Tanz, der Edelleute-Tanz, der Studententanz, Kesslertanz, Bettlertanz und in Summe, wenn ich sie alle wollte erzählen, hätt ich wohl eine ganze Woche genug zu schaffen. Darnach findt man Klötz, die tanzen also säuisch und unflätig, dass sie die Weiber und Jongfrauen dermassen herumschwenken und in die Höhe werfen, dass man ihnen hinten und vornen hinaufsiehet bis in die Weich… und haben es bisweilen die Jungfrauen (so anders solche noch Jongfrauen zu nennen sein) fast gern, wenn man sie also schwenket, dass man ihnen ich weiss nicht wohin sieht. Pfui! der grossen Schand und Unzucht, dass du dies Ort muthwilligerweis entblössest, das doch Gott und die Natur will verborgen haben. O Schand über Schand! wie gar bist du in die Welt geschloffen in Junge und Alte! Fürwahr, wo die Welt sich nicht bessern wird und dem üppigen Leben abstehen, so wird es gewisslich Gott der Herr strafen, wie er denen zu Sodom und Gomorra gethan, die er allein um ihr üppigkeit und Unkeuschheit halber mit Schwafel und Pech gestraft hat [er zijn er velen, die op zo’n schandalige wijze dansen, dat men woorden te kort komt om hun losbandigheid te beschrijven. De ongepaste losbandigheid die tegenwoordig tijdens het dansen bedreven wordt, heeft men vroeger nooit gezien of gehoord. Bovendien voert men op de dansvloer zoveel vroeger onbekende dansen uit, dat men zich er niet genoeg over kan verwonderen. Zo heeft men: de schaapherdersdans, de boerendans, de romaanse dans, de edelliedendans, de studentendans, ketellappersdans, bedelaarsdans, kortom, als ik ze allemaal wilde opsommen, dan had ik wel een hele week werk. Verder vindt men dwazen, die zo beestachtig en obsceen te keer gaan bij het dansen, dat ze de vrouwen en jonkvrouwen zodanig rondzwieren en in de hoogte gooien, dat men van voor en van achter hen tot aan de liezen onder de rokken kan kijken… en soms hebben de jonkvrouwen (als men dat nog jonkvrouwen kan noemen) het ook zeer graag, dat men hun ik weet niet wat ziet, als men hen zo rondzwaait. Bah! Wat een grote schande en onkuisheid, dat je deze plaats moedwillig ontbloot, die God en de natuur toch verborgen willen hebben. O schande boven schande! Met welk plezier heb je jong en oud in de wereld aangetast! Voorwaar, als de wereld zich niet gaat beteren en het losbandig leven niet gaat opgeven, dan zal God de Heer het zeker bestraffen, zoals hij met die van Sodom en Gomorra gedaan heeft, die hij louter omwille van hun losbandigheid en onkuisheid met zwavel en pek gestraft heeft.]

Uure vander Doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 98 (verzen 639-641). Rederijkerslyriek. De zondige ik tot de tijd, vlak voor zijn dood: Om v tijt te cortten / ick spranck / ick dranck ick scanck / ick clanck / ick dichte / ick sanck Eylacen nv beghin / ick v duecht te wetene.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 231 (refrein 115, verzen 9-10). Vroed rederijkersrefrein. Over de bedrieglijke aardse ijdelheden: Dansen, houeren, caetsen, schiete, scaken / in tytlyken vruechden my seluen regerende.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 248 (refrein 254, verzen 31-36). Vroed rederijkersrefrein. Voort ouerdenct wel uwen last / Die siele crenct, v sonde wast / een ijeghelick tast, mit hopen groot / Men danst, men sprinct, men hooft, men brast / Men drinct, men sinct, met vruechden vast / niement en past, op duere der doot.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 49 (boek I, refrein 14, strofe k, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Maer die mede aenhouwen den nieuwen dans.
  • 75 (boek I, refrein 19, strofe g, vers 14). Vroed rederijkersrefrein. En hout hant me ane aender ketters dans.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 151 (refrein 81, verzen 31-36). Vroed rederijkersrefrein. Voort ouerdinct wel uwen last; / Die siele crinct, v sonde wast, / Een yegelijck tast met hoopen groot, / Men danst, men springt, men hoeft, men brast, / Men clinct, men singt met vruechden vast, / Niemant en past op dhuere der doot.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 42 (refrein 11, strofe d, verzen 7-10). Vroed rederijkersrefrein. Al mochtmen banckenteeren, hoveeren, singen, / Dansen en springen, / Tsijn ijdel dingen; / Want alst voorbij es, moet herte onsachtich wesen. Hetzelfde in De Bruyne II ed. 1880: 160 (nr. 78, strofe 4, verzen 7-10).
  • 188 (refrein 50, strofe c, verzen 11-13). Vroed rederijkersrefrein. Over haer tafel spelen herpen en luten, / Accoordt van fluten, daer andere op singen. / Sij dansen, sij springen. Hetzelfde in De Bruyne I ed. 1879: 38 (nr. 10, strofe b, verzen 11-13).
  • 267 (refrein 71, strofe f, verzen 7-8). Vroed rederijkersrefrein. Tes u Godt, die leerdt profijtelijcke dingen / Versmaden ijdelheyt, dansen en springen.
  • 288 (refrein 79, strofe a, verzen 15-18). Vroed rederijkersrefrein. Ic sangck, ic sprangck, ic verkeerde, ic speelde; / Twaer quaedt dat ickt heelde, alst mij compt te vooren, / Noeyt eerdtsche ghenuechte mij en verveelde. / Och God, hoe heb ic mijnen tijt verloren!

Antekerst ed. 1984 (1539)

  • E4r. Volksboek. Het derde van de tekenen die voorafgaan aan het Laatste Oordeel zal zijn dat alle zeewezens zullen beginnen te jammeren: Dit sal God laten geschien tot eenen teeken der menscen die geleeft hebben int water der genoechten ende in begeren hairs vleesch ende de hem verblijt hebben meer in dansen in pipen ende in singen dan in die geboden Jesu Christi.
  • H1r. Bij het Laatste Oordeel: Ten .v. sal god tonen die nagelen sijnder voeten den dansers ende danseressen der werelt.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 113 (Boek II, refrein 5, strofe a, verzen 11-14). Vroed rederijkersrefrein. Over personen die de lutheranen volgen: Schaemt ghij u niet, dat ghij met ketters aenspant / Sonder persecutie oft travaelgen, / En dat ghij om dansen houdt ane de hant / Met soo vuylder rapaelgen?
  • 121 (Boek II, refrein 7, strofe b, verzen 12-14). Vroed rederijkersrefrein tegen de lutheranen: Mueghen sij dus in hemelrijck varen, / Met bommen, met fluyten, met dansen, met springhen, / Soo radick hen, dat sij gheen schoenen en sparen.
  • 124 (Boek II, refrein 7, strofe h, verzen 5-7). Vroed rederijkersrefrein. Wat de lutheranen denken over personen die hen niet willen navolgen: Die hen niet en preken naer de nieuwen snof / oft niet en willen dansen naer Luthers pijpen, / Dat zijn al boeven.
  • 158 (Boek II, refrein 17, strofe c, verzen 7-8). Vroed rederijkersrefrein. Over de navolgers van Luther: Muncken, die haer cappen opte tinen passen, / Dese sietmen aen Luters dans oock stijf houwen.
  • 169 (Boek II, refrein 20, strofe a, verzen 3-4). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Ghij, diet al doen dansen naer u pijpen wilt / En u selven niet en cunt gheregeeren.
  • 190 (Boek II, refrein 24, strofe x, vers 11). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Sij dansen so hen wert ghepepen.

Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • R1r (hoofdstuk 58). Moraliserend traktaat. Gelijc veel dansers meer dencken om dansen en om haer vleesschelike begeerte met dansen te volbrengen dan om haren god. Ten is van gheenen noode datmen verhale hoe vele sonden dicwijl in eenen dans gescien want elc wel weet dat menich oncuysch peynsen / aentasten ende spreken daer geschiet / menighe nijdicheyt ende gramschap volbrocht is menicg ouermoet ende houaerdie / menige giericheyt van hem lieden die met smeecken ende wel dansen meynen veel goets te ghevrijghen bi eenige dochter oft vrouwe diese andersins niet en beminnen. Menige gulsicheyt begonst is om daer na te dansen gelijc in houeringen ende bancketten Menighe traecheyt gheschiet na dansen als die tsanderdaechs totter noenen slapen ende den dienst gods oft van haren meesters verletten. Menich man bedoruen wert dye hem bouen sinen staet cleet om behaeclijc te dansen / menige dochter ende dienstvrouwe ontsteelt dat si den speelman ende die tsanderdaechs haer werc doen geuen ende int corte alle sonden geschien dicwijl in dansen.

Bonte Kapkens ed. 1977 (na 1539, vóór 1600)

  • 20 (verzen 9-11). Rederijkersspel. Onderdeel van een opsomming van dwaze gedragingen: Onder Venus Jonckers, die brassen en slomen / Ende by nachte comen danssen en reyen / Voor haers liefs venster, daer sy vreught verbreyen.

Sorgheloos ed. 1977 (1541)

  • 118 (verzen 52-55). Rijmprent. Al sou ick een penninck in mijn boerse niet houwen, / want ramp in die boerse volcht tgheluck van vrouwen. / Dus laet ons danschen, hoveren, genuecht hanteren, / al sout gheluck in ongheluck hem noch verkeren.

sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 123 (verzen 220-223). Rederijkersspel. Het sinneke Gewoonte zegt: Smenschen sin can emmers nu vierich haecken / Naer schone saecken, van verganckelicke dingen, / Want de liefde van dien dûet hem singen / En vrolick springen, vaet mijn ontfouwen.

Joncheyt ende Redene ed. 1920 (XVIA)

  • 480 (verzen 105-111). Rederijkersspel.Zinnelicke Ghenouchte verleidt Joncheyt tot een reeks profane dansen (= de aardse ijdelheden) met haar instrument sWeerels Vruecht: Joncheyt jc hebbe hier een jnstrument / Jn wyens ghebruuc, aerdich ende jent / Meestdeel elckerlycken verhuecht. / Want et es gheheeten sWeerels Vruecht. / Ghy sult hu verblyden jnt gheluut. / Dus om wel te danssene, doet rasschelic vut / Kennesse, hu keerle, zyt swaerheyts zwichtere.

Cat. Utrecht 1988 (XVIA)

  • 69. Gravure van Lucas van Leyden (XVIA), met als onderwerp Maria Magdalena. Op de voorgrond danst zij met een rijke man = een beeld van haar zondig leven.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 191 (fol. 262r, vers 4). Rederijkerslyriek. Waarschuwing tegen slecht gezelschap en oneerbare vrouwen: met gheen danseresse gheerne stelt den voet.

Fielen Vocabulaer ed. 1914 (1563)

  • 60. Volksboek. In opsomming van afkeurenswaardige handelingen: Huysen daer men dagelijcx danst ende sprinct ende dickwils groote feeste houdt, ende niet gewoon en zijn veel profijts te doen.
  • 65. Idem: Die haer wijven veel leyden tot kermissen, dansen, spelen, want dan maectmen veel kennissen, ende verlieven somtijts op een ander ende verteeren dicwils daerom qualijck haer goet.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 252 (Boek III, refrein 9, strofe d, verzen 2-4). Vroed rederijkersrefrein. Volcxen, die Venus legende studeren, / Aen eertsche ghenuchte leggende haer sinnekens, / Dansen en springhen en triumpheren.
  • 401 (Boek III, refrein 53, strofe b, verzen 3-4). Vroed rederijkersrefrein. Het ‘vlees’ wil hoveren, boeleren, dansen en springen, / Ijdelheyt hantieren.

Avont, Nacht ende Morgenstont ed. 1992 (XVIB)

  • 41r (verzen 555-556). Rederijkersspel. Een neefke over de aardse ijdelheden: Van Danssen, van cansen, van spelen van singen / en sulcke Eertsche dingen, in huijsen in saelen.

Verlaten Kennisse ed. 1992 (XVIB)

  • 107r (vers 501). Rederijkersspel. Een sinneke over een slachtoffer: Maer anden dans van sonden heb ick hem selffs doen comen.

Rijcke Wrecke ende Lazarus ed. 1993 (XVIB)

  • 44v (verzen 666-669). Rederijkersspel. Rijckeman zegt: Doet dan den taeffel wech op dat wij verheven / dansen en springen gelijck doen de dwaesen / want de werreltsche menschen altijt tieren en raesen / en bijsonder den rijcken die meest sitten in weelden.

Becooringe des duvels ed. 1996 (XVIB)

  • 48v (verzen 1142-1144). Rederijkersspel. Het neefken Ewige Haet geeft het publiek slechte raad: Laet u Dienen met costelijcke Juweelen / met Leckkere mordeelen wilt Dansen en spelen / met Luijten met veelen, met harpen en santorijen.

 

4a Dansen geconnoteerd aan losbandig-zondig vermaak met verwijzing naar de dans om het Gouden Kalf

 

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 20 (II Oncuuschede, hoofdstuk 25, verzen 1516-1530). Stichtelijk rijmtraktaat. Eene ander orconde so steet, / Dat dansen grote sonde zi, / Geproeft by Moyses, want doe hi / Van Gode die tafele hadde ontfaen / Ende vanden berghe quam gegaen, / Sach hi omtrent een calf een dans geschoren, / War af hi hadde so groten toren / Dat hi die tafele ontwe smeet. / Daerna nam hi wel gereet / Van den kinderen van Levi, / Lieden drie dusentich versloech hi / Doot in die verstormtheit. / Een ander lesse die seit: / Moyses versloech er XXIII dusant / Die hi omtrent dat calf dansende vant.

Scaecspel ed. 1912 (1403)

  • 101 (regels 13-33) – 102 (regels 1-10). Stichtelijk-moraliserend prozatraktaat. Wt allen dezen so moghen wy wel merken, dattie ghene die Gods acker versmaden ende horen arbeit mit dansen ende mit ydel florie overbrengen ende Gods zaer in hoorre zielen nijt en saeyen, dattie van Gode zeer zijn versceyden, gheliken als wy inder bybelen lezen, als dat doe Moyses opten berch van Synay, daer hi by Gode XL dage was omme die ghebode tontfaen, daer die kijnder van Israkel een gulden calf maecten, daer si om dansten ende horen arbeit, die si Gode sculdich waren, also in ydelheit verwandelden. Doe Moyses van boven neder quam ende hi dit sach ende vernam, warp hi die stenen tafelen beyde ontwee, daer Gods gebode in stonden in een teyken dat mit zulken danzen alle die tien gheboden Gods worden ghebroken. Gheliken als een yghelic minsche die totten gronde zijn herten wil gaen in hem selven wel smaken mach. OM welke dansen ten eersten God also wert vertoornt, dat hi alle die kijnder van Israel soude hebben verdorven, en had Moyses bede ghedaen. Laet ons dan wel voor ons sien, dat wy den arbeit, die wy in Gots ackers of wijngaert sculdich zijn te doen, dat wy dien arbeit in dansen ende in ander ydel ghenuecht nijt en verkeren, op dat ons Got dat vreeslike woort, dat hi den kijnderen van Israhel toe sprac, nijt toe en spreeck: Reservabo michi hoc peccatum usque in diem furoris mei. Dat te seggen is: ‘Ic, God, sal my die zonde houden ten daghe mijnre gramscap’. Om welke zunde die ewige wijsheit Cristus die Gods zoon, opten goeden vridage nachte naect moste dnsen om die stenen calummen, daer hi also gheghezelt wort, dat vander sceydel zijns hoofts totten plante zijnre voeten nijt heels en wort gevonden, op dat hi ons ende die kijnderen van Israhel mit zinen vader mochte versoenen ende verenigen. Nu want wy dit wel weten of ten minsten sculdich zijn te weten, laet ons dan wel voorsien, als wy indes Gods zoens lachter aldus gaen dansen, hoe wy dat teghen hem ende zinen vader wel zullen beteren.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 74 (Winterstuc, hoofstuk 16, regels 77-84). Theologisch compendium. Over het 4de tijdperk van de wereld: Die vierde ouderdoem began van Moyses tiden ende duerde totten coninc David toe. In welker tijt regnierde die dootsonde Gula, dat is gulsicheit. Want doe Moyses, die propheet, leide dat volc van Israhel inder hant Gods mit teykenen uut Egypten inder woestinen, ende want si ledich daer in rustende waren, so laghen si op hoor eten en brassen mit gulsicheit ende stonden op, darten ende droncken, ende dansten om een gulden calf, dat niet en at noch en dranc.

Noordnederlandse historiebijbel ed. 1998 (1458)

  • 343 (Exodus 32). In verband met het Gouden Kalf: Doe ghinc dat geslacht van Levy ende dede als hem Moyses beval. Ende daer worter doot geslegen 33.000 die beteykent waren mit dat gout van dat calf. Ende die waren meest al van Dans geslacht. Daerom heeft noch dat springen den naem van Dan, een van Jacobs kinderen. De term ‘dansen’ zou dus afgeleid zijn van de naam ‘Dan’.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 102 (refrein 183, vers 9). Vroed rederijkersrefrein, tijdsklacht: tgulden calf wordt dagelics gheeert noch.
  • 106 (refrein 184, vers 35). Vroed rederijkersrefrein, tijdsklacht: sulc danst voer tgulden calf openbaerlic bloot.

 

4b De ‘calverdanssers’

 

Ramakers 1996 (1524-15)

  • 324-325 / 330. Over de processies in Oudenaarde: ‘De enige omgaande figuren waren die van de verering van het gouden stierbeeld (tgulden calf daermen danst) – die wel op een stellage begon.’ / ‘De verering van het gouden stierebeeld (Ex. 32) was bijzonder geliefd als omgaande figuur in processies. Het was de uitvoerenden en de toeschouwers bij deze figuur vermoedelijk vooral om het dansen en muziek maken te doen.’

Van Autenboer 1963 (1549)

  • 123. Over de Ommegang van O.L. Vrouw (eerste zondag na Maria Hemelvaart) te Turnhout: ‘In 1549 worden het gulden calff en de calverdanssers, die met bellen waren omhangen, vermeld’.

Verellen 1952 (1560-61)

  • 59. Uit de kerkrekeningen van Herentals van 1560-61, in verband met de plaatselijke ommegang: Item betaelt die huysvrouwe van Matheus Bossche van een roecxken totten calfferdanssers xij st.

 

5 Dansen met de duivel of in de hel

[Haslinghuis 1912: 145. Vooral in het Duitse middeleeuwse toneel: duivels die reidansen uitvoeren, meestal bedoeld als eerbetoon aan Lucifer.]

 

Nieuwe doctrinael ed. 1915 (XIV)

  • 239 (verzen 1239-1240). Stichtelijk rijmtraktaat. Dus gater vele aen sduvels dans / Om die vule onreyne luxure.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 128 (fol. 225r, verzen 15-18). Vroed rederijkersrefrein. Ghy wederspannich onghelooueghe schuut dit dangier / eer dat ghy danst desen verdomlicken dans / maer neimt huwen toevlucht vrauwen ende Mans / tot dien heleghen ghecruusten god ende verResen.

 

6 Dansen in erotische context (profaan)

 

Minnen Loep II ed. 1846 (1411-12)

  • 19 (Boek III, verzen 507-508). Ars amandi. Hippolytus wijst zijn seksueel opdringerige stiefmoeder af: Want hi om alle die werlt gans / Niet en woude an sulken dans.
  • 36 (Boek III, verzen 973-976). Verwijzing naar epilepsie (ook de ‘dansziekte’ genoemd): Die yammer siecte ende quale, / Die daer off bleef, die sietmen wale / Alle jaer in sinte Jans feeste. / Die plaghe donct my sijn die meeste. Deze ‘dansziekte’ werd gezien als een gevolg van de incestueuze relatie tussen Herodes en Herodias. Vergelijk Minnen Loep ed. 1983: 51.
  • 69-70 (Boek IV, verzen 575-579). Vóór een vrouw huwt, moet zij de situatie van haar aanstaande onderzoeken: Also hier voer ghesceven staet / Int eerste boeck, daermen verslaet, / Hoe men naerstelic sal versoucken / Des mans ghestant in allen hoecken, / Eermen anden dans sal gaen.

Mariken van Nieumegen ed. 1980 (circa 1516)

  • 42 (verzen 92-93). Mirakelspel. De tante verwijtend tot Mariken: Gi hebt menigen rei gereid, / Daar die pijper geen vijf grote en wan. Met andere woorden: Mariken wordt ervan beschuldigd vaak ‘stille bruiloft’ te hebben gehouden = in het geheim seks hebben.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 193 (refrein 231, verzen 35-38). In het rederijkersrefrein op de stok ‘Ke liefken dat en had ic v niet toe betrout’ herinnert een vrijer zijn ontrouwe geliefde aan vroeger minnegenot: Ick leerde v reijen alderschoonste scone / den oeijeuaers dans ende die scuijten lappen / Ick leerde v oeck spelen op maten / den tumelaer ende oeck den hoender draff.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 23 (refrein 8, vers 24). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Een ongelukkige minnaar klaagt over zijn ontrouwe geliefde: aenden amoreusen dans liet sijt licht gehingen.
  • 116 (refrein 62, vers 7). Amoureus rederijkersrefrein. Over jongelingen die door de liefde bedwongen zijn: so moeten si danssen so hem ghepepen is.

Stout ende Onbescaemt ed. 1920 (1530)

  • 175 (vers 222). Rederijkersspel. Een koster stelt aan een boerin voor om eerst te paren, en dan pas te eten: Hadden wy ghereyt een Venus rondekin.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 177 (vers 665). Rederijkersspel. Twee sinnekes tot elkaar over Eneas en Dido: Wij sullense tsaemen aenden dans bringen. Bedoeld wordt: verliefd op elkaar laten worden (met rampzalige gevolgen).

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 180 (fol. 255v, verzen 27-29). Zot rederijkersrefrein, satire op pantoffelhelden. Een hond zegt tegen een aap (= pantoffelheld): ghy moet noch tavendt worpen een Cansken / ende met wat nypens Ryen een dansken / al tumelende maecken toer et demy. De aap is echter bang voor zijn vrouw en weigert.
  • 199 (fol. 266r, verzen 29-30). Liedje. En ma playsance / was ick ten dansse.

Catechismus der minne ed. 1989 (1564)

  • 23 (verzen 148-149). Ars amandi. De jonkvrouw stelt de ridder een vraag in verband met de liefde: Ic neme: twee minnaers sijn aen eenen dans / Met een Joncvrouwe, jonstelijck, onghesneeft.

De Bruyne ed. 1925 (1579-83)

  • 15 (refrein 4, strofe II, verzen 3-4). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Een man huwt een jong meisje, ten onrechte denkende dat zij nog maagd is: Ic meynde een maecht te trouwen, maer sy heeft gereyt / Metter sacpijpe, int doncker, den kinderen dans. Zijn ‘maagdelijke’ bruid blijkt dus zwanger te zijn…

 

7 Dansen = samen met anderen iets moeten doen (in bono)

 

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 178 (Boek II, refrein 33, strofe a, verzen 9-10). Vroed rederijkersrefrein. Klacht van Anna Bijns dat ze het allemaal niet alleen kan, strijden tegen de lutheranen: Al mach ick mijn beste vast doen, nochtans kint, / Ick en can alleene ghemaken gheenen dans twint.

Blinde die tgelt begroef ed. 1934 (XVIB)

  • 66 (verzen 25-27). Rederijkersklucht. Cnape dreigt Blinde Man achter te laten: Neen, laet u smijten staen, / Off ghij sult seecker dansen alleenne. / Ick sou gaen springen. ‘Samen dansen’ is hier dus positief te duiden.

 

8 Dansen = samen met anderen iets moeten doen (in malo)

 

Boec van Gods Wraken ed. 1869 (1346-51)

  • 313 (Boek I, hoofdstuk 9, verzen 758-759). Stichtelijk rijmtraktaat. Vroeger onderdrukten de edelen de horigen, onder meer de Vrouwe de boerin: Ja waest kieken ofte gans / Dat moeste aen mire vrouwen dans.

Drie Blinde Danssen ed. 1955 (1482)

  • 8-9. Moraliserend traktaat. De verklaring van de allegorische dansen in deze tekst: het zijn drie ‘generale danssen’ die iedereen moet dansen. Nadat gezegd is dat het altijd beter is van niét te dansen: dansen is een te vermijden activiteit. De drie dansen = die van Cupido/Venus, van het Lot (Fortune of Aventuere) en van de Dood. Deze figuren leiden (geblinddoekt) hun dans: de mensen dansen verblind-verdwaasd mee.

Stove ed. 1944 (XVIa)

  • 170 (vers 591). Strofisch rederijkersgedicht. Naar aanleiding van de vrouwenlisten: de bedrogen mannen na der vrouwen wille moeten aen haren dans.

Onghelycke Munte ed. 1920 (1530)

  • 249 (vers 174). Rederijkersspel. Den Scaemelen Aerbeyder zegt tot Menichte van Volcke: Jc moet nv danssen alzoo ghy zeerpich pypt.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 251 (nr. 213, strofe 11). Lied. Maer diet eerst heeft ghesongen / Dat wasser een Lantsknecht goet, / Hi heeft daer aenden dans geweest, / Met ons Keyser dat edel bloet. Dans = oorlog, strijd.

Groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 28r (vers 785). Rederijkersspel. De Dood zegt: hier deesen Dans moet ghij Dansen.

 

[explicit 29 april 2017]