GEIT

 

1 Geit = Christus

 

Dat Boeck Cantica Canticorum ed. 1945 (XVd)

  • 125 (hoofdstuk II, regels 73-76). Commentaar op het Hooglied. Naar aanleiding van Hooglied 2: 9 : Myn lief is gelyck eenre wilder zeghen [wilde geit] ende eenre iongher hinden. Dese dierken syn beyde vruchtber ende snel. Alsoe is God der zielen gemynde lieff, die en kan nummermeer soe geringhe comen, hi en brenget grote vruchtberheit mit hem.
  • 129 (hoofdstuk II, regels 180-188). Naar aanleiding van Hooglied 2: 17 : Keer weder myn gemynde, want du bist opten berghe toe Bethel. Ick gelyck di eenre veltzeghen ende den hynden der hierten. Bethel beduyt Godes woninghe ende is in allen reynen herten als in enen lustighen berghe. Ende die ziel weet wael, dat daer God is. Daerom begheert si van hem, dat hi sich oeck tot hoer neyge als hi bi anderen herten is ende doe dat gerynghe. Recht als die hynden ende die veltzeghen haestelicken lopen daer si willen ende en versumen des niet.

 

2 Geit = ziel die naar God en het goede verlangt

 

Dat Boeck Cantica Canticorum ed. 1945 (XVd)

  • 138 (hoofdstuk IV, regels 75-87). Commentaar op het Hooglied. Naar aanleiding van Hooglied 4: 5-6 : Daer nae laeft die coninck syn vryndinne om die doechden rechter liefden unde seecht: Dyn twe borsten staen als twe ionghe zickelen [geitjes] der veltzegen die in den lylien gevoet werden alsoe lange bis sich die scheme neyget unde bis die dach opgiet. Merckt: Die borste der ziele dat syn tweerley liefden als Gods ende des even menschen. Recht als die borste die ionghe kynderkyn ende die beesten voet alsoe meerret die ziel die liefde. Ende als die zegen opwert stygen, soe stighet die liefhebbende ziele aen lieflicken wercken tot God. Ende als dat lustich is dat twee ionghe huecsken [bokjes, geitjes] bi der moder staen unde volgen hoer, soe is oeck lustich als gemeyn lude den geestelicken luden ende schouweren in doechden volgen unde die werden in den lylien gevoedt, als si mit doechden geleert werden. Geit = ziel die liefde toont voor God en de evenmens / bokjes, geitjes = gewone mensen die deugdzaam de geestelijken navolgen.
  • 160 (hoofdstuk VII, regels 63-65). Naar aanleiding van Hooglied 7: 3 : Dyn twee borsten syn als twe veltzeghen. Merck: ij borsten der zielen, dat syn tweerhande liefde des Godes unde des naesten. Recht als die ionghe veltzegen bereyt syn toe spryngen, soe is die ziel bereit Gode unde den armen luden vrolicken om Godes wille toe dienen. Geit = ziel die God en de arme evenmens wil dienen en liefhebben.

 

3 Geit: andere positieve connotaties

 

De Reis van Jan van Mandeville ed. 1908 (XIVB)

  • Kolom 38 (regels 14-17). Reisverslag. Sint-Antonius ontmoet een goed (!) monster: boven de navel een mens, onderaan het lijf van een geit.

Een Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983 (1554)

  • 180 (nr. 187, regels 1-9). Kluchtboek. Twee geiten die elkaar tegenkomen op een bruggetje: de ene buigt, en de andere stapt erover. Dat souden die menschen oock navolghen. Geit // nederigheid en (zoals de titel van de afdeling luidt) vrede en eendracht.

 

4 Geit // heksen & duivels

 

Dialogus miraculorum II ed. 2003 (1219-23)

  • 362 (afdeling 12, hoofdstuk 5). Geestelijk traktaat. Over een duivel met het gezicht van een aap en geitenhorens.

Malleus Maleficarum ed. 2011 (1487)

  • 181 (Pars 2, Vraag 1). Geestelijk traktaat. De auteurs over heksen: Hoe vaak ze ons dag en nacht hebben bestookt, kunnen we niet vertellen. Nu eens deden ze dat als apen, dan weer als honden of geiten die ons met hun kreten en beledigingen ’s nachts bij onze gebeden, hoe innig die ook waren, opschrikten. [Vergelijk ed. 1986: 207-208.]

 

5 Geit = invectief voor vrouw

 

Erec et Enide ed. 1993 (circa 1180)

  • 33. Arthurroman. Enide verwijt zichzelf dat zij Erec verweten heeft dat hij zijn ridderplichten verzaakt: A goat that fouls its stall gets no rest at all.

Jan Goemoete ed. 1946 (vóór 1559)

  • 23 (vers 472). Rederijkersklucht. Jan over Bate en Vrou Ghijbe: Wat zal ick ons segghen van deze gheiten?

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 275 (fol. 308r, verzen 18-19). Rederijkerslyriek. Verzen gericht tot jonge ‘venusdraverkes’: Calaengne meyskens dies niet Lichte begheerdse / wacht hu van tgheestelick gheetecot. Geestelijk geitenkot = vrouwenklooster? Vermaning om niet te verkeren met nonnen? Onduidelijk!

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 215 (fol. 444v, vers 13). Rederijkerslyriek. De bekende lange ‘adieu’: Adieu gheetleeders die dicwils met beele berauwen. Gheetleeders = geitenleiders = vrouwenjagers of hoerenlopers? Onduidelijk!

 

6 Geit = hoer

 

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 404 (verzen 16-17). Zot rederijkersrefrein. Ende susterkens die matten doen metten geetkens / Tsauonts onder de crane alst weder bruynt. Geitjes = hoertjes die blijkbaar ’s avonds tippelen in de buurt van de bekende Brugse havenkraan.

Sint Jans onthoofdinghe ed. 1996 (vóór 1552)

  • 62 (vers 256). Rederijkersspel. Mannelijk sinneke scheldend over een vrouwelijk sinneke (een koppelares): Deese stinckende gheyt, sietse staen proncken.

Heynken de Luyere ed. 1950 (1582 / waarschijnlijk geschreven circa 1540)

  • 4 (vers 75). Volksboek. Die gheyten stortten daer dat meeste nat. Ook ed. 1920: 12.

 

7 Geit: andere negatieve connotaties

 

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 66 (Winterstuk, hoofdstuk 14, regels 114-115). Geestelijk traktaat. Over fysionomie: die sprect als een gheyt, is gaern dwaes ende sot. Spreken als een geit (mekkeren) duidt op dwaasheid.

Die pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 459 (regels 7-9). Geestelijk-allegorisch traktaat. Gracie Gods zegt: Nu sietstu wel dat alsoe qualike leit een man bij sijnder sotter lost als die geyte doet de welke mint te liggene op steenen. Bedoeld wordt (zie het Franse origineel): een geit die op stenen ligt om zich te krabben).

Salomon ende Marcolphus ed. 1941 (1501)

  • 5. Volksboek. Salomon zegt: Die quade loopt voer [voort, weg] nochtans dat hem nyemant en iaecht. Marcolphus antwoordt: Wanneer het ionge gheitken bijset [rondspringt] soe sietmen blicken synen aers. Marcolphus gebruikt hier als techniek trivialisering + denigrering. Schuld en knagend geweten tegenover onnozele onschuld? Onduidelijk!

De groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 26v (verzen 643-644). Rederijkersspel. Schijn zegt: Die boeren quellen malcanderen met pleijten / als nijdige gheijten, die malcander eeten. Geiten // nijdige, elkaar bekampende boeren.

 

8 Geit: neutrale connotaties

 

Salisbury 1994

  • 26-27. Over de houding tegenover geiten in de vroege Middeleeuwen: werden minder gehouden dan schapen, gaven wat melk en vlees, hun huiden waren wel beter geschikt voor leer en perkament.

Ysengrimus ed. 1987 (circa 1150)

  • 464 (boek V, vers 885). Latijns dierenepos. Een abt spreekt met een luide, rauwe stem ‘als een wijze geit [caper]’.

De Middelnederlandse boerden ed. 1957 (XIV?)

  • 98-99 (nr. XVI, verzen 82-87). Boerde: ‘Dit es de frenesie’. Een verlopen student droomt dat een Kempische pape een kind doopt: het kind wordt onder zijn handen een geit. De pape trekt zich niets van het kind aan. Motief uit de leugenliteratuur. Satire op onwaardige priesters.

De Noordnederlandse historiebijbel ed. 1998 (1458)

  • 526. In 2 Samuel 2 (= 2 Koningen): Asahel liep snel als een gheit in een bussche. Geit // snelheid.

 

[explicit 27 juli 2014]