1 De gans in de bestiaria

 

Bestiary ed. 1993 (XIIIb)

  • 168-169. Latijns bestiarium. Ganzen zijn goede nachtwakers (zie het Kapitool): as Rabanus says, they stand for provident men, watchmen who take their task in earnest. Wilde ganzen vliegen hoog en volgens een strikte orde, and symbolise those who live remote from earthly rank and follow an ordered life. Ze zijn altijd asgrauw because you will find the grey cloak of repentance among those who live far from the world. De waakzame gans is een beeld van de goede monnik die bij anderen goede en slechte kenmerken kan onderscheiden en die bij andere monniken waarschuwt voor hun nalatigheid en onwetendheid, zodat de duivel weggejaagd wordt. Tamme ganzen roepen de hele tijd en verwonden elkaar met hun bek: They symbolise those who are happy to lead a communal life, but give themselves up to gossip and slanderous talk. In dit bestiarium fungeren ganzen dus als positieve en negatieve zelfbeelden voor kloosterlingen.

Der naturen bloeme I ed. 1980 (circa 1266)

  • 181-183 (Boek III, verzen 323-398). Berijmd traktaat over de natuur. Over de gans (ancer). Wilde ganzen vliegen graag, tamme ganzen vliegen zelden. Ganzen zijn goede nachtwakers (zie de ganzen van het Kapitool: de Romeinen aanbaden omwille van dat voorval een zilveren gans, christelijk auteurs hebben daarmee gespot. Ganzen hebben schrik van arenden. Ganzenvlees ligt zwaar op de maag. Er bestaan ganzen die zo groot en zwaar zijn als struisvogels. Geen symboliek bij Maerlant.

 

2 Gans (gheese, gheesken) = hoer, losbandig meisje

 

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 265 (nr. 16, vers 62). Zot-amoureus liedje. Van een oude hoer wordt gezegd: Wielende (= waggelend) ghinc soe als een gans.

Pyramus ende Thisbe ed. 1965 (circa 1520)

  • 165 (verzen 66-67). Rederijkersspel. Het sinneke Bedrieghelic Waen wil te weten komen wat het sinneke Fraudelic Schijn van plan is en zegt: Al soudicker noch een gans om speten, het wort versleten, eer ghi vertrect! Dat ‘een gans speten’ hier dubbelzinnig betekent ‘de liefde bedrijven met een meisje’, wordt aannemelijk gemaakt door de amoureus-erotische context van het spel en door de op deze passage volgende verzen 68-69, waarin Fraudelic antwoordt, verwijzende naar de stoute, zotte praat van zijn collega: Stijf inde kaken ende stout ghebect, ghi menighen ghect, dus achticks cleene.

De Verloren Sone ed. 1985 (1540)

  • Een gedrukt ‘volksboek’. Een slechte vriend van de verloren zoon zegt tot een hoerenwaardin (als hij ziet dat de verloren zoon al zijn geld verbrast heeft): Maer hi is noch wel int habijt / Uwen gheesen dit aduerterende zijt [maak dit duidelijk aan uw hoertjes]. Ende al naect doet hem ontcleeden.
  • Naam van één van de hoertjes is Lustich Gheestken. Associatie met ‘gheesken’?

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 35 (verzen 867-869). Rederijkersspel. Een sinneke tot een ander sinneke (een koppelaarster), scheldend: Tsa, bien venu madamoselle snapsoet, / waer soudmen v vinden, offer profijt quaem / om een gans te spetene?Een gans speten = gemeenschap hebben met een hoer.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 91 (nr. 78, strofe 4, verzen 1-4). Zot lied. Daer waren leepe gheesen, / Schelu, manck ende vuyl / Si droncken sonder vreesen, / Si veechden haren muyl.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 213 (verzen 16/19/21). Een rondeel over de volgelingen van Luther, onder meer: Lichte gheeskens, die als meeskens om aes vlieghen.

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 15/607 (verzen 89-90). Rederijkersspel. Werlt zegt tegen tVleesch (een hoer): Ghij sijt een cluchtighe gheese / men vind warachtich gheen leeper baessinne. De tekstbezorger (J.J. Mak) geeft een foutieve verklaring.

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 35 (nr. X, vers 4). Zot-erotisch rederijkersrefrein op de stok ‘Ic salt avonturen al solt mij smerten’. Een sekshongerig tienermeisje zegt: En ben ic niet wijffs genoch, sprack dat arme gheisken.
  • 41 (nr. XIII, verzen 7-10). Zot-erotisch rederijkersrefrein op de stok ‘Om sotkens lachen die meiskens wel’. Twee geile meiden gaan naar bed met een als nar verklede knecht: Het knechken svoch ende stelde hem op de bene, / Ende heefft hem al sots kleideren aen gedaen. / En is al stommelinghe in huys gegaen, / Daer deese twe gheyskens saten bijt vier.

De Minckijsers ed. 1992 (XVIB)

  • 114v (vers 863). Rederijkersspel. Over de hoer Alderhande Gebreck: en nu dus versnodt zijt op dees Leeclijcke (lees: lelijke) geese.

Kuznetsov/Linnik 1982 (XVII)

  • Afbeeldingen 67 en 68. Twee bij elkaar horende zeventiende-eeuwse paneeltjes van Jacob Gerritsz Cuyp (Talin, eertijds Art Museum of the Estonian SSR): Meisje met haan en Jongen met gans. De jongen houdt in zijn rechterhand een papiertje met het opschrift: Mon-oÿe faict toût. Dit is een woorspeling: mijn gans doet alles / geld (monnaie) doet alles. Het dubbelzinnige regeltje en het feit dat haan en gans respectievelijk mannelijke en vrouwelijke symbolen kunnen zijn (haan = penis, gans/gheese = hoer) maken het samen aannemelijk dat hier een toespeling op prostitutie wordt gemaakt, ofschoon het meisje helemaal niet als hoer gekleed lijkt te zijn, en de knaap toch wel erg jong lijkt.

 

3 Gans = neerbuigende term voor (arme, domme, dwaze, plompe) vrouw

 

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 49 (Boek I, refrein 14, strofe k, verzen 11-12). Rederijkersgedicht (ABC-dicht) over de Lutheranen: Al waert een spinster oft een ander arm gans, / Sulc volchde haer leeringe en haer advijs. Arme ganzen = eenvoudige volksvrouwen (zoals spinsters) die zich gemakkelijk laten verleiden door de ‘Duitse klerken’ (vers 7) en het evangelie verkondigen. Volgens Anna Bijns luistert ‘men’ eerder naar zulke simpele vrouwen dan naar wijze doctores. Hetzelfde refrein in Bijns ed. 1902: 227 (nr. III, strofe K, verzen 11-12) [circa 1550]: Al waert een spinstere, oft een ander erm gans, / Selck volchde haer leeringhe ende haer avys.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 245 (refrein 137, vers 22). Zot rederijkersrefrein over een ‘mottige bruiloft’: Die bruyt hilt voet ghelijc een gans. Een vrouw die plomp danst.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • Rederijkersgedicht. Over de volgelingen van Luther: Aelwitten (= ganzen!), oupitten, die sitten en spinnen, / Beghynen, die schynen zeer heylich int wesen, / Ou maren en blaren zyn nu doctorinnen.

Leander ende Hero ed. 2002 (1621)

  • 192 (Spel 4, verzen 386-387). Rederijkersspel. Goddeloose Desperatie over het meisje Hero: ick zal de slechte gans / terstont gaen brenghen aen den zelven dans.

 

4 Gans geassocieerd met vrouw

 

The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 108 (Fragment III, Group D, verzen 269-272). The Wife of Bath’s Prologue. De vrouw van Bath citeert verwijten van mannen aan vrouwen: vrouwen die niemand wil, zijn zeer geil en manziek. Ne noon (geen) so grey goos gooth ther in the lake / as, sëistow (zeg jij), wol been withoute make (maatje). / And seyst it is an hard thyng for to welde (beheersen) / a thyng that no man wole, his thankes, helde.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 401 (vers 31). In een erotisch rederijkersrefrein: Hy greepse, doen peepse, recht als een gans.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 362 (verzen 9-10). Een rijmpje van broeder Engelbrecht: Men vint zoe vele vrouwen goet / alsmen rooder gansen doet.

 

5a Geplukte gans = persoon die bedrogen of negatief behandeld wordt

 

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 54-55 (nr. XXIV, verzen 146-161). Moraliserende rijmtekst. Die gans ghepluct, tscaep ghescoren, / Dat soe is haer beider loen. / Hoe vetten herst, hoe goet, hoe schoen, / Dat si horen meester bringhen, / Sy en connen nochtan niet verdinghen, / Si en worden tweewerff sjaers ontcleet. / Aldus gaetmen noch ghereet / Die luden plocken ende scheren, / Die die werlt moeten neren / Beyde te water ende te lande, / Ende dicke setten tlijff te pande / Om goet te winnen ende te besparen, / Dair die heren wel off varen. / Dat laetmen hem ghenieten wel / Als dander diemen schoert haer vel, / Beyde mit plucken ende mit scheren.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 87 (refrein 23, strofe d, vers 14). Amoureus rederijkersrefrein. Liefdesklacht van vrouw over haar ontrouwe minnaar + kritiek op wantoestanden in de maatschappij: Daerme (= de armen) sietmen plucken als gansen en vincken.

De Neering ed. 1996 (vóór 1568)

  • 83v (vers 92). Rederijkersspel. Gemeen Ambachtsvolck klaagt tegenover de ambachtsheer over de verdrukte Neering: Sij wart gelijck een gans gepluct.

 

5b Geplukte gans = berooide, geldeloze persoon (ten gevolge van omgang met vrouwen of hoeren)

 

Veelderhande Geneuchlijcke Dichten ed. 1977 (1600)

  • In de rijmtekst ‘Het wonderlijcke leuen van sinte Reynuyt’: Tot sinte Reyn-uyts is hy ter Kermisse ghecomen / Al een heeftet hem daer niet seer wel gheluckt / Want Willem Alberoyt heeft hem terstont vernomen / Ende heeft hem als een magheren Gans ghepluckt.

Suyp-stad ed. 1978(1628)

  • 120 (verzen 961-964). Moraliserende rijmtekst. De geldeloze pierewaaier wordt vergeleken met een geplukte gans: Men speelter banckerot, en soeckt een ander kans, / Men loopt als een schavuyt, of een gepluckte Gans. / Het hayr steeckt door den hoed, de billen door de kleeren, / De hosen noch de schoen en konnen hem niet deeren.

 

5c Plukken = bijeenscharrelen van materieel bezit

 

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 334 (vers 39). Vroed rederijkersrefrein, tijdsklacht. Elck pijnt om plucken dus onghedrult.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 60 (refrein 164, verzen 32-33). Vroed rederijkersrefrein op de stok ‘rapen moet wel syn een ghesonde spijs’. Dus mach den arbeyt enen wel verdrieten / want veel willen plucken sonder raepsaet te saijen.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 247 (refrein X, strofe B, verzen 3-4). Vroed rederijkersrefrein. Wat sal deertsche goet ghepluct, ghecraut doen? / Dat ghiericheyt tuwen huyse vriendt en gast wort.

Mont toe, borse toe ed. 1950 (vóór 1551/1583)

  • 46 (vers 32). Strofisch rederijkersgedicht, tijdsklacht. Want de Wolven sietmen plucken en teesen.

Al Hoy ed. 1964 (circa 1600)

  • 9 (vers 153). Rederijkersspel (tafelspel). Buijcsken tegen Willeken Noijtgenoech (een vrek): Al u gepeys es trecken en plucken.

 

5d Plukken = iemand (materieel en financieel) bedriegen

 

Der Leken Spieghel III ed. 1848 (1325-30)

  • 217-218 (Boek III, hoofdstuk 26, verzen 52-57). Didactisch rijmtraktaat. Een jonge stedeling tegenover de zoon van een ridder over uitgebuite dorpelingen: Maer arbeit, zorghe ende leet / heeft daer tfolc, spade ende vroe, / ende ooc overlast daer toe / van meyeren ende haren knapen, / die van hem plucken ende rapen / wat sijs moghen ghewinnen.

Jans Teesteye ed. 1869 (vóór 1334)

  • 253 (verzen 3448-3450). Moraliserend dialooggedicht. Over de uitgebuite ‘dorpman’: Lantsheren ofte ander papen / die altoes plucken ende rapen / dine pine ende dinen arbeyt.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 75 (refrein 39, verzen 13-15). Vroed rederijkersrefrein op de stok ‘hoe sout dan qualick in die werlt gaen’. Er wordt ironisch gezegd: Die geestelicheyt en wilt plucken noch teesen / den ghemeynen volc wat sy bestaen / hoe sout dan qualick in die werlt gaen.
  • 80 (refrein 41, verzen 15-16). Vroed rederijkersrefrein op de stok ‘langhe gheborcht en is niet quijt ghescouwen’. Waer ic gae of come tvolc is bedruckt / die erme simpele domme wert gepluckt.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 36 (Boek I, refrein 11, strofe b, verzen 15-16). Vroed rederijkersrefrein, tijdsklacht. Men siet u darme weduwen en weesen / plucken en teesen; uwen ja es neen. Zelfde tekst in De Bruyne I ed. 1879: 82 (refrein XIX, strofe b, verzen 13-14) [1579-83]: men siet u de erme weduwen & weesen / plucken & teesen: uwen ja is neen.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 23 (refrein 6, strofe d, vers 4). Vroed rederijkersrefrein. Over uitbuiters: Wat batet u dat ghij donnoosel gepluckt hebt?

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 228 (Boek III, refrein 2, strofe h, verzen 5-6). Vroed rederijkersrefrein. Over het Laatste Oordeel: Hoe sullen donsalige daer staen beschaemt / voor de gene, diese nu plucken en trecken!

 

5e Plukken = het (financieel) bedriegen van klanten/mannen door hoeren/vrouwen

 

Die Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 74 (verzen 4191-4498). Allegorische rijmtekst. Rede zegt: En mach en geen wijf wesen goet / die hare vleesch vercoept om goet. / Van hen so soude elc man vlien / ende sine herte van hen tien. / Hi pense ho sine mochte hebben wert, / die els niet dan sijn goet en gert, / ende el en mint dan sijn gelt, / ende al levende villen wilt.
  • 214 (verzen 12.587-12.590). De oude koppelaarster zegt: Sijs sot die hare lief nine pluemt / van sinen goede ende scuemt; / want wiene meest geplumen can, / salre doegt meest vinden an.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 49 (nr. 44, strofe 2, verzen 1-3 / strofe 3, verzen 3-4). Amoureus liedje, liefdesklacht. Ghesellekens wilt v sinnekens keeren / van sulc een schoon samblant. / Want si souden v plucken ende minnen leren. // Want met hare subtijle listen / si v wel plucken sal. Hetzelfde liedje in Amoreuse Liedekens ed. 1984: 48 (strofen 2/3) [circa 1600]: Want zy sal u pluycken en Minneleeren // Want syder met haerder subtijlder listen / V seer wel plucken sal.

Alit en Lijsbith ed. 1946 (circa 1550?)

  • 122 (verzen 322-324). Rederijkersklucht. Alit zegt dat haar dochter bij de deken heeft geslapen dien zij heeft vercaelt [kaal geplukt].

Suyp-stad ed. 1978 (1628)

  • 97 (verzen 249-256). Moraliserende rijmtekst. Over hoe hoertjes hun klanten ‘kaal plukken’, d.w.z. van al hun geld beroven: Ten minsten dat een Valck wort uyt de locht gekregen, / Dien sy dan recht den neus gaen snuyten ende vegen, / Ia plucken hem so kael, dat hy moet weer van honck, En voor ’t verquiste geld verkrijght hy niet een dronck. / Wanneer de beurs is licht, en ’t geldjen is vervlogen, / Dan siet haer Venus aen met toe-gesloten oogen, / En schoptse uyte deur, en roept: ghy kale Guyt, / Het geld is onse Liefd’, en ’t geld is onse Bruydt.

’t Amsterdamsch Hoerdom ed. 1976 (XVII)

  • Moraliserende waarschuwing tegen prostitutie. Van twee hoertjes en hun klant wordt gezegd: Ondertusschen plucken se hem alle beide even zeer.
  • Van hoerenlopers wordt gezegd: soo schoon zynze van de Hoeren geplukt.

 

5f Plukken = hellestraf

 

De sacramente vander Nyeuwervaert ed. 1955 (circa 1500)

  • 156 (vers 562). Rederijkersspel. De duivels bespreken hoe zij Meester Macharius zullen folteren in de hel: Wij sullen hem plucken.

 

6 Gans = man (pejoratief)

 

Der Leken Spieghel III ed. 1848 (1325-30)

  • 221 (Boek III, hoofdstuk 26, verzen 141-142). Berijmd didactisch traktaat. Een ridderzoon heeft het over het leven van de stadsburger. Deze laatste zit naar verluidt in zijn zetel met volgevreten buik dat hem dunct dat hi raest / ende als een ghent sit ende blaest. Dit geldt als een voorbeeld van onrein leven.

De Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 112 (verzen 352-353). Rederijkersspel. Een sinneke tot de ijdele Wellustige Mensch: Tschijnt ghij compt uuijt een corffken getreden; / Ghij maeckt den wrinkaerts gelijck eenen gans. Ijdele man die loopt te pronken terwijl hij met zijn heupen draait.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 99 (nr. 85, strofe 4, vers 5). Zot liedje. Meisje klaagt over haar oude echtgenoot: Hi sidt en babbelt al waert een gans.

 

7 Gent (mannetjesgans) = knappe jongeman

[Cools 1992: 89. In de Kempen noemde men anno 1992 een ganzerik of mannetjesgans nog altijd ‘een gent’!

MNHW 1981: 201. Gent (als adjectief) = lief, edel, bevallig, schoon. Gent (als zelfstandig gebruik adjectief) = edele, bevallige man. Gent (als substantief) = mannetjesgans.]

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 12 (refrein 3, verzen 11-12). Zot rederijkersrefrein. In een klooster bespringt een haan een kip: Tscheen dat die mater quam wt haren sinne / Om dat hi daer op sat als een ghent. Dubbelzinnige passage in een dubbelzinnige tekst (de besprongen kip kan ook een onkuis nonnetje zijn).

 

8 Gans = zondige persoon

 

Fabulae ed. 1985 (XIIIb)

  • 109-110 (nr. 51). Latijnse fabelverzameling. ‘The Goose and the Raven. Against those overburdened with sins’. Een vette, zware gans vraagt een raaf om op diens rug te mogen vliegen, maar de gans is te zwaar en de raaf kan haar niet dragen.

Die Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 110 (verzen 8694-8696). Berijmde zondenspiegel. Bij ‘traechede’, over rijke vrekken: Die rike vracke, want hi van aerde / der gans slacht ende den perde mede, die vetten in hare ledichede.

Der Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • F1r (hoofdstuk 24). Stichtelijk-moraliserend traktaat. Over verstokte zondaars die ten onrechte op Gods genade hopen: wy en sullen dan niet leuen als gansen ende swijnen die op gods thoorne/ rechtuaerdicheyt niet en achten. want al so sinte hieronimus seyt. Men mach van weelden ter blijschap niet gheraken ende men can hier niet altijts den buyck gheuullen/ ende inden hemel die siele. Op de begeleidende houtsnede ziet men twee ganzen en twee varkens aan een trog.

De menschwerdinge Christi ed. 1992 (XVIB)

  • 28r (vers 1337). Rederijkersspel. Schriftuerlijcke Zin tegen de ketters: wadt Laetij u duncken arme verroerde geesen.

 

9 Gans = domme, dwaze persoon

 

Der Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • L1r (hoofdstuk 34). Stichtelijk-moraliserend traktaat. Over dwazen die veel zien, maar niets onthouden: Die derde is. Dat men wel onthouden heeft den anderen voort leeren. Also wi alle doen sullen in goede leeringhe willen wi den sotten niet gelecken sijn die altijts der gansen danck ende liet singhen wat si hooren/ waer af die leeraer spreect aldus. Volgt dan in versvorm wat ‘die leeraer’ zegt: Die vele versoeckt ende weynich leert / Die verre loopt ende wijt verkeert / Ende wat hi siet tonrechte merckt / Die vele begrijpt ende niet en werckt / Die altijts deerste is aen den dans / Ende altijts sinckt al waert een gans / Die sal een gans gherekent wesen / Van verre te loopen is niemant ghepresen.

Seer schoone spreeckwoorden ed. 1962 (1549)

  • 20 (nr. 332). Frans-Nederlandse spreekwoordenverzameling. Il est plus estourdy que vne mulle sauluaige / que vng oyson. Hy is dulcoppigher dan eenen wilden muyl / dan een gans. Zie ook Harrebomée I.201.

 

10 Gans: spreekwoorden en zegswijzen

 

Tghevecht van Minnen ed. 1964 (1516)

  • 49 (verzen 113-114). Berijmde ars amandi. Ongestadicheyt verleidt een jongeling: bier en is niet ghebrouwen – soot is aenschijn – / Voor coeyen oft ganssen, alsment verhalen sal.

Seer schoone spreeckwoorden ed. 1962 (1549)

  • 19 (nr. 319). Frans-Nederlandse spreekwoordenverzameling. Il est fourny dentendement / comme vng oyson de creste. Hy is voorsien met verstande / ghelijck een gans met eenen cam. Zie ook Harrebomée I.201.
  • 38 (nr. 636). Qui ne faict ainsi que faict loye A courte vie et courte ioye / Die niet en doet ghelijck als de gans Die heeft een cort leuen ende corte blijschap. De gans als beeld van de levensgenieter? Zie ook Harrebomée I.61. Vergelijk ook Cat. Antwerpen 1976: 86 (cat. nr. 48) = een gravure van Pieter Balten, Sorghelos leven (Antwerpen, Museum Plantijn Moretus, Stedelijk Prentenkabinet). Onderwerp is een luie schoenmaker. Rechtsboven een prent aan de muur met een vrouw op een hek tussen ganzen. Het bijschrift van deze prent luidt: Die Gansen hebben den cost, soo elck oock sal, / Wat wildy doch al sorghen, Godt verleenet al.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 56 (regels 5-6). Spreekwoordenverzameling. Hy sal noch ten lesten den Gans moeten gelden. / Hy sal ’t gelach noch al betaelen.
  • 61 (regel 25). Dat vuyrken boete ick/ sede de Gans, doe scheet sie oppet ijs.
  • 69 (regel 19). Die Monnick preeckte/ dat men niet en behoerde te steelen/ ende hy selue hadde den Gans.
  • 75 (regel 2). Hy en sal niet lichtelick gebraden gansen ouer den tuyn werpen.

Der Fielen Vocabulaer ed. 1914 (1563)

  • Burgerlijk-moraliserende prozatekst. Over afkeurenswaardige losbollen ende segghen altijt, laet ons vrolijc zijn want de wijn en is niet gewassen voor die verkenen, noch dat bier ghebrouwen voor die gansen.

 

11 Ghans = verbastering van ‘Gods’ in vloeken

[De Schuijfman ed. 1932: 88-90 (aantekeningen).]

 

Heynken de Luyere ed. 1920 (1540/1582)

  • Een hoerenwaard vloekt: Ghans cracht, gans macht, wat voeren zijn ditte.

 

12 Aelwitta als naam voor een gans

 

De Appelboom ed. 1979 (XVIa)

  • 34 (verzen 27-30). Rederijkersklucht. Een boer en boerin klagen over hun recente verliezen. De man zegt: Jae, en onse ganse is in een vadt met gruse [zemelen] / versmoort, dus ben ick halff tenden rade. De vrouw reageert: Godt segen ons! Eijlacij, dats groote schaede. / Is Aelken versmoort? Ghij sout mij verlenen. Een aantekening (p. 64) verklaart Aelken als een verkleinvorm van Alijt en verwijst onder meer naar Enklaar 1940: 102.

Aelwarich ed. 1980 (1528)

  • 111 (regels 52-54). Spotprognosticatie. Over de herfst: Den herfst neemt aen zijn begin als Aelwitta wert doorsteken ende ghebraden om des menschen wille, lijdende veel martieliën in kermissen supra dorpum. De gans als spotheilige en –martelaar.

Hongherenborch ed. 1980 (1562)

  • 193 (regels 30-31). Spotprognosticatie. Over de herfst: Ende dan wordt Aelken oft Aelwitte doorsteken ende gedoot met veel van haeren consorten. Vergelijk ook ibidem: 197 (regels 86-88), over het plukken van ganzen in juni: In dese maent sullen die gansen berooft worden van haren voeyeringen [‘voering’ = veren] ende naect gaen.

 

13 De rotgans

[Thomas 1990: 90. In de Nieuwe Tijd verdween het geloof dat de brandgans of rotgans ontstond uit schelpen die aan bomen of wrakhout groeien.]

 

De Schuijfman ed. 1932 (1504)

  • 2-3 (verzen 27-30). Rederijkersklucht. Twee landlopers bespreken wat ze gaan doen. Schuijfman zegt: Hertchiers [boogschutters] worden: wij willen schieten, / want wij moeten onsen honger blusschen. Waarop Sloef repliceert: Wadt dingen? Rotganssen? En Schuijfman weer: Neen, huijsmusschen. Met ‘huismussen’ worden huisvrouwen bedoeld die door bedelende landlopers bedrogen worden. Een aantekening van de tekstbezorger suggereert dat ‘rotganzen schieten’ een uitdrukking is uit de dieventaal (bargoens), waarbij ‘rot’ armoede betekent en de hele uitdrukking: armoede lijden, bedelen. Men kan zich afvragen of hier ook een obscene toespeling gemaakt wordt: rotgans = bedelaarshoertje?

De Beatis ed. 1979

  • 166-167. Reisverslag. Het verhaal van de boomgans.

 

14 Gans: restmateriaal

 

The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 70 (Fragment I, Group A, vers 3317). The Miller’s Tale. Over de koster: His rode was reed, his eyen greye as goos [zijn gezicht bloosde, zijn ogen waren grijs als een gans].

Curia palacium ed. 1968 (circa 1500)

  • 203 (regels 5/7-8). Nederlands-Latijnse woordenlijst. Gans = auca / ghent = ancer.

Braekman ed. 1984 (XVIa)

  • 178 (nr. 1). Verzameling vogelspreuken. Die gent seit: en betrouwt niet wel / paerts hoeuen noch honden fel, / steden ende borghen syn goet te winnen, / als si verraden sijn van binnen.
  • 181 (nr. 20). Die gans seit: volle gherechten / beminnen beide heren ende knechten, / daer is menych die wel name / syn ghenoechte waen het quame.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 59 (refrein 29, verzen 21-24). Rederijkersrefrein. Soe en sout my nouwe sulc wonder gheuen / al saghe ic een plumeloose gans vlieghen / als dat twe ghelieuen soe hoghe verheuen / in minnen soe saen verureemden moghen.

“Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 266 (refrein XVIII, strofe 1, verzen 1-4). Zot-erotisch rederijkersrefrein over drie pelsnaaisters. Drie pelsnaeyerskens zeer ient en net met, / diemen te Thienen noch hielt voor maecht, / hun meester soude, ick wil ghy dopset wet, / die sittegans gheven, zooman die vet et.

Een Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983 (1554)

  • 108 (nr. 80, regels 6-11). Kluchtboek. Over keizer Constantijn die klein van gestalte was, in verband met ‘hooverdye’: Als die keyser door een [namelijk een triomfboog] reedt, so duycte hi ende trock syn hooft in. Dat saghen de romeynen ende lachten met hem. Hi dede ghelijck een gans als si yewers door een gewelf gaat, so duyct si want si ducht dat si boven aenstooten soude. Aldus syn cleyne luyden gemeynlic hooverdigher dan groote.

Joseph ed. 1975 (1565-66?)

  • 96 (vers 337). Rederijkersspel. Gesprek tussen sinnekes. Quaet Ingeven tot Nijdich Herte: Hoort, neve alle gecken op een gans.

Het lichamelijcke huis ed. 1994 (XVIB)

  • 27v (vers 603). Rederijkersspel. Een Doodzonde spreekt: springt voort geest des gramschappen comt treckken die gans. De doodzonde Ira wordt namelijk geroepen.

Schipper, Pelgrim en Post ed. 1998 (XVIB?)

  • 25r (verzen 197-200). Een rederijkersspel, meer bepaald een tafelspel. Een leugenverhaal van Pelgrom over ganzen die een veldslag voeren tegen de meeuwen.

Krap 1983

  • Op heksensabbatten verschijnt soms een gans of eend van grote afmetingen.

Cat. Antwerpen 1976

  • 87 (cat. nr. 50). Ets van Hans Bol, Ganzentrekken (Antwerpen, Museum Plantijn Moretus, Stedelijk Prentenkabinet). Een afbeelding van het ganzentrekken door middel van een bootje op een rivier.

 

[explicit]