DUIF (columba)

 

Vergelijk over de symboliek van de duif ook De Bruyn 2001a: 366-370.

 

1 Duif in Physiologus / bestiaria-traditie

 

Physiologus ed. 1979 (circa 200)

  • 64-66. In de middeleeuwse allegorische traditie, die sterk door de Bijbel beïnvloed is, zijn de positieve connotaties van columba zonder overdrijving overweldigend te noemen. In de Physiologus wordt de duif, afhankelijk van haar kleur, allegorisch gelijkgesteld met onder meer Christus, de twaalf profeten, Elias, het Oude Testament (hier toch enigszins pejoratief, maar het gaat dan ook om een zwarte duif), Jonas, de drie jongelingen voor Nebukadnezar, Elisha, Johannes de Doper en de H. Stefanus: een lange lijst van betekenissen die de latere bestiaria-traditie overneemt en (met veel invloed van antieke bronnen en middeleeuwse artesliteratuur) vaak tot in het absurde verder uitbreidt. Voor de betekenis van de duif in de Physiologus verwijzen wij naar de Latijnse y- en b-versies die werden bezorgd door Carmody (Engelse vertaling hiervan in Physiologus ed. 1979). Voor een overzicht van de allegorische duif in de bestiaria-traditie, zie Mc Culloch 1962: 111-112, Unterkircher 1986: 51-52, en George/Yapp 1991: 158-159.

Aviarium ed. 1992 (1132-52)

  • 120-137. In zijn Aviarium (Vogelboek) besteedt Hugo da Folieto de elf eerste capitula aan een omslachtige symbolische analyse van de duif. De vogel wordt er onder meer in verband gebracht met Noach, David en Christus, en verder met de H. Geest, de Kerk, de gelovige ziel, de priesterstand, de martelaren, de predikanten en de hemelse zaligheid. In het elfde caput somt Hugo de verschillende ‘eigenheden’ (proprietates) van de duif op: zij zingt niet maar zucht, zij heeft geen gal, zij kust graag, zij vliegt in zwermen, zij doodt niet, zij eet fijne graansoorten, zij laat krengen links liggen, zij nestelt in rotsspleten, zij verblijft in de buurt van water zodat zij de schaduw van een havik op tijd kan herkennen en zij voedt twee jongen op. Vervolgens put de auteur zich uit om elk van deze tien eigenheiden van een allegorische moraal te voorzien.

Der naturen bloeme I ed. 1980 (circa 1270)

  • 205-208 (Boek III, verzen 1019-1106). Didactisch rijmtraktaat over de natuur. Dat de uitgebreide allegoriek van de duif niet alleen op een moderne geest een eerder vermoeiende indruk nalaat, blijkt duidelijk uit Jacob van Maerlants Der naturen bloeme, waarvan het geïntendeerde publiek bestond uit niet-theologisch geschoolde lezers. Nadat Maerlant in zijn paragraaf over columba dats der duven name negen kenmerken van de duif heeft opgesomd (waarvan er zeven overeenstemmen met de lijst van Hugo da Folieto), merkt hij droogweg op: Op elc punt vintmen wel sermoen, / Die hier voeren staen bescreven (verzen 1046-1047). Waarna hij onmiddellijk vervolgt met de beschrijving van de verdere karakteristieken van de duif. Verwijs, die de tekst bezorgde, tekent aan dat het ‘niet recht duidelijk’ is wat door Maerlant met deze twee verzen bedoeld wordt. Wanneer we echter vers 1047 beschouwen als een betrekkelijke bijzin bij ‘elc punt’ uit vers 1046, dan is er geen vuiltje aan de lucht: Maerlant bedoelt dat hij in zijn bronteksten voor alle kenmerken van de duif die hij zonet opsomde, een allegorische moraal (‘sermoen’) heeft aangetroffen, maar hij acht het niet opportuun voor zijn primair lezerspubliek deze ook nog eens allemaal één voor één te gaan behandelen.

 

2 Duif in de natuurwetenschappelijke traditie

 

De natura animalium I ed. 1971 (circa 200)

  • 162-163 (Boek III, paragraaf 5). Grieks dierentraktaat. De duif is gematigd in seks en monogaam.

 

3 Duif = Christus

 

Dialogus miraculorum II ed. 2004 (1219-23)

  • 308 (afdeling 11, hoofdstuk 2). De duif wordt geassocieerd met de Heer (God).

Legenda aurea II ed. 1993 (circa 1260)

  • 337. Christus zendt een duif om de gevangen H. Catharina te voeden.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 387 (Winterstuc, hoofdstuk 50, regels 33-34). Theologisch compendium. Een portret van Christus. Over Zijn ogen: guetliken sagen si als een duve.

Dat Boeck Cantica Canticorum ed. 1945 (XVd)

  • 150 (hoofdstuk 5, regels 160-168). Bijbelcommentaar. Naar aanleiding van Hooglied 5, 10-16: Syn oghe, dat is die voersichticheit synre schickinge, die is reyn in der meyninge als die duve reyn is aen hoeren oghen. Want alle dinck die God gescapen heeft, die heeft hi wael ghemeynt unde gemaect unde heeft si alle wysselicken in synre ewiger wysheit voersien, als die duven sich in den vlietenden water plegen te besien. Oock eer mocht geen duve hoer oghen in melck alsoe reyn gewassen, als God alle creaturen in den melck synre liefden gescapen heeft, want hi sittet boven den reynen wateren synre volcomenre genaden.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 300 (refrein 82, strofe d, vers 10). Vroed rederijkersrefrein. Over de ogen van Christus: Zijn ooghen zijn als duven opte rivieren. Hooglied-topos.

Sinte Pieter ghecompareirt byder duve ed. 1920 (1531)

  • 352 (verzen 255-256). Rederijkersspel. Christus mach wel zyn versint my / De duue ghecommen vut shemels troone tente.
  • 557 (verzen 443-465). Een tamme duif smeert men de bek in met zoete zeeme: zij kust een wilde duif en deze volgt de tamme duif naar het duivenhok. De wilde duif smeert men ook in en die lokt zo weer andere duiven mee: zo vangt men wilde duiven. Christus is de tamme duif en Petrus, die door de zoete woorden van Christus meegelokt werd, is de wilde duif. De andere wilde duiven zijn de gelovige christenen.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 25 (vers 570). Rederijkersspel. Over Christus: als duuen oghen zijn de zijn, mij toe ghesworen.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 258 (Boek III, nr. 11, strofe 11, vers 3). Vroede ballade (Christuslof): Gaven sent ons, Goddelijc Duyfken blanck.
  • 307 (Boek III, refrein 26, strofe a, vers 3). Vroed kerstrefrein. Tduyfken compt inde Arcke, de Rave moet vluchten. Hetzelfde in De Bruyne II ed. 1880: 131 (refrein 72, strofe 1, vers 3).

 

4 Duif = H. Geest

[Zie Mattheus 3, 16 en Johannes 1, 32. Bij de doop van Jezus door Johannes de Doper daalt de H. Geest uit de hemel neer in de gedaante van een duif.]

 

Sancti Eusebii Hieronymi Epistulae ed. 1991 (370-413)

  • 438 (Brief CXXV, paragraaf 20). Over Jezus in de tempel: Hij gooide de tafels omver van hen die onder meer duiven verkochten, de giften van de H. Geest.

Dialogus miraculorum I ed. 2003 (1219-23)

  • 30 (afdeling 1, hoofdstuk 3). Latijns stichtelijk traktaat. Duif = H. Geest.
  • 86 (afdeling 2, hoofdstuk 5). Duif = H. Geest.

Dialogus miraculorum II ed. 2004 (1219-23)

  • 44 (afdeling 7, hoofdstuk 15). Duif = goddelijke teken.
  • 142 (afdeling 8, hoofdstuk 36). Duif = H. Geest. Referentie aan Mattheus 3, 16 met wat meer uitleg.
  • 142-143 (afdeling 8, hoofdstuk 37). Duif = H. Geest.
  • 155 (afdeling 8, hoofdstuk 51). Duif = H. Geest (bij Johannes de Doper).

Van den levene Ons Heren I ed. 1968 (XIIIA?)

  • 37 (verzen 965-967). Jezusleven. Over het doopsel van Jezus: Al tvolc dat daer was hoerde ende sach / Eene witte duue vlieghen op hem al daer / Dat was die heilege geest ouer [waer]. Zie ook Vanden levene Ons Heren ed. 2001: 74 (verzen 965-967).

Legenda aurea I ed. 1993 (circa 1260)

  • 83. Duif = H. Geest.
  • 97. Witte duif =H. Geest?
  • 181. Duif = H. Geest.
  • 266. Duif = H. Geest.
  • 300-301. De verklaring waarom een duif = H. Geest (in een hoofdstuk over de H. Geest).

Legenda aurea II ed. 1993 (circa 1260)

  • 153. Duif = H. Geest.

Rijmbijbel II ed. 1859 (1271)

  • 443 (Evangeliën, hoofdstuk 23, verzen 22.216-22.218). Berijmde historiebijbel. Bij de doop van Jezus: Doe ondede daer also houde / die hemel entie helighe Geest quam saen / up hem als ene duve staen.

Der leken spieghel II ed. 1845 (1325-30)

  • 40 (Boek II, hoofdstuk 5, verzen 51-58). Encyclopedisch leerdicht. Een duif daalde neer op de dorre roede van Jozef om hem aan te duiden als man van Maria.
  • 41-42 (Boek II, hoofdstuk 5, verzen 85-92). Over Jozefs uitverkiezing tot man voor Maria: Ende Josephs roede te hant / Wert bloeyende in sijn hant / Van beneden tot inden top, / Ende een duve quammer op: / Als Ysaias wilen leerde, / Daer hi seide ende propheteerde / Den heilighen gheest waerlike / Comen in eenre duven ghelike.
  • 223 (Boek II, hoofdstuk 36, verzen 1416-1417). Bij het doopsel van Jezus: Die heilighe gheest sprac hem daer ane / In eenre duven ghelike.
  • 304 (Boek II, hoofdstuk 44, verzen 381-388). Fabianus werd tot paus verkozen door tussenkomst van een duif: Dus so cossen God daer.
  • 361 (Boek II, hoofdstuk 48, verzen 732-733). Een diaken ziet hoe paus Gregorius I zijn boeken schrijft: Die heilighe gheest op hem sat / Als een duve met lichte.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 102-103 (Winterstuc, hoofdstuk 19, regels 17-21). Theologisch compendium. Over de verschijningsvormen van de H. Geest: Eerst uut des Vaders monde als een sneewitte duve vlieghende doer een luchtighe wolke mit enen sueten coelen zuden winden, mit enen ghedriefte ende ghelude, mit eenre gulden nebbe, daer in ghescreven stont die naem Jhesu.
  • 268 (Winterstuc, hoofstuk 36, regels 49-55). Over de uitverkiezing van Jozef als man van Maria. Also dat een stemme seide: Roept alle die mannen te samen, die van Davids geslacht sijn geboren ende huwelick moghen ontfangen; ende een yghelic hebbe een dorre roed in sijnre hant; op welke een witte duve comt sitten, die is die man, die dese ioncfrouwe te echt sel ontfaen. Int leste scide dit den ouden man Ioseph, geboren vanden huus Davids. Impliciete ‘duif = H. Geest’-topos.
  • 282-284 (Winterstuc, hoofdstuk 38, regels 9-11 / 59-62). Over een visioen van Isaias in verband met de bovennatuurlijke zwangerschap van Maria. De profeet zag een vat ende thant vielen in dat vat licht der sonnen, douwe des hemels, wijnt van zuden ende daer in een witte duve ende voor so vloegen seven aernen. Later volgt dan de allegorische duiding: Ende die seven gaven des heiligen Geests uuten wynde, licht ende douwe mit genaden, wijsheit ende duecht wrachten dese overnatuerlike ontfangenis.
  • 299 (Winterstuc, hoofdstuk 40, regels 50-51 / 58). Over de bloeiende roede van Aaron: ende een duve viel daer op te rusten. Wordt verderop geduid als: daer op sel rusten die helige Gheest.
  • 320 (Winterstuc, hoofdstuk 42, regel 123). De H. Geest heeft zich vertoond in verschillende gedaanten, onder meer in eenre duven.
  • 363 (Winterstuc, hoofdstuk 47, regels 110-111). Over het doopsel van Jezus: Ende die heilige Geest clam neder als een duve op hem rusten.
  • 365-366 (Winterstuc, hoofdstuk 47, regels 165-182). Drie redenen waarom de H. Geest zich bij het doopsel van Jezus openbaarde als een duif.
  • 421 (Winterstuc, hoofdstuk 53, regels 124-125). Bij het doopsel van Jezus sprak God: Hier is mijn lieve Soon, ende die heilige Geest clam op hem neder als een duve.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 246 (Somerstuc, hoofdstuk 16, regels 123-124). Theologisch compendium. Over de H. Geest: Dat eerste is, dat hi inder gedaenten van eenre duven quam opten ghedoopten Ihesum staen.
  • 272 (Somerstuc, hoofdstuk 16, regels 792-795). In welker waerheit so is, dat doe onse lieve heer Ihesus quam uter dope vander flumen Jordaen ende sijn ghebet sprac, doe quam die helighe Gheest op hem rustende als een duve.

Tleven ons heren ihesu cristi ed. 1980 (1409)

  • 23 (hoofdstuk 1). Jezusleven. De keuze van Jozef als man van Maria: Ende een duve uut den hemel quam, sittende in dat overste vander roeden, so dat claerliken daer in waer openbaert, dat hi die gheen ware die die maghet nemen soude, so dat daer die bruloft, alst ghewoenlijc was, ghemaket wart.

Pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 467 (regels 20-21). Allegorie. Ende oec mede die gracie van den Heyleghen Gheest, die haer volgt ghelijc eender schoender witter duven.

Brugman ed. 1948a (vóór 1473)

  • 25 (preek 2, regels 128-132). Prekenbundel. Ende daer-om had hi [Lucifer] gheern gecomen in die gedaente eenre witter duven. Mer God en gehende des niet; want hi bekenden in zijnre hoger godliker wijsheit, dat noch naemaels die heilige geest openbaren soude in de gedaente eenre witter duven.
  • 201 (preek 17, regels 180-183). Daer sinte thomaes van scrijft, dat een heilich vader sach een witte duve op eens brueders hoeft, die professie dede, tot enen teeken, dat si den heiligen geest ontfangen, die professie doen ende die drie geloeften geloven.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 140 (5de preek, regels 2-15). Prekenbundel. Zeven engelen met elk een gulden duif, telkens versierd met witte parels: gezonden door de H. Geest aan de deerne van Christus.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 121-122 (verzen 25-50). Vroed rederijkersrefrein. O helich geest, welsmakende druue, / die v ootmoedich hebt willen verbaren / Jnder ghedaenten van eender duue. Zeven redenen daarvoor: duif vliegt naar water (= doopsel), duif verkiest het beste graan (= de H. Geest verlicht de ootmoedigen), duif doet anderen voedsel ontvangen (= de H. Geest verzadigt allen), duif bijt niemand (= de H. Geest brengt alle ruzies tot rust), duif heeft geen gal (= de H. Geest verdrijft het ongeloof), duiven nestelen in stenen gaten (= de H. Geest is de steen, oorzaak van onze vreugde), duif zucht als ze zingt (= de H. Geest doet de zonden bezuchten). Ook in Stijevoort I ed. 1929: 241-242 (refrein 119, verzen 25-50).

Hastings Hours 1983 (XVB, vóór 1483)

  • 128-129 (afb. 20b). Vlaams getijdenboek, de ‘Hastings Hours’. Daarin een miniatuur met een afbeelding van de H. Drievuldigheid (‘Memorial of the Holy Trinity’). De H. Geest is een witte duif.

Kroniek van Peter van Os ed. 1997 (1513-15)

  • 13. Stadskroniek. In 560 doopt de H. Remi Clodovich. Bij de doop brengt een witte duif een ‘pulleken’ met heilige olie voor het doopsel.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 195-196 (refrein 99, verzen 60-63). Vroed rederijkersrefrein. Noch de drieuuldicheit en is niet neer ghegaen / den discipulen aen, als stercken dondere / Noch als een duue op iesum ghestaen / mer dit heeft ghedaen, die geest als oorcondere.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 1 (vers 7). Rederijkersspel. O lieflichste duue ons verlichtende, twas noot.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 81 (fol. 31v, vers 17). Rederijkersrefrein, lof op de H. Geest: ongrondelicke forme / als duue vlerckende.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 166 (fol. 412v, verzen 11-12). Rederijkersgedicht. Johannes de Doper getuigde: Want ick hebbe ghezien den gheest zeere wel / inne die ghedaente Van een duue voorwaer.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 199 (refrein 135, strofe 3, verzen 13-15). Vroed rederijkersrefrein. Soo, laet ons gelooven & tegen den vyant wreet / in Godt den Heyligen Gheest, diet ons heeft gewrocht, / & ons in gedaente der duyve heeft besocht.

De Treves ed. 1998 (1609)

  • 68r (regels 418-419). Rederijkersspel. Beschrijving van een vertoning: waer op dat daelde een duijve uijtbeeldende de heijlige geest.

 

5 Duif = Maria

[Van Buuren 1999: 94. De benaming duve voor Maria is zeer oud en komt doorheen de hele Middeleeuwen voor. Zij gaat vooral terug op het Hooglied (2, 14 / 5, 2 / 6, 8), waar de bruidegom zijn bruid ‘mijn duifje’ noemt. De duif is de eeuwen door onder meer het symbool van de onschuld, zachtmoedigheid en liefde. = A.M.J. van Buuren, “Mi quam een schoon geluyt in mijn oren – Aantekeningen bij Suster Bertkens tweede lied”, in: Spiegel der Letteren, jg. 41 (1999), nr. 2, pp. 83-101.]

 

Rijmbijbel I ed. 1858 (1271)

  • 56 (hoofdstuk 26, verzen 1219-1230). Berijmde historiebijbel. Noach zond na de Zondvloed drie maal een duif uit: de eerste keer vond ze geen plek om te rusten behalve de ark, de tweede keer bracht ze een olijftak mee bij haar terugkeer, en de derde keer keerde ze niet meer terug. Naar aanleiding van de tweede vlucht luidt het: Die dive bediet onser Vrouwen / Die ter arken keerde met trouwen / Die den telch van der oliven / Brochte ghedraghen den keitiven. / Dolive bediet pays ende vrede; / Want wie so inder zerechede / Ende in den sonden es bevaen / Laet hi sine herte an hare staen / Maria soe ne bezwyctene niet: / Soe brinct te payse sijn verdriet / En maect haer kint te hem zachte / Recht als die duve dolyve brachte.

Rijmbijbel II ed. 1859 (1271)

  • 405-406 (Evangeliën, hoofdstuk 10, verzen 21.474-21.476). Berijmde historiebijbel. Maria gaat met Jezus offeren: Met hem offerde soe te handen / van tortelduven allene .j. paer / ende .j. paer duven jonge naer.

Der leken spieghel II ed. 1845 (1325-30)

  • 430 (Boek II, hoofdstuk 58, vers 158). Encyclopedisch leerdicht. Christus tot Maria: Staet op, mijn duve, zonder beide.

Mirakelen ’s-Hertogenbosch ed. 1978 (1383)

  • 318-319 (nr. 142). Mirakelboek. Op 7 juni 1383 breekt een brand uit in Groot-Zundert bij Breda en Hendrik Grobbe en zijn vrouw bidden tot Maria opdat hun huis gespaard zou blijven. Waarop de wind keert, het vuur verwijdert zich en boven hun huis verschijnt een scoen wit duve.

Legenda aurea II ed. 1993 (circa 1260)

  • 93. Duif = Maria.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 269 (Winterstuc, hoofdstuk 36, regels 62-63). Theologisch compendium. Portret van Maria. Haar ogen waren simpel van opslaen als een duve.

Tübingse Sint-Geertruihandschrift ed. 1996 (1445-50)

  • 77 (nr. 2, verzen 99-100). Geestelijke rijmtekst. Over Maria: Is sy doecsam bouen al / Soe moet sy wesen sonder gal. Impliciete duif-topos.

Sevenste bliscap van onser vrouwen ed. 1978 (1455)

  • 191 (vers 1206). Mysteriespel. Christus tot Maria: Comt, mijn weerde duve reyne.

Noordnederlandse Historiebijbel ed. 1998 (1458)

  • 237 (Genesis 8). Naar aanleiding van de duif die Noe uitzendt na de Zondvloed en die tegen de avond een olijftak terugbrengt (Genesis 8, 11): Die duve beduut Maria, die voirtbrocht den olijf des vreden, Jhesum Cristum, die ons vertroeste ende brocht ons tot die arke des ewichs levens.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 189 (vers 15). Vroed abc-dicht, Marialof: Duechdelijcke Delbora / Drachtighe Duyue.

Diets gebedenboek ed. 1961 (1510-20)

  • 211. Gebed. O duue der simpelheijt.
  • 249. Gebed. Wtvercoren duue.

Suster Bertken ed. 1924 (1518)

  • 62. Dye moeder heeft hem ghebeden aen, / Sijn duve, sijn wtvercoren.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 282 (refrein 132, vers 37). Vroed rederijkersrefrein, Marialof: Duue vol blijscapen, rebecca vol ghetrouwe.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 31 (refrein 150, vers 43). Vroed rederijkersrefrein, Marialof: Aue druue / en duue mede.
  • 32-34 (refrein 151). Vroed rederijkersrefrein, Marialof, met als stokregel: reijn duue / der concordien vol minnen.
  • 39 (refrein 154, verzen, 35-36). Vroed rederijkersrefrein, Marialof: Lof duyfken van Noe, dat in figueren / ter arcken bracht, enen groenen rys.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 6 (Boek I, refrein 2, strofe e, vers 3). Vroed rederijkersrefrein, Marialof: Duve, ghij bracht ons dat tacxken van olijven.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 324 (refrein 89, strofe h, verzen 3-4). Vroed rederijkersrefrein, Marialof: Dranck der zielen schinckt ons, o schoonste duve vroech, / Duve vroech geheylicht voor den helschen stanck.
  • 326 (refrein 90, strofe b, vers 9). Vroed rederijkersrefrein, Marialof: Blancke duve, die de druve bracht zoet van drancke. Met de druif wordt uiteraard Jezus bedoeld.
  • 333 (nr. 91, strofe p, vers 3). Vroed abc-dicht, Marialof: Triumphant Jherusalem, duyfken innocent.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 268 (Boek III, refrein 14, strofe b, vers 13). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Lof onnoosel duyfken, suyver en tam. Het gaat over de duif die Noach uitzond.
  • 281 (Boek III, refrein 18, strofe c, vers 5). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Verfoyende waerdy wellust, duyfken fiere.

 

6 Duiven = engelen

[De Vooys 1926: 260. ‘Op andere wijze worden duiven te pas gebracht bij het heenvlieden van de ziel, wanneer men zich voorstelde dat de ziel door duiven weggeleid werd.’]

 

Dialogus miraculorum II ed. 2004 (1219-23)

  • 326 (afdeling 11, hoofdstuk 16). Latijns stichtelijk traktaat. Bij het overlijden van een lekenbroeder cirkelen twee raven om zijn hoofd die door een sneeuwwitte duif verjaagd worden. De novice vraagt wie die duif geweest is. De novicenmeester antwoordt: Een soort personificatie van een engel die, geholpen door de gebeden van de broeders, voor de ziel van de stervende tegen de demonen streed en over hem triomfeerde. Ook vermeld in De Vooys 1926: 265.

Sinte Katherina ed. 2011 (XV)

  • 122. Heiligenvita. Sint-Katherina zit in de gevangenis, maar God is haar niet vergeten: hi en heeft niet ofghelaten dese ontsculdighe maghet te voeden dese XII daghen lanc, mit eenre witter duven vanden hemel ghesent. Op pagina 124 bevestigt Katherina dat het om een engel gaat.

Mariken van Nieumeghen ed. 1980 (circa 1516)

  • 102 (verzen 112-1113). Mirakelspel. Mariken ziet in een visioen dat vele witte duiven met hun vleugels haar boeien afslaan: Daar kwam mi vele witter duven tegen, / Die sloegen mijn banden af met haren vlerken. Eligh 1991: 155-157, heeft het over de witte duiven die Mariken in haar visioen ziet. Eerdere interpretaties waren: de H. Geest, geredde zielen of begeleiders van ten hemel varende zielen. Eligh zelf hierover: in het vroege christendom kon de duif wel naar de ziel verwijzen, maar een hemel vol duiven (= zaligen) is nergens te vinden. De duiven in Mariken zijn niet iconografisch bepaald. Duiven kunnen in de Middeleeuwen ook deugden personifiëren. Ook in de Bijbel zijn duiven belangrijk. Volgens Eligh is in Mariken vooral sprake van de ootmoed, nederigheid, humilitas.

 

7 Duif // H. Petrus

 

Legenda aurea I ed. 1993 (circa 1260)

  • 340. Waarom Petrus ‘zoon van de duif’ genoemd wordt: simpelheid, goed gedrag, deugdzaamheid en veel tranen.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 299 (Somerstuc, hoofdstuk 18, regels 112-118). Theologisch compendium. De H. petrus heet onder meer Symon Bariona = Duivenkind. Een duif is immers vruchtbaar, eenvoudig en zuiver.

Sinte Pieter ghecompareirt byder duve ed. 1920 (1531)

Heel dit rederijkersspel van Cornelis Everaert is één lange allegorische en typologische vergelijking tussen de H. Petrus en de duif. De tekst heeft meer weg van een populariserend-theologisch traktaat: binnen 542 verzen wordt de H. Petrus op 25 verschillende manieren allegorisch vergeleken met de duif.

  • 347 (verzen 67-85). De duif heeft drie Latijnse namen: columbus of columba, palumbes en turtur. Petrus heeft ook drie namen: Symon (‘hij die gehoorzaamt’), Chephas en Petrus.
  • 348-349 (verzen 113-133). Palumbes (de palmduif) = het hoofd van alle vogels die de zuiverheid beminnen, zegt Isidorus (van Sevilla). Petrus/Chephas = het hoofd van alle andere apostelen want hij beminde Christus, het hoofd der zuiverheid.
  • 349-350 (verzen 133-174). ‘Pieter’ = hij die erkent en zich ontschoeit. De tortelduif: erkent de waarde van zijn partner, blijft alleen na de dood van zijn partner, treurt hierom tot aan de eigen dood (ontschoeit zich van alle vreugde). Petrus: erkende Christus als Godszoon, ontschoeide zich van aardse geneugten, was treurig na de dood van Christus.
  • 350 (verzen 175-190). De duif: legt in haar nest het kruid squilla, dit houdt de wolf weg, de jongen van de duif zijn dus veilig in het nest. Petrus: ontdeed zich van de zonde door het kruid leedscip, hield zo de duivel op afstand, wij zijn zijn ‘jongen’ en kunnen ook de duivel afweren. Als bron voor deze vergelijking wordt Ambrosius genoemd.
  • 351 (verzen 205-212). Eerste bijnaam van Petrus = Symon Johanna = hij die schoonheid van de Heer ontvangen heeft. De duif: heeft schone pluimen met kleuren. Petrus: had schone manieren en zeden.
  • 351 (verzen 213-232). Tweede bijnaam van Petrus = Symon Johannis = hij die veel deugden ten geschenke heeft gekregen. De duif: in het Oude Testament behaagde de duif God het meest, daarom gebruikte men ze als offergave. Petrus: behaagde God het meest en werd Christus’ stadhouder op aarde.
  • 351-352 (verzen 233-263). Derde bijnaam van Petrus = Bar Jona = zoon van de duif. De duif: bekend om haar eenvoud. Petrus: diende Christus eenvoudig, Christus beminde Petrus als een vader zijn kind. Christus = de duif uit de hemel. De apostelen zijn zijn jongen, dus ook Petrus is zijn ‘jong’.
  • 353 (verzen 287-290). Duif: in het Latijn ‘columba’ omwille van de schoonheid van haar hals. Petrus: is de hals vol deugd waar het Opperste Hoofd op rust.
  • 353 (verzen 305-312). Een kenmerk van de duif: zij is vreedzaam, niet vals, niet wraakgierig. Dit komt door haar eenvoud: zij heeft geen gal. Zij was de bode van de vrede bij Noach. Petrus: was ook simpel en niet vals of hypocriet. Dat hij Malchus een oor afsloeg, was uit liefde voor Christus.
  • 355-356 (verzen 373-426). Kenmerk van duif: is vreesachtig, vlucht in huizen, bomen of rotsgaten. Petrus: was ook vreesachtig, vluchtte naar Christus. / De duif in India vlucht in een boom (peredicxcion) voor een vliegend serpent. Dit serpent schuwt deze boom. Petrus = de duif, Christus = de Indische boom, de duivel = het serpent. / De duif twijfelt vaak alvorens op te vliegen, daardoor kan ze vaak aangeschoten worden. Petrus twijfelde ook en werd een prooi van de duivel toen hij drie maal Christus verloochende. / De duif ziet in het water de schaduw van de havik en vlucht dan. Petrus: zag in een rivier van tranen dat hij fout was geweest. / De ‘zang’ van de duif is zuchten. Petrus zuchtte ook om zijn zwakheid.
  • 556-557 (verzen 437-442). De duif huist graag in witte huizen of koten. Petrus beminde ook de schoonheid des hemels.
  • 557 (verzen 443-465). De tamme duif smeert men de bek in met zoete zeeme. Zij kust dan een wilde duif en deze volgt de tamme duif naar het hok. Zo vangt men wilde duiven. Duiven houden van zoetheid. De wilde duif = Petrus, de tamme duif = Christus. Petrus werd door de zoete woorden van Christus meegelokt naar het hok van het geloof. De andere wilde duiven = de andere mensen.
  • 557 (verzen 465-472). De duif eet matig, is niet gulzig. Petrus leefde ook matig.
  • 557 (verzen 473-475). De duif drinkt zonder het hoofd op te heffen. Petrus was ootmoedig.
  • 557-558 (verzen 477-484). De duif leert haar jongen onrein mest te schuwen en zich te reinigen in asse. Petrus deed penitentie in de sparcke van devotie en de asse van ootmoedigheid.
  • 358 (verzen 485-492). De duif vliegt snel, heeft heldere ogen, is vriendelijk, maar maakt lawaai bij het opvliegen. Petrus was ook zoet en vriendelijk voor de goeden, maar streng voor de bozen.
  • 358 (verzen 493-504). Het bloed van de duif geneest ogen en slangenbeten. Petrus genas een kreupele.
  • 358 (verzen 505-510). De duif vliegt hoog en draait dan naar beneden. Petrus bezat hoogheid en bezoorchsaemheyt.
  • 358-359 (verzen 511-536). De duif houdt van de plaats waar ze opgroeide. In Syrië gebruikt men duiven als boden: de brieven bindt men onder haar vlerk. Soms wordt ze daarom door de vijanden neergeschoten. De duif = Petrus, de brieven = het evangelie, thuis = de hemel, de vijanden = de vijanden van de christenen, Nero.

 

8 Duif = de gelovige christenmens, de Kerk, heiligen

[In Hooglied 1, 15 (wat zijt ge verrukkelijk, mijn liefste, uw ogen zijn duiven), 2, 14 (mijn duifje in de spleten der rotsen, in de holen der klippen) en 6, 8 (maar mijn duifje, mijn schoonste is enig) wordt de bruid met een duif vergeleken. Psalm 55 (54), 7 luidt: Ik dacht: had ik maar vleugels als een duif, dan vloog ik heen, om een wijkplaats te vinden.]

 

Sancti Eusebii Hieronymi Epistulae ed. 1991 (370-413)

  • 108 (Brief XXII, paragraaf 24). Christus zal tot de maagd Eustochium zeggen: mijn duif is de enige. Hooglied-topos.
  • 112 (Brief XXII, paragraaf 26). Christus zegt tot gelovige maagd: mijn duif. Hooglied-topos.
  • 138 (Brief XXII, paragraaf 35). O, had ik de vleugels van een duif, dan zou ik wegvliegen en rust vinden. Psalm-topos.
  • 156 (Brief XXII, paragraaf 41). Christus zegt tot gelovige maagd: mijn duif. Hooglied-topos.

Dialogus miraculorum I ed. 2003 (1219-23)

  • 371 (afdeling 6, hoofdstuk 1). Latijns stichtelijk traktaat. Duif = eenvoudige, vrome christen. Referentie aan Isaias 60, 8.
  • 372 (afdeling 6, hoofdstuk 1). Duif = eenvoudige, vrome christen. Referentie aan Mattheus 10, 16.
  • 377 (afdeling 6, hoofdstuk 5). Duif = eenvoudige, vrome christen.
  • 385 (afdeling 6, hoofdstuk 5). Duif = eenvoudige, vrome christen.
  • 397 (afdeling 6, hoofdstuk 11). Duif = eenvoudige, vrome christen. De abt Petrus van Clairvaux, navolger van de apostel Petrus, werd ‘zoon van de duif’ genoemd (zie ook bij ‘duif // H. Petrus’).
  • 405 (afdeling 6, hoofdstuk 20). Duif = eenvoudige, vrome christen.

Legenda aurea I ed. 1993 (circa 1260).

  • 22. De H. Nicolaas, filled with the simplicity of a dove.
  • 166. Clerici moeten simpel als duiven zijn.
  • 251. Duif = vrome persoon (maagd).

Legenda aurea II ed. 1993 (circa 1260)

  • 225. Sint-Franciscus = simpel als een duif.
  • 231. Zwarte duif = zondaar / witte duif = bekeerde zondaar.

Sinte Franciscus leven ed. 1954 (circa 1275)

  • 196 (verzen 5743-5745). Heiligenleven. Franciscus zegt dat zijn broeders het evangelie moeten navolgen zodat si der duven eenvoudicheden / van des serpents behendicheden / ne versceden nemmermere.

Vita Beatricis ed. 1993 (XIIId)

  • 50 (paragraaf 42). Latijns heiligenleven. Beatrijs weert schadelijke gedachten af om als een eenvoudige duif te rusten in de rotsholte en haar nest en verblijf in te richten in de geborgenheid van de wonden van Jezus Christus.
  • 63 (paragraaf 62). In verband met duivelse bekoringen: En daarom gaf de argeloosheid van de duif, in haar verlangen om verder te gaan zonder de sluwheid van de slang, zich al te onbezonnen prijs aan het gevaar van Charybdis zonder helemaal aan de hatelijke dreiging van Scylla ontkomen te zijn.

Dietsche doctrinale ed. 1998 (1345)

  • Boek III (verzen 5906-5907). Stichtelijk rijmtraktaat. Want cristus sprac selue sijds ghewes / Sijt eenvuldech als die duue es.

Orloy der ewigher wysheit ed. 1926 (XIV)

  • 193 (regels 14-17). Stichtelijk traktaat. De ‘ik’ tot Christus: En hebdi niet lx conininnen ende lxxx vriendinnen ende joncfrouwen zonder getal? Mer eene is u sonderlinghen ende u duve ende u volcomene ende onbevlecte, die vrouwe is boven alle die andre.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 240 (Somerstuc, hoofdstuk 15, regels 533-534). Theologisch compendium. Over de apostelen bij Christus’ Hemelvaart: Die een seide: ach wie sal mi vloghelen gheven als eenre duven, dat ic hem na vleghen ende dan rusten vinden? Referentie aan Psalm 55 (54), 7 = ‘Quis dabit pennas mihi sicut columbae, et volabo, et requiescam’ (wie geeft mij vleugels als van een duif, dat ik kan wegvliegen naar mijn rust).

Des coninx summe ed. 1907 (1408)

  • 393 (paragraaf 345). Stichtelijk traktaat. Over Christus: Dit is dat duyfuys, daer in vlieghen die duyfkijns ons liefs heren, dat sijn die oetmoedighe ende die simpele, voer die rouken, dats voer die duvelen. Christus = duivenhok!

Navolghinge ons heren jhesu cristi ed. 1954 (XVA)

  • 140 (Boek III, hoofdstuk 31, regel 3). Stichtelijk traktaat. Over het verlangen naar God: Hi begeerde vrylken te vlieghen die daer seide: ‘Wie sel mi geven vederen als der duven ende ic sel vliegen ende rusten’. Psalm-topos.

Der Byen Boeck ed. 1990 (1451)

  • 32 (Boek I, hoofdstuk 18, regels 21-26 / 42-45). Stichtelijk traktaat. Over prelaten die zich te veel buiten het klooster begeven: Du heuest et quellike voer, ende du wilst des hilghen propheten woerde nicht te rechte na volghen want in synen worden wt slutet he alle idele ende vnnvtte wtreisinghe seghende. We sal my gheuen vederen, hoer wo danighe vederen. We sal my gheuen vederen alse der duuen de daer vleghet in der schaer, ende mynnet dat ghemene guet ende ic sal vleghen ende rusten. (…) Meer o prelate dyn wtvleghen en is sodanich nicht de daer vnstedich bist ende al vleende idel werdeste. Du en ghebrukest nicht vederen der duuen. op dattu rosten moghest van der onruste dyns groten ghesynnes ende dynre knechte ofte dynre ghesellen. Psalm-topos.
  • 75-76 (Boek I, hoofdstuk 9, regels 48-49/1). Over jonge dominicanen die predikend rondtrekken en werden onder den sunders niet sundich en werden ende sympel bliuen als duuen onder de alre schalkeste quade menschen ende wislike alse serpenten wanderen in eers selues bewaringe.

Brugman ed. 1948a (vóór 1473)

  • 171 (preek 14, regels 129-135). Prekenbundel. Wy lesen: doen Noey in die arke was, doen synden hi een duve uut, dat si sien soude, of daer ergent geen lant en was. Ende doen si geen en vant, vloch si weder in die Arke ende ginc sitten rusten. Alsoe sullen wi oec doen: als wi geen ruste en vinden inden creatueren of in eertschen dingen, soe sullen wi weder-keeren tot onsen lieven heer.

Bruiloftsallegorie van Katherina van Naaldwijk ed. 1996 (XV)

  • 374 (regels 24-26). Hent die oversuete, mynlicke Here Jhesus Christus, hoer Brudegom, comt ende nodet sie mynlike tot Synen verenighen ende sueten omhelsen, onversceidelick segghende: ‘Coemt myn uutvercoren, myne duve, myn onbevlecte, ende myne bruut’.

Spel van de V vroede ende van de V dwaeze maegden ed. 1979 (circa 1500)

  • 131 (vers 447). Rederijkersspel. Christus tot de wijze maagden: mijn duven.
  • 134 (vers 486). Christus tot de wijze maagd Gheloove: mijn duve.
  • 134 (vers 494). Christus tot de wijze maagd Ootmoedicheit: mijn duve.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 50 (refrein 13, strofe c, verzen 13-14). Vroed rederijkersrefrein. Aansporing tot bekering: Neempt Gods passie, Gods wonden te baten; / Nestelt in die gaten, al zijdij een sondare. Duif-topos is hier impliciet: duif = zondige christen die gered wordt door Christus (in gaten nestelen = bescherming zoeken in de wonden van Christus). Ook in De Bruyne I ed. 1879: 47 (refrein 11, strofe 5, verzen 13-14.
  • 104 (refrein 28, strofe b, verzen 12-13). Vroed rederijkersrefrein, over de Kruisdood: Ghebruyckt ghij u cracht, Godt compt u te baten; / Nestelt als duyfkens in die oopen gaeten. Ook in De Bruyne II ed. 1880: 116 (refrein 69, strofe 2, verzen 12-13).
  • 265 (refrein 71, strofe b, vers 15). Vroed rederijkersrefrein: Cruypt als duyfkens in die gaten en wilt suchten.
  • 300 (refrein 82, strofe e, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Mijnen gheminden sprack: mijn schoone, mijn duve, / Compt inde mueren, nestelt inde gaten.

Brugge: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 112 (verzen 433-436). Rederijkersspel. In hem alleene ons conscyencye zal / Gherust zijn, hier in dit tydelic bezwijck, / Als duve inde gaetkins des steens ghelijck / En de steen es Christus tot sdoots ghespan.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 28 (vers 680). Rederijkersspel. Christus over zijn geestelijk lief, Geloof: hoe vaert mijn lief, mijn duue, mijn bruijt onbevlect.
  • 32 (verzen 796-799). Idem: in die keye gaten comt tot mij hier / ende in die steen reeten, / laet horen v luijende soet stemmeken schier, / mijn duue, reijn dier, in dit gheneuchelick vergier. Hooglied-topos.
  • 33 (vers 815). Idem: blijft simpele, mijn duve, met alder ootmoet.
  • 88 (verzen 2087-2088). Idem: Soe salse ongefaelt fijn / weder mijn duue zijn ende mijn bruijt verheuen. Hooglied-topos.

Vreese des Heeren en Wijsheijt ed. 1968 (circa 1550)

  • 377 (verzen 332-333). Rederijkersspel. Goetwillich Herte (de vrome, protestantse gelovige) tot De Gherechticheijt (het ware, protestantse geloof): V oogen syn lieflyck, en claer beseuen, / Net bouen screuen, als duijuen oogen certeyn. Hooglied-topos.
  • 378 (verzen 376-378). Idem: Comt gij schoone, gij muecht, / Mijn duijue inde keijgaten [rotsspleten] vercoren / in die steencoten [rotsholen]. Hooglied-topos.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 196 (fol. 264v, verzen 18-22). Rederijkerslyriek. Over de deugd Prudentia. De mens moet steeds voorzichtig, zuiver en eenvoudig zijn als tduufken cleene.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 9 (refrein 3, strofe 1, vers 15). Vroed rederijkersrefrein. Stokregel: syt simpel als duyven & wys als serpenten.
  • 10 (refrein 3, strofe 3, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein. Syt simpel int quade, maer duer wysheyt doet duecht; / in eendracht sonder arch, als een duyfken verhuecht, / geen galle hebbende, simpel van manieren.
  • 149 (refrein 35, strofe 1, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Christus spreekt tot zijn bruid (Hooglied-topos): Maer een is myn duyve, die sal beclyven.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 21 (refrein 47, strofe 3, verzen 11-12). Vroed rederijkersrefrein. Christus over de Kerk: sy heeft twee oogen, segt hy sonder sneven, / als twee duyven oogen, dats thueren loone.
  • 32 (refrein 50, strofe 2, verzen 8-9). Vroed rederijkersrefrein. Christus tot de gelovigen: en syt listich als serpenten tuwer baet; / sonder valsheyt als duyven schouwende tquaet.
  • 52 (refrein 55, strofe 2, verzen 15-16). Vroed rederijkersrefrein. Wilt de leerlinge der duyven aneschouwen, / cleyn synde van geesten alle menschen ter trouwen.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 53 (refrein 100, strofe 1, verzen 4-5). Vroed rederijkersrefrein. Syt duyfkens, weest serpentjens, stoot u niet aent haer / der geveysder Phariseen, het is nu tyt.

Menschwerdinge Christi ed. 1992 (XVIB)

  • 20r (verzen 551-552). Rederijkersspel. Doodende Letter zegt: Der duijven simpelheijt baet den mensche niet midts dien / hij inder serpenten loossheijt niet en volheert.
  • 20v (vers 478). Simpel Trouwe zegt: Wij slechten connen nau duijven voor gieren. Duiven = voorstanders van het geloof, gieren = tegenstanders van het geloof.
  • 24r (verzen 922-923). Geestelijck Begrijp zegt: uwer duijven simpelheijt suldij waepenen sterck / met serpents schalckheijt u van node voorwaer.

Hoecksteen ed. 1993 (XVIB)

  • 115r (vers 1026). Rederijkersspel. Christus zegt: mijn bruijt mijn duijve mijn kerck ontbonden.

Heijlige kerck tegen heresije ed. 1994 (XVIB)

  • 54r (verzen 123-124). Rederijkersspel. Ecclesia over Christus: sal thooft tlijchaem, wel Langer moogen desperate / truerich vergeeten gelijck off hij mijn Duijfken haete. Duif = de Kerk.
  • 54r (vers 158). Charitas zegt: mijn Duve mijn Cipres druve / waer toe ghij verbeijt. Duif = de Kerk.
  • 58r (verzen 458-459). Fides zegt: Godt almachtich heeft hier ter aerden alleen vercooren / een duijfken twelck hij toegeseijt heeft niet te verlaeten. Duif = de Kerk.

 

9 Duif = de ziel van de vrome mens

[De Vooys 1926: 258. ‘Volgens een andere voorstelling behoeft de ziel van de vrome niet gehaald te worden, maar vliegt ze in de gedaante van een vogel – gewoonlijk als duif – naar de hemel.’

Van Moolenbroek 1999: 197/199. In een mirakelverhaal van Caesarius van Heisterbach (en ook bij Gregorius de Grote): duif = ziel van overledene.]

 

Dialogus miraculorum I ed. 2003 (1219-23)

  • 70 (afdeling 1, hoofdstuk 40). Latijns stichtelijk traktaat. Duif = ziel van vrome christen.
  • 421 (afdeling 6, hoofdstuk 35). Sneeuwwitte duif = ziel van eenvoudige vrome christen.
  • 421 (afdeling 6, hoofdstuk 36). Witte duif = ziel van vrome christen.

Dialogus miraculorum II ed. 2004 (1219-23)

  • 333 (afdeling 11, hoofdstuk 23). Duif = ziel van vrome christen.
  • 400 (afdeling 12, hoofdstuk 45). Duif = ziel van vrome christen.
  • 400 (afdeling 12, hoofdstuk 46). Sneeuwwitte duif = ziel van vrome christen.

Legenda aurea I ed. 1993 (circa 1260)

  • 193. Duif = ziel van vrome persoon.
  • 383. Witte duif = ziel van vrome persoon.

Dat Boeck Cantica Canticorum ed. 1945 (XVd)

  • 121 (hoofdstuk 1, regels 229-234). Bijbelcommentaar. Naar aanleiding van Hooglied 1, 14. Mercke: Die duven hebben altyt hoer oghen daer si die beste schoenste koerne vynden mogen. Alsoe heeft oec die ziel hoeren vlyt gekeert waer si Christum tot hoere spysen vynden mach. Daer om seecht Christus tot hoer aldus: ‘Dyn ogen syn gelyck den ogen der duve en de du biste schoen myn vrindinne. Sich, du bis suverlick’.
  • 136 (hoofdstuk 4, regels 11-16). Christus zegt tot ziel: Dyn ogen syn als der duven behalven dat daer van en bynnen verborgen is. Mercke: Alsoe als duven reyne ogen hebben ende sien nae den alre besten kaerne, alsoe siet die ziele de reyn is na den alre besten goede dat God selve is, behalven die suete liefde die si in hoeren herte dreecht.
  • 155 (hoofdstuk 6, regels 70-72). Doch is een ziele die alre liefste den koninck, dat is die in deser wysen als in desen boeck gescreven stiet, gedient heeft: die heyt hi syn volcomen duve.

Suster Bertken ed. 1924 (1518)

  • 70-72. Vroed lied. De ‘ik’ is de klagende ziel (duif) die verlangt naar Christus (de nachtegaal): Der duven sanc den singe ic int verborgen.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 234-235 (refrein 251, verzen 53-55). Vroed rederijkersrefrein, Christuslof: V vijf wonden sijn oeck als honich beseuen / daer die duue in is rustende vol minnen / Als die deuote ziele rustede in minnen.

Prieelken der gheestelyker wellusten ed. 1927 (1587)

  • 36 (strofe 2, verzen 3-6). Over de Liefde Gods: Sy doet die ziele vluchten / In Jesus wonden root / Sy neempt daer in haer ruste / Daer maeckt zy haeren nest. Impliciete duif-topos.
  • 139 (vers 13). Bruydegom (Christus) zegt tot Bruyt (de ziel): Compt myn duyve / ic sal u geven myn gracie.
  • 141 (verzen 22-24). Idem: Compt myn duyve, myn schoone / Inde gaten van mynen wonden suldi woonen / Daer suldi nestelen, ende uut ende inne vliegen.
  • 158 (verzen 13-14). Bewerking van Hooglied 2: Compt mijn vrindinne mijn duyve / Die in die steengaeten hebt ghewoont.

 

10 Duif = gebed

 

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 266-267 (Somerstuc, hoofdstuk 16, regels 648-653). Theologisch compendium. Duiven = gebeden tot God. Hun vleugels zijn: vasten en aalmoezen geven. Men gebruikt namelijk duiven vaak als boden.

 

11 Duif = vrede

[Zie Genesis 8, 11. Een duif kondigt het einde van de Zondvloed aan door een olijftak naar Noach te brengen.]

 

Spiegel Historiael I ed. 1982 (circa 1285)

  • 21 (Partie I, Boek I, hoofdstuk 14, verzen 1-4). Encyclopedisch traktaat. Noe sendde eerst uutden raven: / Hine quam niet, hi ghin henen scaven; / Maer die duve en wilde niet bliven, / Soe brochte een telch van oliven.

Spieghel der menscheliker behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 21-22 (hoofdstuk 2, verzen 326-340). Typologisch rijmtraktaat. Over de Ark van Noach als prototype van de Verlossing: Ende zij die hadden groot verlanghen, / Zende ene duve diet besochte / Ende eenre oliven taxkin brochte. / Dat was teekin openbare / Dattie diluvie leden ware. / Bider arke verstaen wy ghenouch / Vander hellen dat voorbouch, / Daer Gods vrienden in laghen ghevanghen, / Die na der gracie wel mocht verlanghen. / Dese olive was teikin van vreden / Ende olye der ontfarmicheden, / De welke olye niet alleene / Belooft was hem die inden weene / Der hellen waren, maer den volke al / Dat daer quam of comen sal.

Spiegel der Sonden I ed. 1900 (circa 1450)

  • 92 (verzen 7250-7262). Berijmde zondenspiegel. Bidden = de vogel van de H. Geest die vrede brengt // de duif van Noach: teken van vrede.

Grant Kalendrier et Compost des Bergiers ed. 1976 (circa 1500)

  • F47. Reeks vogelspreuken in een schaapherderskalender. ‘La Coulombe’ zegt: Or devant tous les oyseauls fus je / Moult simple et de belle maniere / Quant durant le temps du deluge / Je fus leur bonne messagiere.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 74. Rederijkersballade op de vrede. De duue heeft den oliuetack brocht te lande.

Prijs der Vruechden ed. 1998 (XVIB?)

  • 130r (verzen 269-274). Rederijkersspel (tafelspel). Want wat vruechden wasser binnen der ercken / hoe dat duijfken quam vliegen met neersticheede / met een olijftaxsken naer reijnder seeden / dat een teijcken was van vreeden, tot noach rechtvaerdich / met sijn familie waerdich.

 

12 Duif = christelijke liefde en huwelijk

 

Veldman 1992 (circa 1570)

  • 244. Prent van Gerard de Jode (?), circa 1570 (‘Use time to practise charity’). Duif = christelijke liefde (zie Mattheus 10, 16).

Veldman 1986 (1601-02)

  • 122. Gravure van Crispijn de Passe Senior, 1601-02, ‘Lucretia’. In onderschrift: twee duiven = man en vrouw, perfect huwelijk door God gewild.

 

13 De bedrieglijke duif van Mohammed

[Franssen 1993. Anna Bijns brengt ‘Mohammeds duif’ in verband met Luther: zij is nu op Luther neergestreken. Vergelijk Maerlants Spiegel Historiael: Mohammed zou zich bediend hebben van goochelkunsten, om de mensen te verleiden tot zijn geloof, onder meer via een duif dus die koren uit zijn oor at en dat was dan zogenaamd de H. Geest die Mohammed allerlei dingen influisterde (314-315). Bijns ziet in Luther een even grote oplichter als Mohammed, het zijn alle twee bedrieglijke ‘goochelaars’ (317). We hebben hier dus te maken met een satirische pendant van de duif als symbool van de H. Geest.]

 

Legenda aurea II ed. 1993 (circa 1260)

  • 370. Mohammed laat een duif uit zijn oor eten, beweert dat het de H. Geest is.

Tvoyage van Mher Joos van Ghistele ed. 1998 (XVd)

  • 12-13 (Boek I, hoofdstuk 3). Reisverslag. Over het bedrog van Mohammed. Hij had een getemde duif die koren uit zijn oor kwam pikken. Mohammed deed dan alsof de duif de engel Gabriël was die hem een boodschap van God kwam brengen.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 10 (Boek I, refrein 3, strofe c, vers 2). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther: Machomets duve weer uut gevlogen es. Duif van Mohammed = de ketterse leer van Luther. Vers 3 deelt mee: onder de schijn van deugd schuilt valsheid.
  • 74 (Boek I, refrein 19, strofe e, verzen 1-4). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther: Een duve wert op sijn schoudere geset, / Gelijc den valschen prophete Machomet; / Want bedrooch die tvolc, Luther doet van gelijcken. / Ic en weet hem waer bij compareren bet.

Der ix quaesten ed. 1980 (1528)

  • E2v. Gedrukt volksboek. Een klerk uit Rome assisteert Machamet. Wanneer deze predikt, laat hij een getrainde witte duif op Machamets schouder neerstrijken en die duif pikt dan tarwekorrels uit Machamets oor. Men maakt het volk wijs dat de duif de H. Geest is.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 219 (nr. 2, strofe A, vers 15). Vroed rederijkersrefrein over Luther. De stokregel luidt: Machomets duve is op Luther ghevallen. In strofe B, verzen 1-5 wordt dit uitgelegd: Machiomets duve const vuyt zyn ooren eten, / Dies liedt hy zynen discipulen weten / Dat hy besocht werdt vanden heylighen Gheest; / Dus comen ons prenters nu, o stout vermeten! / Maken op Luthers hooft een duve gheseten.
  • 221 (verzen 1 / 4 / 7). Rederijkersrondeel over het valse geloof van Luther: Machomets duyfken haer vlercxkens ghespreyt heeft.

 

14 Duif = attribuut van Venus

[De Tervarent I 1958: 104-105. In de Oudheid en de Middeleeuwen werd de duif (meestal in de vorm van een koppel duiven) beschouwd als een attribuut van Venus.]

 

Etymologiae XII ed. 1986 (VII)

  • 271 (Boek XII, hoofdstuk 7, paragraaf 61). Isidorus van Sevilla (+636) noteert in het twaalfde duif door de antieke auteurs ‘de vogel van Venus’ wordt genoemd, omdat zij veel zorg besteedt aan haar nest en haar amoureus gedrag gekenmerkt wordt door een voorliefde voor kussen (quas antiqui Venerias nuncupabant, eo quod nidos frequentant et osculo amorem concipiant). Dit laatste herkennen we als één van de ‘proprietates’ van de duif die ook de allegorische traditie graag vermeldt, maar vervolgens in een niet-erotische, stichtelijke zin interpreteert. Servius echter, een andere vroeg-christelijke auteur (circa 400), is minder preuts dan Isidorus. Hij schrijft: Veneri consecratas propter fetum frequentem et coitum (ibidem, noot 556). De duiven zijn dus aan Venus gewijd omdatr ze veelvuldig paren en zeer vruchtbaar zijn.

Roman van de Roos ed. 1991 (circa 1270)

  • 416 (verzen 15.755-15.756). Allegorie. Over de zegewagen van Venus: hij werd getrokken door zes duiven, / sierlijk getooid met blanke kuiven.

Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 51 (Fragment I, Group A, vers 1962). ‘The Knight’s Tale’. Beschrijving van een standbeeld van Venus: Aboven hir heed hir dowves flikerynge [boven haar hoofd vlogen haar duiven].

De institutione feminae christianae ed. 1996 (1524/1538)

  • 150 (regels 25-28), Boek I hoofdstuk 12, paragraaf 114). Moraliserend traktaat. Dansen doet ons nu lager zinken dan vroeger de heidenen: Neque vero illi hoc nostrum norant santandi genus immoderatum, iactabundum, accensionem libidinis, plenum impudicis contrectationibus et basilis. Quid sibi volunt tot basia? Credo, ut columbas effingamus aves Verneris, ut veteres putabant [And they were not familiar with this new type of dancing that we have, uncontrolled, audacious, arousing the passions, full of unchaste touches and kisses. What is the meaning of all these kisses? I suppose, to imitate doves, the birds of Venus, as the ancients thought].

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 203. Rederijkersrefrein over Venus: De duuen zyn onder haer tutele. / Zu vertierd gheerne, ghelijc een duue die beckt.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 231 (fol. 284r, verzen 12-13). Rederijkerslyriek. Context: Venus verwijst naar de onkuisheid die de wereld bedriegt. Twee duuekens voert venus in huer Banieren / zoo de duufkens becken, gheerne zouctze tvertieren.

Leander ende Hero ed. 2002 (1621)

  • 97 (Spel 1, verzen 281-282). Rederijkersspel. De voedster tot Hero: Gaen wy gheringhe Dochter, en presenteert / Veneri dees koppel Duyven die wy met ons bringhen.

 

15 Duif // profane liefde en erotiek

 

Clef d’Amors ed. 2001 (1280?)

  • 37. Liefdestraktaat naar Ovidius. Vertaling: We weten allemaal dat duiven de gewoonge hebben elkaar na de strijd zacht koerend te kussen. Op dezelfde manier wordt na een ruzie de liefde meestal dubbel zo groot.

De animalibus ed. 1987 (XIII)

  • 217 (Boek XXIII, paragraaf 39, nr. 32). Albertus Magnus leidt de Latijnse naam van de duif (columba) af van het feit dat zij veelvuldig gebruik maakt (coli) van haar heupen (limbos), wat naar verluidt voldoende bevestigd wordt door de vruchtbaarheid van deze vogel.

Der minnen loep II ed. 1846 (1411-12)

  • 96 (Boek IV, verzen 1299-1300). Ars amandi. De vrouw moet de man onderdanig zijn: Wil die duve den valke niet wiken, / So moet si sonder vederen striken.

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 60 (vers 1701). Rederijkersspel. Een sinneke over de geliefden Dierick en Katherina: Tschijnt de doffere wil treckebecken.
  • 185 (vers 5252). Een sinneke over Dierick en Katherina: Tduyfken moet den doffer volghen.

Salomon ende Marcolphus ed. 1941 (1501)

  • 13. Gedrukt volksboek. Salomon zegt: Een schoen wijf is van horen man wel lief te hebben. Marcolphus, Salomons woorden vulgariserend en denigrerend, repliceert: Den hals heeft sy wit als een duyve, ende het aersgat swart ende doncker ghelijck eenen mol.

Stove ed. 1944 (XVIa)

  • 161-162 (verzen 374-377). Rederijkersgedicht. Een slechtgehuwde vrouw zegt dat ze wil scheiden van haar man want ze maken altijd ruzie: Oec sal icker of sceeden eer een iaer / Tes beeter elc alleene, dan sulc een paer / Te samen die altijt kijuen en schelden / Duyuen die qualijc paren bedijen selden.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 110 (refrein 186, verzen 36-37). Zot-erotisch rederijkersrefrein waarin een meisje een jongen verleidt. Zij krauwt zijn huben (= uil = penis) over het ‘hoofd’ en maakt hem tam als een duif: Sy clokerden huven ouer thoot / en maecten hem tam ghelijc eender duijuen.

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 35 (nr. X, verzen 26-28). Zot-erotische rederijkersrefrein op de stok ‘ic salt avonturen al solt mij smerten’. Een sekshongerig tienermeisje wordt opgewonden door parende dieren te observeren: Nature geefft mij recht gevoelen inne: / Eenen auwen cobbert vloech op ons jonge duyfinne: / Sij cronckelsterte en pluysde haer veeren. Ook in Nieuwe Nederduytsche Gedichten ende Raedtselen ed. 1972: 161 = Onsen Doffer vlooch op de jonge Duyvinne / Sy clockelsteerte, sy pluymde haer Veeren.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 87 (strofe 1, verzen 1-3). Amoureus lied. Kiest nu een Duyfken reene / Van manieren seer eerbaer / Die ghy kust en mint alleene. Duifje = goed, betrouwbaar, lief meisje.

Leander ende Hero ed. 2002 (1621)

  • 165-166 (Spel 3, verzen 295-299). Rederijkersspel. Een sinneke zegt over Leander en Hero: Als sy d’een d’ander moghen jonnen confoort, / En dat de Kobber by de Duyvinne gheraect, / Daer sy te zamen al moeder-naect, / Zoo men de bervoete kinderkens maect / Wt jonstigher liefden moghen paren.

Nieuwe Nederduytsche Gedichten ende Raedtselen ed. 1972 (1624)

  • 111. Zot-erotisch rederijkersrefrein. Ons vruntschap die rees / als duyfkens die paren soet.

 

16 Duif // onkuisheid (stichtelijk, pejoratief)

 

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 420 (Winterstuc, hoofdstuk 53, regels 102-106). Theologisch compendium. Christus verdrijft de kooplui uit de tempel: Als God inden tempel onser herten sel comen, so moeten uutgheworpen werden die duven der onsuverheit, die wisselaers der ghiericheit, die ossen der stueren hovaerdicheit, die scapen der traecheit of onwetenheit.

Brugman ed. 1948a (vóór 1473)

  • 232-233 (preek XIX, regels 210-213). Prekenbundel. De H. Hiëronymus schreef aan de maagd Eustochium in een brief dat zij geen duiven of hanen mocht houden, opdat haar rein gemoed niet tot fantasien geneigd zou zijn. Een maget moet haers-selfs alsoe nau waer-nemen in allen dingen. Nummermeer en salse seker of vri wesen: si sal haer ogen ende al haer synnen behueden. Al waert dat si niet dan doet den hof en ginghe, soe sal si haer ogen behoeden, dat si die niet te wildelijc op en slaen nae vogelen, of nae enigen dingen te sien. Want si mochte yet sien, dat haer scadelijc wesen mocht. Want sinte Iheronimus scrijft tot eustochium ende verboet haer, dat si duven noch hanen houden en soude, op-dat den reynen gemoede ummer geen oersake ghegeven en worden van enigen fantasien. De reden is uiteraard omdat duiven en hanen in het openbaar ‘de liefde bedrijven’. De tekstbezorger (Grootens) heeft de aangehaalde plaats bij Hiëronymus niet gevonden.

Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 119 (verzen 564-565). Rederijkersspel. Het sinneke Quaet Gelove over het boeleren van Wellustige Mensch met een hoertje: Tisser al cust lieven tast het mammeken, / Als twee duijffkens die trecke becken.

 

17 Duif = hoer (waarbij mannelijke duif = hoerenloper)

[De Jongh 1995a: 28. ‘Kippen (of duiven) op zolder houden’ was een bekende uitdrukking voor bordeelhouden. Eindnoot 13 verwijst naar een Duits boek uit 1918 en naar het WNT.

Bax 1948: 98. In de zestiende eeuw: duif = hoer (noot 41 verwijst naar Bijns ed. 1902: 213), doffer = minnaar, overspeler (noot 42 verwijst naar Groote Hel ed. 1934, vers 621), kobber (doffer) = minnaar, pol (noot 43 verwijst naar Etymologicum ed. 1974: 247).

  1. Verwijs en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek, Tweede Deel, ’s-Gravenhage, 1889, kolom 481 [sub ‘duve (duuf)’], geven – duidelijk ten onrechte – deze betekenis niet, alleen: ‘de bekende vogel’.]

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 111 (refrein 186, verzen 49-50). Zot-erotisch rederijkersrefrein waarin een lichtzinnig meisje een jongen tot seks verleidt: Al heuet hem wat ghecost den quant / hij was nochtans dancber der sueter duijuen.
  • 116 (refrein 189, verzen 28-29). Zot rederijkersrefrein op de stok ‘al lachende word ick myns gheldekens quijte’: neemt het café- en bordeelbezoek op de korrel. Ende dees ouwe huijsduyuen drincken soe swaren nat / sy lachen, sy roipen mit jolijte.

Sorgheloos ed. 1980 (circa 1540)

  • 129 (regels 95-97). Spotprognosticatie. Over de maand april die in het teken van Venus staat: Onder dit teeken sullen die jonge gesellen bouten vergaderen om aertmusschen te schieten op die kuylen, want men overmits die ghenuechlijcheit des tijts veel aertmusschen ende veltduyven vinden sal. Aantekening verklaart aardmussen en veldduiven (houtduiven) als ‘lichte meisjes en vrouwen’. Worden met veldduiven hier specifiek veldhoertjes bedoeld?

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 213 (verzen 17 / 23). Rederijkersrondeel over de (vrouwelijke) navolgers van Luther die zich in de badstoof overgeven aan losbandigheid: Hopkens, popkens, duven die stuyven ter stoven. Ook vermeld in Bax 1948: 98 (noot 41).

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 72 (regel 30). Spreekwoordenverzameling. Weel sijn huys wil holden suyuer, die en sette daer in, noch Pape, noch Duyue. Op pagina 72* wordt een tekst van Rudolf Agricola uit 1548 geciteerd, die dit spreekwoord verklaart: duiven bevuilen een huis met mest en stof, geestelijken verleiden huisvrouwen en maken ze zwanger. Tegelijk is duif hier echter dubbelzinnig.

Testament Rhetoricael III ed. 1880 (1561)

  • 211 (fol. 442r, vers 19). Rederijkerslyriek. In een opsomming van allerlei fout gedrag: vloerduven, prachers ende Lyse verslyters. Vloerduiven zijn hoeren volgens Kiliaans Etymologicum. Vloer = zolder.

Groote Hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 27r (verzen 674-675). Rederijkersspel (duivelsspel). Schijn van Geestelickheijt tot Waerlick Quaet Rigiment: Dat segdij gelijck Die hoeren gaen ten offeren / gelijck Deese Dofferen op een ander nest vliegen. Doffers = hoerenlopers en overspelers. Ook vermeld in Bax 1948: 98 (noot 42). Zie ook Groote Hel ed. 1934: 37 (verzen 620-621).

Etymologicum ed. 1974 (1599)

  • 247. Nederlands-Latijns woordenboek. Kobber/kubber. Columbus. & Concubinus.

Al Hoy ed. 1964 (circa 1600)

  • 2 (verzen 35-36). Tafelspel. Buijcxken Seldensat over de rokkenjager Ijdel Lustken: Hij wilde wel dat elck schoon vrouken ware een duve en / hy eenen cobber, dat hy er in vlieghen mochte.

d’Een ende d’Ander: Twee soldaten ed. 1985 (1610)

  • 255 (kolom 1, vers 435). Rederijkersklucht. Een boer tot zijn ontrouwe, jonge vrouw die liegt over het feit dat een herberg is binnengegaan om zich daar losbandig te gedragen: Selfs sydyer ingevlogen, als een duyf int slach. Slach (volgens een aantekening van de tekstbezorger) = een knip, een kooi met een klapdeurtje. Niet echt duidelijk of hier bij ‘duif’ de connotatie ‘hoer’ meespeelt, maar toch waarschijnlijk.

Suyp-stad ed. 1978 (1628)

  • 96 (verzen 217-220). Moraliserende rijmtekst. Over de hoertjes: De Bacche [in marge staat: snolletjens] loos en geyl, die alle list bedryven, / Die sietmen in dees Stad met groote hoopen blyven: / Hier als een duif op slagh, daer openbaer ten toont, / En veylen haren dienst om een te sober loon. Als een duif op slag = als een duif in een kooi = in een ‘gesloten huis’, een bordeel.

 

18a Duifhuis (duivenhok) = bordeel

[Bax 1948: 98. Naar aanleiding van de duiventil op het middenpaneel van Bosch’ Antonius-triptiek (Lissabon). In 16de eeuw: duifhuis = bordeel (noot 40 verwijst naar het WNT VII, 2, 4847). In een Antonius-verzoeking naar Bosch (versies in Amsterdam en Madrid): koppelares met duiventil op hoofd = bordeel (ook vermeld in Bax 1983: 33). In Het Concert in het Ei man met duiventil op hoofd = hoerenwaard? In Bosch’ Christoffel (Rotterdam) is door duivels op de hut van de heilige een duiventil = bordeel aangebracht (ook vermeld in Bax 1948: 233, en Bax 1983: 66). In de Luxuria-tekening van Bruegel: een duiventil rechts van het minneprieel. De duiventil in Bosch’ Marskramer (Rotterdam) verwijst ook naar een bordeel [ook vermeld in Bax 1948: 222 (noot verwijst naar p. 98 en naar Enklaar 1940: duiven op zolder houden = (‘nu nog’) bordeel houden.]

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 69 (refrein 35, vers 21). Zot rederijkersrefrein. Over dwaze vrijers die met zijn allen opten til zijn. Verband met ‘duiventil’?

sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 120 (verzen 179-180). Rederijkersspel. Het mannelijke sinneke Gewoonte roept het vrouwelijke sinneke Maniere. Deze antwoordt: Ic sal comen schier gestreecken tot u / Als een duijfmat, sonder ennige hoonte. Betekent ‘duijfmat’ duiventil? Of is dit een verschrijving (‘duijfgat’ betekende in elk geval zéker wel ‘duiventil’)? Indien de betekenis ‘duiventil’ geldt, dan zal zij dus neerstrijken als een duif op een duiventil. Speelt hier ook de connotatie ‘duiventil / bordeel’? Zie later de erotische scène tussen sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit, georganiseerd door de sinnekes.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 228 (verzen 2136-2137). Rederijkersspel. Het vrouwelijke sinneke Faeme van Eeren zegt dat zij Eneas niet zomaar zou hebben laten vertrekken uit het paleis van Dido, als het aan haar had gelegen, ja, en gheleerdt hebben / van een princerssenhof een duijfhuijs maecken. RG 1959: 139, en Erotisch Woordenboek 1977: 47, verwijzen in verband met deze passage naar de latere, gedrukte uitgave van deze tekst [zie Hummelen 1968: 227-228 (3 S 1)]. E. Verwijs en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek, Tweede Deel, ’s-Gravenhage, 1889, kolom 478 [sub ‘duufhuus (duyfhuus)’], geeft alleen ‘duivetil’ als verklaring en enkele vindplaatsen van dit woord (maar niet met de betekenis van ‘bordeel’).

 

18b Duifhuis = Christus

[Op het middenpaneel van Hugo van der Goes’ Portinari-altaar (Firenze, circa 1475) met de Aanbidding van de Herders: op de achtergrond bevindt zich een gebouw met een duivenhok op de zolder. Een Christus-symbool? Een afbeelding in De Jongh 2001: 70-71 (afb. 34).]

 

Des coninx summe ed. 1907 (1408)

  • 393 (paragraaf 345). Stichtelijk traktaat. Over Christus: Dit is dat duyfhuys, daer in vlieghen die duyfkijns ons liefs heren, dat sijn die oetmoedighe ende die simpele, voer die rouken, dats voer die duvelen. Als dan dat oetmoedighe herte dit ghedaen heeft, wanneert ingheghaen is in deser rootsen als een duve in haer duyfhuys, dat is wanneer hi wel overdenct dat heylighe leven Ihesu Cristu ende sijn bitter passie, dan vergheet hi al sijn droefnisse ende acht seer cleyn al dat die werelt vermach of doech.

 

19 Duif // zonden, ondeugden

 

Der naturen bloeme I ed. 1980 (circa 1270)

  • 207-208 (Boek III, verzen 1097-1106). Berijmd traktaat over de natuur. Over de ‘columba’ (duve): An die duve men beseft, / Dat si haer somwile verheft / Om haer plumen te maken scone, / Ende daer of coemt haer hone; / Want als die havec dat besiet, / Dat si haer min wacht dan si pliet, / Grijpt hise al onversien. / Dis die duvele noch plien, / Dat si in hovaerde belaghen / Menighen dien si met hem draghen. Duif // ijdelheid.

Spiegel der Sonden I ed. 1900 (circa 1450)

  • 44 (verzen 3479-3482). Berijmde zondenspiegel. Naar aanleiding van ‘Gierichede’ en de hebzuchtige mens: Der duven slacht hi recht in dat, / Die bruet int selve moesgat [varianten: maesgat, masieregat], / Daer si haer jonghen uut verloos. / Aldus ist metten vracken altoos. Duif // hebzucht.

 

20 Duif // snelheid

 

Pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 447 (regels 10-12 / 30-32) – 448 (regels 1-4). Stichtelijke allegorie. Ontmoeting met Jeugd. De pelgrim zegt: Als Gracie Gods jeghen mij sprack, soe saghic voir mij eene joncfrouwe herde kintsch, soe mij dochte, want sij droech in haer hant eenen caetsbal ende omtrent de voeten was sij gheplumet gelijc eenre duven. Jeugd verklaart: Ende ghij moet oec weten dat ic niet om niet en ben gheplumet aen mijn voete ghelijc der duven, want mijn voeten dragen mij daer ic sijn wille, want sij hebben vloghele, dat sietstu met dijnen oegen. Azael droechse wijlen eer, maer hij becocht namaels alte diere. Weet dat een vroet man met swaren voeten es beter dan een dulle met vliegenden voeten.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 194 (nr. 168, strofe 8, verzen 3-4). Lied. Veel snelder dan een duyue / Wistent mijn vader ende moeder thuys.

 

21 Duif: restmateriaal

 

Reis van Jan van Mandeville ed. 1908 (XIVB)

  • 100 (regels 8-18). Reisverslag. Over het ‘vreemde’ gebruik van postduiven in het Nabije Oosten.

Een sAnders Welvaren ed. 1920 (1511)

  • 56 (vers 137). Rederijkersspel. Practyckeghe List tot Suptyl Bedroch (ze hebben net over Meest Elc gesproken en hij komt er net aan): Alsmen van duuen coudt, gheerne zynser ontrent. Blijkbaar een spreekwoord: als men over iemand praat, komt hij daar vaak net aan. Vergelijk: als men van de duivel spreekt, ziet men zijn staart.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 63 (refrein 165, verzen 46-49). Zot rederijkersrefrein met als thema: niet alle zotten dragen bellen. De duuen sotten in alle steden / sy moeten oeck syn hier in dit perck / Die en vinden gheen gelt dies bin ic te vreden / want sy sien altyt opwaerts euen sterck. Duivenzotten? Onduidelijk wat bedoeld wordt. Personen die hun tijd verliezen met duivenmelken?

Plausus mortis ed. 1958 (1532)

  • 102 (verzen 78-79). Latijns dodendansspel. De baljuw zegt: De raven (coruos) laat ik vrij, maar ik brandmerk de duiven (columbas). Raven = de misdadigers, duiven = de brave, onschuldige personen.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 178 (verzen 711-713). Rederijkersspel. De sinnekes gaan aanschuiven aan een banket: Ick bens conten, want hier lange te staene / En souwen ons, so ick waene, sonder lieghen, / Gheen ghebraeijen duijven inden mondt vlieghen. Gebraden duiven = (hier metaforisch) voordelen.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 88. Rederijkersballade. Over dieren die de mens medische wijsheid leren: Rijnghelduuen genezen zichzelf met laurier.

Weydts ed. 1969 (1567)

  • 20 (strofe 12, verzen 5-7). Het strofische gedicht ‘Gesten vande guen [geuzen]’. Een geus zegt: Hadden wy de meswerckens gheheelt in alle contreyhen / ende de duvers met de duven ghedooet al ghemeene / zoe en zouden wy nu nyet moeten zuchten en schreyhen. Doffers en duiven = katholieke mannen en vrouwen? Mestvarkens = ook de katholieken?

Werlts versufte maeltijt ed. 1994 (XVIB)

  • 126v (verzen 876-877 / 881). Rederijkersspel. Lammeren en duiven (dieren die nuttig zijn voor de mens) versieren nu niét de wapens van de grote heren.

 

De Cock I 1920

  • 130-131 (nr. 136). Een duifje zonder gal = ‘figuurlijk van menschen gezeid, vooral van onschuldige meisjes, in den zin van: Een onschuldig schepsel, zonder arglist of boosheid’. In het Europese volksgeloof heeft een duif geen gal.

 

[explicit 2 januari 2017]