DOBBEL (dubbel)

 

1 Dobbel = onbetrouwbaar, vals, bedrieglijk

[MNHW 1981: 139. Dobbel = dubbel / dubbelhartig, vals.]

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 212 (refrein 242, vers 23). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Geile vrouw, flirtend tot man: Swijcht seijse dubbel duerstict stuperken.

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 34 (vers 953). Rederijkersspel. Katharina zegt: Die menighe spreect met dobbelen monde.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 35 (Boek I, refrein 10, strofe e, vers 16). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Haren naet sij naeyen met dobbelen twijne.
  • 73 (Boek I, refrein, 19, strofe b, vers 13). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther: Sijn dobbel bedroch is seer quaet om gronden.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 265 (refrein 150, verzen 3-4). Vroed rederijkersrefrein. Over de zondige mensen: Volc licht van sinnen die de taueerne minnen, / Dobbel van binnen, vol vreemder manieren.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 1 (refrein 1, strofe a, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Die menighe es zoo dobbel van gronde.
  • 110 (refrein 30, strofe c, verzen 1-3). Amoureus rederijkersrefrein. Tfij hem, die sijn liefde al omme verstroeydt; Zelcken minnaers zijn van trouwen beroeydt, / Geveyst van herten, dobbel en geploeydt.
  • 146 (refrein 40, strofe a, vers 16). Amoureus rederijkersrefrein. Vrouwelijke ik tot haar geliefde: Ghij seydt zoo dubbel, u herteken was mijne.
  • 194 (refrein 52, strofe a, verzen 4 / 8). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw. Waer hebdij geleerdt die dobbel vouwe? / (…) Maer u dobbelheyt heeft mij nu heel beschaempt.
  • 210 (refrein 56, strofe c, verzen 14-15). Amoureus rederijkersrefrein. Een hertelijck liefken es zuver ende puere; / Ten heeft geen geveynsde dobbel natuere.
  • 216 (refrein 58, strofe b, vers 15). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw. Dunckt hij u reene? Hij es dobbel van gronde.
  • 252 (refrein 67, strofe b, vers 17). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw. Als ic sijn groote dobbelheyt aenschouwe.
  • 256 (refrein 68, strofe e, vers 6). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw. Ic sie wel, ghij spint al dobbelen twijn.
  • 317 (refrein 88, strofe a, verzen 1-2). Amoureus rederijkersrefrein. Als reyn Amoruesen uut trouwen minnen, / Die malcandren zonder dobbel vouwen kinnen.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 219 (nr. 2, strofe A, vers 12). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther met zyn dubbelheyt, met zyn practycke.
  • 242 (nr. 7, Prinche, vers 3). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Dese bedrieghelycke, dobbele stuypers.
  • 333 (nr. 36, Prinche, vers 11). Rederijkersrefrein. Die daer om truerde waer een dobbel boer.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 196. Rederijkersrefrein. Dobbele, fausamblantigh, syn zy ghemeene.

Catechismus der minne ed. 1989 (1564)

  • 37 (verzen 582-583 / 595). Ars amandi. Waer bi machmen kennen het dobbel herte / Van een minnare, dit wildick wel weten. / (…) Die sulcke draecht seker een dobbel herte.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 459 (Boek III, refrein 69, strofe a, vers 21). Vroed rederijkersrefrein. Een dobbel tonghe is vermaledijt.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 19 (nr. 5, strofe 4, vers 1). Vroed rederijkersrefrein. Wacht u voer den dobbelen geveynsden gront [aard].

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 99 (verzen 141-142). Rederijkersspel. De sinnekes over zichzelf: Ja, en als dobbele gronden, / Zouckende elcxs verslonden, bin swerels behooven al.

Ontrouwen Rentmeester ed. 1899 (circa 1587)

  • 110 (vers 883). Rederijkersspel. Over de werelds levende mensen: Alle dobbelhyt sy gebruycken onvroedich.

Trauwe ed. 1899 (vóór 1595)

  • 150 (verzen 315-316). Rederijkersspel. En tverstandt duerwien duer een dobbel mondeken; / Ter werelt en was noyt dobbelder grondeken.

Etymologicum ed. 1974 (1599)

  • 89. Nederlands-Latijns woordenboek. Dobbel mensch. Homo duplex, versipellis, versutus, aliud loquens & aliud sentiens [een onbetrouwbare, valse, bedrieglijke mens, die het ene zegt en iets anders denkt].

Dolende Mensche ende de Gratie Gods ed. 1893 (circa 1600)

  • 19 (vers 262). Rederijkersspel. Het ene sinneke tot het andere: Vorwaer, ghij sijt een dobbel proyken.

 

2a Dobbel = onbetrouwbaar, bedrieglijk, losbandig (gezegd van een vrouw of meisje)

 

Heimlichede van mannen ende van vrouwen ed. 1983 (1351)

  • 154 (verzen 1137-1138). Artestekst. Gelijc den wive sekerlijc / Die dobbel sijn van naturen.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 168 (refrein 215, vers 35). Zot rederijkersrefrein. Over een overspelige vrouw: Tierende als een dobbel wyf.
  • 169 (refrein 216, vers 27). Zot rederijkersrefrein. Een overspelige vrouw spreekt: Bin ic dobbele soe twijn ic alle uren.
  • 194 (refrein 232, vers 5). Zor rederijkersrefrein. Overspelige vrouw pleit zichzelf vrij: Soudick slachten die dobbel ghecleet sijn.
  • 194 (refrein 231, verzen 49-50). Zot rederijkersrefrein. Een vrijer verwijt zijn ontrouwe geliefde: Dubbel princesse ghij sijt te lack / ghij sijt veel bracker dan pekel sout.
  • 195 (refrein 232, vers 29). Zot rederijkersrefrein. Een meisje zegt: Heb ic den dobbelen aert gheploghen.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 48 (refrein 19, vers 12). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Man over zijn ontrouwe geliefde: mer want icse nv met dobbelen gronde vinde.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 143 (refrein 39, strofe e, vers 9). Amoureus rederijkersrefrein. Vrouwelijke ik zegt: In mij en hebdij noeyt dobbelheyt vonden.

Bedroch der Vrouwen ed. 1983 (circa 1532)

  • K2v. Volksboek. So waren dese twee edelingen gelogeert in die beste herberge van Caleys / tot een geheeten Ritsaert feri / die een schoon hollants vrouken had tot eenen wijve / die wat loos ende dobbel was / mer haers ghelijcken en was niet om die gasten te tracteren.

 

2b De term ‘dobbel vel’ = losbandige, onbetrouwbare vrouw

 

Mariken van Nieumegen ed. 1980 (circa 1516)

  • 42-43 (verzen 90-95). Mirakelspel. De tante tot Mariken: Ei, dobbel velleken, / Al en doog die waarheid niet gezeid, / Gi hebt menigen rei gereid, / Daar die pijper geen vijf grote en wan. / Ende al gaat men lange af ende an, / ’t Es al maagd totdat den buuk oprijst.

Pyramus ende Thisbe ed. 1965 (circa 1520)

  • 213 (vers 695). Rederijkersspel. Het ene sinneke tot het andere: Comt voort, laet sien u dobbel gutevel [schurkenlijf].

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 50 (nr. 54, strofe 6, vers 5). Amoureus lied, liefdesklacht. Adieu mijn dubbel vel.
  • 197 (nr. 171, strofe 3, verzen 1-4). Zot lied over hoertjes: Dan claghen wi snel, met groet ghequel / Ons moeder om troost te verweruen / dan antwoordt si fel, een dubbel vel / Een hoerken sult ghi steruen.

Ruijt Verstant en drie bijbelse vrouwen ed. 1946 (circa 1600)

  • 199 (verzen 2-3). Rederijkersspel. Sara tot Rachel: Noijt aerdiger dieverije / en hoorde ick mijn daghen, eij dobbel vellecken.

Al Hoy ed. 1964 (circa 1600)

  • 4 (verzen 69-70). Rederijkersspel. Willeken Noijtgenoech over de playboy Ijdel Lustken: Hoe doedyse draven dees quackernellekins, / dees dobbel vellekins deur tstat lanck en dweers.

 

[explicit 23 april 2017]