DRUIF

 

1 Druif = Christus

[De Jongh 1974: 182-186. De christelijke symboliek van de druif (druiventros, wijnrank, wijngaard) = Christus of Maria. Voorbeelden hiervan in (Zuid-Nederlandse) teksten en beelding.]

[Falkenburg 1985: 35-36. Maria = wijnstok, Jezus = druiventros, Passie = druiven uitgeperst in wijnpers = Christus’ bloed vergoten voor de mensheid. In 15de eeuw in Noord-West-Europa reeds enige verspreiding in schilderijen van Maria en Kind met druiventros. Het motief was bekend uit de middeleeuwse bijbelexegese.]

[Timmers 1985: 96 (nr. 217). Christus reeds als druiventros bij Augustinus, Evagrius en op oudchristelijke lampen.]

 

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 234 (Somerstuc, hoofdstuk 15, regels 385-388). Theologisch compendium. Dit beduut sinte Barnaert ende seit, dat Cristus was die druve, dat cruus die kelck, die passie ende die rouwe die treders, bloet ende water was die wijn, dat ons wascht, vercoelt, voet ende levende maect.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 414 (Somerstuc, hoofdstuk 31, regels 189-201). Wijndruif = Christus, wijnpers = de pijn van het Kruis, kelk = het H. Graf, sap = Zijn water en bloed. Voorafgebeeld in het Oude Testament door de druiventrosdragers.

Diets gebedenboek ed. 1961 (XVIa)

  • 22-23. Gebedenboek. Gebed tot Christus: Ick gruete u suete cruce wijngaertranck daer die druijue der soeticheijt aen heeft ghehanghen, waer op wij den edelen wijn des hemelschen paradijs souden drincken, inden throone der glorien, O alder suetste druijue ghij waert gheperst aender persen des crucen om onsen wille.
  • 41. Gebed tot Christus. O du edel druue vancijpren.
  • 102-103. Gebed tot Christus. O Ihesu ghewaerighe wijngaert vruchtbaer Ghedenct des ouervloijende ende milden wtstortens ws onnoesel heijlighe bloets dat ghij wt uwen lichaeme als een wijndruijue wt gheperst soe oueruloedelijck wt stortes doen ghij aenden cruce alleen die persse tradeste.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 267 (refrein 126, vers 17). Vroed rederijkersrefrein. Lof wynstock daer die druue aen hinck.
  • 283 (refrein 132, vers 65). Vroed rederijkersrefrein. Onuerrottelic wynstoc goods druue ontfaende.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 104 (refrein 28, strofe c, vers 13). Vroed rederijkersrefrein. Die druve werdt geperst, alder soets van wijne.
  • 324 (refrein 89, strofe h, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Nazarethse rancke, die de zoetste druve droech, / druve droech, daer coninck Pharao af dranck.

De wynghaert ed. 1920 (1533)

  • 518-519 (verzen 735-737 / 755-758). Rederijkersspel. Maria duer wiens odmoedich consent / Christus ghegroeyt es huut huer excellent / soo men hier tooghen zal als divyne druue / (…) Lof wynghaert Maria duechdelicxste van moede / wiens druueghe vrucht, naer sint Jans oorconden / wy sacramentelic nutten, jn vleesche jn bloede / als druue van hu als wynghaert ghevonden.

Meenen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 393 (verzen 444-447). Rederijkersspel. Over Christus: Die zijn cleedt wasschen zal inden wijn vynues, / zijn mantel in bloet der druven precyues; / schoonder zijn ooghen zijn dan wijn verheven. / Dits Christus, ons van zynen vadre ghegheven.

De berch ed. 1920 (XVIA)

  • 491 (verzen 99-101) / 494 (verzen 188-189 / 208-212). Een tafelspel (rederijkerstoneel). Want vp desen berch was gheplant redelic / den wynghaert wiens druueken edelic / alle meinschen es een medecyn. / (…) Och et es den berch, daer Christus de doot / voor ons smaecte an des crucen raeme. / (…) Mids den wyngaert dieder vp ghegroeyt es / wiens zoete druuekin van savuere / es ghegroeyt om elcken creathuere / diese begheert, met goeden atente. / Vut dese druve vloeyen de sacramenten.

De Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 146 (strofe 8, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein. Als God ghelijc een crappe [= druiventros] an tcruce hync / ende vuer alle meinschen de doot ontfijnck / purgierde hy ons allen in des druuen bloed.
  • 159 (strofe 3, verzen 3-4). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Lof, vruchtbaren wijngaerd ghedenomineerd: / want de hoogste druue Christ uut u descendeerd.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 15 (refrein 4, strofe c, vers 6). Vroed rederijkersrefrein. Siet dloon syns wercx: een geplette druyve swaer.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 117 (refrein 69, strofe c, vers 13). Vroed rederijkersrefrein. Die druyve wert gheperst, aldersoetst van wyne.

Het Prieelken der Gheestelyker Wellusten ed. 1927 (1587)

  • 158. Een bundel geestelijke liederen en gedichten. In een bewerking van Hooglied 2: Ghij sult nu proeven die zoete druyve.

De menschwerdinge Christi ed. 1992 (XVIB)

  • 33v (vers 1907). Rederijkersspel. Over Christus: Loff Calephs druijve en sucadijgen wijn.

 

2 Druif = H. Geest, goddelijke wijsheid

 

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 225 (30ste preek, preek van de H. Geest, regels 16-19). Prekenbundel. Voert dochteren ghemynt. soe is die stemme des lesers. die schencker die u allen schencket den soeten wijn der heiligher scrift. dien die leerrers hebben ghemaect vanden wijndruven der godliker wijsheit.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 121 (vers 25). Rederijkersrefrein, lof op H. Geest: O helich geest, welsmakende druue. Ook in Stijevoort I ed. 1929: 241 (refrein 119, vers 25): O helic geest, welsmakende druue.

 

3 Druif = Maria

 

Die Sevenste Bliscap van Onser Vrouwen ed. 1978 (1455)

  • 210 (vers 1657). Een mysteriespel. Tot Maria: Lof, druve, die vol van gracien sijt.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 189 (vers 13). Rederijkersgedicht, Marialof: Delicaetste Druyue.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 14 (refrein 143, vers 14). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Druue van gracien al vol gheladen.
  • 31 (refrein 150, vers 43). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Aue druue, en duue mede.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 326 (refrein 90, strofe b, vers 9). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Blancke duve, die de druve bracht zoet van drancke.
  • 334 (refrein 91, strofe r, vers 4). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Wijn zoete ons bringht, ghij druve vredelijc.

 

4 Druiven = deugden

 

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 229-230 (32ste preek, regels 25-41). Prekenbundel. Een wijndruve uit het hart van Christus = alle goddelijke gaven die Christus de zusters (voor wie de preek bedoeld is) schenkt. In regels 29, 32 en 37 is sprake van beyen (bessen = druiven).

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 186 (refrein 95, verzen 41-49). Vroed rederijkrsrefrein. Men moet goed zaad zaaien, namelijk hoop, geloof en liefde. Dit wordt bewezen door de droom van de wijnmeester van de farao in Genesis (vergelijk Genesis 40: 9-15): die zag drie wijngaarden met ‘bezekens’ die daarna rijpten tot grote, zware druiven. Op dese figure syt toch wel dinckende / Dat is die wyn die ons god es scinkende / in synder glorien mit een ewich confoort / Laet ons soe sayen dat wy ooc werden drinckende.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 56 (refrein 162, verzen 24-25). Vroed rederijkersrefrein. Aansporing tot bekering: En gaet inden wyngaert niet te late / Wint goede druuen twort v bate.

 

5 De bijbelse druiventrosdragers = prototype van Christus’ Kruisdood

[Het druiventrosdragers-motief was in de Middeleeuwen welbekend en gaat terug tot het Oude Testament (Numeri 13). Met het joodse volk aangekomen in Kanaän zendt Mozes in opdracht van God twaalf mannen uit om het Beloofde Land te verkennen. Zij zien dat het land zeer vruchtbaar is en dat er een sterk volk woont. Twee van de verkenners brengen een grote druiventros mee terug. Dit motief speelde een rol binnen de middeleeuwse typologische symboliek, waarbij Oud-Testamentische gegevens vooruitwijzen naar elementen uit het Nieuwe Testament: de druiventrosdragers verwijzen naar de Kruisdood van Christus, en de druiventros naar Christus.]

 

[Timmers 1985. Volgens de middeleeuwse opvatting verwijzen de druiventrosdragers Kosue en Kaleb naar het jodendom en het heidendom. De voorste drager, weggedraaid van de druiventros (= Christus), is het jodendom en wordt daarom ook uitgebeeld met een spitse jodenhoed (voorbeeld: kruisreliquiarium uit circa 1170 in Tongeren). De achterste drager, die zijn blik richt op de tros, is het heidendom dat zich tot de Verlosser keert (p. 64, nr. 126 / p. 93, nr. 207). In een vroegere versie van zijn boek (Timmers 1947: 382) noteerde Timmers dat de dragers ook de Synagoge en de Kerk kunnen verbeelden.]

 

Janssens 2011 (XIIIa)

  • 60 (afbeelding 56ab). Het Redemption Window in de kathedraal van Canterbury: een glasraam met daarin drie medaillons (begin 13de eeuw): telkens een centraal vierkant met daarrond vier lobben. Het vierkant van het onderste medaillon (een getrouwe restauratie uit 1853) stelt de Kruisiging voor. De onderste lob van dit medaillon stelt de druiventrosdragers voor. Afbeelding snel te vinden op Internet via zoekterm ‘canterbury cathedral redemption window’.

Rijmbijbel I ed. 1858 (1271)

  • 251-252 (hoofdstuk 119, verzen 5636-5656, Numeri). Die druve van groter waerde / dat es Jhesus, Marien kint / dien ons God heeft hare ghesint. / Die pertsche es tcruce, of sijn moeder / die beide droghen onsen broeder. / Die voren droech, die hadde den staert / ghekeert toter druven waert; / hi bediet dat juetsche diet / die onsen Here ne eren niet / ende versmadene ghenoech. / Maer die den stoc van bachten droech / hadde toghe [het oog] ter druven waert; / dats die kerstin, waer hi vaert / die toghe heeft up onsen Here / ende hem dient ooc emmermere. / Al waren die Jueden eerst vercoren / ende nader werelt ghingen voren / si hebben Gode den ric [rug] ghekeert; / die kerstin, die achterst was gheleert / coemt na, ende heeft toghe te Gode / ende leeft mede na sine ghebode. Druiventros = Christus, draagstok = het kruis of Maria, voorste drager = de joden, achterste drager = de christenen.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 414 (Somerstuc, hoofdstuk 31, regels 189-201). Theologisch compendium. Over Christus’ kruisdood: Die parsse was die pijn des heilighen cruus, die kelc was dat heilighe graf, die wijndruven was dat lichaem ons liefs Heren Ihesu Cristi, dat sap ende die most was sijn heilighe blode ende dat suete water, dat uut sijnre zijde vloet, dair wi alle sijn of levende gheworden, rein sijn, ghevoet sijn ende blide sijn. Dits figuriert inden ouden testament, dat die kinder van Ysrahel uutsenden twie mannen Iosue ende Caleph, die dat lant van beloften souden verspyen. Ende om prijs willen vanden lande brochten si onder hem twien een wijndruve draghen an enen boem. Des gheliken ghesciede opten gueden vridage doe tusschen Iohannem ende Mariam hinc an enen boem die suete wijndruuf, Cristus, welke sake ons een salighe medicijn alre sonigher qualen is. Druiventros = Christus, draagstok = het kruis, de dragers = H. Johannes en Maria.

De Spieghel der Menscheliker Behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 135 (hoofdstuk XXII, verzen 352-375). Typologisch rijmtraktaat. Drie bijbelpassages worden op allegorische wijze in verband gebracht met de kruisdraging: Isaak die het hout voor het offer draagt (Genesis 22), de parabel van de wijngaardeniers (Lucas 20) en de druiventrosdragers. Dit laatste prototype wordt als volgt toegelicht: Van twee manieren van lieden / was god ghedood, hoort mijn bedieden, / teen dat waren die iueden dan, / dander die ongheloveghe man. / Die iueden ne dooddene niet, maer stille / ende lude dode zine metten wille; / die ongheloveghe, verstaet albloot, / hebbene metter hand ghedoot, / dewelke die iueden ne daden niet. / Dit was ons wilen wel bediet / bi tween lieden, verstaet mijn meenen, / de welke wileneer beweenen / ende droufder met groter pine, / dat zij droughen in die woestine / die bloezeme vanden wijngaerde, / de welke was van groter waerde, / ute dat goede beloofde lant. / Bi deser bloeseme es bekant / die gods zone properlike. / Bi dien tween lieden zekerlike / zo es bediet, ic zeker bem, / dat volc van jherusalem, / die gode waren al contrarie / ende leeddene ten berghe van calvarie. Druiventros = Christus, de dragers = de joden en de heidenen (Romeinen), beiden negatief.

Plummer 1975 (circa 1440)

  • Z.p. (nr. 38). Het Getijdenboek van Catharina van Kleef. De hoofdminiatuur stelt God de Vader voor die een kruis met de gekruisigde Christus vasthoudt. In de bas-de-page zijn de druiventrosdragers afgebeeld.

De Noordnederlandse historiebijbel ed. 1998 (1458)

  • 374-376 (Numeri, hoofdstukken 13-14). Het bijbelse verhaal van de druiventrosdragers, zonder symboliek. Onder meer: Ende si waren in dat lant en besagent 40 dagen lac. Josue ende Calef die sneden een druve [druiventros] van enen wijngaert ende hingen die an een grendel op haer scueren [schouders] ende brochten die also dregen voer Moyses.

Tvoyage van Mher Joos van Ghistele ed. 1998 (circa 1490)

  • 259 (Boek 4, hoofdstuk 16). Reisverslag. Item vanden anderen plaetsen daer de kinderen van Yrael noch rustende waren, zo es te wetene dat oestwaert vander Dooder Zee ende ghenouch noortwaert vanden deserte van Pharam leyt eene contreye, ghenaemt Desertum Cades of Cauwata, van welken de voorseyde kinderen deden bespien ende besoucken de natuere ende de condicie des lands van beloften. Welke bespiers, naer veertich daghen uutgheweest hebbende, keerden weder, met hemlieden bringhende eenen druuf tac, zo groot datten twee mannen an eenen stoc moesten draghen. Ende van danen zoude tvolc van Yrael ter stont ghecommen hebben int lant van beloften, en hadde ghedaen haerlieder murmuracie ende quaden wille, mids welken Onse Lieve Heere God vergrammende, deedse weder keeren ten deserte waert in, daer zij naer zo langhe jaren in waren. Geen symboliek hier.

Ramakers 1996 (1504-05)

  • 322-323. Het motief van de druiventrosdragers werd uitgebeeld in een processie in Oudenaarde in 1504-1505. Ramakers noteert: ‘Het tafereel kwam in sacramentsprocessies verspreid over heel Europa voor’.

Unterkircher 1985 (1510-20)

  • ??. Pagina met randversiering van de Meester van het Vroegste Gebedenboek van Maximiliaan I uit het Rothschild-brevier (Wenen, Oesterreichische Nat. Bibliothek, Cod. Vind. Ser. n. 2844, f. 237r).In de bas-de-page de druiventrosdragers. Op f. 236v een processie van alle heiligen.

Verellen 1952 (XVI)

  • 56. De druiventrosdragers in processies in Herentals (16de eeuw) en Turnhout (1548-49). De druiventrosdragers in Herentals ook gesignaleerd door Van Autenboer 1963: 118.

 

6 Plaatsen waar abnormaal grote druiventrossen groeien

 

De reis van Jan van Mandeville ed. 1908 (XIVB)

  • Kolom 225 (regels 9-13). Reisverslag. In het land Cadulc (zie kolom 224, regel 28) groeien in wijngaarden grote druiven (rosinen). Een man zou veel moeite hebben om één tros te dragen. Ende daer sijn ooc wijngaerde, die so grote rosinen draghen, datter een herde starc man soude ghenoech te doen hebben, soude hi enen trocke op heffen.

 

7 Druif = meisje, vrouw (amoureuze / erotische context)

 

De Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 209 (strofe 2, verzen 2-6). Amoureus rederijkersrefrein. Want ghelijc de druue den wijngaert verchierd, / ende vele schoon vruchten, de vette landen, / tsghelijcks by haer sprake wel ghemannierd, / mids dat zu haer zoo zedebarigh tierd, / es zu versierd bouen elcks verstanden.

Van Altena ed. 1982 (XVI)

  • ??. ‘Over zijn liefde’, gedicht van Jean-Antoine de Baif (1532-1589). Ik heb niet zo gaarne maagden, / (die zijn te groen). En bedaagden / evenmin: die zijn mij te oud. / De vrouw waarvan ik’t meeste houd / is zij die werkelijk rijp is, / daar wie rijp is het fijnst te grijp is. / De druif die ik kies, dient per slot / noch groen te zijn, noch verrot.
  • ??. ‘Sonnet’ van Pierre de Bourdeille, Seigneur de Brantôme (1535-1614). Vriend Estourneau, ik kan geen jonge maagd beminnen / (…) En daarom – Estourneau – strijk ik mijn liefdesvlag / voor een druifje al te groen; wachtend op de najaarsdag / dat zij wellicht gerijpt weer voor mij op zal doemen.

 

8 Druiventros = maagdelijkheid of gematigde seksualiteitsbeleving

 

De Jongh 1974 (XVII)

  • 173-186. In de 17de-eeuwse beelding: personen die een druiventros bij de steel vasthouden = beeld dat uit het werk van Cats komt. Bij Cats: druiventros = de maagdelijke eer. Elders: druiventros = maagdelijkheid, steel = huwelijk. De man mag de maagdelijkheid slechts plukken binnen het huwelijk. Overigens konden volgens moralisten in de 17de eeuw gehuwde vrouwen ook nog ‘maagden’ zijn = zij die seksualiteit in het huwelijk beleven zonder lust, de ‘tweede maagdelijkheid’. Dit geldt ook voor mannen (die een druiventros vasthouden). Cats veranderde een oud vruchtbaarheidssymbool in een symbool van zuiverheid. Dat kon, omdat die twee begrippen met elkaar te maken hebben: vruchtbaarheid moet niet in functie staan van ongebreidelde seksualiteit, maar wel van gematigdheid in het huwelijk. Conclusie: in Noord-Nederlandse teksten en beelding in 17de eeuw: een hand die een druiventros vasthoudt = maagdelijkheid en gematigde seksualiteitsbeleving. [182-186:] Hetzelfde motief heeft in Zuid-Nederlandse teksten en beelding een andere, religieuze betekenis: druif/druiventros = Christus of Maria. Het gebeurde wel meer dat attributen vanuit een religieuze context verschoven naar een profane context zonder de oorspronkelijke connotaties te verliezen

 

9 Druiven = borsten

[Hooglied 7: 8-9 = Uw slanke leest is als een palm, / uw borsten trossen van druiven. / Ik dacht: ik wil de palm beklimmen, / zijn dadels grijpen. / Uw borsten mogen voor mij zijn / als druiventrossen uit de wingerd.]

 

Het Handschrift-Jan Philiipsz. ed. 1995 (circa 1478)

  • 54 (nr. 30, verzen 4-5). Antifoon naar het Hooglied. De ik tot zijn vriendin: ende dijn / borsten sijn als druuen.

 

10 Druif = glans penis

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 194 (refrein 231, verzen 39-40). Zot-erotisch rederijkersrefrein. De ik herinnert zich de tijd toen het nog boterde met zijn lief: Daer ic tscoonste besken vander crappen / tot uwen outaer int offerhande gaf.

 

11 De term ‘bes’ voor druif

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 262 (refrein 123, verzen 109-110). Vroed rederijkersrefrein. O jesus helpt my dat ick doch leere / die bessen van desen wijngaert leesen.

Tugrobel ed. 1980 (1543/44)

  • 151 (regels 65-68). Spotprognosticatie. Diergelijcke wort ons ooc verclaert, dat meer wijns uut eender druyven coemt dan uut eender peren oft ander vruchten. Waer ’t also par aventuren, dat de besyen nyet wel rijp en waren, so soude den wijn te herder zijn.

Knollebol ed. 1980 (1561)

  • 99 (verzen 286-287). Spotprognosticatie. Over de herfst: En is’t dat den wijngaert wel is ghelaeyen, / so sullen daer veel besiën sijn.

 

12 Druiven / druiventros = de aardse ijdelheden, wellust, erotiek

[Wuyts 1986: 30-31. Druiven zijn van in de Oudheid een symbool van liefde en wellust, omwille van de wijn. Bij Ripa: symbool van wellust en geilheid. Bij Cats is de druiventros een embleem van de maagdelijkheid (maar toch ook dubbelzinnig als metafoor voor cunnus en minnelust. Signaleert ook de passage bij Stijevoort (beste bes uit druiventros geofferd op altaar van lief).]

 

Pierre de Beauvais: Bestiaire ed. 1980 (XIIIa)

  • 35. Bestiarium. Naar aanleiding van de egel die druiven meevoert op zijn stekels: car le souci des biens de ce monde et les plaisirs temporels sont fichés sur ses épines.

De Coo 1975 (circa 1568/69)

  • 99. Zuid-Nederlands beschilderd houten bord van circa 1568/69 (Antwerpen-Deurne, Museum Sterckshof). Aan de ene kant een versie van Bruegels Misantroop (zie afb. 36, p. 105). Aan de andere kant een schotel met twee druiventrossen met daarrond de tekst: Geeft my weder / Ghy hoeft er niet / Ist deen besiken wit en d’ander blau / Ghy mucht een ander kiesen (zie afb. 24, p. 97). De Coo begrijpt de betekenis niet, wij voorlopig evenmin.

Iconologia ed. 1971 (1644)

  • 75b-76a. ‘Sanguigno’ of ‘Blygeestige’ = jongeman met daarnaast een geitje met een druiventros in de mond. Het geitje verwijst naar Venus, de bos druiven naar Bacchus. Het Geytjen met een bos druyven in den mond, bediet dat de Sanguine tot Venus en Bacchus seer genegen is. (…) En door den Druyventros wort Bacchus verstaen: Waer over Aristoteles in sijne XXXI voorstellinge seyt, dat dit in de Sanguine gebeurt datse veele saedts hebben, ’t welck oorsake is van de Minnelusten.
  • 143a. Pers’ vertaling van Ripa. De ‘Lussuria’ of ‘Geylheyd’ werd door ‘de Oude’ voorgesteld als een faun met een krans van eruca of raket en een bos druiven in de hand. En eygentlijck zijn die geen geyl die in de Min te overvloedigh zijn, veroorsaeckt door den Wijn, diewelcke verhit, en door andere dertele hulpmiddelen.
  • 594ab. ‘Libidine’, ‘Wellust’, ‘Geylheyt’ = een frivool geklede vrouw met een schorpioen, een bok, een wijnrank en enige druiven in de mond. De Druyf is een klaer teycken van de Wellust, want: Wanckt Ceres niet met Bacchus Wijn, / Vrouw Venus trilt van koud’ en pijn. Daerom seytmen dat de Wijnranck geyl en weeldrigh is, wanneerse dapper uytschiet, gelijck de Menschen die in de Wellust verblint zijn, oock nimmermeer rusten.

 

13 Restmateriaal

[De Jongh 1974: 190 (noot 72). Andere connotaties van druiven: de vruchtbaarheid van het land / bij personificaties van de Herfst / als attribuut van herderinnen / in verband met drinkgelagen / wijnrank rond boomstam = liefdesembleem / een enkele keer: een politieke betekenis.]

 

[explicit 20 augustus 2013]