DISTEL

 

Vergelijk ook bij het lemma ‘doorn’.

 

1 Distel // zondigheid

 

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 144 (V Hoverde, verzen 11.253-11.256). Stichtelijk rijmtraktaat. Paulus zegt: Bi hem selven die mensche quaet doet, / Mer bi hem selven werct hi gheen goet, / Gelike der erden, die distelen voren / Draecht van haer selven, mer gheen coren.

Spieghel der menscheliker behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 20 (hoofdstuk 2, verzen 231-234). Stichtelijk rijmtraktaat. Over de zondeval: Want hi hem jeghen gode in hoverden / Verhief, nu zo doet hem de erde / Pine, want zoe hem met distelen moeyt / Ende ander cruut dat in haer groeyt.

Pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 368 (regels 7-9). Stichtelijk prozatraktaat. Gramscap spreekt: Ic ben oec vele scerpere ende vele meer quetsendere den ghenen die mij ghenaect dan eeneghe distele diemen vint.

Brugman ed. 1948a (XVc)

  • 87-88 (7de preek, regels 294-299). Prekenbundel. Over kloosterlingen die goed beginnen maar na een tijd toegeven aan lauwheid en ondeugden: Si geliken oec wel enen gecken kock, die in enen schonen hof quam, daer goede cruyden in stonden, ende daer oec dijstelen ende ander oncruyden in stonden. Ende hi ginck dan ende maecten sijn wermoes vanden dijstelen ende van den oncruyden, dat hidaer vonde, ende liet dat goet cruyt staen. Dat waer wel een sot kock.

 

2 Distel // andere negatieve dingen

 

Minnen Loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 263 (Boek II, vers 3804). Ars amanda. Als geheimhouding en goede raad ontbreken, dan gaat de liefde verloren: Wanttet wordt distel, al saydi coern.

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 1 (verzen 20-24). Artesliteratuur. Over zij die nutteloze boeken (met ridderverhalen) lezen: Dese slachten wel den genen, / Die liden doer enen bogaert, / Die met vruchten sijn bewaert / Ende netelen ende distelen plucken gaen / Ende die goede vrucht laten staen.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 254 (nr. 54). Een spreuk: Een yghelijc man hem miden moet, / Tret hi den distel inden voet.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 99 (nr. 22, strofe 3, verzen 10-11). Vroed rederijkersrefrein. Over bedrieglijke en hebzuchtige koopmannen: dees syn soo schadich, men machse wel wtroeyen: / als de dystel aen eenen eynde sy steken.

 

[explicit 7 mei 2017]