DOORN (en distel)

 

1 Doornen // zondigheid

 

Sancti Eusebii Hieronymi Epistulae ed. 1991 (circa 400)

  • 86-87 (Brief XXII, paragraaf 17). Latijnse brief, daterend van 384. Ascese moet volgehouden worden: The mind when cloyed straightway grows sluggish and the watered ground puts forth the thorns of lust [spinas libidinum].
  • 94-95 (Brief XXII, paragraaf 20). Latijnse brief, daterend van 384. I praise wedlock, I praise marriage; but it is because they produce me virgins. I gather the rose from the thorn [lego de spinis rosas], the gold from the earth, the pearl from the oyster.
  • 130-131 (Brief XXII, paragraaf 31). Latijnse brief, daterend van 384. The thorns [spinae] that choke our faith are the taking thought for our subsistence. Care for the things of the Gentiles is the root of love of money. Als je het moeilijk hebt met bekoringen, lees 2 Cor. 12, 7: There was given to me a thorn in the flesh, the messenger of Satan to buffet me, lest I should be exalted above measure.
  • 254-255 (Brief LIV, paragraaf 14). Latijnse brief, daterend van 394. These are the garlands you must make for Christ in place of the crown of thorns [pro corona spinea] in which He bore the sins of the world.

Legenda aurea I ed. 1993 (circa 1260)

  • 67 (hoofdstuk 12). Latijnse verzameling heiligenlevens. Sint-Silvester legt de maagdelijke geboorte van Christus, de nieuwe Adam, uit: The earth from which Adam was formed was incorrupt and virginal, because it had neither opened itself to drink human blood nor been cursed with the curse of thorns; it had not had a dead man buried in it nor been given to the serpent to eat.
  • 69 (hoofdstuk 12). Idem. He [Christus] accepted the crown of thorns in order to give back to us the lost flowers of paradise.

Vierde Martijn ed. 1958 (1299)

  • 65 (verzen 260-261). Leerdicht. Jacob zegt dat de Deugd door de adel nu wordt bespot en aercheit sayt nv hare coren / daer wt wast wel menech doren. Hier: doornstruiken.

Fabulae ed. 1985 (XIIIB)

  • 70 (nr. 1). Verzameling fabels. De doornstruik die door droogte in brand schiet = the impious man (…) he sends forth the fire avarice, of pride, of luxury.

Orloy der Ewigher Wijsheit ed. 1926 (XIV)

  • 135 (regels 14-23). Stichtelijk prozatraktaat. De aardse, ontrouwe liefde wordt vergeleken met de goddelijke liefde. Wijsheid zegt: Die ghewarighe minnaren en hebben ghene grote sorghe omden doren daer die rose uut coemt, opdat si die rose hebben die si te hebbene begheren, noch ghewareghe wise liede en hebben niet lievere verguldenne behaghele scrinen, die in hem onreyne dinghen hebben, dan oude kisten die in hem hebben besloten preciose dierbare ornamente. Alsoe doen deser werelt lieve: in schine van buten soe ghevense dat zoete es ende delectable es, meer ten lesten soe schinkense alse een serpent venine; van buten scinense scoone als rosen ende blickende als snee, meer binnen siinse al vol onsuverheden ende ghefeneynder quaetheit.
  • 141 (regels 4-8). Wijsheid tot Discipel over diens geestelijke werk: Wedersprekinghe ende ongerechte oirdeele seldi van vele menschen liden ende vele achtersprekeren ende benidinghen zeldi hebben ende dan sal u hoet alse mit doernen ghecroent siin, alse uwe geestelike werke van hate ende van nide bedruct ende over niet ghehouden siin.
  • 152 (regels 2-6). De discipel over zijn eigen zondigheid: O roede rosen ende blickende lelien ende onbevlecte violetten, ghi heilige, zuvere zielen, aensiet dese spadeghe bloeme; merct ende siet, dat ic den doren ghelike bin ende aensiet in u herte, hoe saen die bloeme verdorret ende valt, die dese werelt pluct.
  • 169 (regels 26-28) – 170 (regel 1). Over de uitverkorenen die rechtvaardig en heilig leven: Dese siin onder die andre als lammer onder die wolve ende si gheven zoeten roke der doecht onder ghedoechsamheden alles wederspoets, ghelike dat doet die lyelie onder die doirne.

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 6-7 (II Oncuuschede, verzen 415-438). Stichtelijk rijmtraktaat. In verband met luxuria: Niet is anxt te elker uren / En is allene in luxuren, / Mer vele swarhede ende toorne / Comt daeraf, dat God selve heet doorne, / Want bi Ozeas prophecien / Zeghet onse here te dien: / ‘Met doornen vertuendic dine weghe’. / Die doornen die bedieden pleghen / Wake, vrese ende vele cost mede / Ende eene sondighe ernstichede, / Die welke men om luxurie drivet. / Hier af sinte Bernard scrivet: / ‘Hoe langhe wake, hoe langhe wene, / Ende blijsschape hoe overclene / Ter onsuverheiden behoren! / Hoe vele wakens gaet daer voren, / Hoe clene feeste comt daer nare! / Sulc waket die stonde van eenen jare, / Dat hem nauwe daer na gebuert / Feeste die eene wile geduert’. / Der luxurieuser verwoetheit / Is sulc, als scrifture seit, / Dat si doer doornen ende haghen / In die doot hem selven draghen.
  • 152 (V Hoverde, verzen 11.871-11.876). Over zondige koppels: Dese echscappe zijn min no mee / Gelike den scharpen doornen twee / Ondervlochten daer ende hier, / Die men te gader werpt int vier, / Omdat si niet moghen versceden. / Aldus verdoemensi hem beden.

Reis van Jan van Mandeville ed. 1908 (XIVB)

  • 58 (regels 28-37) – 59 (regels 1-17). Reisverslag. In Bethlehem zou een ten onrechte van ontucht beschuldigde jonkvrouw in brandende doornen moeten sterven, maar de brandende doornen veranderden in rode rozen en de nog niet brandende doornen in witte rozen.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 84 (nr. 41, verzen 16-23). Leerdicht. Draghen wy dan in onsen sinne / Vreemde minne op aertsche dinghen, / Die die werlt wel ghelinghen, / Isser God ghescheyden van, / Ghelijc den doren [dwazen] minnen wy dan, / Die netel, classe, scharpe doern / Planten onder tgoede coern, / Daer die vrucht wert om bezeert.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 121 (Winterstuc, hoofdstuk 20, regels 226-228). Theologisch compendium. David seit: Ic werd ghekeert in minen druck, doe die doern in mijn herte stack (Glosa:) wroeghen van sonden inder consciencien.
  • 140 (Winterstuc, hoofdstuk 21, regels 250-253). Hier-om seit Salomon: Maechdelike reynicheit sel twivoldich werden totten croen. Want het is vreemde vrucht die God gadert, ende lest margariten uten schilpen, rosen vanden doornen.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 37 (Somerstuc, hoofdstuk 3, regels 118-121). Theologisch compendium. Want gheliker wijs dat onse sonden sijn recht als doornen, die ons steken ende prekelen in onser conscienciën gronde, als wi voelen wroeghen ende straffen van binnen.
  • 37-38 (Somerstuc, hoofdstuk 3, regels 132-137). Dese doornen sijn veel, die Apostel [zie Gal. 5, 19] noemt te wesen wercken des vleischs ende die sijn openbaer, als overspul, onreinicheit, onsuverheit, oncuuscheit, onscamelheit ende onreinige ghiericheit, aenbeden der afgoden, viantscap, kijf, aefgunsticheit, toorne, secten, scelden, dootslaen, dronckenscap, werscap [brasserij].
  • 38 (Somerstuc, hoofdstuk 3, regel 147). Dat alle sijn doorne der sonden.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 360 (Somerstuc, hoofdstuk 25, regels 34-36). Theologisch compendium. Het vierde werk van barmhartigheid: zieken bezoeken. Zieken helpen is meer waard dan vasten: want die vasten, hanghen hem selven op mitter nasen, mer die die siecken vanden, wassen onder den doirnen.

Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 459 (paragraaf 516). Stichtelijk prozatraktaat. Naar aanleiding van de maagdelijkheid: Dese lelie bewaert haer scoenheit onder die doornen der becoringhen. Want dat vleysch is een mishoep [mesthoop], die anders niet en ladet als hi op hem selven is, dan netelen of doornen, dat sijn quade vermaninghen, die dicke prekelen den geest. Mer die lelie der maechdelicheit en heeft gheen noet vanden doorne, als si wel ghewortelt is inder minnen goods, diese van becoringhen bescermt.

Leven Ons Heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 198. Jezusleven. Doerne der ongheloven ende der sonden.

Spiegel der Sonden ed. 1901 (1434-36)

  • 40 (regels 10-30). Stichtelijk prozatraktaat. Inder luxurie en is niet alleen anxt, mer veel quaetheiden comen daer uyt als liegen, driegen, vechten, zweren, toerne ende mennige sunde, als gij noch hoeren sult. Got sprac biden propheet Ozeas ‘mit doernen betuyn ic dijn wege’. Die doerne beduyden waken, anxte, smeken, bidden ende een eernstige besondicheit die men duck om luxurie wille drijft. Hier op seet sunte bernart: ‘woe lange waken, woe groet wenen, woe voel arbeidts hoert totter onzuverheit. Ende woe cleyn is die blijtscap die daer nae comt. Die sulc waket, loept ende arbeidt een jaer lanck, daer hem nae aff gheboert nauwe feeste die als iet duert’. Die scrifture seet: ‘Der luxurioser verwoedtheit is sulc, alsoe dat si doet doernen noch doer hagen haer niet en vertraget te comen Si bereiden hem mit groter costelicheiden Om hem luden den rechten wech ter hellen wart te wijsen’.

Navolginghe Ons Heren Jhesu Cristi ed. 1954 (XVA)

  • 129 (boek III, hoofdstuk 20, regel 21). Stichtelijk prozatraktaat. Over de zondige mens: Mer leider, die quade genoechte verwint dat hert dat hem totter werlt gheeft, ende onder die doornen te wesen rekent hi weelden.

Geraardsbergse handschrift ed. 1994 (1460-70)

  • 72 (nr. 57, vers 5). De weerelt vul doernen ende braemen.

Brugman ed. 1948a (vóór 1473)

  • 231 (preek 19, regels 169-175). Prekenbundel. Die lelyen, die onder den doernen staen, daer-bi sijn verstaen die-gene, die in enen geesteliken staet sijn, ende reynicheyt haers lichaems van buyten houden, mer van binnen en nemen si haer-selfs niet waer. Si hebben genuechte in vulen gedachten ende in quaden begeerten, ende liggen verplet onder haer quade gedachten ende begeerten, recht als die lelyen die verplet liggen onder den doernen.
  • 232 (preek 19, regels 182-187). Die ander lelye, dat is die lelye, die tusschen den doernen staet, die werden dicwilen gesteken ende geprekelt vanden doernen. Daer-bi sijn beteekent die-ghene, die noch dagelics aen-gevochten werden ende geprekelt vander prekelinge des vlees. Ende al ist dat dese dagelics aen-ghevochten ende geprekelt werden van vleescheliker becoringen, des en ruyken si niet te qualiker.
  • 233 (preek 19, regels 223-225). O gi meechden ende lelyen christi, en wilt u niet ontsien, al wordi dagelics geprekelt ende gesteken metten doernen der becoringen.
  • 233 (preek 19, regels 235-239). Die derde lelye is die boven den doernen, ya boven allen doernen verhaven is. Hier-bi sijn beteekent die-gheen, die boven alle becoringe des vleeschs ende boven alle gebreken verhaven sijn ende haer natuer verwonnen hebben, alsoe datse ghenen strijt in hem gewaer en worden, daer der niet veel toe en comen.

Brugman ed. 1948b (vóór 1473)

  • 128 (nr. 13, regels 256-263). Sermoen. Brugman vergelijkt de zonden van de mensheid met de doornen in Christus’ doornenkroon: Ende wi en sullen God niet sueken in creaturen of in enighen ghescapenen dinghen. Adam sochte ghenoechte in Eva, sijnre huusvrouwen, in-dien dat hi hoer consentierde ende at vander verboedenre vrucht ende brac dat ghebod Godes, ende doe verloes hi God. Ende alle dese temtacien sin tacken vander doernen-crone, ende dese moeten wi overclymmen ende laten God mit ons doen wat dat hi wil.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 200 (verzen 28-29). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Uw fame climpt totten oppersten trame / Wt des werelts brame inder Enghelen vruecht. Brame = doornstruik.
  • 335 (vers 9). Vroed rederijkersrefrein, ironisch-satirisch. De (zogenaamde) deugd van de edelen teeckent haer wt als roosen wt bramen.

Boeck Cantica Canticorum ed. 1945 (XVd)

  • 123 (hoofdstuk 2, regels 15-20). Bijbelcommentaar. Naar aanleiding van Hooglied 2, 2: Daer om seecht Christus: Alsoe als een vry veltbloem geen wederstant en lyde noch lyden en derff, ‘soe is myn vrindynne mydden onder den dochteren, dat is midden onder den creaturen als een lilie is mitten onder den doernen’. Merck: Soe waer si die wynt hen weyt, daer wort si gesteken van den doernen. Alsoe is oeck die ziele onvrij mit allen werken der creaturen.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 126 (refrein 65, verzen 37-38). Vroed rederijkersrefrein. Het geweten wordt vergeleken met een boomgaard, de deugden met goede kruiden en de zonden met drie planten: riet (hovaardij), gouwert (onkuisheid) en doornen: Die dorne die al omme ghestrict was / dats ghiericheyt nader ewangelien slott.
  • 228 (refrein 113, vers 53). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. In mulieribus / rose sonder doren.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 55 (refrein 162, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Scuyt die doornen / gaet inde roosen root.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 18 (refrein 5, strofe c, verzen 2-5). Vroed rederijkersrefrein. Want alle duecht inder temptatien groeydt, / Ghelijck de roose wast bij den dooren, / Zeer zoet van gooren, / In tegenspoedt God ooc veel gratien vloeydt.
  • 119 (refrein 33, strofe b, verzen 6-8). Vroed rederijkersrefrein. Want den wech des levens, zoo Cristus seydt, / Es hert ende scherp, vol doornen gespreydt, / Zeer nauwe ende smal. Hetzelfde in De Bruyne II ed. 1880: 150 (refrein 76, strofe 2, verzen 6-8).
  • 321 (refrein 89, strofe c, verzen 7-8). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Eerde zeer vruchtbaer, roose zonder dooren. / Doren der zonden u noeyt en deerde.
  • 336 (refrein 92, strofe b, vers 7). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Gloriose, zondelose rose zonder doornen.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 29 (vers 681). Rederijkersspel. Minnende Herte (= Christus) over Geloof, zijn geliefde: mijn lelije onder den doren ghedect.
  • 77 (verzen 1804-1805). Scriftuerlijcke Hoede in een refrein over de goede gelovigen, gericht tot de ketters: mannen van Iuda, vernieut v nieuwelant ende wilt niet / vp die doornen saijen.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 165 (Boek II, refrein 18, strofe k, verzen 6-8). Vroed rederijkersrefrein. Ghelijck de rooskens staen onder de doornen, / Staen de kinderen der kercken tallen weghen / Onder de ketters.
  • 188 (Boek II, refrein 24, strofe s, vers 12). Vroed rederijkersrefrein. Uit de lutheranen kan niets goeds voortkomen: Men can gheen wijndruven gelesen van doornen. In margine: Mt. VII.

Groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 30v (verzen 988-990). Rederijkersspel. Schijn van Gheestelickheijt bekent zijn zonden: Ick en was niet anderwarff nae Den geest geboren / maer in scarper Doren was ick gecoomen / ick ben tonder gebleven in daersche Rijckdommen.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 269 (Boek III, refrein 14, strofe d, verzen 15-16). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Gelijc Troosken ongeschent groeyt bij den doren, / Onsondich geleeft, ontfangen, geboren.
  • 322 (Boek III, refrein 30, strofe c, verzen 2-3). Vroed rederijkersrefrein. Wilt voor u eenen acker bouwen; / Saeyt op de doornen niet.
  • 322 (Boek III, refrein 30, strofe c, verzen 15-16). Vroed rederijkersrefrein. In Gods dienst sijt vlijtich tallen poosen meest, / Uut doornen roosen leest, wilt niet versmaden raet.
  • 394 (Boek III, refrein 50, strofe e, verzen 10-14). Vroed rederijkersrefrein. U godlijc saet en heeft in mij niet gevaet, / (Hoorende u woort en heb icx niet onthouwen) / Vallende bij den wech eest vertreden, jaet, / In mij, steenige eerde, o godlijc Prelaet, / Eest verdort, vanden doorne liet ict verdouwen.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 11 (refrein 3, strofe 3, verzen 11-12). Vroed rederijkersrefrein. Tot de goede christenen: hout u als schaepkens onder de wolven; want / als een roose sydy onder de doornen geplant.
  • 60 (nr. 14, strofe 2, verzen 11-13). Vroed rederijkersrefrein. De ik zegt: Ic ben een werck, o goddelycke fame, / uwer handen, wiens sone tschaepken sochte / onder dystelen, doornen, daer lieffde in wrochte.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 191 (refrein 83, strofe 1, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Aansporing tot de zondaar: schout de doornen, gaet inde roosen root.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 28 (refrein 95, strofe 3, verzen 2-4). Vroed rederijkersrefrein. Want alle duecht inder temtacien groeyt, / ghelyck de roose wast byden doren, / ser soet van goren.
  • 56 (refrein 100, strofe 4, vers 13). Vroed rederijkersrefrein. Ick en sie niet dat men vygen van doornen leest.
  • 65 (refrein 103, strofe 1, verzen 9-11). Vroed-amoureus rederijkersrefrein (‘ick’ = de geliefde van Christus). Ick ben als een blomme (hoe sal ickt maken?) / des velts al onder de doren geplant, / & worde soo bespiet van de Babeloense draken.
  • 78 (refrein 106, strofe 2, verzen 12-13). Vroed rederijkersrefrein. Over de vrome ziel: want tot Godts wrake soo synse geboren, / die Godts bruyt schinden, die roose sonder doren.

Prieelken der Gheestelycker Wellusten ed. 1927 (1587)

  • 139. Zinnenspel. Bruyt (= de ziel) tot Bruydegom (= Christus): Ic sal u volgen door de doornen tot deser spacie / Door lief door leet, door hebben en derven.
  • 145. Zinnenspel. Liefde zegt dat wie rijkdom goed gebruikt, deugdzaam handelt, maar: Maer dien wellustelyck gebruyct naer zyns herten wnesche / Hy sal de conscientien vol doornen steken / Ende planten in alle staten sonden ende gebreken.

Heijlige Kerck tegen Heresije ed. 1994 (XVIB)

  • 55r (verzen 268-269). Rederijkersspel. Ecclesia zegt tot Christus: Och bruijdegom mijn vianden ter neder te vellen past / het Lelijtgen onder den dooren, wilt niet verdruckken Laten.

 

2 Doornen en distels // zondigheid

[A.M.J. van Buuren, “De tuin in het kader van de middeleeuwse natuurbeleving”, in: R.E.V. Stuip en C. Vellekoop, Tuinen in de middeleeuwen, Hilversum, 1992, pp. 115-130, meer bepaald p. 127. Naar aanleiding van het tweede vers van Suster Berkens’ Ic was in mijn hoofkijn om cruyt gegaan: ‘Maar de tweede regel zet een geheel andere toon: niets dan distels en doornen. Middeleeuwers moeten hier, om het wat vreemd te formuleren, een bijbelse “aha-erlebnis” hebben gehad: de woorden verwijzen rechtstreeks naar het derde hoofdstuk van Genesis (v. 17-18). Als Adam en Eva na de zondeval op hun misstap door God worden aangesproken, krijgt Adam te horen: “Zwoegend zult gij van hem [de grond] eten, alle dagen van uw leven. Distels en doornen zal hij voortbrengen, met veldgewas moet gij u voeden”’.]

[Katrien Heene, “De symbolische betekenis en de materiêle functie van bomen in Latijnse heiligenlevens uit de middeleeuwse Nederlanden”, in: Barbara Baert en Veerle Fraeters (red.), Aan de vruchten kent men de boom – De boom in tekst en beeld in de middeleeuwse Nederlanden, Leuven, 2001, pp. 96-119, meer bepaald p. 101 (noot 17): ‘Distels en doornen worden in de bijbel als een van de gevolgen van de zondeval beschouwd (…). Ook vijanden worden daar in het Oude Testament mee vergeleken’.]

 

Sancti Eusebii Hieronymi Epistulae ed. 1991 (circa 400)

  • 59 (Brief XXII, paragraaf 3). Latijnse brief, daterend van 384: and do you expect peace on the earth, which yields only thorns and thistles [spinas / tribulos] and is itself the serpent’s food?
  • 90-93 (Brief XXII, paragraaf 19). Latijnse brief, daterend van 384: Let them marry and be given in marriage who eat their bread in the sweat of their brow, whose land brings forth thorns and thistles [spinas / tribulos], and whose crops are choked with brambles [sentibus]. Het wereldse leven van het huwelijk wordt hier afgezet tegenover de maagdelijkheid.

Rijmbijbel I ed. 1858 (1271)

  • 35 (hoofdstuk 17, verzen 751-754). Berijmde historiebijbel. Over de Zondeval van Adam en Eva: Die aerde was ghevloect ghenoech / Omdat soe die vrucht droech / Dies draegd zoe in onsen toorne / Beede distelen ende scarpe doorne.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 163 (Winterstuc, hoofdstuk 24, regels 70-73). Theologisch compendium. Naar aanleiding van de Zondeval spreekt God tot Adam: In zweet dijns aensichts selstu dijn broet eten, ende dat eertrijc sel vermaledijt wesen in dinen arbeide: dystel ende doorn sel het voortbrengen.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 487 (Somerstuc, hoofdstuk 40, regels 13-15). Theologisch compendium. Het kerkelijk jaar wordt symbolisch in vieren gedeeld. De eerste periode is die der dwaling = van Adam tot Mozes. Toen Adam uit het Paradijs verdreven werd: Die aerde was veronwaert in sinen arbeide ende bracht voort distelen ende doernen.

Eerste Bliscap van Maria ed. 1978 (1448)

  • 67 (verzen 298-300). Mysteriespel. God straft Adam na de Zondeval. Over de aarde: In arbeide seldi van haer gevoet sijn. / Dornen, distelen, aldus moet sijn, / Sal si u bringen.

Boeck vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (XV)

  • 114 (regels 1-6). Stichtelijk prozatraktaat. In een beschrijving van de hel: Die verdoemde sielen warden daer doer dystel ende doorne ghesleept, den enen berch op ende den anderen weder neder dat hem velle ende vleysche daer an blyft te hanghen ende dat hem dat bloet tot allen leden wtspringhet.
  • 206 (regel 9). Over de hemel: Daer en wasset doerne noch dijstel noch gheen oncruyt.

Byen Boeck ed. 1990 (XV)

  • 83 (Boek II, hoofdstuk 10, regels 13-18). Stichtelijk prozatraktaat. Naar aanleiding van de broedermoordenaar Caïn: Na deser figuren we ghijn hoder sinds broders wesen en wil ende van sinen broder nicht en wil bewart wesen de wort vake lantvluchtich ende gheiaget mit menigherhande becoringhe ende de eerde wort vermaledijt in sinen werke also dat se em vort brengen sal dornen des wrogens der consciencie ende distel der schande.
  • 128 (Boek II, hoofdstuk 28, regels 32-34). Tot Maria: O vrouwe et en betemet [betaamt] dy nicht dyn vlesch unde bloet te versmane, want du bist ghebaren van den ioden gheslechte, recht als ene rose van den dornen, ende als ene lilie van den dijstel.

Suverlijc Boecxken ed. 1957 (1508)

  • 53 (lied 16, strofe 7, verzen 1-4). Lied. Christus tot de mens: Doer u o mijn verkoorne, / heb ic scarpe weghen gegaen / doer dijstelen en doer doorne / moet ghi mi volghen aen.

Suster Bertken ed. 1924 (1518)

  • 64. Vroed lied. Ic was in mijn hoofkijn om cruyt gegaen: / Ic en vanter niet dan distel ende doorn staen.

Diets gebedenboek ed. 1961 (XVIa)

  • 25. Gebedenboek. Naar aanleiding van de Passie: Ende sleijpten v doer distelen ende doer doornen, dat vel ende vleesch daer aen bleef hanghen.

Wynghaert ed. 1920 (1533)

  • 504 (vers 191). Rederijkersspel. De wijngaard van God (= de Kerk, het Geloof) staat vul distelen doornen / ende vul braemen.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 31 (vers 739). Rederijkersspel. Cristenkercke hoopt in een loflied op de vereniging van haar dochter Geloof met Christus: Alle distelen, doornen, zijt nu rosemarijnen.

Vreese des Heeren en Wijsheijt ed. 1968 (circa 1550)

  • 369 (verzen 89-90). Rederijkersspel. Wijsheijt zegt: Schout der godtloose wegen ter stont en ris / Die daer vol distelen en dornen gesaeyt staet.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 393 (Boek III, refrein 50, strofe c, verzen 5-6). Vroed rederijkersrefrein. Heere, ic ben de vermaledijde eerde, / Daer niet dan distelen en doornen uut en gaen.
  • 450-451 (Boek III, refrein 66, strofe d, verzen 5-8). Vroed rederijkersrefrein. Allendich vleesch, waer door den geest vertraecht, / Ghij zijt Adams eerde, van God vermaledijt, / Die van selfs niet dan dijstelen en doornen en draecht, / Dat zijn quade begeerten, so schrifture belijdt.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 60 (nr. 14, strofe 2, verzen 11-13). Vroed rederijkersrefrein. Ic ben een werck, o goddelycke fame, / uwer handen, wiens sone tschaepken sochte / onder dystelen, doornen, daer liefdde in wrochte.

Afval vant gotsalige wesen ed. 1996 (XVIB)

  • 120r (verzen 824-825). Rederijkersspel. Die Wet Moijsij (een doctor) zegt: want alle doornen, Distelen, Jonck ende ow / moeten versmoort ende uuijtgeroijt sijn in alle contreijen.

Geslacht der Menschen ed. 1996 (XVIB)

  • 137v (verzen 840-841). Rederijkersspel. De Samaritaen (= Christus) over Tgeslacht der Menschen: hij Luijstert noch niet, ick moet verder gaen boren / Door distel en doornen, al is dees wech hart en ru.

Patrija ed. 1932 (XVIIa)

  • 71 (vers 20). Rederijkersspel. Lijbertas verwijt Patrija dat hij in ongenade is gevallen bij de goddelijke majesteit: Want niet dan distels en doornen men van u verbeijdt.

 

3 Doornen // andere negatieve dingen

 

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 155 (V Hoverde, verzen 12.069-12.081). Stichtelijk rijmtraktaat. Zij die edel geboren zijn, kunnen onedel worden door hun daden: Exempel vanden egelentiere, / Die rosen draecht na zijnre maniere, / Van zoeten roeke zeere rike, / Den welken hi gheeft mildelike / Elken die hem comt nare, / Ende die doornen die met hare / Wassen, die zij onedel daer bi, / Want elken menschen quetsen si, / Die hem komen wil te nare. / Aldus so eist te verstaene clare, / Dat uut eenen vader ende moeder / Werden geboren twe gebroeder: / Deen wert onedel, dander vri.

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 469 (nr. 110, verzen 19-20). Amoureus lied. Man tot zijn geliefde: Ghenouchlic snijt der minnen brame [doorntak], / Niet meer ne werd gheprouft van mich! [ik zal u geen beproevingen meer aandoen].

Proverbia Communia ed. 1947 (circa 1480)

  • 90 (nr. 592). Spreekwoordenverzameling. Och och ick woen onder die doorne / Versor in tribulis spinis multisque coartor.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 43 (refrein 19, vers 24). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van man: Cupido straelde my mit sulcken doren.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 124 (refrein 193, verzen 10-11). Vroed rederijkersrefrein. Waarschuwing tegen lichtgelovigheid: onder rosen dornen corrosyf onder wijn / Die wercken syn onghelyc haren schijn.

Pas der Doot ed. 1936 (1528)

  • 105 (verzen 437-441). Rederijkersgedicht. De Dood tot Natuur: Elck misprijst u en wilt u vileynicheit breeden / Ende versteken ons wreede hoghe namen, / Mer om neernstich te dienen si hem bereeden, / Natuerlijck met siele en metten lichamen. / Selden sonder quetsen handelt men bramen. Bedoeld wordt: door zich voort te planten helpt de mens de Dood aan ‘materiaal’.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 214 (refrein 118, vers 10). Vroed rederijkersrefrein. Waarschuwing tegen lichtgelovigheid: Onder rosen [schuilen] doornen, corrosijf onder wijn.

Werck der apostolen cap. 3, 4 en 5 ed. 1903 (XVIA)

  • 326. Rederijkersspel. Johannes zegt tegen Christus: Siet Heere, nv comen als stekende bramen / Teghen uwen sone, als de gheexalteerde / Herodes, ia Israel ande Pilatus tsamen / Om te doene dat ghy predestineerde. Doornen = de tegenstanders van Christus (associatie met de doornenkroon).

Groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 26r (vers 585). Rederijkersspel. Waerlick Quaet Rigiment scheldt Schijn van Geestelickheijt uit: ghij opgeblaesen Doren.

 

4 Doornen en distels // andere negatieve dingen

 

Roman van de Roos ed. 1991 (circa 1240)

  • 66 (verzen 1796-1802). Allegorisch rijmtraktaat. Een haag van doornen en distels schermt de begeerde roos af: maar ’n haag van doorns en distels maakte / dat ik de knop niet kon bereiken, / nogmaals voor hun venijn moest wijken / en door hun lage hinderlaag / aan deze kant bleef van de haag, / gevlochten uit de stekelranken / van distels die hààr plaats omranken.

Sidrac ed. 1997 (circa 1320)

  • 735-736 (vraag 141, regels 1-6). Artestekst. Over dwaasheid: Die den ries volghet ende zine riesheit, hem comter of alle scande ende scade ende hi es ghelijc den den ghenen die gaet den zwaren wech doer destelen ende doer doernen ende hem zeluen moyet ende sine ghewaden arecht.

Hof en Boomgaerd der Poësien ed. 1969 (1565)

  • 9 (verzen 116-118). Gedicht. In de beschrijving van een minnetuin: Maer den achterportier was den valschen samblant / Wiens poorte ghemaect is (soo ic hebben beseuen) / Van destelen en doornen an elcken cant.

 

5 Doorn = penis

 

Nieuwe doctrinael ed. 1915 (XIV)

  • 269-270 (verzen 2032-2038). Stichtelijk rijmtraktaat. Over zonden tegen de evennaaste: Dat gaet sere teghen diegone / Die gherne pleghen of sijn ghewone / Maechden te nemen haer suverheit, / Want alle der sonden ghebreckelecheit / Daer si namaels in mesdoen, / Daer es hi al af occusoen / Ende sculdich, die haer ierst plante den doren.

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 38 (nr. XI, verzen 47-49). Zot-erotisch rederijkersrefrein op de stok ‘Neen lodderken, daer niet, ghy solt mij seer doen’. De ikverteller bespiedt twee naakte geliefden in een prieel: Ten laisten viel daer eijnen strijt; / Hy wyldese plaghen met einen dooren; / Al was sij naeckt, sij wachter haer vooren.

 

6 Doorn // positieve dingen

 

Rijmbijbel I ed. 1858 (1271)

  • 163-164 (hoofdstuk 79, verzen 3649-3670). Berijmde historiebijbel. Omtrent het brandende braambos dat Mozes zag (Exodus): Daer sach hi onsen Here in viere / In enen doorne in dier maniere: / Die doren die daer bernen dochte / Ende dien dat vier niet ne mochte / Ghescaden bediet Marien / Die alle tonghen benedyen. / Die was van den Jueden gheboren / Ende bediet die sin na den doren. / Tfier was die helighe Gheest / Die hare helpe ende vulleest / Ghaf dat soe hare reynechede / Behilt bi Gods ghenadechede. / Ofte anders in derre maniere / Dattie doren van den viere / Onghescaed was al omtrent / Also was Maria al ombekent / Van allen mannen ende ombesmet / Ende van der werelt ombelet / Daer soe in leefde ende in was / Gheliker wijs nu merket das / Dat tfier den dorne niene deerde / Noch sine blade niet verteerde. Dus: brandend braambos = Maria.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 214-215 (nr. 99, verzen 42-137). Leerdicht. De doern (doornstruik) staat allegorisch voor de deugden van de adellijke heer. Vervolgens wordt de linde vergeleken met de deugden van de adellijke dame.
  • 252 (nr. 120, verzen 131-137). Leerdicht. Over de goede edelman: Waermen stoute weer vermoet, / Daer sijn die palen wel behoet, / Entie heer die heves prijs. / Tacken van des doerns rijs / Die hem daer roeckeloes an wrijft, / Ic wane hi selve in smerten blijft / Of beronnen mitten bloede.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 43 (Somerstuc, hoofdstuk 3, regels 291-296). Theologisch compendium. Dese gulden rose die daer wast inden gaerde des gheesteliken herte sel omghetuunt wesen mit doornen, dat die wrede beesten, dat sijn die seven hooftsonden, daer niet toe en crupen ende den hof der herten niet om en wroeten ende die rosen scoeren ende riten of onder die voeten vertreden.
  • 43-44 (Somerstuc, hoofdstuk 3, regels 307-317). De hortus conclusus van het reine hart moet verdedigd worden door doornstruiken = allerlei deugden en ook de Arma Christi: Om dese staken soe set men oeck doornen, als sijn vigilien, waken, disciplijn, gheescelen, abstinencie, sparicheit van noturfte, peregrimaedse, versoecken heilighe steden, devociën, oeffeninge met innicheden; ende voort alle die roeden ghecelen vander calumpnen Xristi ende voort alle die wapenen der passien ons liefs Heren Ihesu Cristi. Aldus staet een reine herte mit doornen ombeset.

Noordnederlandse historiebijbel ed. 1998 (1458)

  • 311 (Exodus 3). Historiebijbel. Over het brandende braambos: Figuer: Den doorn beduut Maria, die in scarpheit der penitencien leefde. Ende dat vuer bediet die heilige Geest. Ende gelijc dat den doorn barnde sonder faelgieren, alsoe brocht Maria Jhesem ter werelt mit craft des heiligen Geest. Ende haer maechdelike reynicheit bleef ongequetst.

Veer utersten ed. 1975 (XV)

  • 114 (regels 21-22). Stichtelijk prozatraktaat. Een tijdsklacht (overal is zondigheid): vnde is ok iemant rechuerdich vnder one, de is ghelik eynem dorne an eynem tune.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 124 (refrein 66, vers 39). Amoureus rederijkersrefrein. Aanspreking van de geliefde vrouw: Mer weerde princesse, welrieckende doorne.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 151 (verzen 1335-1346). Rederijkersspel. God zegt tot de zondaar: Ick zal uwen wech met doorens betuunen zwaerlick. Even later blijkt dat bedoeld wordt: via armoe de zondaar tot bekering brengen. Doornen = vrijwillige (positieve) armoede. Vergelijk Osee 2, 8: ‘Daarom zal Ik haar paden met doornen omheinen’.

 

[explicit 7 mei 2017]