EI

 

1 Ei = iets van weinig waarde

 

Der Minnen Loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 4 (Boek I, vers 36). Ars amandi. Dirc Potter zelf over zijn kunst: Mijn konst en prisic niet een ey.

Lodder ed. 2002 (circa 1405-08)

  • 134 (vers 99). De boerde ‘Van III ghesellen die den bake stalen’: U vroetscap en es niet weert een ey.

 

2 Gekwetst, ‘vuil’ ei // negatieve toestand

[Janssens 1959: 6, over misvormd of gekwetst ei = negatief symbool van het kwade.]

 

Proverbia Communia ed. 1947 (circa 1480)

  • 68 (nr. 329). Spreekwoordenverzameling. Een vuyl ey verderft een heel zupen.

Hooghen Wynt ende Zoeten Reyn ed. 1920 (1525)

  • 89 (verzen 14-15). Rederijkersspel. Eenich en Menich klagen over de slechte tijden ten gevolge van de oorlog. Eenich: Wel Menich hoe staet? Menich: Als eyers de vut looppen. / Ten scoonter niet wat mer screipt of vaecht.

Ghemeene Neerrynghe ed. 1920 (XVIA)

  • 442 (verzen 121-122). Rederijkersspel. Sulc Scaemel, een knecht-marskramer, vraagt aan Ghemeene Neerrynghe, een bazin in de lakennijverheid: Ghemeene Neerrynghe hoe staet? En zij antwoordt: Als eyers die looppen vut. / Elckerlyc ghy laet my ghaen verloren. Met andere woorden: de zaken gaan slecht.

Siecke Stadt ed. 1917 (1539-64)

  • 7 (verzen 195-197). Rederijkersspel. Het sinneke Hijpocrisije zegt: Dus heb ick het eij gans vuijl gaen broeden / mit dese vroeden, die Scriftuerlicke Predicatie / voor een sant hebben gehouwen.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 221 (verzen 1925-1927). Rederijkersspel. Eneas gaat vertrekken. Het sinneke Faeme van Eeren vraagt aan het sinneke Jonstich Herte hoe Dido zich nu zal voelen: Hûe machse hör doch hebben? Antwoord van Jonstich Herte: Als eijeren die uijtloopen, / Leelijck en vuijlijk, men maecht wel weeten.

 

3 Ei = drol

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 118 (refrein 61, verzen 7-8). Zot, scabreus-scatologisch rederijkersrefrein. Een man verrast zijn geliefde op het ‘scijthuis’. Hij kan zijn geilheid niet bedwingen en bedrijft met haar de liefde, zodat zij alles bevuilt met haar ontlasting: Wacht seydsi vrunt ghij mocht mij croken / hout wat staende ick heb een ey bereet. Hetzelfde refrein in Doesborch II ed. 1940: 252 (refrein 141, verzen 7-8) [1528-30]: Wacht wat lief, sey si, ghi mocht mi croken. / Hout wat staende, ic heb een ey bereet.

Aelwarich ed. 1980 (1527-28)

  • 113 (regels 101-102). Spotprognosticatie. Over de maand mei: D’eyeren sullen in dese maent goetcope sijn, mer al eet ghij er X, ghi en sult er ’s maels maer een leggen.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 170 (refrein 45, strofe b, vers 1). Zot rederijkersrefrein over jonge knapen die al achter de meisjes lopen: Knechtkens, die den doyer hangt aen haer billekens. Dooier (van ei) = uitwerpselen (bijgedachte: die knapen komen net uit het ei).

Sotslach ed. 1932 (circa 1550)

  • 40 (vers 157). Rederijkersklucht. Een boer zegt over zijn vrouw als zij op de pot zit om te wateren: Sij leijt veel eijeren maer een broeter geen vuijt. Vergelijk in vers 402: kippen die eijerkens cacken.

Hongherenborch ed. 1980 (1562?)

  • 195 (regels 76-78). Spotprognosticatie. Over de maand mei: In dese maent sullen die eyeren goeden coop zijn, maer al eet ghij er hondert, ghi en sult er niet een leggen.

Broeckaert ed. 1893 (circa 1600)

  • 45 (refrein I, strofe d, vers 9). Zot rederijkersrefrein. Van een laffe man die niet wil vechten, wordt gezegd: Men sou wel eyeren in zijn poorte braen. Met andere woorden: hij heeft van schrik zichzelf bevuild.

 

4 Ei = afrodisiacum (en daarom verboden tijdens de Vasten)

[Vergelijk hierover Janssens 1959: 26. Volgens Bax 1948: 144, was het ei een attribuut van pretmakers, vooral van Vastenavondvierders. Dit klopt, want na Vastenavond, tijdens de Vasten, waren eieren verboden. Ei als afrodisiacum van de 15de tot de 17de eeuw: zie Bax 1948: 145.]

 

Speculum al foderi ed. 1990 (XV)

  • 26 (paragraaf 7.25/7.26). Spaans coïtustraktaat. Spijzen die de libido verhogen: Another marvelous food: boil egg yolks and eat them with salt or borage. / Another: mix fish roe with egg yolks and eat them.

Een Man ende een Wyf ghecleet up zij boerssche ed. 1907 (circa 1500)

  • 195 (verzen 186-187). Tafelspel. Het Wijf zegt: Van ghedopte eijers en crijghmen niet den snotere; / Men voghelter wel af, dats dat ic prijse.

Boockman 1987 (circa 1500)

  • 218 (nr. 339, met afbeelding). Fresco in de Stadtpfarrkirche in Lienz (Tirol), circa 1500: oproep tot vasten op vrijdag. Christus straft personen die eieren eten en zegt onder meer (zie de banderol): Mensch, er den Freitag, das dir got nit das leven ab. Du solt nit fleisch, air, kes nid essen.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 147 (refrein 204, verzen 41-46). Zot rederijkersrefrein, aansporing tot het minnespel. Crycht oeck een bancket te tije / nonfoortse wattet gelt, v seluen verfraijt / Crijcht amandelkens sucade targije / eijkens lombaerts mit poluerduijc ouersaijt / Ende als ghi mit lauender water sijt besprayt / terstont sonder omsien haer te bedde trost. Eieren als onderdeel van een ‘venusbanket’.

Wynghaert ed. 1920 (1533)

  • 503 (vers 142). Rederijkersspel. Elk jaar onthoudt oud en jong zich tijdens de Vasten van zuivel en vlees: Eyren laren zy, harde of nissche.

Der vrouwen natuere ende complexie ed. 1980 (circa 1538)

  • B1r. Gedrukt volksboek. Daer zij(n) spijsen die dat sperma v(er)mee(r)dere(n) / als rapen / Cicere / versch vlees / cappune(n)vleys / vercke(n)vleys onghesouten / weicke eyere(n) dieme(n) suype(n) mach / versch broot dat niet werm en is. (…) Somige spijse v(er)wect die luxurie / als weyck eyeren dieme(n) mach suype(n).

Sorgheloos ed. 1980 (circa 1540)

  • 133 (regels 147-149). Spotprognosticatie. Over de maand augustus: In dese maent en sullen d’eyer gheen volcomen cracht hebben met ouden mannen die jonghe vroukens te paeyen hebben.

Sotslach ed. 1932 (circa 1550)

  • 52 (verzen 405-406). Rederijkersklucht. Een boer biedt zijn eieren aan aan het publiek (het publiek in de herberg binnen het fictief kader én het echte publiek): Versche eijerkens syn doch den vroukens galijck / en dat principalijck int werck der natueren. Is dit een aanwijzing dat deze klucht gespeeld werd op een bruiloftsfeest? Is het een soort tafelspel?

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 260-261 (refrein 15, strofe I). Zot rederijkersrefrein dat afwisselend ‘ey’ als uitroep en als kippenei behandelt. Die monicken vasten vele, als nu als dan, / Dan etense eyeren ay lacen, nochtan; / Ey is een viandt diese helpt tempteren: / Ten baet niet al mueghense abstineren, / De cracht vanden eye maecse ontvuecht: / Ey ey es een roep sonder vruecht.

Lieripe ed. 1980 (1561)

  • 175 (regels 134-137). Spotprognosticatie. Er zal dit jaar grote haat ontstaan tusschen de catten ende ratten, tusschen den honden ende den hasen, tusschen den oyver ende de vorsschen ende eyndelinghe also grooten hic [vijandschap] tusschen de muncken ende den eyeren. Eieren zijn met andere woorden slecht voor monniken die de gelofte van kuisheid moeten onderhouden.

Lantman Steven ed. 1998 (XVII)

  • 92v (verzen 15-18). Tafelspel. Een boer prijst zijn korf met eieren aan: Besiet toch mijn eijeren en hoort nae mijn taelen / sij sijn seer Dunne van scaelen en groot van doren / Dat seijden mijn een out man men mochter soo wel off booren / een Jonckwijff van vooren Dat Laet ick daer.
  • 94r-94v (verzen 83-94). Dubbelzinnige toespeling op eieren als afrodisiacum (waarbij haan = penis). Een huis is te bet daermen een goe haen howen / want die vrowen een goe haen prijsen / als hij dan wat Lustich is int rijsen / dat mach ick wel bewijsen en al met ware reen / want een goe haen hout sijn hennen wel in vreen / maer sijn derde been dat machher wonder bij Doen / als hij Lustich is Int climmen en daer toe coen / Int nest off int groen, om sijn hennen te gerijven / soo wert hij gepreesen al van die wijven / Dus wilt nu vruechde bedrijven, ghij aerdige compaenen / en wilt u met u speeren verweeren als vroome haenen. De boer gebruikt dit als een wervend praatje om zijn eieren aan te prijzen (zijn haan is immers de beste van het land).

 

5 Eieren eten = seks hebben

[Een ei doppen = een ei van de dop ontdoen om het zo te kunnen opeten. Zie MNHW 1981: 144.]

 

Absurda ed. 1980 (XVIb)

  • 171 (verzen 138-139). Komische dialoog tussen twee doven (naar Erasmus). De ene dove zegt over een pas getrouwd koppel: Hy hadde mette Bruyt al een eyken gheten / Ten was d’eerste kennisse niet na dat ic versta.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 81 (nr. 70, strofe 6). Lied. Een man komt thuis en betrapt zijn vrouw met een kapelaan: Doen hi al inder cameren quam / dat bedde was daer ghebroken / Die eyerkens stonden daer ghedoopt / die doeierkens waren wt ghesopen.
  • 208 (nr. 179, strofe 5, verzen 1-4). Zot-erotisch liedje over een meisje en een kleermaker. Zij zegt: Hoort lieuen parmentier / Ick sal v een eyken doppen / Ick heb een gaetken fier / Willet mi doch eens stoppen.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 60 (fol. 348v, verzen 31-32). Zot rederijkersrefrein over herbergwaard (context is duidelijk erotisch). Nochtans en es hy, al waer elck een varsch eyken ghedopt / Niet een oortien meer weerd, dan hem de gasten prysen. De gasten krijgen een vers eitje gedopt = krijgen een jong hoertje aangeboden?

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 36 (nr. 5). Natuurlied. Een Eyken te suypen dat hooghe leyt / Gheeft een natuerlijck leusen / Al ist dat buyten haghelt, regent of weyt / Dat doet de kaexkens bleusen.

Nieuwe Nederduytsche Gedichten ende Raedtselen ed. 1972 (1624)

  • 148. Zot-erotisch refrein. Meisje zegt: Ick sal u ende my een paer Eyerkens doppen / En u mijn Lief bereyt zijn tot allen tyen.

 

6 Ei // erotiek

 

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 124 (paragraaf 175). Artestekst. In verband met de vraag of alle vrouwen dezelfde aard hebben: Alsoe ghelijc alse eyere, die van menegerande verwen sijn deen wit dander bruin, dat derde bleec; nochtan sijn sy van enen smake ende aldsu sijn de swerte wive ende die witte van enen smake.

Middelnederlandse boerden ed. 1957 (circa 1405-08)

  • 32 (nr. IV, verzen 3-7). Kort, absurd gedichtmet één rijmklank over ruziënde geliefden. Ic sprac: lief, waer biste? / Wadt maecste, cacste of piste? / Nenic, ic sitte hier bachten een kiste / Ende rape eyeren uut enen nist; / Mijn hant hebbic beslabd met giste / Daer ic ene tonne biers omme quiste. Ongetwijfeld dubbelzinnig, maar toch onduidelijk. Eieren uit een nest rapen = testikels van man tevoorschijn halen? De pointe van het versje is blijkbaar dat de ‘ik’ zijn geliefde betrapt met een andere man.

Spiegel der minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 74 (verzen 2084-2087). Rederijkersspel. Vader en moeder van Dierick bedisselen dat Dierick weg moet van Katherina. Vader: Haer eyerkens zijn haer al te voren ghepelt / Sy sal haer hant op een ydel stadt legghen. Moeder: Dierick sal wel zijn eyerkens badt legghen / God groet u gras, ghy waert eens groene.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 211 (fol. 272v, verzen 33-36). Erotisch liedje over een ‘ruter’ en een weduwe. Wy en willen voort an niet spaeren / sprack tvrauken dat edel Iuweel / zou haelde deyers by Paeren / en maecte den Ruter Candeel. Eieren = testikels?
  • 217 (fol. 276r, verzen 14-17). Rederijkersrefrein met als stok ‘de man kan de vrouw niet missen’. End hoe zoudhy verweruen oock goeden nacht / zo sprakcer een oude tantTreckeghe daer / ende twyf de man als een Raeu eyken wacht / want twyf es tsmans hulpe ghestelt voorwaer. Rauw ei = vrouw. Maar wat is de associatie? Waarom wacht de vrouw ‘als een rauw ei’? Om gekookt te worden? Gebakken? Gegeten? Gepeld?

 

6a De term ‘bruden’ = coire [maar is ‘bruden’ ook ‘uitbroeden’ (van een ei) of eerder ‘bruiden’ (tot bruid nemen)?]

 

Die Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 220 (vers 12.977). Allegorisch rijmtraktaat. Over een potente man: Want hi was brudere alte goet.

Heimlijcheden van mannen ende van vrouwen ed. 1893 (1351)

  • 141 (vers 694). Berijmd medisch-gynaecologisch traktaat. Hi ne mochte bruden nemmee.
  • 169 (vers 1632). Maer int bruden es si altoes open.
  • 169 (verzen 1638-1639). Bedi vrouwen die dragen kint / Begeren brudens meer om tgent.

Middelnederlandse boerden ed. 1957 (circa 1405-08)

  • 33 (nr. V, vers 16). Boerde. Over een wellustige, overspelige vrouw: Si prees bruden naest den brode.
  • 34 (nr. V, vers 48). Boerde. Over haar minnaar: Hy ghince bruden op die scrine.
  • 58 (nr. X, de titel). Boerde: Van Lacarise den katiif die een ander sach bruden sijn wijf.

 

7 Ei // kinderen krijgen, ongewenste zwangerschap, overspel

 

Der sotten schip ed. 1981 (1548)

  • K4r (hoofdstuk 33). Moraliserend traktaat. In hoofdstuk 33 worden pooiers en overspel bekritiseerd. Om dat in houwelijcke man ende wijf / Hebben twee sielen ende maer een lijf / So wie sijn lijf niet en wille besmetten / Sal op sijns bedde ghenoots reijnicheyt letten / En sal gheen vreemde eyeren broeden / Noch skoeckoecks ionghen in sinen nest voeden.

Wuyts 1987a (1549)

  • 216-217 (afbeelding 4). ‘De overspelige man’, drogenaaldprent van Cornelis Massys. Deze prent ‘stelt (…) een man voor, die op overspel betrapt wordt: uit een korf laadt hij eieren in de schoot van een vrouw en zijn echtgenote, die dat ontdekt, roept blijkens het bijschrift ontzet uit: Mijn man syn eyeren ontlaeyt / in eens anders nest / en laet my ontpaeyt’. Te vergelijken met ‘Boerenpaar’, een gravure van Meester bxg uit circa 1475. Een afbeelding hiervan in Cat. Amsterdam 1985: 209 (nr. 109). ‘In beide prenten van Massijs en Meester bxg, wordt de penis gesuggereerd door de vorm en positie van het handvat van de eiermand’ [Matt Kavaler 1986: 24 (noot 8)].

Al Hoy ed. 1964 (circa 1600)

  • 5 (verzen 83-84). Rederijkersspel. Over Ydellustken, een playboy die het houdt met gehuwde vrouwen, wordt gezegd: Ick hou dat Ydellustken den grauwen voghel slecht, / dat hy syn eyeren in vremde nesten leyt.

Proteus ed. 1862 (1618)

  • 51. Embleem van Jacob Cats (‘Uyt de reden, kent de zeden’). Uw dochter heeft een ey in haren schoot genomen, / En daer is naderhant een kiecken van gekomen; / Des seytse menighmael: hier ben ick moeder van. / Ghy vraeght wat dit beduyt? My dunckt: zy wil een man.

 

8 Gepeld ei // man die zijn geld verliest aan hoeren en losbandig gedrag

 

Maria Hoedeken ed. 1920 (1509)

  • 16 (verzen 321-322). Rederijkersspel. Goet Gheselscip, die zich door Sober Regement en Quaet Beleedt heeft laten binnentruggelen in een herberg, zegt: Danssen of sprynghen, tuusschen of spelen / My en roucx machic pelen der vruechden ey.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 201 (refrein 235, vers 41). Zot rederijkersrefrein. De ‘ik’ raakt zijn geld kwijt aan een hoertje: Ic was soe net als een eij ghepelt.
  • 211 (refrein 240, vers 47). Zot rederijkersrefrein. Wil je een hoertje iets verwijten, sy sal v leren een eyken pellen.

Veelderhande Geneuchlijcke Dichten ed. 1977 (1600)

  • 112. De rijmtekst ‘Het wonderlijcke leuen van sinte Reynuyt’. Een jongeling op bedevaart naar Sint-Reynuit (fopheilige en patroon van de pierewaaiers): Bijster-veldt gepasseert zijnde, naer ‘doude maniere / Daer was hy recht nae zijnen staet ghesteldt / In Claes kommers Herberghe, byden viere / Daer bleefden buydel met al zijn geldt / Hy wert soo suyver als een ey ghepelt.

 

9 Eieren = vrouwenborsten

 

Ulenspieghel ed. 1980 (1560)

  • 73 (vers 231). Spotprognosticatie. Elke strofe eindigt op een spreekwoordachtig, vaak dubbelzinnig vers. Een strofe over kijvende vrouwen eindigt op: Vrouwe, wat lofdy u eyeren? De korf heeft een gat. Een verkoopster van eieren met een gat in haar korf waardoor de eieren kapotvallen? Maar ook dubbelzinnig: eieren = borsten, korf = buik, gat = vagina.

Den Hof en Boomgaard der Poësien ed. 1969 (1565)

  • 64 (nr. 36, verzen 1-2). Epigram ‘Van het schoon mammeken’ (ode aan de vrouwenboezem): Mammeken dat lof end’ eere betaemt / Wit als een eykin, vet als een mollekin.

Grauls 1957 (XVIc)

  • 145. ‘Jonge vrouw met strohoed’, burijngravure van monogrammist ISD (werkzaam te Antwerpen, circa 1546-circa 1580). De gravure hoort bij een andere gravure die een hennentaster voorstelt. De vrouw is blijkbaar een prostituee (let op haar dubbelzinnige glimlach en haar forse decolleté). Het begeleidende onderschrift luidt: Noch Vintmen Daeghelycx sulcken gasten / Die De hinnekens Nae haer Eyeren Tasten.

 

10 Het spreekwoord ‘kwaad ei, kwaad kieken’

 

Proverbia Communia ed. 1947 (circa 1480)

  • 90 (nr. 601). Spreekwoordenverzameling. Quaet ey quaet kycken / Ex prauo pullus bonus ouo non venit vllus [uit een bedorven ei komt geen goed kuiken].

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 304 (vers 36). Rederijkersballade. Een tijdsklacht. Het is al quaet / ey / voghel / broedt [het is allemaal kwaad ei, kwaad vogelgebroed].

Nyeuvont, Loosheit ende Practike ed. 1910 (1498-1500)

  • 74 (vers 242). Rederijkersspel (moraliteit). Een marot (via de mond van Sot) over Meest Elck: Quaet ey quaet kieken al teene(n) gadre.
  • 82 (verzen 452-453). Practike zegt tot Loosheit: En ghi sult die hoochste worde(n) heb ic macht / Quaet ey quaet kieken quaet melc en suuelken.

Spiegel der minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 194 (vers 5526). Rederijkersspel. Twee sinnekes tegen elkaar: Quaet ey quaet kiecken / Dats onsen titule.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 208 (refrein 239, vers 32). Vroed rederijkersrefrein. Dronkenschap heeft kwalijke gevolgen: quaet eij quaet cuijken, sulc vracht sulc last.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 114 (Boek II, refrein 5, strofe c, verzen 11-12). Vroed rederijkersrefrein, over Luther: Luther es de hinne, al wilt ghijt verschoonen, / Die alle dess kiecxkens uut heeft ghebroeydt.
  • 184 (Boek II, refrein 24, strofe g, vers 12). Vroed rederijkersrefrein, Over de lutheranen: Tes quaet ey, quaet kiecken, vuyl sout, vuyl suyvele. Zie het voorgaande vers (11): lutheranen zijn kinderen van de duivel en doen het werk van de duivel.
  • 186 (Boek II, refrein 24, strofe n, vers 12). Hetzelfde refrein: De vogel moet quaet sijn, die dess kieckenen broedt.

Joseph ed. 1975 (1565-66?)

  • 93 (vers 259). Rederijkersspel. Het sinneke Nijdich Herte zegt tot zijn collega Quaet Ingeven dat Jozefs broers Jozef beter gedood zouden hebben in plaats van hem te verkopen: Soo en zouder geen quaet kiecken uut gebroet hebben.

 

11 De zegswijze ‘als een blinde naar het ei slaan’ (iets doen of zeggen zonder kennis van zaken)

 

Der leken spieghel I ed. 1844 (1325-30)

  • 17-18 (Boek I, hoofdstuk 2, verzen 58-61). Didactisch rijmtraktaat. Niemand kan God kennen: Ende die daer meest na lesen, / Dolen meest weder ende wey, / Alse die blinde die slaen na tey, / Dat haerre gheen gheraken en can. Context: mens die probeert God te begrijpen (mislukt altijd).

Jans Teesteye ed. 1869 (vóór 1334)

  • 187 (verzen 1492-1497). Leerdicht. De mens kan Gods aard niet kennen. Wie daar toch iets over zegt slaat daarnaar alse een blint man na een ey.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 100 (nr. 50, verzen 18-21). Gedicht. Wie God probeert te doorgronden die dwalen vast weder ende wey, / Als die blinde die slaet nae tey, / Dat hoerre gheen gheraken can.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 229 (refrein 60, strofe f, verzen 15-16). Amoureus meileid. Bereye ic u dit dicht, naer de conste ic taste, / Taste met laste, als de blinde na den eye. Context: dichter(es) die probeert goed te dichten, wat heel moeilijk gaat en vaak mislukt.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 72 (regel 9). Spreekwoordenverzameling. Ick slae daer nae als die blinde nae tEy.

Joseph ed. 1975 (1565-66?)

  • 139-140 (verzen 1583-1585). Rederijkersspel. Nijdich Herte tot Quaet Ingeven (twee sinnekes): Neen, ick wil ons noch al ander regement koken, / Naer deijeren blint boken [beuken, slaan], wilt anders lucken. / Ick salze wel raecken. Aantekening verklaart ‘blind naar de eieren slaan’ = er een slag naar slaan, iets à l’improviste uitproberen.

De Coo 1975 (circa 1600)

  • 99. Nederlandse tondo, circa 1600. Geneesheer die naar ziekte raadt / als blinde die naar ei slaat. Spot met incapabele dokters.

 

12 De zegswijze ‘eieren in de pan’ (korte metten maken met iets zodat er geen kwalijke gevolgen van komen)

[Vergelijk Harrebomée 1980 (I.178): Sla de eijers in de pan, Dan komen er geen kwâ kuikens van. Reeds bekend in de 15de eeuw: wanneer een meisje huwen wil, is het vaak raadzaam dit toe te staan, ter voorkoming van kwade gevolgen.]

 

Proverbia Communia ed. 1947 (circa 1480)

  • 44 (nr. 53). Spreekwoordenverzameling. Al eyer in die panne daer en comen gheen kieken af.

Vreese des Heeren en Wijsheijt ed. 1968 (circa 1550)

  • 398 (vers 903). Rederijkersspel. Godtloose en Wrede Tyrannije besluiten Goetwillich Herte (Jezus) te gaan dwarsbomen door Pilatus te gaan wekken. Wrede Tyrannije zegt: Eijeren in de panne, soo en comter geen quaet af.

Jesus onder die leeraers ed. 1941 (1580)

  • 118 (vers 24). Rederijkersspel. Of ’t was eieren in de pan zonder lang folen.

Lazarus doot ed. 1992 (XVIB)

  • 137v (vers 1027). Rederijkersspel. Annanias over Jezus: Twaer best eijeren inden pan so waeren wij hem quijt.

Mensch wil die werlt bevechten ed. 1994 (XVIB)

  • 128r (verzen 252-253). Rederijkersspel. Die Mensch zegt: Bol inde biesen, eijeren in die panne / soo sullender geen quae kuijkens uuijt spruijten.

Daet der tirannen ed. 1994 (XVIB)

  • 170v (verzen 314-316). Rederijkersspel. Spanjaarden over de ketterse Hollandse steden. [Moordadige Moort:] Want eijers inden pan dat is best geraeden, siet / [Tbloetdorstich Hart:] Soo coomen daer geen quae kijkens off die ons bescaden, ijet.

 

13 De eierendans

[Zie ook Janssens 1959: 26. Cat. Antwerpen 1994: 30 (noot 94, met verdere bibliografie): eierdans = behandigheidsdans bij boeren met erotische connotaties.]

 

Sorgheloos ed. 1980 (circa 1540)

  • 123 (regels 41-42). Spotprognosticatie. Over de zomer: Ende dan sullen die oude sotten dansen over d’ey.

Sotslach ed. 1932 (circa 1550)

  • 46-47 (verzen 271-308). Sot legt het dansen van de eierdans uit. Danst lustich dit eij (vers 277). Met begeleidend liedje op de stok so danssen wij dat eij. Er wordt ook een schuttel (schotel?) over het ei gezet. In elk geval duidelijk verband tussen eierdans en zotheid, dwaasheid.

Cat. Antwerpen 1994 (XVI)

  • 119 (cat. nr. 72). ‘De eierdans’, gravure van Pieter van der Heyden naar Jan Verbeeck.
  • 120 (cat. nr. 73). ‘Eierdans’, kopersnede (1558) van Frans Huys.
  • 120 (cat. nr. 74). ‘Eierdans’, gravire van Philips Galle (?) naar Maarten de Vos.

Leander ende Hero ed. 2002 (1621)

  • 127 (Tweede spel, verzen 1-2). Rederijkersspel. Sinneke tot ander sinneke: Her uyt ghy guyt, springht uyter muyten, / En laet ons gaen dansen over ’t ey.

 

14 Het motief ‘zotten dienen geen eieren uit te broeden’

[Zie ook Coigneau II 1982: 317, over zotten die kleine zotten uitbroeden.]

 

sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 133 (verzen 350-351). Rederijkersspel. De sinnekes triomferen, zij gaan sMenschen Sin bedriegen. [Gewoonte:] So salmense beduijpen. [Maniere:] So salmense verdoren. [Gewoonte:] Hij mûet noch smoren, in desen doppe. Verdoren = tot dwaas / dooier maken (woordspel), vandaar ‘in desen doppe’ (in deze eierschaal).

Sotslach ed. 1932 (circa 1550)

  • 43 (vers 221). Rederijkersklucht. Sot over de Boer die gek begint te doen: Siet daar is een geck als een eij beschanst. Beschansen (Kiliaan 1590) = ommuren, omwallen. De boer begint nu pas gek te doen, hij staat dus op het punt ook een gek te worden, hij staat op het punt uit het ei te komen als een nar. Hij is nog omgeven door de eierschaal, maar zal er nel (als volwaardige nar) uitkomen. (Sot heeft overigens net de boer zogenaamd een rood ei uit de neus gehaald.)

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 148 (fol. 236v, vers 11). Zot rederijkersrefrein over zotheid. Het gaat over een schilderij en daarop zat een oud zot / Ionghe zots broeden by ghedooghe. Dus: een oude zot die jonge zotten zit uit te broeden.

Krimpert Oom ed. 1932 (XVI)

  • 62 (vers 335). Rederijkersklucht. Krimpert Oom tot knecht: Gij meent mij mal toe broen maer tsal u nijet baten. Iemand mal broeden = iemand tot dwaas gedrag brengen. Dit bevat een referentie aan het motief ‘uitbroeden van doren, dwazen’. Waarbij die dwazen dus uit een ei komen, want doren = dwazen / dooiers.

Spiegel vanden Ouden ende Nieuwen Tijd ed. 1862 (1632)

  • 188. Leerdicht van Jacob Cats met als titel ‘Hier dient een wijs man op te letten: / Men mach geen nar op eyers setten’. Volgens Cats betekent dit dat men aan een dwaas geen werk mag toevertrouwen dat door een wijs man verricht diende te worden. Een nar behandelt de eieren immers met onvoldoende omzichtigheid, laat zich er onbesuisd op neervallen, en maakt ze zo stuk. Naar aanleiding van dit gedicht stelt Bax 1948: 144, dat de oorspronkelijke betekenis van het spreekwoord is dat men geen nar op eieren mag zetten, omdat hij anders kleine narren uitbroedt. In de eieren bevinden zich namelijk doren (dooiers) en dit was een homoniem van doren (dwazen). Bax haalt als bewijsmateriaal een ‘ten onrechte aan Bruegel toegeschreven gravure’ aan waarin kleine narren vanonder een hurkende vrouwelijke nar komen piepen, met in de buurt een ei. ‘De bedoeling is duidelijk: de zottin heeft zotjes uitgebroed’. Bax’ interpretatie is echter duidelijk niet van toepassing op Cats’ behandeling van het spreekwoord.

Lebeer 1939/40

  • 218. Naar aanleiding van het spreekwoord ‘hier is een nar op eieren gezet’ in prenten.

De Meyer 1970 (1577)

  • 336 (nr. 14). Op de prent ‘De Blauwe Huyck’ van Jan van Doetinchem uit 1577: Hier broet de sot die eyers. Men mag naar verluidt geen zot op eieren zetten = geen delicaat werk toevertrouwen aan een idioot (?). Niet eerder: omdat hij in dat geval andere zotten voortbrengt (uitbroedt)?

 

15 Ei // dronkenschap

 

Seer schoone spreekwoorden ed. 1962 (1549)

  • 19 (nr. 325). Spreekwoordenverzameling. Il est plain comme vng oeuf / Hy is so vol als een ey. Vergelijk Harrebomée 1980 (I.177).

Gula (De Gulzigheid) (1558)

Gravure van Pieter van der Heyden naar een ontwerp van Pieter Bruegel de Oude, uitgegeven door Hiëronymus Cock. Twee maal treffen we in deze aanklacht tegen de gulzigheid een ei aan: links doet een zoogdierachtig monstertje zich tegoed aan de inhoud van een groot ei en onderaan links, onder een brug, steekt een hoofd boven het water uit: op dit hoofd ligt een (ongebroken) ei.

Cat. Antwerpen 1998 (1594/1599)

  • 328 (cat. nr. 113, kleurenafbeelding). Pieter Breughel de Jonge, ‘Oud Vlaams Spreekwoord’, paneel, 1594 of 1599, Antwerpen, KMSK. Een drinkende, dronken nar op een reuzenei met daarin een marot. Ditzelfde motief ook bewaard in een 16de-eeuwse kopergravure (wellicht naar een ontwerp van Pieter Bruegel de Oude), met rondom het kwatrijn: Foey u verbuijckte dronkaerts sot, / Altijt leckt en suijpt vol tot den croppe: / Op u vuijl eij vindende als een marot, / Ten lesten inden ijdelen doppe [foei, dikbuikige dronken dwaas, / altijd likty en zuipt gij u vol tot aan de krop / op uw rot ei, tot gij u als een marot / ten slotte bevindt in de lege dop]. Drinken wordt hier geassocieerd met het leegeten van een ei, waardoor de inhoud van het ei gelijkgesteld wordt met een overvloed aan bier of wijn. De zot verkwist echter deze overvloed door ze over te hevelen naar zijn buik, zodat hij zelf op een vol ei gaat lijken. Is alles echter opgedronken, dan blijft hij zitten met de lege eierschaal: de overvloed aan drank (en het geld dat daarvoor diende betaald te worden?) is verdwenen. De moraal van de prent is dus dat men voorzichtig en gematigd moet omspringen met weelde en overvloed, meer bepaald met drank. Een zot slaagt daar niet in en daarom is zijn ei ook rot. Men vergelijke over deze gravure ook Bax 1948: 145 (overigens weinig relevant). Een 17de-eeuwse literaire passage die de gravure kan helpen verklaren, is te vinden in Johan de Brune’s Bancket-werck van goede gedachten (delen 1 en 2 werden in 1660 in één band uitgegeven). In het eerste deel lezen we: De Enghelander zeght: Gluttony breeds poverty. Een leckerbeck die broeyt gebreck [Profijtelijk Vermaak ed. 1968: 323]. Vergelijk ook De Stove ed. 1944 [vóór 1522]: 163 (verzen 413-414), waar een vrouw over haar zuiplap van een echtgenoot zegt: Soudic hem gaen vleybaerdende smeeken, / Droncken versmoort al vol ghesoghen. Vergelijk ook Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983: 57 (nr. 6/2, regel 45), over een dronkaard die altijt vol was. Men lette overigens op de negatieve connotatie van de (lege) eierschaal in deze hele context.

 

16 Ei // heksen

[Bax 1948: 145, signaleert dat men vroeger geloofde dat heksen eieren konden leggen en in een lege eierschaal over het water konden varen.]

 

17 Ei // rondheid van de wereld

[Dick E.H. de Boer, “Achter de horizon – Middeleeuwse Europeanen en de wereld tot begin 15de eeuw”, in: Spiegel Historiael, jg. 27, nr. 11/12 (november-december 1992), pp. 490-499. Het beeld van de kosmos als ei (bij de Grieken reeds, in de Middeleeuwen, bij Boendale…) (p. 491). In de Middeleeuwen bestonden de beelden van de aarde als bol en als schijf naast elkaar. Het beeld van de schijf kwam echter het meeste voor. Oorzaak: bij Isidorus van Sevilla (Etymologiae) wordt de keuze aan de lezer overgelaten. De meesten kozen voor de eenvoudigste voorstelling: de aarde als schijf (p. 490).]

 

Rijmbijbel I ed. 1858 (1271)

  • 9 (hoofdstuk 3, verzen 165-170). Berijmde bijbelbewerking. Genesis, over de tweede scheppingsdag: Des anders dages, dus eist bekent / Maecte God dat firmament / Int water ter midderwerden recht; / Ende van watre maechijt echt / Hart ende vast gelijc kerstale / Maer geschepen als die eyschale. Het laatste vers in Maerlants bron (Petrus Comestor, Historia scholastica): ad imaginem testae quae in ovo est.

Spiegel Historiael I ed. 1982 (circa 1285)

  • 17 (Partie I, Boek I, hoofdstuk 3, verzen 1-9). Didactisch rijmtraktaat. Dese God, die de creaturen / Niet mogen zien bi naturen, / Maecte de werelt int begin. / Die werelt en es no meer no min / Dan de hemel, merct dese sproken, / Ende al dat hi hevet beloken / In hem selven altemale, / Alse dat ey in de scale: / Vier, lucht, water ende erde.

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 96-97 (regels 29-38/1-3, vraag 112). Artestekst. Over de schepping van de wereld: Ende die werelt was gheformeert op dwater alsoe alst God woude ende al dat water es onder deerde, want soe diep en mocht niet sijn en es nochtan deerde; ende dat fondament der eerden dat es water. Ende dat fondament des waters dats tfirmament ende beide een ende ander hanct onder dat firmament metter mogentheit Goids. Ende met siere mogentheit maecte hy die werelt na die gelike van enen eye. Die scale vanden eye es dat firmament diet al omme vaet, dwitte vanden eye es dat dwater dat es tusschen tfirmament ende deerde; dat gelu vanden eye dats deerde die omme rinct es vanden watere also dat gelu vanden eye es vanden witten; ende die liede sijn in der eerden alse zaeds. Dits de vorme vander werelt; maer sy es alsoe ront alse een appel die niet oneffens en heeft.

Der leken spieghel I ed. 1844 (1325-30)

  • 32 (Boek I, hoofdstuk 8, vers 3). Didactisch rijmtraktaat. Het firmament is rond: Binnen hol, als een eys dop, en bevat van binnen aarde, water en lucht.
  • 41 (Boek I, hoofdstuk 8, verzen 11-17). Beschrijving van de kosmos: Bi enen eye moghedijt merken wale: / Die hemel dat is die scale, / Twitte dat is tfirmament, / Dat altoos loopt omtrent, / Die doder dat is aertrike. / Dus, rechte na deser ghelike, / Is aertrike ront als een cloot. De aarde is dus een bol!

Noordnederlandse Historiebijbel ed. 1998 (1458)

  • 734 (Alexander 1). Over koning Phillips, de vader van Alexander de Grote: Op een tijt doe quam een haen ende leide een ey in des conincs scoet. Doe werp die coninc dat ey ter aerden, sodattet brac. Doe quam daeruut een draec ende die croep al om dat ey. Ende doe hi weder voir dat gat quam daer hi uut croep, doe bleef hi doot. Doe vraechde die coninc enen meester, die hiet Antyfon, wat dat beduden mocht. Doe seide die meester: ‘Die werelt is ront als een ey. Ende van uwen wive sel enen soen geboren worden, die sel enen machtihc coninc worden. Ende hi sel mit groter macht alle die werelt ommereysen ende bedwingen. Ende als hi wedercomt int lant daer hi geboren is, so sel hi sterven.

 

18 Aanvullingen

 

Der Byen Boeck ed. 1990 (XV)

  • 106 (Boek II, hoofdstuk 24, regels 33-37). Stichtelijk traktaat. Plinius zegt naar verluidt in zijn ‘boke van der naturen der dinghe’ dat een kip op de dag dat ze een ei gelegd heeft, niet door slangengif geschaad kan worden. Wat versteet men in den eye daer inne is een hope des cukens anders dan de vrucht des gueden werkes in welken guden werken is de hope des ewighen leuens. Positieve ei-symboliek! Ei = goede werken, kuiken = hoop op eeuwig leven.

Janssens 1959

  • 5-6. Ei = bijna steeds vruchtbaarheidssymbool.
  • 19/23. Paaseieren = restant van heidense vruchtbaarheidsriten.
  • 21. In Middeleeuwen: struisvogeleieren in kerken = symbool van Verrijzenis.
  • 28 (noot 62). Het spreekwoord ‘een ei op een balk’ = onzekere toestand.

 

Geraadpleegde literatuur

 

  • Harrebomée 1980: P.J. Harrebomée, Spreekwoordenboek der Nederlandsche Taal. Amsterdam, 1980 (facsimile van de uitgave 1856-1870).
  • Janssens 1959: Pr. Janssens C.ss.R., “Het ei in mythe en folklore”, in: Volkskunde, jg. 60 (1959), Nieuwe Reeks – jg. 18, nr. 1, pp. 5-33.
  • Wildhaber 1960: Robert Wildhaber, “Zum Symbolgehalt und zur Ikonographie des Eies”, in: Deutsches Jahrbuch für Volkskunde, VI (1960), pp. 77-84.

 

[explicit 12 december 2016]