DRAAK

 

Op Bosch’ Sint-Christoffel-paneel (Rotterdam) slaat bovenaan links een man op de vlucht voor een draak.

 

Over middeleeuwse draak-symboliek, zie onder meer Rebold Benton 1992: 41-47 / 165. Houwen 1994: 16-17, signaleert dat de draak in de Middelengelse didactische literatuur geoassocieerd werd met de zeemeermin qua negatieve symboliek.

 

1 Draak = duivel of onderdeel van de hellefauna

[J.J.M. Timmers, Christelijke symboliek en iconografie, Weesp, 1985 (5), p. 211 (nr. 586): ‘De draak geldt als het symbool van de verderfelijke dwaling en van het heidendom. Dit is over het algemeen ook zijn betekenis in de Bijbel. In de middeleeuwen krijgt hij meer het karakter van het boze in het algemeen, m.a.w. wordt hij vereenzelvigd met de duivel’.]

[Bartelink 1990/91: 16-17, noteert dat in oudchristelijke heiligenlevens de draak verwijst naar de duivel.]

 

Dialogus miraculorum I ed. 2003 (1219-23)

  • 108 (afdeling 2, hoofdstuk 16). Stichtelijk Latijns traktaat. Deze [nl. de H. Gregorius] spreekt daar over een slechte jongeman die uitriep dat hij aan een draak overgeleverd was om verslonden te worden.
  • 302-303 (afdeling 5, hoofdstuk 1). Michaël en zijn engelen streden tegen de draak en aan de andere kant streden de draak en zijn engelen. Maar zij konden er niet tegenop en er was geen plaats meer voor hen in de hemel (Openb. 12, 7-8). Door zijn kwaadaardigheid is de luisterrijke Lucifer een draak geworden.
  • 311 (afdeling 5, hoofstuk 5). Over een duivel: Op dat moment zag die prior hem in de gedaante van een draak naar buiten vliegen.

Pierre de Beauvais: Bestiaire ed. 1980 (XIIIa)

  • 45. Bestiarium. Naar aanleiding van de panter: le dragon, c’est-à-dire le Diable.
  • 47. Idem: le dragon, c’est-à-dire le Diable.

Vanden levene Ons Heren ed. 2001 (XIIIA?)

  • 208 (verzen 3971-3972). Jezusleven. Over de helfauna: padden, slanghen, sarpente, draken, / die sielen te verslindene si haken.
  • 210 (verzen 4011-4014). Over de hel: Maer voert so ligghen drake fel / die sonder inde en doen niet el / maer laten ute hare kelen gaen / vlammen ende vier vele ongedaen.
  • 210 (verzen 4011-4018). Over de onderste hel: Maer voert so ligghen drake fel / Die sonder inde en doen niet el / Maer laten vte hare kelen gaen / Vlammen ende vier vele ongedaen / Die vlamme es donker swert ende heet / Sie es den sielen emmer gereet / Inder felre draken kelen / sijn die caitive ende emmer selen. Zie ook Vanden levene Ons Heren I ed. 1968: 138 (verzen 4011-4018).
  • 214 (verzen 4095-4098). Over de hel: Hier omme souden wi alle waken / hoe wi dat mochten gheraken / te doene, dat ons die felle draken / in hare kele niet en saken. Zie ook Vanden levene Ons Heren I ed. 1968: 140-141 (verzen 4095-4098).
  • 228 (verzen 4426-4427). Jezus spreekt tot de duivel: Onwert drake, haddic ghewilt, / Ic hadde dese vaert al gestilt. Zie ook Vanden levene Ons Heren I ed. 1968: 149 (verzen 4426-4427).
  • 246 (verzen 4824-4825). Jezus bij het Laatste Oordeel tot de zondaars: Gaet te dien draken in die hille / daer gi emmer selt in quellen.

Walewein I ed. 1957 (circa 1250)

  • 22 (verzen 552-555). Arturroman. Walewein vecht met een woeste draak. Hij zegt: dit is geen dier, het es die duvel uter hellen.

Legenda aurea II ed. 1993 (circa 1260)

  • 6 (hoofdstuk 99). Verzameling heiligenlevens. Een vuurspuwende draak valt de volgelingen van Jacobus Maior aan, maar door het teken van het Kruis wordt hij overwonnen.

Leven van Lutgard ed. 1996 (1274)

  • 102 (Boek II, hoofdstuk 10, vers 2942). Heiligenleven. Din fellen drake, din viant.

Sinte Franciscus Leven ed. 1954 (circa 1275)

  • 67 (verzen 1149-1162). Berijmd heiligenleven. Sint-Franciscus verdrijft een draak die Assise teistert. Die draak blijkt een duivel te zijn, zie vers 1180: De felheit vanden ouden viande.

Moriaen ed. 1970 (XIIIB)

  • 185 (vers 3806) / 187 (verzen 3859-3869). Arturroman. Acglavael vertelt over een droom waarin hij onder meer draken zag. Een klerk legt uit dat die draken verwijzen naar de duivel.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 158 (nr. 79, vers 85). Gedicht. Van Lucifer, den fellen draken.
  • 220 (nr. 102, vers 75). Van Lucifer, den helschen draken.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 142 (Winterstuc, hoofdstuk 22, regels 38-45). Theologisch compendium. Over de Val der Engelen: Also dat een groot strijt ghesciede inden hemel: Michael ende sijn enghelen vochten mitten drake ende hi wert uutgheworpen, die grote rode drake, die oude serpent, die duvel hiet ende sathanas, die seven hoofden heeft ende daer op seven besloten cronen dyademen ende heeft ien hoornen, ende sijn staert oech na hem dat derden deel der sterren vanden hemel neder inder aerden (Glosa:) dat derden deel vanden engelen.
  • 143 (Winterstuc, hoofdstuk 22, regels 61-62). Ende vinck den groten draeck, den ouden serpent, den duvel Sathanas.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 158 (Somerstuc, hoofdstuk 9, regels 238-241). Theologisch compendium. Onder dese tijt heeft God den drake ghebonden in die uterste nederheit der duusternissen, daer hi voor Antecrists tide niet en sel uutghelaten worden.

Dietsche Lucidarius ed. 1998 (1400-20)

  • Vers 2941. Stichtelijk rijmtraktaat. Te Lucifer, den helscen drake.
  • Verzen 5083-5085. Over de hel: In desen vier hebbic verstaen / Dat daer grote draken in gaen, / Die vreselike sijn ende gapen.

Spieghel der Menscheliker Behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 178 (hoofdstuk 30, verzen 49-52). Stichtelijk rijmtraktaat. Die drake ende die liebaert / Wort onder dine voete ghetart. / Daer wi den duvel ooc bi verstaen, / Daer zal maria met voeten up gaen. Vergelijk Psalm 90, 13.

Spiegel der Sonden II ed. 1901 (1434-36)

  • 62 (regels 41-44). Zondenspiegel in proza. Alle desen en mogen dan die onsalige ziele niet verloesen vander bittere pinen der hellen ende van den anxteliken drake, die viant vander hellen.

Sevenste Bliscap van Onser Vrouwen ed. 1978 (1455)

  • 185 (vers 1051). Mysteriespel. Helsce draken.

Visioen van Jacomijne Costers ed. 1996 (1489 of kort daarna)

  • 163 (regels 64-73). Geestelijk proza. De ziel van de non Jacomijne Costers ziet in een visioen de duivel in de vorm van een draak, met vleugels en een serpentenstaart en een kop als een leeuw, met twee grote horens.

Veer utersten ed. 1975 (XV)

  • 75 (regel 14) – 77 (regel 18). Stichtelijk prozatraktaat. Lange passage waarin draak = duidelijk: duivel.

Boeck vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (XV)

  • 113 (regel 2). Stichtelijk prozatraktaat. In de hel zijn onder meer draken.
  • 168 (regels 11-14). Over de straffen in de hel: Hem wert oec op dese tafel ghesettet rauwe ende leuendighe padden, slanghen, draken ende menighe onreyne dieren, die si an horen danc moeten eten.

Scone leeringe om salich te sterven ed. 1985 (1500)

  • 76 (regel 1075). Ars moriendi. Den helschen draec.

Diets gebedenboek ed. 1961 (1510-20)

  • 225-226. Gebedenboek. Tot Maria: In mijnre doot den helschen draeke ende leeuwe mij willende bedrieghen verniele o vrouwe ende drijft van mij.
  • 289. Gebed tot de H. Margaretha: Ende sonderlinghe in die vre onser doot Ende wilt mij dan beschermen voer den helschen draeck dat hij ons niet en verslinde.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 215 (refrein 107, vers 37). Vroed rederijkersrefrein. Die helsche draken = duivels.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 55 (Boek I, refrein 15, strofe b, verzen 2-3). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Wat isser in Duytschlant al bloets vergoten / Tot groten profijte vanden helscen draken.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 185 (refrein 49, strofe d, verzen 3-4-. Vroed rederijkersrefrein. Die wel sterft die es ontloopen de caken / Van den helschen draken.
  • 243 (refrein 64, strofe e, vers 17). Vroed rederijkersrefrein. Eer ons de helsche draken verslinden.
  • 289 (refrein 79, strofe c, verzen 13-15). Vroed rederijkersrefrein. Maer ic ben bleven / In tsondich sneven, des de helsche draken / Mij als Sampson doghen der zielen uut staken.
  • 325 (refrein 90, strofe a, vers 3). Vroed rederijkersrefrein. Tot Maria: Veriaegcht den drake, houdt wake, het staet mij nouwe.

Maria ghecompareirt byden scepe ed. 1920 (1530)

  • 337 (verzen 316-327). Rederijkersspel. Een onderdeel van de voorsteven van een schip is een draak en daarbovenop staat het ‘kasteel’. Kasteel = Maria die het serpent (de draak, de duivel) overwonnen heeft.

Tielt: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 260 (verzen 377-378). Rederijkersspel. Sent Ian cryiert: / Een ijnghel crachtigh de oude drake bindt. Voetnoot verwijst naar Openbaring 12, 7-13.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 116 (Boek II, refrein 6, strofe a, verzen 6-7). Vroed rederijkersrefrein. Ons vijanden zijn vele, die altijt waken, / De weerelt, tvleesch, de helsche draken.
  • 187 (Boek II, refrein 24, strofe o, verzen 7-10). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther: Ooc ghelijct hij der beesten, tmach lutter profijten, / Die Joannes sach, al macht selcken spijten, / Want hij tot blasphemien heeft ghewent den mont, / Ghesonden vanden draeck uuter hellen gront.

Bijns ed. 1902 (XVA)

  • 238 (refrein 5, strofe D, verzen 9-11). Vroed rederijkersrefrein. Lucifer spreekt tot de lutheranen: Ghy sult oeck gheselscap hebben, om vray bediet / Vermakelyc: dus alle droefheyt vliet; / Tsullen draken, wolven, honden zyn zonder verstranghen.

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 642 (verzen 667-671). Rederijkersspel. Verwijzing naar een toog (p. 631) waarin de draak van de Apocalyps voorkomt: die helsche draecke als wecker wruechlyck / met den cop uytwendich jent en chierlyck / en binnen vol alder fenyns scoffierlyck / daermen die werlt by moralizeert / en interpreteert.

Rijckeman ed. 1941 (1550)

  • 225 (vers 1239). Rederijkersspel. Die satanse draken.

Van Autenboer 1962 (1563)

  • 263 (verzen 85-86). Een rederijkerslied uit 1563, over God: Sijn Wijsheyt in secreten / Vernielt heeft den Draeck.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 240 (Boek III, refrein 5, strofe e, verzen 7-8). Vroed rederijkersrefrein. Sij sullen bitterheyt gevoelen int smaken, / Pijne int ghesichte, siende de helsche draken.
  • 444 (Boek III, refrein 64, strofe f, verzen 5 / 13). Vroed rederijkersrefrein. Tot Christus: Ghij die den ouden draec verwonnen hebt / (…) Van nijde den draec vier en vlam spooch.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 156 (refrein 36, strofe 4, vers 14). Vroed rederijkersrefrein. Over Christus: hy bant den draeck die nae my gaepte even gier.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 130 (refrein 71, strofe 4, vers 17). Vroed rederijkersrefrein. Eer ons de helsche draken verslinden.
  • 180 (refrein 81, strofe 7, vers 16). Vroed strofisch rederijkersgedicht. Int vier u bereyt vanden beginne met alle helsche draken.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 60 (refrein 101, strofe 4, verzen 8-10). Vroed rederijkersrefrein. Tot dat den drake, die als den leeue crayert, / met de sonde & doot &helsche prye, / al ter neder geleyt wordt.
  • 145 (refrein 123, strofe 1, vers 3). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Tot de onderwereld: rasch stelt u ter wraken met helsche draken.

Verlooren Soone ed. 1941 (1583)

  • 97 (vers 108). Rederijkersspel. Dul briesschende draken zijn een onderdeel van de helfauna in de mond van de sinnekes.

Menich Mensch en Onversadelijcke Begeerte ed. 1998 (1597)

  • 49v (vers 1395). Rederijkersspel. Christus tot een zondige ziel: Afgrijselijck slangen dracken sullen u verlasten.

Eenvoudige Mensch en Schijn van Deuchden ed. 1996 (vóór 1598)

  • 105r (verzen 989-990). Rederijkersspel. Die Waerheijt over het ‘harnas goodts’: alle Listige aenslaegen off helsche Draecken / scroomender seer voor en wijckender gans van.

Ghenaede Goodts ed. 1996 (vóór 1598)

  • 172r (vers 766). Rederijkersspel. Een helperfiguur scheld de neefkens uit: Contrarij is waer Eij valche Draeken.

Menschwerdinge Christi ed. 1992 (XVIB)

  • 17r (vers 232). Rederijkersspel. Doodende Letter zegtover Lucifer: hoe schoon die babelsche draeck geblancket is.

Propheet Eliseus ed. 1992 (XVIB?)

  • 70r (vers 759). Rederijkersspel. Het ene neefken tot het andere: o helschen draeck die ten Lesten versincken moet.

Dolende Mensche ende de Gratie Gods ed. 1893 (circa 1600)

  • 10 (verzen 140-141). Rederijkersspel. Gratie Gods geeft Dolende Mensche onder meer een stok mee: Dien stock heet vromelijck wederstaen, / Die ’t al vernielt, serpenten en draken. Serpenten en draken = hier: zonden en ondeugden. Vergelijk overigens de stok van Bosch’ marskramers (Prado – Rotterdam).
  • 40 (verzen 567-568). Gratie Gods tot Dolende Mensche over diens verzoekers: Saegdij niet haer dubbel aensichte / Voor schoone en achter als drakenmuylen? De personages Hovaardij, Gierigheid en Onkuisheid dragen volgens de lijst met dramatis personae een duivelshoofd op de rug!

 

2 Draak = de hellemond

 

Fabulae ed. 1985 (XIIIb)

  • 162 (nr. 114). Fabelverzameling. The horrid dragon is the mouth of hell, lusting to devour everything.

Legenda aurea II ed. 1993 (circa 1260)

  • 360 (hoofdstuk 180). Verzameling heiligenlevens. The awful dragon is the mouth of hell, yawning to devour all men.

Dietsche Lucidarius ed. 1998 (1400-20)

  • Verzen 861-864. Stichtelijk rijmtraktaat. Oec spreect die Scrifture aldus, / Dat die helle heet Herebus, / Dat bediet een vierich drake, / Dats der zielen een zwaer wrake.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 87 (fol. 35r, verzen 19-22). Lied. Die babylonsche draecke fier / oock zeuenthoofdich naer my pooght / gheerne brochtse my int dangier / huer Cop my om dryncken tooght.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 156 (refrein 36, strofe 4, vers 14). Vroed rederijkersrefrein. Over Christus: hy bant den draeck die nae my gaepte even gier.

Dolende Mensche ende de Gratie Gods ed. 1893 (circa 1600)

  • 3 (verzen 36-37). Rederijkersspel. Dolende Mensche zegt: Hulpt mij dan, Heere, in corten stonde, / Eer mij den eeuwighen draeck verslonde.

 

3 Draak = Antichrist

 

Antekerst ed. 1984 (1539)

  • D4r. Volksboek. Als in Apoca. int .xij. cap. Die grote draeck Antekerst die is gheworpen in dat vier der hellen die dat volck verleyt heeft ende daer sal hy eewelijc ghepijnicht worden.

Werck der apostolen cap. 3, 4 en 5 ed. 1903 (XVIA)

  • 345 (regieaanwijzing). Hier salmen laten ouer thooft van Annas den Bisschop een ronde figuere oft doeck, daer in ghemaect eenen drake met seuen hoofden met diademen oft croonen, daer op sittende een vrouwe costelick verchiert, hebbende inden hant eenen gouden cop &c.
  • 346. Valsch Propheet verklaart die draak: Way het is de draken met seuen hoofden, / Den grooten Antechrist, fel int vervremen,/ Wiens hoofden ghecroont zijn met dyademen, / Om God te benemen zijn glorie dieflick. De joodse schriftgeleerde en opperrabbijn Annas (en dus op dubbel-zinnig niveau: de katholieke paus) wordt geassocieerd met de Antichrist. Protestanten schilderden in de zestiende eeuw de paus wel vaker af als Antichrist, en omgekeerd noemden katholieken Luther vaak de Antichrist. Vergelijk Cat. Utrecht 1994: 83.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 60 (refrein 101, strofe 4, vers 8). Vroed rederijkersrefrein. De zonde regeert de wereld tot dat den drake, die als den leeue crayert wordt verslagen.

 

4 Draak = de Dood

 

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 288 (verzen 6-7). Rederijkerslyriek. Over de Dood: Felder dan de draecke comende van bezijden / Sijdy naer tpleghen dijns wercx ghewoone.

Uure vander doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 86-87 (verzen 309-314). Strofisch rederijkersgedicht. Beschrijving van de Dood, die onder meer draecx clauwen heeft (vers 312).

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 200 (refrein 101, vers 30). Vroed rederijkersrefrein. Tot de Dood: twy swolchdi absolon tfi dakelyck [lees: drakelyc] slinghen.

 

5 Draak = invectief voor negatief gewaarde personen en zaken

 

Vanden levene Ons Heren ed. 2001 (XIIIA?)

  • 66 (verzen 786-787). Jezusleven. Herodes neemt zijn vazallen gevangen: Sonder redene en sonder saken / vinc hi sine man, donreyne drake. Zie ook Vanden levene Ons Heren I ed. 1968: 30 (verzen 786-787).

Ridder metter Mouwen ed. 1983 (circa 1320)

  • 74 (verzen 928-930). Arturroman. Amelant, de boze heer van het Felle Woud zonder Genade, zegt: Serpente, draken ende lyone / Hebbick oec te minen doene, / Die mi onderdanech sijn al. Draken // het kwade, het boze.
  • 141 (verzen 2675-2676). Een slechte ridder komt uit zijn burcht naar Miraudijs toe: Daer binnen quam daer noch een / Ute gevlogen alse een drake. Draak // woeste, angstaanjagend-agressieve, slechte ridder.

The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 115 (verzen 775-777). ‘The Wife of Bath’s prologue’. De man van de vrouw uit Bath zegt: ‘Bet is’, quod he, ‘thyn habitacioun / Be with a leon or a foul dragoun / Than with a womman ysynge for to chyde [die gewend is te schelden]’. Die man citeert spreekwoorden. Draak = scheldende, bazige vrouw.

Salomon ende Marcolphus ed. 1941 (1501)

  • 31. Volksboek. Salomon zegt: Beter waer te wonen bi draken ende leeuwen dan bi eenre quader vrouwen.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 119 (refrein 62, verzen 1-2). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. O Quelende liefde seer suer van smake / drake venynich die therte doerknaecht. Draak = liefdesverdriet.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 127 (refrein 195, vers 1). Vroed rederijkersrefrein. Over dronkenschap: Mordadighe draken vol fenijne.
  • 185 (refrein 226, verzen 3-4). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Over de andere vrouwen (buiten de geliefde): Het schijnen al draken die ic aenschouwe / sonder een kersouwe die wast int lant.
  • 207 (refrein 238, vers 32). Zot rederijkersrefrein. Jan tot zijn overspelige vrouw: lelijke drake.

Stove ed. 1944 (XVIa)

  • 165 (vers 456). Strofisch rederijkersgedicht. Al waer die man quaet, so wreet als draken. Draak // slechte, wrede echtgenoot.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 25 (Boek I, refrein 8, strofe a, verzen 6-8). Vroed rederijkersrefrein. Bede tot Christus: Versteende, verblinde menschen bekeeren doet, / Die de waerheit vervolgen met quader spraken, / Venijnich als draken.
  • 33 (Boek I, refrein 10, strofe b, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Quaet geselscap is arch, als gespuys van draken.
  • 63 (Boek I, refrein 17, strofe a, verzen 5-6). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Twaer wel van node, dat mense vlode / Als drajen, serpenten, vernijnege prijen.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 29 (refrein 11, verzen 28-29). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. O fenijnich dranc, valsch bloet van draken / dat felle fortune mi nv doet drincken. Man moet scheiden van zijn geliefde: drankenbloed (liefdesverdriet) is de drank die Vrouw Fortuna hem doet drinken.
  • 78 (refrein 35, verzen 24-29). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. O valsche fortune, mijn bitter sweet / roept op v wrake, / o corosiuich fenijn seer heet, / bloetghierige drake, / ghi verslint mi met sulcken onghemake / dat mi wondert hoe ict verdraghen mochte. Draak = Vrouw Fortuna die de ‘ik’ ongunstig gezin is in de liefde.
  • 100 (refrein 51, verzen 1-3). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. O Quelende liefde seer suer van smake, / draeckich fenijn die mijn herte duerknacht, / geplaecht moet zijn tgrief dair ic duer wake. Drakengif = liefdesverdriet.
  • 173 (refrein 94, vers 1). Vroed rederijkersrefrein over dronkenschap: Moordadige drake vol van fenijnen.
  • 204 (refrein 113, verzen 12-14). Vroed rederijkersrefrein over lasteraars en nijders: Dus mach ic wel seggen met reynder spraken / Van die fenijnige draken nv ter tijt: / Wat doetmen ter werelt ten wort benijt.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 5 (refrein 2, strofe a, vers 7). Vroed rederijkersrefrein. Over roddelaars en nijders: Valsche tonghen zijn aerger dan slangen oft draken.
  • 19 (refrein (, strofe e, verzen 9-10). Vroed rederijkersrefrein. De deugd ontmoet vaak tegenstand doch groeit daardoor alleen maar: God wil Sijn kinderen met tegenspoedt raken. / Bij struysen en draken Job vergaerdt was.
  • 116 (refrein 32, strofe b, verzen 10-13). Amoureus rederijkersrefrein. Als minnaars moeten scheiden: Als galle van draken / Dunckt hem dat smaken.
  • 247 (refrein 65, strofe e, verzen 20-21). Vroed rederijkersrefrein. Boven draken, slangen, basiliscus hanen, / Nijdt es de alder moordadichste beeste.

Evangelische Leeraer ed. 1989-90 (1532)

  • 41 (vers 315). Rederijkersspel. Ongheleert Volck noemt de ketters (hier: de katholieken): O valsche draken, die my dus langhe hebt bedroghen.

Bedroch der Vrouwen ed. 1983 (circa 1532)

  • A2v-A3r. Volksboek. Die draken ende die ghehoornde slanghen hebben ghelaten haer felheyt ende hebben ontsien den heylighen Johannen Baptistam inder woestinen / maer die onsuyuere vrouwe Herodias heeft hem doen onthoofde(n). Vrouwen zijn erger dan draken!

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 94 (vers 2240). Rederijkersspel. Vprecht Simpel Gheloven verwijst naar de ketterij: thooft der draken. Draken = de ketters.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 160 (Boek II, refrein 18, strofe a, verzen 11-12). Vroed rederijkersrefrein. Tot Luther: O rooden draeck, wat hebdij venijns ghespoghen / Al kerstenrijck dore, onder leecke en clercken. Luther wordt vergeleken met Lucifer (vergelijk verzen 13-14).
  • 173 (Boek II, refrein 21, strofe c, verzen 14-15). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther: Hieromme de menschen inwendich ontsteken blijven / Met Luters venijn, arger dan draken bloet.

Vreese des Heeren en Wijsheijt ed. 1968 (circa 1550)

  • 388 (vers 636). Rederijkersspel. De katholieken worden genoemd: o mordadeghe draken.

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 625 (vers 381). Rederijkersspel. Liefde Gods over de hoer tVleesch die de mannen verderft: siel quistighe moortdadighe draecke.

Rijckeman ed. 1941 (1550)

  • 195 (vers 593). Rederijkersspel. Rijckeman over zijn vrouw Conscientie: Haar ogen brandden als ’t gezicht eender draken.

Crul ed. 1954 (XVIA)

  • 47 (vers 60). Religieuze rederijkerslyriek. Helpt mij vernielen dees aertsche draken. Aardse draken = de aardse bekoringen.

Borchgravinne van Vergi ed. 1988 (1558-60)

  • 288 (vers 1249). Volksboek met daarin een amoureus rederijkersrefrein over ‘valsche fortune’ die wordt genoemd: bloetghierighe drake.

Meestal die om Paijs roepen ed. 1941 (1559)

  • 31 (vers 21). Rederijkersspel. Meestal tot Oorlog: ’t Fij u, wat draken hebdij gezogen?

Joseph ed. 1975 (1565-66?)

  • 97 (vers 356). Rederijkersspel. Joseph tot zichzelf (en verwijzend naar het sinneke Nijdich Herte): O Nijdich Herte, feninige draecke fel.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 284 (Boek III, refrein 19, strofe e, vers 14). Vroed rederijkersrefrein. Het volk is tegenwoordig bloetghierich als draken.
  • 340 (Boek III, refrein 35, strofe b, verzen 6-7). Vroed rederijkersrefrein. Keert weder en scheyt u vanden fellen draken, / Die metter schriftueren haer fenijn spouwen. Draken = de protestantse ‘ketters’.

Spel ed. 1976/77 (1567-76)

  • 85 (vers 104). Rederijkersklucht. Een pantoffelheld over zijn bazige vrouw: Tschynt datsse vier spuyt als finynighe draecke.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 176 (nr. 41, strofe 5, verzen 7-8). Vroed ABC-dicht. Over de vijanden van het goede geloof: Maer, Heere, aenhoort doch myn gebet: / helpt my vernielen dees aertsche draken.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 31 (refrein 95, strofe 5, verzen 9-12). Vroed rederijkersrefrein. Godt wil syn kinderen met tegenspoet raken: / by struysen & draken Job vergaert was, / & Abel vermoort, doert nydich blaken. / In alle dees sake huer duecht geopenbaert was. Draken // de kwellingen van Job.
  • 65 (refrein 103, strofe 1, vers 11). Vroed-amoureus rederijkersrefrein. De ‘ik’ over zichzelf: & worde soo bespiet van de Babeloense draken. Draken = vijanden van het goede geloof, ketters.
  • 70 (refrein 104, strofe 2, vers 5). Vroed rederijkersrefrein. Voer draken, schorpioenen, u doch niet en grout. Draken = vijanden van het goede geloof.

Verlaten Kennisse ed. 1992 (XVIB?)

  • 108r (verzen 615-616). Rederijkersspel. Een sinneke over de hoer en zondige verleidster Verblintheijt in Sonden: En met dat draecken bloet / sal verlaeten kennisse nu moeten smullen.

Hoecksteen ed. 1993 (XVIB)

  • 116r (verzen 1153-1154). Rederijkersspel. Over God en het overwinnen van De Wereld: want die in u is die is in meer crachten crachtich / dan de werlt den roden draeck obstinaet. Rode draak = de duivelse wereld.

Werlts versufte maeltijt ed. 1994 (XVIB)

  • 126v (verzen 881-883). Rederijkersspel. Draken zijn dieren die onder meer de wapenschilden van de grote heren versieren (negatief bedoeld).

Lijsgen en Jan Lichthart ed. 1938 (XVI)

  • 66 (vers 208). Rederijkersklucht. Lijsgen tot de ’s morgens hard geeuwende Jan: Eij ghij, lelijcken draeck, moocht ghij noch meer gaepen?

 

6 De draak steken = spotten, voor de gek houden

 

Legenda aurea I ed. 1993 (circa 1260)

  • 288 (hoofdstuk 70). Verzameling heiligenlevens. In some churches and especially in France, the custom obtains of carrying a dragon with a long tail stuffed with straw or some such material: the first two days it is carried in front of the cross,a nd the third day, with the tail empty, behind the cross. The significance of this is that on the first day, before the Law, and on the second, under the Law, the devil reigned in this world, but on the third, the day of grace, he was expelled from his realm by the passion of Christ.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 219-220 (Somerstuc, hoofdstuk 14, regels 365-380). Theologisch compendium. Derdewarf soe pleechtmen voor den cruus te leiden enen groten gheswollen drake, vol caefs ende hoeys mit enen groten langhen staert, ende dese ghewoente is veel in die walsche kercken. Des eersten daechs sleept hi den staert na hem; des anderen daechs en sleep hi niet ende is hi sonder staert; des derden daghes laetmense voor der kercken doer gheslaghen ende ghesteken legghen. Ende bi desen figuer gheven si den volc te verstaen, dat onder die tijt der naturen bi Abrahams tiden die bose gheest als een drake mit enen staert veel menschen ter hellen sleepten. Mer doe was den kinderen van Ysrahel den ewe ende die wet ghegheven, onder Moyses tiden, doe wert hem dien staert ofghesneden, want inder ewen Gods bleven si behouden, al mostense doch alle ter hellen varen ende onder des draken velde wonen. Mer onder die tijt der ghenaden, dat Cristus is ghecomen, so is die bose gheest verslaghen ende al sijn macht verloren. Is dit het volksgebruik dat aan de basis ligt van de uitdrukking?

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 208 (vers 1550). Rederijkersspel. De sinnekes over Dido die zal bespot worden als Eneas weg is: En nu sal een ijeghelijck met hör den draeck steecken.

Vier des werelts staten ed. 1941 (1596)

  • 285 (vers 730). Rederijkersspel. Steven Golvervliet tot Winner Grijpal: Nu voel ik, dat het jok es, dat gij begint te draken. Draken (werkwoord) = de draak steken, voor de gek houden.

Jan Fijnart ed. 2009 (XVI)

  • 182 (verzen 452-453). Rederijkersklucht. Jae, wiet hoort sal noch met ons den drake steken, / Ende met ons spotten.

Sommich Mensch en het huijs van Nering ed. 1993 (XVIB)

  • 8v (verzen 769-770). Rederijkersspel. Weijnich Volckx zegt: Wat wijlt ghij den draeck mijt hem gaen steecken / hij seijt u die waerheijt al wilt ghijt niet weeten.
  • 13r (vers 1239). Goet Onderwijs zegt: so staect ghij ock dickmael met hem den draeck.

Krimpert Oom ed. 1932 (XVI)

  • 67 (vers 435). Rederijkersklucht. Een rechter tot Krimpert Oom: Of comdij om den draeck met ons te steken?

 

7 Draak van Sint-Joris

 

Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 9 (verzen 76-78). Satirisch strofisch rederijkersgedicht. De grave van Halfvasten hout oock zijn stede / Metten Ridder sint Joris, die heeft geschent / Den vyerigen Draeck in Margrietens convent. Voetnoot noteert dat hier wellicht een toespeling gemaakt wordt op het Antwerpse klooster Margrietendale en dat er wellicht een obscène toespeling gemaakt wordt. Maar wat wordt dan bedoeld met de ‘vurige draak schenden in het klooster van Margriet’?

Sanct Jooris ed. 1907 (vóór 1565)

  • 429 (verzen 147-154) / 431 (vers 205). Heiligenspel. De draak wordt door Sint-Joris in verband gebracht met de zonden en het ongeloof van het land van de prinses: Schoone maghet, zijt niet vervaert met allen, / Want merct redene ende wilt verstaen: / Ten zijn niet dan u sonden, die i slaen, / Ende ooc dit schoon lant ghemeenlic, / Dwelc es duer u onghelove alleenlic. / Waert dat ghij Christum diende ende heerde, / Ende ghij ant kersten ghelove keerde, / Hij saude u helpen ter victoriën. In vers 205 heeft Sint-Joris het dan ook over die helsche drake.

 

8 Draak // erotiek

 

Blome der Doechden ed. 1904 (XVa)

  • 81. Stichtelijk prozatraktaat. Die .vij. hoeft sonden worden ghescreven ende ghecompareert bij .vij. beesten. Dair wort die luxurie ghelijket bijden drake die vuerighe vlamme wt spuwet. Soe fel is sij buten alle anderen sonden dat sij die ghene al verbernt die mit haer omme gaen.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 237 (refrein 131, verzen 12-13). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Ke al haddi den draeck op de knien zien steken, / Tsijn al maechden tot dat den buyck op gaet. ‘De draak op de knieën zien steken’ is hier iets erotisch (coïtus a tergo?).

 

9 Draak: positieve connotaties

 

Walewein I ed. 1957 (circa 1250)

  • 253 (verzen 8612-8613). Arturroman. Walewein vecht met de zoon van een hertog: Elc quam up andren als een drake / Ghereden met scilde ende met spere. Draak // de dapperheid van ridders.
  • 296 (verzen 9930-9932). De zwarte ridder vecht tegen Walewein: Die swarte ghinc altoes up hem dromen / Stekende ende slaende met ghenent / Ghelijc den drake diet al verslent. Draak // de dapperheid van een ridder.

Walewein ende Keye ed. 2011 (circa 1325)

  • 153 (verzen 2076-2079). Arturroman. Walewein vecht tegen een hertog: An sinen scilt stont een drake, / Daer eens groets viers blake / Ute sire kelen vloech; / Dus stont hem sijn moet harde hoech. Draak // de dapperheid van een ridder.

Der minnen loep I ed. 1845 (1411/12)

  • 237 (Boek II, verzen 3122-3133). Ars amandi. De tovenaar Nectanabus tovert zich om in een draak om te kunnen paren met Olympias, de moeder van Alexander de Grote. De draak heeft pauwenvleugels, purperen kleren, een mooi menselijk hoofd met een gouden kroon in de vorm van een hanenkam en zacht haar als van een lam. Dit is positief want Olympias denkt dat het een god is (zie vers 3139).

De Keyser 1953 (XVIA)

  • 57. In het handschrift-Gielis Leemans (XVIA) een lijst met iconografische beschrijvingen van vrouwen. De draak is een attribuut van Vrouw Prudentia.

Machabeen ed. 1992 (1590)

  • 34v (verzen 973-974). Rederijkersspel. Koning Anthiochus tot Eleaser: Ghij sijt so straff als Leuwen off draecken / men wil u met genadige oogen aensien.

 

10 Draak: restmateriaal

 

Der leken spieghel II ed. 1845 (1325-30)

  • 358-359 (Boek II, hoofdstuk 48, verzen 675-684). Didactisch rijmtraktaat. Tijdens paus Pelagius regeerperiode regende het zo hard in Rome dat de Tiber overstroomde en vele dieren verdronken. Hun lijken lagen te rotten en te stinken. Het meeste stonk een draakdie daar verdronk.

Sir Gawain and the Green Knight ed. 1972 (XIVd)

  • 53 (stanza 31). Arturroman. Onder de dieren waartegen Sir Gawain moet vechten, worden draken genoemd.

Der minnen loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 24 (Boek I, vers 580). Ars amandi. Wie de schat van het Gulden vlies wou verkrijgen, moest vechten tegen draken en vuurspuwende ossen.
  • 28 (Boek I, vers 687). Medea is verliefd op Jason en wil niet dat de draken hem doden.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 86 (refrein 174, verzen 50-52). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. De ‘ik’ vergelijkt zich met ‘Neptabus’ die in de kamer van Olimpias kwam ghelyck eenen drake.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 88. Rederijkersballade over dieren die de mens medische wijsheid leren. De draak geneest zichzelf met wilder lactuwen.

Jongen geheeten Jacke ed. 1905 (XVId)

  • 47. Volksboek. Argher dan fenijnich bloet van draken. Drakenbloed werd als giftig beschouwd.

 

[explicit 21 februari 2017]