DOEK

doektopos 

1 Vrouwen dragen een hoofddoek of halsdoek

 

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 258 (refrein 69, strofe b, verzen 4-5). Zot rederijkersrefrein. Die vrouwen en behoeven heensdaechs geen doeken; / siet hoe sij vercloecken: zij dragen de broeken.
  • 260 (refrein 69, verzen 13-16). Zot rederijkersrefrein. Over hoerig geklede, pronkerige vrouwen: Dan gaen sij blaten / met gefronsten halsdoeken, lampers oft floers, / daer de borstkens doorschijnen recht op sijn hoers, / gheluwe, dinne doeken, gestijft wel stijf.

Het Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 26 (vers 610). Satirisch rederijkersgedicht. Om dat dwijf so lodderlijc [wulps] siet uuten doecke. Doek = dus typisch vrouwelijke hoofdbedekking.

Joseph ed. 1975 (1565-66?)

  • 128 (verzen 1232-1233). Rederijkersspel. Het sinneke Nijdich Herte over losbandige vrouwen: Thaer wert gevlochten en daensicht geblancket; / Tdoecxken wert wijt gzet, al warent Venus nechten. Blijkbaar wordt hier eerder een halsdoek (die de borsten bedekt) bedoeld dan een hoofddoek.

De dove bitster ed. 2009 (XVI)

  • 100 (vers 64). Rederijkersklucht. De boerin Betgen verkleedt haar man Lippen als de dienstmeid Aechtgen: Lippen, compt, ick sal u met Aechtgens doeck hullen.

Suyp-Stad ed. 1978 (1628)

  • 97 (verzen 237-238). Satirisch leerdicht. Nadat het net ging over gewone hoertjes: Heer Bacchus is wat vies, die soeckt geployde doecken, / of hier een ander dier, naer ’t hoofs, wat op te soecken. De wijndrinker kan zich duurdere hoeren permitteren (wijn is duurder dan bier, en geplooide halsdoeken of plooikragen waren typisch voor rijkere vrouwen).

 

2 Doeken die gekreukeld worden in erotische context

 

Plaijerwater ed. 1907 (circa 1400)

  • 169 (vers 173). Een klucht. Een overspelige vrouw zegt tegen haar minnaar (een priester): Verkreukt niet mijn vers wimpelken.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 170 (refrein 88, verzen 11-13). Amoureus rederijkersrefrein: het huwelijk is een paradijs. Helzen cussen duijsent werf op een ure / een schoon doixken somtijts gestelt opt croken / Venus helpt daer tvier der minnen stoken.
  • 175 (refrein 90, verzen 24-25). Amoureus rederijkersrefrein: het huwelijk is een paradijs. Als sy dan in malcanderens oochskens kycken / dat tdoicksken ontspelt wordt vry sonder vaer.

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 44 (nr. XV, vers 4). Kort, erotisch rederijkersgedichtje. Een aansporing om niet te veel geduld te hebben in sexualibus: Verkreuklet vryelyck hoeren douck.

De Ontrouwe Rentmeester ed. 1899 (circa 1587)

  • 99 (vers 551). Rederijkersspel. Een waard wil zijn vrouw kussen: Dus, her, wyffken, her, al soudick croocken uwen doeck.

Al Hoy ed. 1964 (circa 1600)

  • 7 (vers 113). Tafelspel. Over losbandigheid en seks, Willeke zegt: men crooct de doexkins. De tekstbezorger geeft voor ‘doexkins’: rokjes. Niet eerder hoofddoeken of halsdoeken?

 

3 (Witte, zuivere) doeken = de deugdzaamheid van vrouwen (positief)

 

Der minnen loep III ed. 1846 (1411-12)

  • 64 (Boek IV, verzen 421-423). Een ars amandi. Als de vrouwen net als de mannen gemakkelijk overspel pleegden, goede wiven mit suveren doecken / waren dan verre te zoecken, / vrouwelic eer verloer den camp.
  • 106 (Boek IV, verzen 1566-1568). De auteur raadt de vrouwen aan om trouw te blijven: Die schone, witte, suvere doecken, / die ghi draghet int ghemeen, / laet die bliven sonder scheem [schande].

 

4 (Witte) doeken = vrouwen (pejoratief-erotisch)

[Bax 1948: 68. ‘Een doek was oudtijds een zinnebeeld van het vrouwelijk geslacht; het woord betekende soms ook vrouw.’ Bax 1948: 73. ‘De doek is ook hier een zinnebeeld van het vrouwelijke.’ Bax 1956: 54. ‘Een doek was in de Nederlanden oudtijds een zinnebeeld van het vrouwelijk geslacht.’ Bax 156: 90. ‘Doekachtig, d.i. gesteld op vrouwen.’Bax 1983: 33-35, geeft voorbeelden in het werk van Bosch en zijn navolgers waar prostituees en koppelaressen witte hoofddoeken dragen: deze zijn niet geoornd en lopen door onder de kin. Bax 1983: 105. ‘A cloth was in former times a symbol of the female sex, and doekachtig (cloth-like) meant: inclinded to skirt-chasing. Bosch used this symbol in several instances.’ Bax 1983: 117. ‘In the Dutch language a cloth was a symbol of the female sex.’ Bax 1983: 184. ‘The cloth is symbolic of the female sex.’ Bax 1983: 263.’A cloth in former times was a symbol of the female sex. Describing a man as doekachtig (lit.: cloth-like) meant that he was a skirt-chaser, and a man who had a way with women was called a doekman (lit.: clothman).’]

[Marijnissen e.a. 1972: 55. Verwijzend naar Bax: ‘Het is inderdaad juist dat de oude zegswijze “witte doeken” vrouwen betekende; maar moet men dientengevolge alle afbeeldingen van witte doeken interpreteren als een toespeling op vrouwen?’]

[Bij deze topische beeldspraak is er sprake van metonymie, waarbij het witte doek dat in de late Middeleeuwen vaak door vrouwen als hoofdbedekking werd gedragen, een pars pro toto is voor de vrouw als dusdanig.]

 

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 145 (refrein 39, strofe g, verzen 15-16). Amoureuze rederijkersklacht (van vrouw over haar ontrouwe minnaar): Nemmermeer en sal ic ander liefken soeken; / nochtans siet hij na ander witte doeken. Hier eigenlijk gewoon-neutraal: vrouwen, maar in context van ontrouw in de liefde.

Aerm jnde buerse ed. 1920 (1529)

  • 287 (vers 89). Rederijkersspel. Elckerlyc zegt tot Aerm jnde Buerse dat hij soms naar vrouwen verlangt en naar de badstoof en het bordeel gaat: Altemets dat jc ooc douckachtich zy. RG 1959: 133, geeft als verklaring voor douckachtich: ‘Op vrouwen gesteld of naar vrouwen verlangend’, met als enige bewijsplaats deze passage bij Cornelis Everaert. De passage wordt ook gesignaleerd in Bax 1948: 68.

Bijns ed. 1875 (1553)

  • 150 (Boek II, refrein 15, strofe b, verzen 7-8). Vroed rederijkersrefrein. De wereld gaat verkeerd, onder meer: Om dat de priesters hen som gheerne vermeyen / bij de ruters metten witten doecken. Hoeren.
  • 161 (Boek II, refrein 18, strofe c, verzen 9-10). Vroed rederijkersrefrein. Over het losbandig gedrag van de lutheranen: Al maectmen ooc somtijts een jonck Luteraenken, / daer knechtkens vergaert sijn en witte doecken. Losbandige jonge vrouwen.

Heynken de Luyere ed. 1920 (1582)

  • 9. Volksboek. Een cappelaenken vraagt aan Heynken om hem te helpen een nicht te zoeken, waarvan hij vermoedt dat ze in de prostitutie zit: Want ick weet wel seyde hy dat ghy my dient / en verkeert oock gheerne met witte doecken. Hoeren. Ook gesignaleerd in Bax 1956: 54 (noot 9) en Marijnissen e.a. 1972: 98 (noot 86).

 

5 Onrein, vuil of versleten doek = zondigheid

[Vergelijk Isaïas 64: 6 = Allen zijn wij als onreinen geworden, / en heel onze deugd als een doek, door stonden bezoedeld.]

[Bax 1962: 3. Naar aanleiding van het stuk doek om het linkerbeen van de marskramer op de Rotterdamse tondo: ‘Zulk een oude lap werd in Bosch’ tijd een slet en een sleter genoemd. “Beslet” kon betekenen: gebonden of verbonden met zo’n doek, maar ook: verstrikt, bijvoorbeeld in zonden.’ Vergelijk MNHW 1981: 84 (besletten) / 546 (sleter).]

 

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 376 (Winterstuc, hoofdstuk 48, regels 180-183). Theologisch compendium. Want die mensche is gekeert in sijnre ioncheit op gulsichede, in sijnre manheit op hoemoet, in sijnre outheit op ghiericheit. Ende also hebben dese sonden al die heel werelt beslet.

Het Tübingse Sint-Geertruihandschrift ed. 1996 (circa 1445-50)

  • 104 (nr. 3, verzen 567-570). Geestelijke rijmtektst over het strenge Laatste Oordeel: niemand is zonder schuld. Want alle onse rechticheit / is ghelijc een doec gheseit / daer hoer een vrouwe meed purgeert / als ons ysayas leert. Bedoeld wordt dus maandverband.

Elckerlijc ed. 1979 (XVd)

  • 9 (verzen 116-117). Rederijkersspel. Elckerlijc klaagt over zijn zondige toestand: mijn staet / es so verwerret ende so beslet.

Meesen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 131 (verzen 174-176). Rederijkersspel. Ghetughe des Gheests zegt: Als een onreyn douc / zijn menschelicke waercken (hoe dat ghijt keert) / Godt behaghelic, zo Esayas leert.

Deinze: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 631 (verzen 62-64). Rederijkersspel. Paulus verwerpt de dwaze vragen van de mens: En Paulus heetet al zotte vraghen / in welcx behaghen niemant magh verbeteren, / want hy verwaerpse als onreyn sleteren. Vergelijk 2 Timotheus 2: 23.

De groote hel ed. 1996 (1564-65?)

  • 34r (verzen 1320-1321). Rederijkersspel. Waerlick Quaet Rigiment zegt: Deese tijtelijcke eer als een hant vol sonnen / is wech geronnen, als een verbranden Doeck.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 285 (Boek III, refrein 19, strofe f, verzen 16-17). Vroed rederijkersrefrein. Wij seggen wel, Godt plaecht ons, ay lacen! Maer / en dencken niet, dat wij sijn sondige sleteren.
  • 390 (Boek III, refrein 49, strofe c, vers 12). Vroed rederijkersrefrein. Waer blijve ic dan, arme sondighe sletere?

De Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 100 (verzen 156-157). Rederijkersspel. Den Troosteloosen Zondare zegt: Want smenschen herte es boos, en aerch, vul onwerdicheyt, / ja, als eenen besmetten douck es zyne rechtverdicheyt.

 

6 Sleter, slet = dronken persoon

[Bax 1962: 3. Omtrent het stuk doek om het linkerbeen van de marskramer in Rotterdam: ‘De doek om het been duidt er m.i. op, dat de man in een zonde verstrikt is. Dit kan hier de zonde van de dronkenschap zijn, omdat “slet” ook kon betekenen “dronkelap”. Het woord sloeg zowel op een man als op een vrouw. En “sletterij” wilde zeggen “dronkelapperij”.’]

 

Die Mane ed. 1992 (XVIB)

  • 146r (vers 126). Rederijkersklucht. Een vrouw tegen haar dronken man: ghij droncken slet. In vers 136 (op dezelfde bladzijde) de regie-aanwijzing: baert slaet hem met een slet.

 

7 Sleter, slet = schooier, iets zonder waarde

[Bax 1962: 4. ‘Ik wijs er ook op, dat met het woord sleter in de 16de eeuw een schooier kon aangeduid worden, en iets dat zonder waarde was.’]

 

Aerm jnde Buerse ed. 1920 (1529)

  • 291 (vers 248). Rederijkersspel. Aerm jnde Buerse over zijn niet willen huwen met een minderwaardige partij: Maer noode zoudic met dante of sletere bremen.
  • 295 (vers 414). Aerm jnde Buerse over zichzelf: men misprijst hem overal. Elckerlyc scuut hem, als vorte sleteren quaet.

Tienen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 352 (vers 189). Rederijkersspel. Staervende Mensche zegt tot een negatief personage: ga weg want ic en achte u woorden niet wart een sletere. Sleter = iets zonder waarde.

De groote hel ed. 1996 (1564-65?)

  • 31v (vers 1094). Rederijkersspel. Lucifer zegt: Dat Dander arm sletten niet hebben. Arme sletten = schooiers.

Schipper, Pelgrim en Post ed. 1998 (XVIB?)

  • 31r (verzen 434-435). Rederijkersspel. Post zegt: Ick en acht u tween reijsen niet een sletere / tegen den mijnen want ick heb al doerreeden.

Sommich Mensch en het huijs van Nering ed. 1993 (vóór 1604)

  • 18r (vers 1738). Rederijkersspel. Nering zegt: mijn leden sijn so slap noch als een slet.

 

8 Sleter (varianten: sletter, slet, sletse) = versleten doek, vod, flard = (metaforisch) invectief voor boosaardige, hoerige vrouw

[RG 1959: 384. Sleter(e), slettere = scheldnaam voor een (boosaardige of zedeloze) vrouw.]

 

Spel van de V vroede ende van de V dwaeze maegden ed. 1979 (XVIa)

  • 148 (vers 716). Rederijkersspel. Lucyfer tot de dwaze maagd Hoverdie: Tes te late dat ghi nu daerom dynct, ghi vuil sletere.

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 105-106 (verzen 2990-2993). Rederijkersspel. Sinneke tot Dierick: Hier zijn de scoonste vrouwen vander werelt / die rijcxste, die machtichste die in tlant zijn. / Ey arm katijf dat sou uwen tant zijn. / Wat soudy u worpen aen arme sleteren.
  • 107 (vers 3044). Moeder van Dierick: Tis al om die sletere, dat soudick duchten / Katherina, dat hy dus carmt ende truert.
  • 168 (vers 4765). Moeder tot Dierick: Ghy en soud u niet bederven aen arme sleters.
  • 173-174 (verzen 4917-4918). Katherina: Als hy ghesont ware ick soude vergheten zijn / ghelijck die sleters die versleten zijn.
  • 207 (vers 5863). Sinnekes over Katherina: Ey valsche cladde, O onaerdighe sletere.

Mariken van Nieumegen ed. 1980 (circa 1516)

  • 72 (verzen 601-602). Rederijkersspel. Emmeken zegt: O moeie, moeie, uw fel verwiten groot / zal mi maken een verdoemd sletere.

Pyramus ende Thisbe ed. 1965 (circa 1520)

  • 181 (vers 291). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: Wat segt ghi van Thisbe die cleyne ionge sletse?

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 9 (regel 7). Spreekwoordenverzameling. Sy is een yedermans voetsleth.

Retorijka en Justicia ed. 1993 (1579)

  • 23r (vers 448). Rederijkersspel. Mars tot Den Paijs (een vrouwelijk personage): Ghij lelicke slet, wijldij mijn gevangen beromen.

De Minckijsers ed. 1992 (XVIB)

  • 115r (vers 922). Rederijkersspel. Sodt tot de hoer Alderhande Gebreck: Swijcht selver vuijl sleter.

Lichtekoij ed. 1997 (XVIB)

  • 43r (vers 658). Rederijkersspel. Een man tot zijn van overspel beschuldigde vrouw: Wel wadt segt ghij ghij vuijle slet.

 

9 Doeken = Christus’ genade die wonden (= zonden) geneest

 

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 72 (refrein 104, strofe d, verzen 11-13). Vroed rederijkersrefrein, gericht aan de vechters voor het ware geloof: Alle die verwinnen, sal dlam met witte doecken / verchieren, wt allen hoecken, oft wt wat landt, / en geven hem eenen witten steen in syn handt.

tGeslacht der Menschen ed. 1996 (XVIB)

  • 139v (verzen 985-988). Rederijkersspel. De Samaritaen (Christus) tot Tgeslacht der Menschen: Compt Laet mijn Deese Doecken hier om binden / en u seeren bewinden, sonder eenich Letten / dan sijnse bescermt voor alle besmetten / niet mach u dan hinderen, alsoo ick meen.

 

10 Iemand doekjes om het hoofd binden = iemand bedriegen

 

Jan Goemoet ed. 1946 (vóór 1559)

  • 12 (verzen 245-248). Rederijkersklucht. Een kwakzalver bestrijkt Jan met pek en bindt hem een doek rond het hoofd om zijn haar proper te houden. Tegelijk een (vermoedelijke) toespeling op ‘iemand doekjes om het hoofd binden’? Het wordt niet expliciet gezegd in de tekst.

tHuis van idelheijt ed. 1996 (vóór 1568?)

  • 78r (verzen 1504-1509). Rederijkersspel. Den Dwalenden Mensch loopt heel de tijd met een doek voor zijn ogen, die ‘menschen verstant’ heet. Den Dwalenden Mensch zegt: Die hebben mijn Den Doeck voor Doogen gehowen / van menschen verstant. Diversche Sinnen zegt: Dat hebben wij alsoo gebrowen / Dat Die waerheijt niet en mach boven coommen. De neefkens Diversche Sinnen en Idel Begrijp hebben die doek dus voorgebonden = de verblindheid van de mens voor zijn zondig gedrag.

 

11 Restmateriaal

 

De Beatis ed. 1979 (1517 / 1521)

  • 100. Reisjournaal. Als vrouwen in Vlaanderen een zoon gebaard hebben, binden ze een zakdoek aan de deurknop. Volgens een andere bron, namelijk het reisjournaal van de Anonieme Milanees (aldus een voetnoot), binden ze een zakdoek bovenaan de knop in het geval van een jongen, onderaan de knop in het geval van een meisje.

 

[explicit 21 juni 2016]