EZEL

 

[Marjoke de Roos, “Een ezel kent men aan zijn oren – Charivaresk drama op de grens van middeleeuwen en nieuwe tijd”, in: Volkskundig Bulletin, jg. 15, nr. 3 (oktober 1989), pp. 316-334. De Roos baseert zich voor wat zij over de ezel zegt, vooral op het proefschrift van M.J.H. van Schaik, De harp in de middeleeuwen – Studies naar de symboliek van een muziekinstrument, Utrecht, 1988.

  • 318-319. Over het middeleeuwse motief ‘de ezel met de harp’ een heel hoofdstuk bij Van Schaik (pp. 114-133). Iconografische tegenpool van de harpspelende koning David. Verband met het ‘ezel met lyra’-motief bij Phaedrus. In de Middeleeuwen een staande uitdrukking in verband met dwaasheid en domheid. In de Middeleeuwen ook: ezel // zondige mens, slechte christen (die met grote oren luistert naar Gods woord maar er niet naar handelt.
  • 320. In de Middeleeuwen: ezel = dom, maar ook slecht voor veel middeleeuwse theologen. Representant van de duivel. Zie Sint-Hiëronymus, zie Antonius-vita van Athanasius. Zie ook rechterpaneel van Bosch’ Tuin der Lusten (ezel omarmt naakte vrouw). Verder in de Middeleeuwen: ezel // jodendom, swaasheid, onwetendheid, luiheid. In dertiende- en veertiende-eeuwse religieuze teksten: ezel = de zondige, naar zinnelijke lust strevende mens. In vijftiende-eeuwse vastenavondspelen uit Neurenberg: ezel = penis.]

 

1 Ezel = iets minderwaardigs

 

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 56 (verzen 4386-4387). Stichtelijk rijmtraktaat. Bij ‘gierichede’, over rovers: Men sal sine sepulture [graf] schouwen / Alse des ezels die stinct.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 348 (Somerstuc, hoofdstuk 22, regels 56-60). Theologisch compendium. Over het eerste Werk van Barmhartigheid, de hongerigen spijzen en de dorstigen laven: Rabanus seit: die den armen spijst sonder dranc, die gheeft sinen God sulken maeltijt, alsmen den eselen pleecht te gheven. Daer-om so macht wel een goet werck wesen eten ende drincken den armen te geven.

Vastenavondspel ed. 1988 (XVIA)

  • 365 (verzen 170-171). Vastenavondspel. De Nar zegt (in het Latijn): Stro verkiest de ezel boven goud, / Zo neemt ze mij en laat de Moor haar koud. Ezel = vrouw die een minderwaardige minnaar kiest.

Joseph ed. 1975 (1565/66?)

  • 115 (verzen 861-862). Rederijkersspel. De sinnekes over de economische crisis: Jae en hoe veel daer een ezelshooft galt boven maten / Tachtentich silveren penningen expeerdich. Normaal was een ezelskop dus niets waard…

 

2 Ezel // nederigheid (positief)

 

Fabulae ed. 1985 (XIIIb)

  • 148 (nr. 101). Latijnse fabelverzameling. Oh, if only we may live as the oxen of Abraham – or as those asses who feed beside the oxen! Vergelijk Job, 1, 14.

Levene Ons Heren ed. 2001 (XIIIA?)

  • 100 (verzen 1530-1532). Jezusleven. Jezus rijdt op een ezelin op Palmzondag: Hort hier grote oetmoedichede / die Onse Here van hemel dede / dat Hi soegedaen vee ontboet. Vergelijk Levene ons Heren I ed. 1968: 56 (verzen 1530-1532).

Legenda aurea II ed. 1993 (circa 1260)

  • 169 (hoofdstuk 137). Latijnse verzameling heiligenlevens. Een engel verschijnt bij de poorten van Jeruzalem en zegt: When the King of Heaven passed through this gate to suffer death, there was no royal pomp. He rode a lowly ass, to leave an example of humility to his worshippers.

Canterbury Tales ed. 1995 (XIVd)

  • 594. The Parson’s Tale. Bij Superbia: het gaat over al te luxueuze kleding van mannen en vrouwen en andere vormen van overdaad, zoals het houden van kostbare paarden. Daarover zegt God ons bij monde van Zacharia de profeet: ‘Maar die op paarden rijden, komen beschaamd te staan.’ Want dit soort lieden slaat weinig acht op hoe de Zoon van onze Hemelse Vader reed en hoe hij toen hij op de ezel reed, geen andere tuigage had dan de armzalige kleren van zijn discipelen en nergens lezen we dat hij ooit op een ander dier gereden heeft.

Speghel der Wijsheit ed. 1872 (circa 1400)

  • 177 (verzen 4178-4181). Stichtelijk rijmtraktaat. Jezus spreekt: Noyt reet ic up orsen groot; / het was een ezel daer ic up sat / tsonnendaeghs voor mine doot, / te Jherusalem in die stat.

Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 392 (paragraaf 344). Stichtelijk prozatraktaat. Voert so is die oetmoedighe ghehoersaem over al daer hi meent dattet gode behaghelic is, gemeenlic als die ezel duet, die also gaern draecht ter molen des arms mans coern als des riken mans, also lief den rogghe als den tarwe ende alsoe lief dat loot als dat gout, als Ysayas seit.

Leven Ons Heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 132 (hoofdstuk 24). Jezusleven. Jezus reed op een ezelin naar Jeruzalem: Ende al wast alte groet recht dat men hem eren soude, in dien tiden nochtan sijnre eren so hadde hi al sulc orssen ende ghesmide [zadeldek]. Sich onsen Heer nu wel aen, hoe hi in sijnre eren lastert die ydel eer der werelt, want hier en waren gheen paerde mit vergulden breydelen ende zadelen noch ghesciert mit sydenen ghesmide na ghewoenten der sotheit der werelt. Oec mit snoden clederen ende mit twee zelekens was die ezelinne ghesciert, nochtan dat hi was Coninc der coninghen ende Heer der heren.

Jhesus collacien ed. 1991 (1480?)

  • 185 (15de preek, regels 65-69). Prekenbundel. Jezus tot de nonnen die moeten mediteren over Zijn Passie: Des xiiij dages soe seldi maken dat xiiij hoedekijn, ende overdencken. Hoe oetmoedelic dat ic een palm daghe opten ezel sat ende reet tot hjerusalem. Waerlic susteren dat beestkijn was alsoe cleyn ende teder dat mijn voeten die eerde raecten.

Baghynken van Parys ed. 1954 (circa 1490)

  • 10 (verzen 61-68). Volksboek. De moeder van een meisje dat begijn wil worden, probeert haar dochter te overhalen op een wit paard te gaan spelevaren. Zij weigert omdat Jezus op een gewone ezel reed: Och mijn dochter, lieve kint, / Siet aen u ionghe iaren / Ende sit op minen telder wit, / Wy sullen spelen varen. / Moeder, des en doe ick niet, / Dat ware mi groot miskijef. / Hi reet op eenen ezel bloot, / Mijn alder liefste lief.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 168 (refrein 44, strofe d, verzen 14-15). Vroed rederijkersrefrein. Tot Jezus: Saechtmoedich, goedt lam, / Die op een ezelken, vol alder ootmoedt, quam. Ezeltje // ootmoedigheid van Christus.
  • 242 (refrein 64, strofe e, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Prinschelijck Prinsche, ootmoedich befaemptn / Die op een ezelken te Jherusalem quaempt. Ezeltje // ootmoedigheid van Christus. Hetzelfde in De Bruyne II ed. 1880: 129 (refrein 71, strofe 4, verzen 1-2): Princhelycke prinche, ootmoedich befaemt, / die op een eselken te Jerusalem quaemt.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 346 (Boek III, refrein 36, strofe e, vers 18). Vroed rederijkersrefrein. Siet, u Coninc saechtmoedich op een Eselken rijt.

 

3 De ezel bij de Geboorte van Jezus (positief)

[Janetta Rebold Benton, The Medieval Menagerie – Animals in the Art of the Middle Ages, New York-Londen, Parijs, 1992, pp. 157-158. ‘Depictions of the Nativity central to the Christ story, routinely include an ox and an ass (…). This iconography derives from Isaiah (I:3): “The ox knoweth his owner, and the ass his master’s crib”. The implacation is that even these humble low animals recognize Christ as the son of God’. Een ezel komt ook voor bij de Vlucht naar Egypte en Christus’ Intrede in Jeruzalem. In deze gevallen: ‘Whether the animal should be interpreted symbolically or not is dependent upon the context in which that animal appears’.]

 

Levene Ons Heren I ed. 1968 (XIIIA?)

  • 19 (verzen 379-383). Jezusleven. Over de ezel bij de Geboorte: Die esel vernam ende versach / Dat het was ene saleghe dracht / Dat daer gheboren wert inder nacht / Die esel liet daer sijn eten staen / Ende viel in knieghebede saen.

Leven Ons Heren Ihesu Christi ed. 1980 (1409)

  • 37 (hoofdstuk 5). Jezusleven. Die os ende die esel, als si hem voer hem hadden, bogheden si hoer knien ende sonder onderlaet beden si hem aen, ghelijc als vanden prophete Abbakuc voerseit was. Vergelijk Habakuk 3, 2.

Indestege ed. 1951 (XVd)

  • 83 (lied X, strofe 3-4). Geestelijk lied. De os en de ezel in de stad deden daer groet wonder.

Suuerlijc boecxken ed. 1957 (1508)

  • 23 (lied VII, strofe 6). Kerstlied. Een osse ende een cleyn ezelken / verwermden hem die leden sijn / van couden weenden dat kindekijn / nochtans was hi dominus.
  • 27 (lied X, strofe 5). Kerstlied. Cognouit bos et azinus / quod puer esset dominus.

 

4 Ezel // dwaasheid, domheid

[Lebeer 1939/40: 218, wijst op een aantal zegswijzen en spreekwoorden waarin de ezel geconnoteerd wordt aan dwaasheid. Onder meer de ezel op school, de ezel die lier speelt.]

[Ilja Markx-Veldman, “The idol on the ass; Fortune and the sleeper: Maarten van Heemskerck’s use of emblem and proverb books in two prints”, in: Simiolus, vol. 6 (1972/73), nr. 1, pp. 20-28. Markx-Veldman bespreekt een gravure van Dirck Volkerstz. Coornhert naar een ontwerp van Maarten van Heemskerck van 1549 (The idol on the ass): een ezel draagt een beeld van Isis, het volk aanbidt het beeld maar de ezel denkt dat men hém aanbidt. Dit motief komt ook voor in embleem- en spreekwoordenboeken in de zestiende eeuw en heeft zelfs een lange traditie, tot in de Oudheid [Alciati, de fabels van Gabria door Magister Ignatius (9de eeuw), Babrius’ Fabulae Aesopeae (1ste eeuw), Aesopos, Erasmus’ Adagia, Gabriel Faernus’ Fabulae uit 1564]. Het motief alludeert op ‘the arrogance and stupidity of those who allow their position in life to go to heir heads’ (p. 22). Ezel // arrogantie, dwaasheid, hoogheidswaanzin.]

[Dirk Coigneau, Refreinen in het zotte bij de rederijkers, deel II, Gent, 1982, p. 399 (noot 369). ‘Gezegden als “Den ezel aen die herpe stellen” (…) moeten alle een hopeloze, zinloze en dus dwaze inspanning verbeelden. (…) Wanneer echter rechtstreekser op klassieke voorbeelden wordt teruggegrepen, duikt ook de lier in de volkstaal op.’]

 

Sancti Eusebii Hieronymi Epistulae ed. 1991

  • 24 (brief VII, paragraaf 5). Brief uit 374. Hiëronymus klaagt over zijn land: het bestuur is dwaas en de inwoners ook. It bears out the proverb which, as Lucilius tells us, made Crassus laugh for the only time in his life: ‘When an ass eats thistles up, his lips have lettuce like themselves. Het spreekwoord is volgens een voetnoot ‘not clear’.
  • 430 (brief CXXV, paragraaf 18). Brief uit 411. Geloof geen vleiers, achter je rug maken met ze met hun handen ezelsoren naar je. Ezel(soren) // dwaasheid (bedoeld als invectief: iemand voor ezel uitmaken door ezelsoren te maken met de handen).

Consolatio Philosophiae ed. 1990 (524)

  • 73 (Boek I, 4de proza). Latijns prozatraktaat. Filosofie vraagt aan Boethius: Hoor je dit en dringt het tot je door? Of klinkt het als een lier voor ezelsoren?
  • 153 (Boek IV, 3de proza). Oneugden van mensen worden met dieren vergeleken: koppig als een ezel [asinus].

Dietsche doctrinale ed. 1998 (1345)

  • Boek III (verzen 5193-5198). Didactische rijmtekst. Ende dese nidecheit draghen / Vele lieden in hore daghen / Als die mate die beniden / Die rike te meneghen tiden / Ende oec die esele dat ghijt wet / Die goede clerke beniden met.

Middelnederlandse boerden ed. 1957 (XIV)

  • 81 (nr. XIV, verzen 29-32). De boerde ‘Ic prijs een wijf die haren man’. Herberggast tot ontrouwe waardin: Te wijl sal ic cleder ende scoen / Wt doen ende comen bi v slapen / Ende spelen als wij sijn ghewoen / Ende laten den esel sitten gaepen. Ezel = de dwaze bedrogen echtgenoot (de waard). Zie ook Lodder ed. 2002: 148 (vers 32).
  • 82 (nr. XIV, vers 51). Idem. Den ezel mocht wel vernoyen. Zie ook Lodder ed. 2002: 150 (vers 51).

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 32 (nr. 14, verzen 35-39). Leerdicht. Byden spreken kentmen doren / Ende den ezel biden oren; / Mar wat die Godheit is te gronde, / Des en mach nyemant dragen conde / Mit enighen vleysscheliken oghen.

Scaecspel ed. 1912 (1403)

  • 26 (regels 27-31). Moraliserende prozatekst. Aldus nae dat voorscreven is, selmen die zonen in goeden edelen consten leren ende doen leren, want: Rex illitteratus est quasi azinus coronatus, dat also veel beduut: ‘Een ongheleert coninc is ghelijc enen croneden ezel.
  • 33 (regels 4-6). Context: labiele mensen. Exempel van een zoon die geen beroep vindt en wenst dat hij een ezel zou mogen worden: Och oft Got vergave, dat ic die minschelichede of doen mocht ende die ezelscap aen nemen, also dat mijn minschelichede in eens esels natuer waer verwandelt.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 64 (Winterstuc, hoofdstuk 14, regels 86-87). Theologisch compendium. Over fysionomie: Die mensch, die grote lange oren heeft als een ezel, is gaern dom ende onwijs en sprect veel.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 500 (Somerstuc, hoofdstuk 41, regels 24-26). Theologisch compendium. Over de deugden van de heidenen, ten eerste: de wijsheid. Hier-om screef Troianus die keyser den coninc van Vrancrijc, dat hi sijn kinder liet leren die seven vrie consten, want hi seide, dat een ongheleert coninc waer als een ghecroent esel.

Alderande proverbien vanden wisen Salomone ed. 1992 (circa 1408)

  • 159 (verzen 13-136). Moraliserende rijmtekst. Men moet een ander niets verwijten waaraan men zelf schuldig is: Hi dunct mi weesen omberaden, / Die mi iet ane wille tien / Daer hi selve mede es verladen / ochte het compt hem van eselrien.

Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 402 (paragraaf 369). Stichtelijk prozatraktaat. Fabel van de hond en de ezel: de ezel wil zijn meest verwelkomen door hem te bespringen, net als de hond, en krijgt daardoor slagen. Het exempel toont aan dat men wijs en onderscheidend moet zijn. De ezel is dat niet.

Minnen Loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 252-255 (Boek II, verzen 3527-3612). Ars amandi. Verhaal van een Parijs echtpaar. Een man wil zijn vrouw betrappen bij het overspel. Hij sluit haar minnaar op in een kist en gaat de familie van de vrouw halen. Ondertussen heeft de meid de minnaar bevrijd en men stopt een ezel in de kist. De man valt in oneer.

Minnen Loep II ed. 1846 (1411-12)

  • 82 (Boek IV, verzen 926-927). Ars amandi. Over vrouwen die zelf niet deugen en hun man als een pantoffelheld behandelen en hem uitschelden: Ende dat sy selve souden ontghelden / Dat tijden sy den armen ezel.

Blome der doechden ed. 1904 (XVa)

  • 124. Stichtelijke prozatekst. Over domme mensen: Ick en can niet ghemercken waer toe datmense anders besighen mach. dan ghelijck perden esels ende muylen in arbeyden totter minsche, behoeff.

Pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 335 (regels 13-15). Stichtelijke prozatraktaat. Hoogmoed is niet blij als anderen geprezen worden: Ende ic soude hem staphans hebben in groter onwerden ende ic soudene willen te niewte doen ende seggen dat een eezel kersten ware ghemaict.

Proverbia communia ed. 1947 (circa 1480)

  • 80 (nr. 477). Spreekwoordenverzameling. Men vint meneghen ezel met twee benen.
  • 80 (nr. 478). Men vint menighen ezel die nie sack en droech.
  • 102 (nr. 726). Tes een wonderlic strijt daer deen ezel den anderen verwijt.

Doctrinael des tijts ed. 1946 (1486)

  • 108 (hoofdstuk X). Didactische prozatekst. Dese casus eyscht subtijl verstant, want een ezel soude tijt ende arbeyt verliesen, die sonder verstant is.
  • 200 (hoofdstuk L). Want die niet een weet nu ter tijt, is voer een ezel gerekent.

Uure vander doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 101 (verzen 722-724). Strofisch rederijkersgedicht. Over de bedrieglijke wereld: Want den ezel, setti bouen opt rat / Van fortuynen, en dier behoorde bat / Te sitten, verachti en maect niets weert.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 50 (refrein 23, vers 42). Zot-amoureus rederijkersrefrein. Soort zoekt soort in de liefde: ezels soeken beesten mit langhen ooren.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 49 (Boek I, refrein 14, strofe l, verzen 1-2). Vroed ABC-dicht over de lutheranen die de kerkvaders misprijzen: Leefde Ambrosius en Richardus noch, / Men hiedtse nu esele met langhen ooren. Hetzelfde in Bijns ed. 1902: 228 (nr. 3, strofe, L, verzen 1-2).
  • 56 (Boek I, refrein 15, strofe c, verzen 14-15). Vroed rederijkersrefrein. De lutheranen misprijzen de kerkvaders: Hieronimum, Ambrosium siet men sparen: / Ja sommige seggen, dat al esels waren. Vergelijk ibidem: 103 (Boek II, refrein 2, strofe g, verzen 11-12): Augustinum, Hieronymum, den exellenten / Ambrosium achtmen ongheleerde dwasen.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 102 (refrein 27, strofe e, vers 11). Zot-amoureus rederijkersrefrein, anti-huwelijk: God zoude vereezelen, troude Hij een wijf.
  • 306 (refrein 84, strofe c, verzen 5-6). Vroed rederijkersrefrein over de hebzucht: Gouden angeloten, croonen, ducaten / Doen ezels nu peersche mutsen draghen. Ezels = dwazen die kardinaal, bisschop of legaat worden (vergelijk vers 4).

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 206 (refrein 113, verzen 64-65). Vroed rederijkersrefrein over de nijd: Si sullen vergaen als stof seer cleyne / Die esels die den constigen wagen verdrijuen. Ezels = kunstenaars zonder talent die de talentvollen benijden.

De conscribendis epistolis ed. 1989 (1533)

  • 56 (34.20-21). Latijns traktaat over briefschrijven. Sin laudibus insolescit ac fit insanior atque ad apertam admonitionem est velut asinus ad lyram [maar als de lof naar zijn hoofd stijgt en hij zijn zelfcontrole verliest en als hij zich naar aanleiding van openlijke terechtwijzing gedraagt als de ezel met een lier]. Vergelijk Erasmus, Adagia, I i 35.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 116-117 (Boek II, refrein 6, strofe b, verzen 4-6). Vroed rederijkersrefrein. Lutheraanse wantoestanden: leken denken dat ze het beter weten dan de clerus: Lansboeren, die totten ploeghen ghebooren sijn, / Hen laten duncken, dat sij vercoren sijn / Als Balaams ezel te straffen propheten.
  • 150 (Boek II, refrein 15, strofe c, verzen 15-16). Vroed rederijkersrefrein over lutheraanse wantoestanden: Om dat ezels in bonte cappen steken, / Hierom gaet de werelt alsoo sij gaet.

Seer schoone spreeckwoorden ed. 1962 (1549)

  • 8 (nr. 134). Spreekwoordenverzameling. Chantes a lasne, il vous fera des pets. Singt voor den ezel, hy sal v beuijsten.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 6 (regel 20). Spreekwoordenverzameling. Wanneer den Esel toe wel is / soe gaet hy opt ijs dantzen / ende breckt een been.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 327-330 (nr. 35). Rederijkersrefrein over eigentijdse ‘ezels’ met als stokregel: Hoe souden ezels pooten op herpen spelen?

Werck der Apostolen ed. 1903 (XVIA)

  • 362 (vers 8). Rederijkersspel. Schoon Ypocrijt over de apostelen: Wat meenen dees ezels, heel te beclyuen.

Mont toe, borse toe ed. 1950 (XVIA)

  • 46 (vers 36). Rederijkerslyriek. In opsomming van personen die nu meer geacht worden dan deugdzamen, wijzen en eerlijke mensen: Ezels, Bottaerts, Slechtaerts, Flatteerders.

Mars en Venus ed. 1991 (1551?)

  • 292 (verzen 982-985). Rederijkersspel. Juno en Pallas over Vulcanus, die zijn Venus (en dus ook zichzelf) te schande maakt: Wat ezel es datte? / Tes seck een beeste, / Onghevuelijck, sonder verstant ghebooren, / Als köninck Mijdas met sijn ezels ooren, / De sijn eere daer te pande liet.

Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983 (1554)

  • 171 (nr. 174, regels 6-10). Anekdotenverzameling. De kok van de hertog van Milaan wil tot ezel of zot gemaakt worden, want de hertog maakt van ezels en zotten groote heeren.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 79 (nr. 7, verzen 7-8). Rederijkerslyriek. Een ombereden vrauwe sal tsmans courage breken, / Dus maecksere eenen ezel af oft iet el. Ezel = dwaze pantoffelheld.

Ulenspieghel ed. 1980 (1560)

  • 59 (vers 5). Spotprognosticatie. In de titel: Naer d’ezele conste ghepractiseert sonder abuys.

Knollebol ed. 1980 (1560/61)

  • 83 (vers 6). Spotprognosticatie. Van die esele stadt Norivaen.
  • 83 (vers 15). Maer ick sal toecomende dinghen door mijn ezel practijcken.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 179 (fol. 255v, verzen 2-4). Zot rederijkersrefrein, satire op pantoffelhelden: Onder een Roodtse in madocxol / daer diueerscsche beesten hadden den bol / zoo noch veel Ezels doen by ghedooghe.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 58 (fol. 347r, vers 14). Rederijkersrefrein over dronkaards: Maer als veel blonckaerts met ezels ooren hooren.
  • 86 (fol. 363v, vers 7). Rederijkersrefrein. Opsomming van invectieven: Esele hannin schudde Bouue en groot zot.

Lieripe ed. 1980 (1561)

  • 171 (regels 37-38). Spotprognosticatie. Scheldnamen voor stommelingen: dat sy se bottaerts, beesten, stoppelwouters, ezels, ackerbouten ende diergelijcke namen gheven.

Cieraet der Vrouwen ed. 1983 (1566)

  • V3 (regels 57-63). Artestekst. Over andere schrijver en critici die proberen de auteur te evenaren, maar het niet beter kunnen: Ten anderen dat se den esel slachten daer Esopus af schrijft, die benijde dat den hondt sijn meester plaisir dede met hem te feesten, soo willen sij ’t oock nadoen, niet peysende dat alle dinck alleman niet en betaemt of en voecht, noch oock alle dinck van een yeghelijck niet en wilt ghedaen sijn.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 445 (Boek III, refrein 65, strofe b, verzen 3-5). Vroed rederijkersrefrein. De gheleerde lijden in allen landen stoot, / Oft ezels waren, heel van verstande bloot, / En dat de ketters schriftuere alleen wisten. Ezels = dwaze katholieke theologen (dwaas in de ogen van de protestanten).

Meij ed. 1996 (vóór 1568)

  • 57r (vers 534). Rederijkersspel. Een neefke scheldend tot een priester: hoe staet Desen esel hier en raest.
  • 58r (vers 594). Idem: Hoe staet Deesen Esel hier en baert.

Huis van Idelheijt ed. 1996 (vóór 1568?)

  • 63v (vers 133). Rederijkersspel. Den Dwalenden Mensch tot Opperman: hoordijt ghij Eesel.
  • 67r (vers 477). Den Dwalenden Mensch over het volk: om deese eesels mede te becrachten.

Spel ed. 1976/77 (1567-76)

  • 87 (vers 131). Rederijkersspel. Een pantoffelheld beschrijft hoe zijn vrouw slagen zal uitdelen: Dan zullen wy tueghen dryncken ghelyc dezels poyen [drinken].

Goosen Taeijaert ed. 1938 (vóór of in 1594)

  • 36 (vers 173). Rederijkersspel. De vrouw van Goossen tot haar man: Segt, vuijlen esel, al sout ghij versmachten.

Mensch wil die werlt bevechten ed. 1994 (XVIB)

  • 129v (verzen 380-381). Rederijkersspel. Reden tegen Die Mensch: Ghij slacht den esel die speelt op die herpe / ghij weeter een Luttel off, en dat niet veel.

Idel Gepeijns ende Goede Wille ed. 1998 (XVIB)

  • 18r (verzen 254-256). Rederijkersspel. Idel Gepeijns over de bruidegom: altijt moet ghij heer bruijdegom Den esel slachten / als u wijff thuis wascht soe moet ghij water halen / tkint Langen en reijken wilt hier op achten.

Bouwen en Pleun ed. 1985 (1610)

  • 235 (kolom 113, verzen 049-050). Rederijkersklucht. Pleun tot haar man Bouwen: Wat maect desen Eselscop doch al gheraes / Segh op dwaes, wat Ambacht sou hy leeren.

 

5 Ezel // dwaze zondigheid (die te veel belang hecht aan de aardse ijdelheden), bepaalde zonden

[P. De Keyser, “Een Middelnederlandse paardennnaam: Vale-Vaellewe”, in: Album Dr. Jan Lindemans, Brussel, 1951, pp. 251-263. In het Oudfrans (reeds in de elfde eeuw) een ‘fauve asnesse’ (vale ezelin) als symbool van bedrog, valsheid en schijnheiligheid (p. 254).]

[Rik Van Daele, Ruimte en naamgeving in Van den Vos Reynaerde, Gent, 1994, p. 328 (noot 404): ‘Vanaf de twaalfde eeuw werd de slechtheid van de wereld verbeeld door een ezelin (ânesse) of door een rosse merrie. Ten gevolge van een woorspelletje met de woorden “faus” (falsus = vals) en “faus” (fulvus = rossig) ontstond de rosrode ezel als verpersoonlijking van het kwaad’.]

 

Sancti Eusebii Hieronymi Epistulae ed. 1991

  • 106 (brief XXII, paragraaf 24). Brief uit 384. Christus reed op het veulen van een ezel, zodat Hij ook op de zwakke mens mag rijden en hem bevrijden van de zorgen van deze wereld. Ezel // de ijdelheden van deze wereld.

Fabulae ed. 1985 (XIIIb)

  • 119 (nr. 64). Latijnse fabelverzameling. Over de ondeugden van monniken: One finds there nothing but beasts: (…) asses in stubborn sloth (…).
  • 148-149 (nr. 102). Fabel over honden, een ezel en een meester. De moraal: Thus many men long to assume this or that position, a position which they don’t at all know how to handle. So it is that some want to be priests, archdeacons, even bishops – yet are, nevertheless, still asses when it comes to songs of the lyre and asses when it comes to an actual position. For they are ignorant of how to sing, how to read, how to preach. They’re the opposite of everuthing we would hope for. Through perverse deeds, and with all the force they can muster, they kick the Lord in His face. But the Lord, enraged, orders such asses to be whipped – to be shoved down into the prison of hell forever.

Legenda aurea II ed. 1993 (circa 1260)

  • 223 (hoofdstuk 149). Latijnse verzameling heiligenlevens. Sint-Franciscus spreekt tot zijn lichaam: See here, brother ass! Either behave yourself or take a beating!

Sinte Franciscus leven ed. 1954 (circa 1275)

  • 101 (vers 2371). Heiligenleven. Franciscus tuchtigt zijn lichaam: ‘Broeder ezel,’ spreecti, ‘ha ha!’
  • 105 (verzen 2484-2488). Hier bi het hi den lechame zine / Broeder ezel, want hine vaste / dwanc te bordine ende te laste, / Ende gheceldene [geselde hem] met risen / Ende voeddene met cranker spisen.

Orloy der ewigher wijsheit ed. 1926 (XIV)

  • 169 (regels 7-10). Stichtelijke prozatekst. Over kloosterlingen die het goede prediken maar zelf het slechte doen: Want dat si predicken mitten woirden ende mitten abite dat wederzeggense mit haren zeden ende in dezen siinse ghelijc balams eselinnen, doe si als een mensche sprac; maer si leefde als een beeste.

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 102 (verzen 8014-8020). Stichtelijk rijmtraktaat. Bij ‘traagheid’ (verwaarlozen van geestelijke plichten): Ecclesiasticus die secht te desen: / ‘Des vroeden woorde sijn als een gaert’, / Hier up die glose dus verclaert, / Dats also ic ga den ezel jaghen / Vorwaert, ende niet late vertraghen, / Also is twoort vanden vroeden / Verweckende die traghe moeden.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 88-89 (nr. 43, verzen 24-29). Leerdicht. Over vrekken: Ons seit een man van wisen leer, / Dat God den vrecken wil verhoghen / Alsmen een ezels hoeft sal moghen / In een hallincsbuerse sluten; / Ende sel hi daer na bliven buten / Ter salicheit, soe ist qualic ghevaren.

Scaecspel ed. 1912 (1403)

  • 84 (regels 8-19). Moraliserende prozatekst. Hoverdyë is mede een zaec, dat Nabugodonozor verwandelt wort in een ezel of in een osse ende eten moste hoey ende stro, ghelijc onredelike beesten. Nu waert dattie ezel oftie osse spreken conste, mochte hi nijt wel seggen: ‘Is Nabugodonozor, die grote coninc van Babyloniën nijt gheworden om zijn hoverdyë onze broeder ende ghezelle? Voorwaer, ja hi!’ Hier omme seyt David door Gots mont aldus: Homo cum in honore esset et non intellexit comparatus est iumentis insipientibus et similis factus est illis. Dat is: ‘Die minsche, als hi in eren verheven is ende nijt en verstaet, dat hi Gode die eer ende nijt hem selven toe en scrive, soe wort hi gheteld onder die onredelike beesten ende hi is hem ghelijc gheworden.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 407-408 (Winterstuc, hoofdstuk 52, regels 57-65). Theologisch compendium. Over de ezelin waarop Jezus naar Jeruzalem reed: Die ioden waren beteykent bider ezelinne en die heiden bi haren ionc. Want ghelijc als si grove, domme, traghe dieren sijn, so waren die menschen voer dat kersten gelove grof van leven, dom van verstaen, traech totter deucht, oec gebonden, totten ghemenen oerbaer bereet ende tot allen zwaren snoden arbeit; ghebonden in haren sonden der ghemeenheit lichaemliker synnen, in zwaren arbeit onnutliker wercken, die niet ten ewighe leven bateden.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 43 (Somerstuc, hoofdstuk 3, regel 298). Theologisch compendium. Over de Zeven Hoofdzonden: die esel der traecheit.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 369 (Somerstuc, hoofdstuk 27, regels 49-56). Theologisch compendium. Over het zesde Werk van Barmhartigheid, de doden begraven. Men leest in de Bijbel van mensen die niet eervol begraven werden omwille van hun zonden: Derdewarf leestmen in Iheremias boecken int .XXII. capittel dat die coninc Ioachim, omdat hi afgoden an-ghebeden had, weduwen ende weesen bedroeft, so wart van hem geprophetiert datmen sinen doot niet bescreien en soude: O wi des edelen mans! – mer als een esels grafte soudmen begaen; buten der poorten Iherusalem soude hi werden geworpen te vervulen ende niement en soude segghen: wee mi, broeder, wee mi, suster, – als oec na ghesciede.

Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 296-297 (paragraaf 141). Stichtelijke prozatekst. Over de zonde van de grootspraak: Die derde dat sijn, die hem vermeten van toecomenden dinghen, die sgghen: ‘Ic woude dat wel doen of dat wel doen’, dat si recht also wel doen souden als een ezel op een herpe spelen of als een soch den hofdans treden soude.

Leven Ons Heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 3 (proloog van de vertaler). Jezusleven. De vertaler vraagt zich af of hij zijn taak wel aan kan. Een inwendige stem spreekt tot hem: Een ander wit sprak hier tjegen ende seide: ‘Du biste een stom ezel, en du en verstaeste niet wel den sin van vele passien ende mochste licht enige leer anders beduden dan se die leraers die verlicht waren vanden Heiligen Gheest, verstaen hebben, ende also naden woerden Sinte Jheronimus een onghelovich mensche ende een viant Gods ende des kersten geloves werden, dat God verhoeden moet.
  • 132 (hoofdstuk 24). Over de ezelin en haar jong waarop Jezus naar Jeruzalem reed: Bider esellinnen moghen wi verstaen onse eyghen vlische, bi den jonc onse ydele begheerten, die wi onder doen sullen, op dat die Heer daer op sitten moghe.

Blome der doechden ed. 1904 (XVa)

  • 107. Stichtelijke prozatekst. Over ‘traagheid’: Doch soe ghelijct men den traghen minschen bij den ezel. In sijn borste daer hijt cruys draghet soe is hij weeck ende en macht gheen last dragen mer int achterste is hij sterck ghenoich. Alsoe sijn die minschen alte traghe ende ezelachtich totten dinghen die behoren ten cruce ende totter penitencien. Mer bij den achtersten als totten wercken des vleysch ende der oncuysheyt soe sijn sij sterck ghenoech. Daer af seit ecclesiastes, voeder gheyssel ende last behoert toe den ezel. broet leeringe ende werck behoert toe den knape die sijnen meester dient.
  • 125-126. Over ‘domheid’: Dese onwetenheit of domheit machmen ghelijken bij den esel want het is die domste beeste diemen op der erden vint. Ende soe ruyde als hij is inder natueren soe is hij oec van maecsel mit overlanghen oren ende mit hatelijken gheluyde onverstandel traich ende onwillich Datmenten doet sloege hij en ghinck niet wt sijnen weghe den hij verkiest. al lagher oec een beter wech hij gaet doet den slijck sijnen ghanc. Recht alsoe sijn die vuyl domme sondighe minsschen al weten sij dat sij sondighen sij en latens niet Mer treden altoes dieper vander eenre sonden totter ander ende watmensse castiet ende slaet mit goeden worden van goeder leere het is te vergefs ende arbeit verloeren Een esel moet een esel blijven.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 322 (vers 19). Rederijkerslyriek. Over het ontstaan van het kwaad in de wereld: Tsint dat ezels met ghelde resen. Ezels = dwaze, gierige personen.
  • 331 (verzen 12-14). God heeft de mens rede gegeven (om niet ‘blind’ te zijn): Maer lacen wy aerme sondighe doren / Wy doen soe opene des Esels ooren / Dat wterste licht, dlicht binnen verblendt.

Veer utersten ed. 1975 (XV)

  • 38 (regels 13-20). Stichtelijk prozatraktaat. Over het lichaam: Aldus ist als eyn esel, deme wv sculdich syn (sine) vodinghe to entholdende de nature, de geiselen der tucht (vnde lere) to dwingende van vorkertheit [verkeerdheid] vnde vnnart vnde de last (eder borden) guder werke vnde penitencie. To den ersten scal vns to gheeschet [geëisd] werden, wer we dussen esel temeliken vnde redeliken gheuodet heben, nicht to leckerliken eder to kerchliken.
  • 39 (regels 18-20). Ock scal van vns gheeschet werden, wer we dussen esel mit der geiselen (ok) gheslagen heben vnde geduungen van aller vorkerheit.
  • 40 (regels 1-3). To dem dridden male scal van vns gheeschet werden, wer wy dussen esel (ok) heben laten arbeiden in werken der penitencien vnde der dogede.

Suster Bertken ed. 1924 (1518)

  • 61. Vroed lied. De berouwvolle ‘ik’ tot God: Siet aen mij domme ezelkijn.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 70-71 (refrein 168, verzen 21-25). Vroed rederijkersrefrein. Hy laet hem wel vanden ezel dwinghen / Die duer sulc gehinghen / In allen dinghen / Tvleysch wellust hem ouer thooft laet springhen / duer sviants vermaen. Ezel = het tot zondige driften geneigde lichaam.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 17 (Boek I, refrein 5, strofe d, vers 6). Vroed rederijkersrefrein. Over de vroege christenen: Scerp bereden hebben den ezel met sporen. Ezel = het tot zondige driften geneigde lichaam.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 73 (refrein 19, strofe e, verzen 12-15). Vroed rederijkersrefrein. Den ezel betijdt, / Want door sviants nijdt / Verweckt hij tot welluste ons vleesch en bloedt.
  • 89-90 (refrein 24, strofe b, verzen 14-16). Vroed rederijkersrefrein. Elck wildt doncruyt uutwien en u vleesch berijdt. / Beterde elck een hooft, de plagen zouden vlien. / Hoort na mijn bedien,den eezel bescrijdt. Ezel = het tot zondigen geneigde lichaam.
  • 341 (refrein 93, strofe d, vers 8). Vroed rederijkersrefrein. Berijdt uus vleesch heesch, slaet den ezel met stringhen. Ezel = het tot zondigen geneigde lichaam.

Seer Schoone Spreeckwoorden ed. 1962 (1549)

  • 10 (nr. 170). Spreekwoordenverzameling. Deux orgueilleux ne peuent sus vng asne / Twee hoouaerdighe en connen niet op eenen ezel. Vergelijk Harrebomée I.189.
  • 20 (nr. 331). Il est plus beste que vng asne / Hy is beestigher dan een ezel. Vergelijk Harrebomée I.42.

Gemeene Duytsche Speckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 37 (regel 27). Spreekwoordenverzameling. Een Rijcke ende ghierighe is Salomons Esel.

Vanden .X. Esels ed. 1946 (1558)

  • Passim. Deze druk geeft tien voorbeelden van zondige, dwaze mannen, die telkens vergeleken worden met een ezel.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 205 (fol. 438v, verzen 11-14). Vroede rederijkersballade over het Laatste Oordeel. Ten tweetsten zult ghy daer moeten bewysen / of ghy tslichaems esele onderdaenich der zielen / ghecastydt en ghevoedt hebt met gheestlicker spysen / ofte ghelaeft metter penitentien oetmoedich knielen.

Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 21 (verzen 443-444). Satirisch rederijkersgedicht. Over vrekken: Noch een warande vol grooter dieren, / Als Buffels en Esels van grover aert. Vergelijk Leenhof der Ghilden/Parafrase ed. 1950: 40 (regels 149-150): Iten noch een warande vol groffs wildbraets van deenen, rekels, buffels ende esels. Ook weer verwijzend naar vrekken.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 363 (Boek III, refrein 41, strofe d, verzen 5-6). Vroed rederijkersrefrein. Ic en can den Esel niet bedwingen, / Hij wilt al springen contrarie den gheeste (in marge: Galat. V.c.). Ezel = het tot zondigen geneigde lichaam.

 

6 Ezel // wellust, onkuisheid

[Ezekiël 23, 20 : En zij verlangde naar hun zwelgers, die heet zijn als ezels en driftig als hengsten.]

 

De amore ed. 1982 (circa 1185)

  • 40-41 (Boek I, hoofdstuk V, paragraaf 8). Latijns prozatraktaat over de liefde. Illi tales quot vident tot cupiunt libidini immisceri. Istorum talis amor st qualis est canis impudici. Sed nos credimus asinis comparandos; ea namque solummodo natura moventur quae ceteris animantibus homines ostendit aequales [such men as these wish to indulge their lust with every woman they see. Their love is like that of a shameless dog, or rather they are, I think, to be compared with donkeys, for they are affected solely by that natural urge which puts men on a level with the rest of the animal kingdom].
  • 220-221 (Boek I, hoofdstuk X, paragraaf 6). Qui enim tanta carnis coluptate vexatur ut ex cordis affectu nullius se valeat amplexibus colligare, sed quacumque videt impudico animo concupiscit, hic quidem non amator sed adulterator vocatur amoris ac simulator et erit cane deterior impudico. Immo impetuosus meretur asinus iudicari, quem tanta corporis petulantia movet ut unius se non possit affectioni astringere. [For the man whi is tiching with sucj carnal pleasure that he cannot bind himself with the heart’s affection to the embraces of one lover, but lewdly desires any woman he sees, deserves the title not of lover but of adulterer making pretence of love, worse than a lewd hound. Or better he deserves to be accounted an ass whothout self-control, motivated by such physical wantonness that he cannot confine himself to the affection of one partner].

Noordnederlandse historiebijbel ed. 1998 (1458)

  • 679 (Tobias 6). Doe seide die engel: ‘Hoert na mi wie diegene sijn daer die duvel macht over heeft: over alle diegene die also hilic annemen dat si om Gode niet en denken, mer vergaderen om genoechte des vleis, als die ezelen ende die mulen doen, die geen verstant en hebben; over die heeft die duvel macht. Vergelijk Tobias 6, 17.

 

7 Ezel // andere ondeugden en gebreken

[Brigitte Lymant, “Die sogenannte ‘Folge aus dem Alltagsleven’ von Israhel von Meckenem – Ein spätgotischer Kupferstichzyklus zu Liebe und Ehe”, in: Wallraf-Richartz-Jahrbuch, Band LIII (1992), pp. 7-44. ‘Besonders anschaulich wurde das Motiv verwendet in der Allegorie der Weibermacht vom Meister der Weibermacht, einem anonymen niederrheinischen Stecher aus dem letzten Drittel des 15; Jahrhunderts. Dort führt eine auf einem Esel reitende Frau vier Affen und einen Kuckuck am Zügel, einde Gruppe Narren begleitet sie mit bewundernden Blicken. Die leicht verständliche Darstellung wird zusätzlich erläutert durch ein Spruchband, auf dem die Frau erklärt, dass sie einen Esel reitet wann immer sie will und, mit einem Kuckuck als Lockvogel, viele Affen und Narren einfängt’ (p. 28).]

[Petra van Boheemen en Paul Dirkse (red.), Duivels en demonen – De duivel in de Nederlandse beeldcultuur (tentoonstellingscatalogus), Utrecht, 1994, p. 83: in de reformatorische beeldpropaganda werd de paus afgebeeld met een ezelskop.]

 

Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 296-297 (paragraaf 141). Stichtelijk prozatraktaat. Over eigenlof: Die derde dat sijn, die hem vermeten van toecomenden dinghen, die segghen: ‘Ic woude dat wel doen of dat wel doen, dat si recht also wel doen souden als een ezel op een harpe spelen of als een soch den hofdans treden soude.

Salomon ende Marcolphus ed. 1941 (1501)

  • 2. Volksboek. Beschrijving van Marcolphus: dicke daensichte gelijc enen esel. Ezel // lelijke man (gelaat).
  • 3. Beschrijving van de vrouw van Marcolphus: langhe oren ghelijc een ezel. Ezel // lelijke vrouw (oren).

De institutione feminae Christianae ed. 1996 (1524/1538)

  • 186 (regels 11-13 = Boek I, hoofdstuk 15, paragraaf 143). Latijns moraliserend prozatraktaat. Over slechte echtgenoten: Itaque parum apposite mutis rebus assimilavi homines malos; rectius asinis, suibus, ursis, lupis contulissem [and yet my comparison of wicked men with mute objects was not altogether apposite. It would have been more accurate to compare them to asses, swine, bears and wolves].

Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983 (1554)

  • 153 (nr. 149, regel 5). Anekdotenverzameling. Daerom souden haestige luyden opten ezel rijden. Ezel // traagheid.

 

8 Omgekeerd op een ezel rijden

[De Roos 1989: 330. ‘In the early modern period the victim of a charivari was often led by a noisy, masked and costumed crowd through the town of village, sitting on an ass, facing backwards.’]

[Herman Pleij, “Van keikoppen en droge jonkers – Spotgezelschappen, wijkverenigingen en het jongerengericht in de literatuur en het culturele leven van de late middeleeuwen”, in: Volkskundig Bulletin, jg. 15, nr. 3 (oktober 1989), pp. 297-315. ‘Het averechts rijden op een ezel drukt de omgekeerde wereld uit en zotheid (evenals de kei), maar herinnert eveneens aan een geliefde straf voor een van de voornaamste doelwitten van het Franse volksgericht, de pantoffelheld’ (p. 309).]

[Robert Muchembled, De uitvinding van de moderne mens, Amsterdam, 1991, pp. 58 / 60. ‘De bedrogen echtgenoot (…) wordt wel bedolven onder publieke hoon en soms gaat de vernedering zelfs zo ver dat de man door de plaatselijke vrijgezellen op een ezel wordt rondgereden. (…) Beter dan welke theorie ook geeft Bruegels gravure De Onkuisheid (1557) de publieke opinie weer, zowel in gecultiveerde kringen als in de wereld van het volk. Het betreft een afbeelding van een afgrijselijke processie, in een landschap vol monsters à la Jeroen Bosch, geleid door een doedelzak spelende monnik. De hoofdfiguur van het doek [sic] is een naakte man die een monster berijdt: het gaat hier om een echtbreker, in de dorpen van die tijd vaak op deze manier, achterstevoren op een ezel gezeten, rondgereden.’]

[Hans Peter Duerr, Der erotische Leib, Frankfurt am Main, 1997, p. 119: ‘Im Italien der Renaissance wurden überführte “Hexen” (le strige) häufig, um sie zu entehren, mit nackten Brüsten auf einem Schandesel, das Gesicht zum Schwanz, durch die Stadt geführt.’]

[R. Van Belle, “Het rederijkersblazoen van de Langhoirs Victorinen te Poperinge”, in: Biekorf, jg. 101, afl. 3 (september 2001), pp. 218-240. ‘Het averechts zitten op een ezel is een eeuwenoude in het Westen verspreide straf. Het is hier tevens een teken van zotheid en van omgekeerde wereld. Normaler wijze is het bij “charivari” niet de rechter, maar de veroordeelde die deze vernederende positie inneemt’ (pp. 225-226).]

 

9 Ezel = duivel

[Bartelink 1990/91: 16. In de Physiologus-traditie is de onager (wilde ezel) de duivel.]

 

10 Ezel: positieve connotaties

[S.I. Klerk-Oppenhuis de Jong, “Brandaan en het geloof in de Gods genade – Structuuranalyse van het Middelnederlandse gedicht van Sente Brandane”, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, deel 104 (1988), afl. 1, pp. 21-51. De dichter vergelijkt zichzelf met de ezelin van Bileam (positief).]

 

Sancti Eusebii Hieronymi Epistulae ed. 1991

  • 360 (brief CVII, paragraaf 10). Brief uit 403. Hiëronymus adviseert een maagd niet te veel te vasten: de ezel op de hoofdweg stapt een herberg binnen als hij moe is!

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 253 (nr. 29). Leerdicht. Een spreuk: Voert en gaet die ezel niet, / Als hi den anderen vallen ziet. De ezel is dus toch niet zo dwaas…

Brugman ed. 1948a (XVc)

  • 240 (preek XX, regels 142-151). Prekenbundel. Gelijkenis van een ezel die een zware last droeg en een man tegenkwam die vroeg: hoe doe jij dat? De ezel zei: ik zou nog veel meer dragen als iemand mij getrouwelijk voortdreef = kloosterlingen hebben het misschien lastig, maar als de liefde van en de vrees voor God hen voortdreef, zouden ze nog veel meer doen. Ezel // de lijdzaamheid van de kloosterling in het zware kloosterleven.

Geraardsbergse handschrift ed. 1994 (1460-70)

  • 55 (nr. 19, verzen 10-12). Gedichtje, over de eigenschappen van paarden: zij moeten vast van hoeven zijn, sterk van rug en goed van ‘peistringhen’, ‘als de ezel’.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 348 (verzen 63-70). Rederijkerslyriek. Een droom over de Wijze Man en zijn allegorische lichaamsdelen. Zijn oren zijn wijd en groot als bij de ezel = een goede christen zal het woord Gods aanhoren en slechte dingen links laten liggen gelijk de ezel de slagen.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 239 (nr. 133, verzen 13-14). Rederijkersgedicht. Wat een goed paard moet hebben van de ezel: Vanden ezel Stercken rugge / Dorre beenen Goede hoornen des voets.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 118 (fol. 383r (verzen 24-32) / fol. 383v (verzen 1-8). Rederijkerslyriek. De ezel als attribuut van de Arbeid.
  • 122 (fol. 386r, verzen 27-31) / fol. 386v (vers 1). Rederijkerslyriek. Over de kenmerken van een trouwe dienaar: hij moet de oren van een ezel hebben om de geheimen van zijn meester te aanhoren en te bewaren, en de rug van een ezel om onderdanig alle werk uit te voeren.

Veldman 1992 (1572)

  • 231. De twee gravure uit een reeks van zes (1572) van Philips Galle naar Maarten van Heemskerck. Een ezel beladen met werktuigen en met een haan (= alertheid) op de kop = onvermoeibaarheid en hard werken.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 176 (nr. 130, strofe 2, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Rasch, Balaam op den esel & derwaerts rydt: / tis tyt dat ghy deerde vermalendyt. Vergelijk Numeri 22.

Goodts Ordonancij ed. 1994 (1583)

  • 80v-81r (verzen 1506-1527). Rederijkersspel. Reden vergelijkt mensen van verschillende standen met ezel die verschillende (waardevolle en niet waardevolle) dingen dragen. Men moet zijn lot aanvaarden want God kan het doen verkeren.

Vruechde en Vreetsaemichge Liefde ed. 1998 (XVIB)

  • 25r (verzen 1726-1733). Rederijkersspel. Balams eesel // brave gelovigen die bedrogen worden.

 

11 Ezel: restmateriaal

 

Bestiaire d’Amour ed. 2005 (circa 1250)

  • 61. Liefdesbestiarium. Een minnaar moet luid en overtuigend praten als zijn geliefde hem geen troost geeft: En de reden waarom iemand die wanhopig is een veel krachtiger stemgeluid heeft, moet, denk ik, gezocht worden bij het dier dat meer dan enig ander kracht zet bij het balken, en het meest afgrijselijke en beangstigende stemgeluid heeft, namelijk de wild ezel. Vergelijk ook Bestiaire d’ Amour 1986: 3-4, en Bestiaire d’Amour ed. 1987: 404 (regels 17-26).

Proverbia communia ed. 1947 (circa 1480)

  • 72 (nr. 386). Spreekwoordenverzameling. Haestich man en sal ghenen esel riden.
  • 80 (nr. 479). Men roept den ezel niet te houe dan als hi wat dragen moet.

Salomon ende Marcolphus ed. 1941 (1501)

  • 6. Volksboek. [Salomon:] Uten monde der heilighen sal gaen goede leere ende wijsheit. [Marcolphus:] Die esel behoort te sijn daer hi weyden mach want daer vuedt hi. daer hi een pijl [grasspriet] af weidet daer waster xl. weder teghen, daer hi cacket daer misset [bemest] hi. daer hi pisset daer maect hijt weeck. ende daer hij hem wentelt daer breect hi dat stroe. Techniek: trivialisering en denigrering. Marcolphus geeft een parodie van zo’n ‘goede leere ende wijsheit’.
  • 7. [Salomon:] Men is sculdich den meister eerwaerdicheit ende die roede is te ontsien. [Marcolphus:] Die sinen rechter ghewoen is te smeren sijne caken die pleget gaerne sinen esel mager te maken. Techniek: denigrerende omkering. Wie de rechter omkoopt, pleegt dat op een andere manier weer terug te winnen. Men probeert hogergeplaatsten voor zich te winnen en verhaalt dat op lagergeplaatsten.

Seer Schoone Spreeckwoorden ed. 1962 (1549)

  • 25 (nr. 412). Spreekwoordenverzameling. Il se met au deuant comme font les asnes / Hi stelt hem seluen voere ghelijck de ezels doen.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 37 (regel 25). Spreekwoordenverzameling. Ist dat ghy sterft/ men sal v mitter huyt begrauen/ dat doetmen enen Esel niet.
  • 67 (regel 7). Hy schaemt sich als een Ezel/ die den sack ontfalt.

 

[explicit 9 april 2017]