DOBBELEN

 

[In de Middelnederlandse teksten worden de termen ‘dobbelen’ en ‘tuusschen’ vaak naast elkaar gebruikt. Volgens MNHW 1981: 622, kon ‘tuuschen’ zowel ‘dobbelen’ als ‘beetnemen’ betekenen, en verder ‘ruilhandel drijven’. Vergelijk ook Etymologicum ed. 1974: 570, waar ‘tuyscher’ = ‘permutator’ (hij die ruilhandel drijft) en ‘aleator, aleo’ (dobbelaar, speler met de dobbelstenen).]

 

1 Dobbelen = zondige en afkeurenswaardige activiteit

Dobbelen was in de ogen van de laatmiddeleeuwse overheden en moralisten in de Nederlanden een afkeurenswaardige activiteit.

[J.F.M. Kat, De Verloren Zoon als letterkundig motief, Bussum, 1952, p. 27. In de vagebondenliteratuur worden losbollen die het slachtoffer werden van valsspelers met kaartn of dobbelstenen, later vaak zelf zulke valsspelers. Deze elementen werden in de laatmiddeleeuwse literatuur en beelding traditioneel bij uitbeeldingen van de Verloren Zoon.]

[Pleket 1974: 597. In de middeleeuwse stad werden dobbelen en triktrakspelen negatief bekeken.]

[Herman Pleij, De sneeuwpoppen van 1511, Amsterdam-Leuven, 1988, pp. 304-305: ‘Zoals elke stad in de Lage Landen heeft ook Brussel het moeilijk met de zich snel uitbreidende kansspelenindustrie. Vooral dobbelen gold als zeer riskant, vanwege de ruime mogelijkheden tot bedrog en de snel opgezweepte emoties die niet zelden tot moord en doodslag leidden. Vanaf 1342 komt een stroom van verbodsbepalingen op gang, gericht tegen dobbelen en het gelegenheid daartoe geven (‘dobbelscole houden’)’.]

[Annemarieke Willemsen, “Van allen spele: Dobbelen oft eenigh ander spul spelen”, in: Madoc, jg. 10, nr. 1 (april 1996), pp. 2-10, meer bepaald pp. 5-6): ‘Naarmate de zestiende eeuw vordert, komen er naast de praktische ook steeds meer morele bezwaren tegen bepaalde spelen uit de verboden naar voren. Het “spelen met teerlinghen” lijkt daarbij in het algemeen de meeste problemen te hebben opgeleverd, en in dit geval gaat het niet om materiële schade. Dobbelen was duidelijk het meest beladen spel en er is hevig kruistocht tegen gevoerd; dobbelen werd symbool van zonde en het overwinnen daarvan kon je weergeven door het verpletteren van een dobbelaar’.]

 

Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 72 (verzen 4407-4412). Moraliserend-allegorisch rijmtraktaat. Rede zegt: Joncheit doet vechten ende striden, / Tavernen volgen tallen tiden / Ende met dobbelspele omgaen; / Luxurie doet si oec bestaen / Ende menich andre onsalichede, / Daermen die ziele verlieset mede.

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 180 (vraag 304, regels 21-29). Artestekst. Sidrac zegt: Het sal noch op comen ene grote sonde in die werelt datmen heten sal dobbelspel dat des duvels spel sijn sal, dat enen widen wech maken sal ter hellen weert, al welken wech vele liede selen varen ter hellen. Dat spel sal sijn sorgelijc ende herde quaet den menscen ten lichamen ende ter zielen ende verlies mede des goets; ende der liede selen vele mits den spele loechenen ende versweren haren sceppere. Ende alle die ghene die af gaen haren God op eerterike. God sal hens af gaen inden hemele sy en soeken genade voir haer doot. De versie in Sidrac ed. 1997: 744 (vraag 157, fol. 164ra, regels 36-37 – fol. 164rb, regels 1-5), luidt: Nochtan wert noch een spel vp heuen dat wert gheheeten dobbelspel int welke sal vele quaets regneeren Ende menich sal zijns gods daer bi verloechenen ende sine ziele verdoemen ende zijn goet verliezen Ende sinen lichame destueren.

Leken Spieghel III ed. 1848 (1325-30)

  • 70 (Boek III, hoofdstuk 3, verzen 965-968). Didactisch rijmtraktaat. Scuut altoes, soe doedi wel, / Alrehande weddespel; / Want daer af comt, ghetrout dies, / Niet dan gramscap oft verlies.
  • 213-214 (Boek III, hoofdstuk 25, verzen 107-110). Kritiek op leeglopers: Ofte die haren tijt gaerne / Versliten in tavaerne / Ofte ooc mit dobbelspele, / Daer archs of coomt vele.
  • 219 (Boek III, hoofdstuk 26, vers 90). In de ogen van een ridderzoon houden ‘poorters’ zich graag bezig met dobbelspel, overspel ende tavaerne.

Willemyns 1979 (1336-49)

  • 87. In de 14de-eeuwse Keure van Hazebroek (West-Vlaanderen, 1336-49) lezen we dat dobbelen verboden was. Overtreders werden bestraft met een geldboete: Echter dat niemene spele no doble met terninghen in ghere maniere up ene boete van .lx. s. par. ende de werd daer me speilt die boete es .lx. s. par. iof het ne si dat hiet wel ende soffisantelike maecte kenlijc tween porters dat ware met crachten ende ieghen sinen wille waer hies iehouden bi sceipen of bi eeszweers.

Canterbury Tales ed. 1995 (XIVd)

  • 623. ‘The Parson’s Tale’. De pastoor over avaritia: Dan nu over de goklust met alles wat daarbij behoort, als triktrakborden en dobbelbakken; waarvan bedrog komt, meineed, scheldpartijen, roverijen, vervloekingen, verzakingen aan God, haat tot de naasten, verkwisting ook van goederen en tijdverspilling en soms zelfs moord. Zeker bevinden gokkers zich in staat van grote zonde zolang ze ’t gokspel najagen.

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 72-77 (Deel III – Gierichede, hoofdstukken 73-82). Stichtelijk rijmtraktaat. Lange passage over de zondigheid van het dobbelen om geld (als onderdeel van ‘Gierichede’ = verkwisting). Onder meer: Een derde quaet, dat comt bi dien, / Dats vele torne ende vele hatyen, / Menich gevechte ende manslacht, / Dattet spel vake heft toebracht (p. 74, verzen 5775-5778).
  • 193-194 (Deel VIII – Van der Tongen, verzen 14.998-15.065). Over het verband tussen dobbelen in taveernen en blasfemie (vloeken). Onder meer: Die hysen, daermen des in pliet, / Sijn des duvels temple ende anders niet (p. 194, verzen 15.053-15.054).

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 255 (nr. 102). Een spreuk. Dobbelspel ende wives lieve / Maken menighen tot dieve.

Speghel der Wijsheit ed. 1872 (circa 1400)

  • 46 (verzen 1122-1125). Stichtelijk rijmtraktaat. Dobblen, vechten, tuschen, buzen / doet lant vercopen ende onthuzen; / groot baraet met wiven driven / laet zelden yemant wel becliven.

Scaecspel ed. 1912 (1403)

  • 155-157. Moraliserend prozatraktaat. Lange, zeer negatieve passage over dobbelaars (= verkwisters).

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 235 (Winterstuc, hoofdstuk 32, regels 763-765). Theologisch compendium. Over zij die zondigen tegen het 9de gebod: Die derde, die hier an sondigen, sijn die gheen, die haer guet verdobbelen of verspelen ende onnuttelick uutgheven.
  • 442 (Winterstuc, hoofdstuk 55, regels 228-231). Priesters mogen de hostie weigeren aan hen die ‘dobbelschool’ houden: Daer-om doen die priesters onrecht, die yemande dat sacrament weyghert ende die lude scendet, dan alleen die te banne sijn of in openbaer woeker, of in overspil sitten, of die dobbelscoel ende moortkule ophouden.

Middelnederlandse boerden ed. 1957 (circa 1405-08)

  • 18 (nr. I, verzen 104-106). De boerde ‘Dits vanden man die gherne dranc’. De vrouw van een dronkaard verwenst haar man naar de hel en zegt: Dat hare man moeste qualike varen / Ende alle quekeers ende dobbeleers mede / Die noyt [ooit] vrouwen onraste deden.

Achte personen wensen ed. 1992 (circa 1405-08)

  • 29 (verzen 117-120). Satirisch wensdicht. In de wens van de monnik: Baden ende stoven / Altoes ende banckenteren, / Springhen, dansen, hoven, / dobbelen, goet verteren.

Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 272-273 (paragraaf 101). Stichtelijk prozatraktaat. Over de hoofdzonde ‘ghiericheit’: Die tyende tacke der ghiericheit is in quaden spelen, als dobbelen, queken, woertafelen ende alle ander quade spele, diemen over al speelt, sonderlinghe die taerninc spele, want alle taerninc spel is inden rechte verboden: dobbelen passen, potreynen, wedden ten meesten oghen, coever die wil, puusten, felen, woertafelen, bellef angancs, of spelen sich voor di, of hoement nomen mach, datmen mit taerninghen speelt, om sonderlinghe velke groter sonden die daer of comen.
  • 274 (paragraaf 103). Dobbelen heeft noch veel meer quaets an, dan men ghesegghen can; menich vechtelic ende manslachte, daer dobbelen een sake of is, dicke ghesciet.
  • 282 (paragraaf 118). Over de gulzigheid: Want eerst wort een mensche een tavaern volgher; dan beghint hi te dobbelen; dan vercoept hi sijn erve of sijn have; dan wort hi een kelre lewe ende een poytier ende te male een boeve of een dief ende steelt ende laet hem hanghen.
  • 291 (paragraaf 132). Over de gulzigheid, meer bepaald over taveernen: Ende wat waendi, datmen daer leert? Zweren ende versweren, vloeken, scelden, achtersprake, lieghen, dryeghen, dobbelen, tuusschen, ontrekenen, kiven ende vechten. De taveerne is naar verluidt de kerk van de duivel!
  • 292 (paragraaf 134). Mitten cortsten ghesproken inder tavernen scyet luttel goets ende veel quaets, wantmen blasphemeret god dicke inder tavernen, men vecht daer dicke in, men leert daer den luden thoer ontuusschen mit quaden spelen, men leert daer stelen ende moerden ende quaetheit, ja menich dootslach is dicke inder tavernen ghescyet. Aldus is die taverne des duvels scole ende des duvels kerc ende des duvels apoteke.

Winter ende Somer ed. 1946 (circa 1410)

  • 49 (verzen 68-72). Abel spel. Winter zegt: Her somer, dat wetic herde wel, / Dat mi die selke niet sere en gheert. / Dat sijn die ghene die hebben verteert / Haar geldekijn in die taverne. / Ende drincken ende dobbelen alsoe gherne.

Kaetspel ed. 1915 (1431)

  • 2 (regels 16-20). Moraliserend prozatraktaat. Want dat spel [het kaatsspel namelijk] en ware niet verboden maer ware gheoorlooft beede gheestelike ende weerlike lieden. So ne was niet dobbelen quecken ende andere ghelike spelen. Ooc ne ware niet vele ghezien dat van kaetspele quam yet vele differencien of twisten. Dobbelen leidt dus wél tot twist en ruzie.

Spiegel der Sonden ed. 1901 (1434-36)

  • 119 (regel 21) – 125 (regel 8) (Deel III – Gierichede, hoofdstukken Cj-Cn). Stichtelijk prozatraktaat. Uitgebreide behandeling van het dobbelen als onderdeel van de hoofdzonde Gierichede (verkwisting).
  • 250 (regels 4-40) – 251 (regels 1-7) (Deel VIII – Vander Tongen, hoofdstuk Ge). Over het verband tussen dobbelen in herbergen en blasfemie.

Doctrinael des tijts ed. 1946 (1486)

  • 108-109 (hoofdstuk X). Moraliserend prozatraktaat. Over gokspelen: Ende suekct dese dwaeskens, dese quistguekens ende dese goede bloets, die simpelheit gouverneert, ende leytse spelen in de taverne ‘Uut der Sonnen’. Ende dan brinct voert vande Ablatijf die qualiteyten als abuys, bedroch ende compactie, hem tonende uwer sciencie sonder groot gheruft of exclamacie, veynsende dat ghy compassie hebt op die verliesers.

Boeck vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (XV)

  • 163 (regels 4-7). Stichtelijk prozatraktaat. In verband met de bestraffing van avaritia in de hel: Die oec die heilighe daghe sonder noet ghebroken hebben of mit dobbelen of mit enighen speel guet ghewonnen hebben.

Cancellierboeck ed. 1932 (XV)

  • 148. Stichtelijk prozatraktaat. Nu merckt grote doerheit sulker menschen, die spreken: laet ons dobbelen, laet ons schaexspelen, laet ons boerden ende saghen segghen, oft versieren enighe ydelheit of doerheit, waer by dat sy des tydts vergheten moghen; den edelen tyt, in welken tyt dat sy mochten penitencie doen van hoeren sunden, gracie ende ghenade van onsen here te vercrighen ende werden deilechtich ende dat geselscap van hemelryc.
  • 166. Zondigen tegen het 3de gebod: zij die dansen en dobbelen en andere nutteloze dingen doen, vooralop zon- en feestdagen in de herbergen: Oec mysdoen die ghene, die tavernen halden des heilighen daechs ende sy syn deilechtich, ya een sake der overtullicheit, die men daer dryft in eten, ende in drincken, in dobbelen, in sweren, in dronckenschap, in liegen, in vechten ende in mennighen anderen dinghen ende in groten sunden.

Maria Hoedeken ed. 1920 (1509)

  • 7 (verzen 21-23). Rederijkersspel. Goet Gheselscip raakt in armoede door dobbelen en ‘tuusschen’: Met dobbelen tuusschen wierthy berooft / Van goede van scatte ende aerm versteken / Van vrienden van maghen nyeuwers ghelooft.
  • 17-18 (verzen 347-392). Goet Gheselscip verliest alles wat hij heeft met het dobbelen.

Een sAnders Welvaren ed. 1920 (1511/12)

  • 56 (verzen 133-134). Rederijkersspel. De sinnekes Practyckeghe List en Suptyl Bedroch zijn thuis in alle spelen: Wy zyn in alle spelen, Eist dobbelen tuusschen / Allomme wy ruuschen onbeweerlic.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 215 (refrein 107, verzen 31-33). Vroed rederijkersrefrein. Over het bedrog en de hebzucht van de mensen: Lortsernye [oneerlijkheid] sietmen goet cryghen en saken / woicker diefte dobbelspeel schynen rijc maken / nochtans en sietmen daer gheen eere blaken.
  • 217 (refrein 108, verzen 21-22 / 27-28). Zot rederijkersrefrein. Een losbandige verkwister stelt dat niemand hem verwijten moeten maken want dat hij zelf maar moet weten wat hij doet: Al mach mynen geest gestelt om dolen syn / en werpen denterlinc hazaer of gemoet / (…) Laet my dan ghewerden al bin ick onuroet / Die scaije es mijne. ‘Hazaer of gemoet’ = op goed of kwaad geluk.
  • 238-239 (refrein 118, verzen 1-2 / 13). Zot rederijkersrefrein. Een opsomming van losbollen en verkwisters: Die tkoontgen [koren] mitten conynen groin eten / ende vanden terlinck allet bedroyen weten / (…) Dees syn werdich in die ghilde ghescreuen.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 62 (refrein 165, verzen 24-27). In het zotte rederijkersrefrein op de stok ‘Alle sotten en draghen gheen bellen’ worden ‘vechters en dobbelaars’ in één adem genoemd onder de mensen die zich gedragen als zotten: Wie sal dese amoruese haren sin versoeten / die sonder bellen ghelyc iaghen den sot / Oft vechters of tuyschers twaer quaet om boeten / sy en souden den sot, hier af weetti tslot.
  • 192 (refrein 230, vers 16). Zot rederijkersrefrein. Een losbandige verkwister heeft spijt van zijn zonden en zegt: Ick plach alle thuijserije te hantierene.

De institutione feminae christianae ed. 1996 (1524/1538)

  • 74-75 (regels 8-19, Boek I, hoofdstuk 7, paragraaf 51). Latijns didactisch prozatraktaat. Over dobbelen en kaartspelen: Since this pastime is disgraceful even for men, it cannot but be loathsome in women. What will a woman be able to learn or think about who gives herself to gambling? It must needs be that her mind will be weakened and she will become the victim of avarice, to which she was already inclined by nature; from there she will fall into perjury for the sake of money. If there are men present at these games of hazard, she will hearmany things that are offensive to a woman’s ears. What a shameful thing to see a woman not with her basket of wool but at the gaming-board, rolling knuckle-bones instead of the spindle, throwing dice instead of spinning the shuttle, dealing out playing cards instead of battening wool or reading her prayer-book! There is no sensible person who would not prefer that she remain idle rather than occupy herself in this way, as there is no one who would not condemn with great acrimony both the woman who learned these skills, and the one who taught her such vices and those who permitted it.

Aelwarich ed. 1980 (1527-28)

  • 109 (regels 44-45). Spotprognosticatie. Over de zomer die begint: Ende als Fiel gaet in den dobbelen naer den eersten treeckset. ‘In den dobbelen gaen’ = valsspelen met referentie aan dobbelen. Vergelijk ook de commentaar op p. 108.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 37 (Boek I, refrein 11, strofe d, vers 10). Vroed rederijkersrefrein. Kritiek op de critici van de clerus: die critici gedragen zich zelf losbandig. Sij dobbelen, sij tuysscen, sij spelen, sij mommen.
  • 82 (Boek I, refrein 22, strofe b, vers 8). Vroed rederijkersrefrein. Door Luther blijven de vroegere kerkgangers thuis, oft gaen tuysscen en spelen opte bane.

Stove ed. 1944 (1528)

  • 167 (vers 518-520). Rederijkerslyriek. Dronkaards, hoerenlopers en dobbelaars worden in één adem genoemd: Oft ghij die const hadt wilt mi vercleeren / Dat ghi mocht dronkaerts, hoereerders, dobbeleeren / Doen hebben goet regement perfect.

Aerm inde Buerse ed. 1920 (1529)

  • 287 (verzen 84-87). Rederijkersspel. Clossen, dobbelen, verkeeren fluusschen. / Elckerlyc die van jncx leeren tuusschen / Al waert datse jn winnynghe of verlies torden / Jnt vuthende moetic huerlieder verkies worden. De laatste drie verzen worden gezegd door Aerm inde Buerse!

Verloren Sone ed. 1985 (1540)

  • B3v. Volksboek. De Verloren Zoon trekt naar het bordeel: Metten welcken hi alle zijn ghelt en(de) iuweelen onnuttelijcken ouer ghebracht hadde, met dobbelen, met spelen, met houeren, met triumpheren ende met wech gheuen, als dat hi te(n) lesten noch ghelt noch pant en hadde ten was al verteert en(de) ouerbracht.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 139 (Boek II, refrein 11, strofe c, vers 12). Vroed rederijkersrefrein. De lutheranen hangen rond rin kroegen en gedragen zich losbandig: Tgheldt verdobbelen met vollen commen.

Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • C1r (hoofdstuk 3). Moraliserend traktaat. ‘Die milde’ (een losbol) zegt: Ghi moettet al laten, dus wil ick te tijde / Mijn goet verteeren ende wesen blijde / Vrouwen hanteren ende dicwijl boelleren / Schincken, drincken, met elcken houeren / Dobbelen, spelen, ende tghelt verswonnen / Wat acht ick wiet mi heeft ghewonnen.
  • C4r (hoofdstuk 6). Wat goede ouders niet mogen doen: ghi en sult dan in v huys noch dobbele(n), noch spelen, noch dronckenscap, noch ouerspel hantieren.
  • V1v-V2r (hoofdstuk 72). Over ongeoorloofde spelletjes: Wy en sullen dan na eten en(de) drincke(n) niet spele(n) sonderlinge v(er)bode(n) en(de) ongeorloeft spel, als sijn die alle(n) in fortuynen oft bedroch geleghe(n) sijn ghelijc dobbele(n) en(de) der gelijcke(n).
  • F2r (hoofdstuk 116). Mer putiers oft hoeriahers, dobbelaers, dronckaerts, woeckenaers en(de) dier ghelijcke sijn nv best ghesien en(de) meest gheeert.

Arickx 1974 (XVIb)

  • 221 (nrs. 17-18). De dorpskeuren van Zwevezele (XVIb, wellicht gedeeltelijk teruggaand tot in de 15de eeuw): Item dat niement dobbel spel en houde, by nachte up de boete van XX sc. par. ende by daghe up de boete van X sc. paris. Alzo dickent alst ghevallen zal. / Item zoe wye dobbelen zal of eenich spel spelen met teerlynghen boven den verbode van der weerdt in wiens huus dat ware up datment mach doen blycken, zal boeten III lib. paris. Alzoe dickent alst ghevalt. V. Arickx, “De keuren van Zwevezele”, in: Biekorf, jg. 75 (1974), nr. 5-6, p. 221.

Crych ed. 1920 (XVIA)

  • 220 (verzen 319-324). Rederijkersspel. [Dyveerssche Gheleerde:] Den leenhouder poorter ende rentier / Volghen die den crych by uwer vermaente? / [Gheveynst Bedroch:] Jaese de sommeghe jn dusdanegher ghedaente. / Hebbense snoo ghelt ofte buter valuwacie / Se vynden hem daer men hout colacie / Van dobbelspel ofte mommecanchen.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 308 (nr. 30, strofe H, verzen 1-4). Vroed rederijkersrefrein. Er wordt gespeeld met de term ‘verkeren’ (= zich bekeren / dobbelen): Verkeeren, dats een dueghdelyc spel; / Verkeert al omme, dat en es niet quaet; / Wacht u van dobbelen, zo doedy wel; / Sonde te dobbeleren, gheen argher daet.

Joncheyt ende Redene ed. 1920 (XVIA)

  • 479 (vers 73). Rederijkersspel. In een opsomming van ijdele genotsactiviteiten: Dobbelen, spelen, ghesellich bieren.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 191 (fol. 261v, verzen 21-22). Rederijkerslyriek. Vermaning tegen kwaad gezelschap en oneerbare vrouwen: luxurieuse locketten ende tuyschdobbelscholen, schuw die want daaruit spruit de wortel des kwaads.

Lieripe ed. 1980 (1561)

  • 187 (regels 249-259). Spotprognosticatie. ‘Dobbelers’, ‘tuysschers’ en ‘verkeerders’ worden vernoemd bij de ‘Mercuriuscnapen’ en beschuldigd van valse vrolijkheid en verkwisting.

Fielen Vocabulaer ed. 1914 (1563)

  • 54. Volksboek. Waarschuwing tegen allerlei soorten rondtrekkende zwervers, onder meer zij die de mensen bedriegen met vervalste dobbelstenen: Oft die omgaen met teerlingen oft dobbelsteenen, metten overlecten teerlinck, met den herten teerlinck, met den gheborsten teerlinck, met den afgegoten teerlinck, ende met den dobbel beene.
  • 57. Idem: wacht u ooc voor speellieden, voor dobbeleers, die vander eender taveernen totter andere loopen.
  • 59. In een opsomming van allerlei soorten ongewenst gedrag: Die met teerlinghen spelen oft op closbanen, ende verliesen haer gelt, ende haren tijt.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 37 (nr. 10, strofe 1, verzen 4-5). Vroed rederijkersrefrein. Over de zondige mensen: Dobbelen, tuysschen, mommen, hoveren / is al haer studeren.
  • 84 (nr. 19, strofe 4, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Over de zondige mensen: sy dobbelen, sy tuysschen, sy spelen, sy mommen.

Vier Wterste II ed. 1965 (1583)

  • 169 (strofe 337, verzen 4369-4372). Stichtelijk rijmtraktaat. T’waer onbetamelick sou ick v helen / Dat ghy moet wachten van tuysschen en spelen / Siet toe dat ghyop gheen hoeren en versot. / Wt hoereren en tuysschen soo volght het stelen.

Ontrouwen Rentmeester ed. 1899 (circa 1587)

  • 93 (vers 381). Rederijkersspel. Over de onachtzaam levende, zondige mensen: Met tuysschen, dobbelen, in oneerlycke huysen vernachtende.

Monballyu 1977 (XVIB)

  • 265-266 (nrs. 4-5). Volgens de dorpskeure van Meulebeke (XVIB) is dobbelen dag en nacht verboden: Item dat niement dobbelspele n houde by daghe up de boete van X s. parisis ende by nachte up de boete van XX s. parisis alzo dickent als ment bevinden zal, ende diet doet elc van ghelycken. / Item zo wie dat speelt met teerlinghen, uutghedaen tverkeerspel, boven den verbode van den heere by costumen, ende den weert in wiens huus dat gheviele inschelicx, zal boeten III s. parisis alzo dickent als ment bevinden zal. J. Monballyu, “Een dorpskeure te Meulebeke in de 16e eeuw”, in: Biekorf, jg. 77 (1977), nrs. 9-12, pp. 257-276.

Veelderhande Geneuchlijcke Dichten ed. 1977 (1600)

  • 126-127. Volksboek. In ‘Den rechten weg nae ’t Gast-huys’: wie komt er onder meer in het armenhuis terecht? Alle die met Teerlinghen spelen / ofte op klos-banen / ende verliesen haer geldt / ende haren tijdt.

 

2 Dobbelstenen als onderdeel van de Arma Christi (aan de voet van het kruis werd om de kleren van Christus gedobbeld)

[Haslinghuis 1912: 93. In 15de-eeuwse Passiespelen dobbelen Jezus’ beulen aan de voet van het kruis. In sommige Franse drama’s komt de duivel hierbij te pas. De duivel gold immers als de uitvinder van het dobbel- en kaartspel.]

 

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 117 (Somerstuc, hoofdstuk 7, regels 649-654). Theologisch compendium. Dat vierentwintichste was dat lot of dobbelspul, dair ons Heren cleder mede ghedeilt werden, opdat wi die sorchlike ende aventuerlike eyghenschap nu Gods, nu des duvels, nu der werelt ter gueder winninghe ende eighenscap tot Gode mochten brenghen ende inden ghelijckeliken lotten ten hemel mochten raken. Amen.

Antekerst ed. 1984 (1539)

  • H2r. Volksboek. Tot de ‘teekenen sijnder passien’ die Christus bij het Laatste Oordeel ter vermaning aan de zondaars zal tonen, behoren de teerlingen waarmee de soldaten om Christus’ kleed dobbelden: Ten .xiiij. sal god tonen die teerlingen den dobbelaers ende die gespeelt hebben wt gierichheit om tytelic goot te crijgen / want sulc spel is een berovinge / ende nauwelic machmen sulcs doen sonder doot sonde principalic alsmen wt giericheit speelt / want giericheyt is in hem selven dootsonde / ende sulck volck is schuldich dat te recht te keren wanttet hem niet toebehoort.

 

3a Dobbelen als erotische metafoor

[Volgens Heestermans e.a. 1977: 43 (= Erotisch Woordenboek) is ‘dobbelen’ = ‘coïteren’. Hierbij speelt blijkbaar zowel de betekenis ‘dobbelen, met teerlingen werpen’ als ‘dubbelen, verdubbelen, er twee van maken. Vergelijk MNHW 1981: 154 (sub ‘dubbelen’).]

 

Van Altena ed. 1987 (XI-XIII)

  • 59 (nr. VI, cobla 8-9). In een Occitaans lied van de troubadour Guilhem IX (1071-1127) beroemt de ikfiguur zich op zijn grote potentie en vertelt hij van een nachtelijk bedavontuur waarbij hij een premature ejaculatie had: Maar zij was boos: ‘Sinjeur, u stort / uw dobbelworp wat al te kort, / herhaal die sport en anders… vort! / Wie ’n stad belegert, of een fort, / hij blijve staan!’ / Dus lichtte ik opnieuw haar schort / en viel weer aan. // Ik wierp twee stenen, maar ook die / bleken te licht. / Nog éénmaal wierp ik: nummer drie / had meer gewicht. / De bron schoot onder ’t schort en zie: / hij spoot verlicht!
  • 276 (nr. I, cobla 1). In een Occitaans lied van Peire Cardenal (ca. 1180 – ca. 1278): De liefde wordt door mij geloofd / nu zij mij heet noch koud doet zijn, / van eetlust noch van slaap berooft, / noch ergernis brengt, noch chagrijn, / en mij ’s nachts niet doet dwalen. / Ik gaap niet diep en zucht niet fel, / wordt niet gekweld en hoef geen stel / ijlbodes te betalen. / Nee,mij bedriegt ze niet zo snel: ik nam mijn stenen uit het spel. In een aantekening (p. 280) noteert de vertaler: ‘Al eerder is gewezen op de dubbelzinnigheid: datz = dobbelstenen = kloten’.

Middelnederlandse boerden ed. 1957 (circa 1400)

  • 74 (nr. XIII, verzen 66-69). De boerde ‘Vanden monick’. Wanneer dat wel verholen blijft, / Soe ist een speelkijn van solaes, / Mar op twee tarninghen van deus aes / Soe loept wel menichwerf een sijs. Nadat men met een dobbelsteen twee maal één oog heeft gegooid, volgt vaak een worp van zes (dus een worp die ‘raak’ is = een coïtus waardoor het meisje zwanger wordt). Hier een broeder dominicaan die een mooi meisje zwanger maakt.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 151 (refrein 207, verzen 16-17). Zot rederijkersrefrein. Een onfortuinlijke vrijer bespiedt zijn geliefde die met een ander op haar slaapkamer vertoeft: Hij sachse beij int hemdeken dansen / Twijfelende men sou corts spelen bi cansen. ‘Canse’ = een gelukkige worp bij het dobbelspel. ‘Spelen bi cansen’ = dobbelen = de liefde bedrijven.

Bedroch der Vrouwen ed. 1983 (circa 1532)

  • K3r. Volksboek. Ende si gingen doe te bedde / daer si tamen speelden dat lijflijc spel der natueren / daer wert gedobbelt op venus outaer / daer liepen die canssen als dues aes.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 13 (nr. 10, strofen 6-7). Amoureus-erotisch lied. Si ginc voor ic volchde na / si brochte my daer een schaecbert na / In elcke hant Twee dobbelsteenen / Si ley tsaecbert op tvelt / dye dobbelen wil die brenget gelt / Anders mach hi Tsoheyme wel blijven. Gaat het hier om een triktrakbord? Vergelijk over dit lied Frank Willaert, “De nachtegaal en het schaakbord (Antwerps Liedboek, nr. 10)”, in: Madoc, jg. 14, nr. 4 (winter 2000), pp. 214-222, meer bepaald p. 217: ‘Dobbelen verwijst, zoals de editeurs beschrijven, naar de coïtus: de metafoor komt al voor bij de oudst bekende troubadour, Willem IX van Aquitanië, en is bijvoorbeeld ook bij onze rederijkers niet onbekend. Maar minstens even relevant in deze context is dat het dobbelspel in de literatuur van de late Middeleeuwen steeds weer met ontucht en hebzucht, en dus met hoererij, wordt geassocieerd’.

Knollebol ed. 1980 (1560/61)

  • 89 (verzen 99-100). Spotprognosticatie. Na een waarschuwing tegen syfilis wordt een toespeling gemaakt op masturbatie: En als ander doen om een verschoonen, / Hant van den teerlinck, oft hi sal u hoonen! Teerling = penis? Hij zal u honen = toespeling op ejaculatie (spuwen)? De tekstbezorgers interpreteren vers 100 als ‘wsch. een waarschuwing tegen onanie, waarbij teerlinck = dubbelz. voor geslachtsdeel’. De ‘hi’ wordt geduid als de marot die hier door de sprekende zot wordt aangewezen. Dezelfde interpretatie in Pleij 1983a: 76. Is het echter niet logischer dat met de ‘hi’ de ‘teerlinck’, en dus de (ejaculerende) penis wordt bedoeld? Het blijft een lastige ofschoon duidelijk dubbelzinnige passage.

 

3b Dobbelen bij het triktrakspel als erotische metafoor

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 220-222 (refrein 110). In het zot-erotische rederijkersrefrein op de stok ‘Tes al te belachene alst soe ghebuert’ wordt het spelen met dobbelstenen op een triktrakbord manifest gebruikt als metafoor voor de coïtus. Coigneau II 1982: 277, noteerde over dit refrein: ‘In St 35 missen we in de beschrijving van het verkeren, dit is een triktrak- of dobbelspel, een duidelijke formele analogie met geslachtsdaad of geslachtsorganen. Er is wel sprake van het bord (v. 9), de steen en de “terlinc” (v. 10), maar wat zijn de schijven die men hoort “clappen en clincken” (v. 14) en hoe weinig suggestief is de verdere spelterminologie als “twe sincken” (v. 12), “dews aes” (. 16), “twe troijen” (v. 19), “opten hoybant goijen” (v. 20), binden (v. 24) en “twee cysen” (v. 25)’. Omdat het hier inderdaad gaat om een – althans wat de details betreft – vrij hermetisch gedicht, laat ik hieronder de tekst in extenso volgen, met een parallelvertaling en aantekeningen.
  • 220 (refrein 110, strofe 1, verzen 1-11). Een leep tuserken was laestent geseten [Een schalks dobbelaartje zat onlangs] / by een fray dierken secreet op een sije [bij een knap meisje op een verborgen plekje.] / Hy heeft hem daer meester te sijne vermeten [Hij heeft daar geprobeerd (het spel) te winnen,] / expert in alrehande tusernije [ervaren als hij was in allerhande dobbelspel/bedriegerij.] / Her her sprack tmeysken mit hertzen blije [‘Och, och,’ sprak het meisje vrolijk gezind,] / ic heb v ten eersten siet int verkeren [‘jij bent de eerste met wie ik triktrak speel.’] / Ja soudi sprac hy ghi manneken ghye [‘Is dat zo?’ sprak hij. ‘Och manneke,’] / en can ics niet seyt tmeysken soe sal ict leren [‘kan ik het niet,’ zei het meisje, ‘dan zal ik het leren.’] / En ginck daer tbort stellen om vruechs vermeren [En zij zette het bord klaar om veel plezier te maken. (Triktrak)bord = hier waarschijnlijk: vagina.] / om den steen was den terlinc daer eerst gheruert [Eerst werd er gedobbeld om te kijken wie er mocht beginnen. Vergelijk de zegswijze ‘tis noch eerst om die steenen gedobbelt’ in Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959: 73 (regel 19), en Proverbia Communia ed. 1947: 100 (nr. 712). Wat hier bedoeld wordt: de eerste worp met de dobbelstenen dient om te bepalen wie de eerste ‘echte’ worp mag gooien en dan pas begint het spel. ‘Den terlinc rueren’ = dubbelzinnig (de dobbelsteen / penis aanraken).] / Tes al te belachene alst soe ghebuert [Zulke dingen zijn lachwekkend als ze gebeuren.]
  • 220-221 (refrein 110, strofe 2, verzen 12-22). Tmeysken creech den steen eerst mer [lees: met] twe sincken [Het meisje gooide twee maal vijf: zij mocht het spel beginnen] / en ginck haer meesterlic nae stpel siet poghen [en probeerde het spel meesterlijk te spelen.] / Daer hoordemen die schyuen clappen en clincken [Daar hoorde men de schijven klinkend (tegen elkaar) aanstoten. ‘Schijven’ = hier waarschijnlijk een dubbelzinnige toespeling op tepels. Vergelijk Bierses ed. 1925: 35 (nr. X, verzen 7-8).] mer wat tvserken werp ten wou niet doghen [Maar wat het dobbelaartje ook wierp, hij had geen succes,] / Twas al dews aes, her om een verhoghen [het waren telkens twee enen. ‘Komaan, doe beter uw best,’] / ic verbiet sprac tmeijsken, of wilt gaen foijen [‘ik vraag het u dringend,’ sprak het meisje, ‘of scheer u anders weg.’] / Half bescaemt hiel hyt nae syn vermoghen [Half beschaamd deed hij wat hij kon] / mer sy sloich hem ter stont siet met twe troijen [maar zij versloeg hem terstond door twee drieën te gooien.] / Al ginc sy hem opten hoybant goijen [Al was zij bezig hem op zijn donder te geven (?). Zeer onduidelijk vers. ‘Hoybant’ = hoofdband = hoofddoek?] / twas al boirdelick spel siet onghetrue(r)t [het was een prettig en vrolijk spel.] / Tes al te belachene alst soe ghebuert [Zulke dingen zijn lachwekkend als ze gebeuren.]
  • 221 (refrein 110, strofe 3, verzen 23-33). Tuserken heeft weder moet ghecreghen [Het dobbelaartje vatte weer moed] / en waenden te bindene daer ter stont [en dacht haar daar toen te kunnen overtroeven.] / Mer tmeysken heeft hem mit twee cysen gesleghen [Maar het meisje versloeg hem met twee zessen] / als dat hi niet aen en mocht twas haer een vont [zodat hij geen kans kreeg, dat kwam haar goed van pas. ‘Vont’ = listig middel om een verbintenis te omzeilen.] / Ic doet noch een sprack tmeysken goet ront [‘Ik werp nog één keer,’ sprak het meisje openhartig.] / Laet mij aen seyt tuserken ic salt noch houwen [‘Laat mij nu,’ sprak het dobbelaartje, ‘ik zal mij schrap zetten.’] / Sy consenteerdet mer die rooder mont [Zij stond het toe maar de rode mond] / hadde alleene die fortune in trouwen [was echt de enige die geluk had.] / Al mochter tuserken syn hooft om crouwen [Ook al krabde het dobbelaartje aan zijn hoofd, ‘Syn hooft crouwen’ = masturberen (waarbij ‘hooft’ = glans penis).] en van syn vermeten deerlick was gesluert [hij was deerlijk mislukt in zijn opzet.] / Tes al te belachene alst soe ghebuert [Zulke dingen zijn lachwekkend als ze gebeuren.]
  • 221 (refrein 110, strofe 4 = de Prinche, verzen 34-44). Tspel was daer ghescut mer hij ginct laten [Het spel was daar volop bezig maar hij gaf het op.] / tmeysken behaelde daer heerlick den prijs [Het meisje behaalde daar een mooie overwinning] / En hij onneere tot synder ombaten [en hij slechts oneer tot zijn schade.] / hy gaf, sy ontfinck der vruechden chijs [Hij betaalde en zij ontving de schild van het plezier.] / Aldus prinche neemt altijt goet auijs [Daarom, prins, bezint altijd] / eer ghy sulc spel v wilt onderwinden [alvorens je met zulk een spel begint] / Want der vrouwen subtylheyt sonder afgrijs [want, eerlijk gezegd, de listigheid van de vrouwen] / noit geleerden perfecter en bekinden [werd door geen geleerde ooit beter beheerst.] / Al speeltmer seer diere soe venus doet ontbinden [Al speelt men zeer dapper het spel van Venus] / waeraf cupido den wille willecuert [waartoe Cupido de begeerte opwekt] / Tes al te belachene alst soe ghebeurt [zulke dingen zijn lachwekkend als ze gebeuren.] Blijkbaar gaat het in dit refrein dus om een jongen die met een maagd wil copuleren, maar die niet in staat is een erectie te krijgen. Coigneau’s nogal negatieve waardering van dit refrein, was overigens wel terecht: het betreft hier zeker geen hoogtepunt van de Middelnederlandse erotische literatuur.

 

4 Dobbelen: restmateriaal

 

Hanneken Leckertant ed. 1950 (1541)

  • 68 (vers 68). Rederijkersklucht. Lippen zegt: Teerlinck! Daer ontvalt mijn mijnne spille! ‘Teerling’ was blijkbaar een vloek (met referentie aan de Arma Christi?).

 

[explicit 23 april 2017]