HOOFD

druifhoofd2 

1 Hoofd = glans penis

[Bax 1948: 35, wees reeds op de betekenis hoofd = glans penis in de zestiende eeuw. Hij verwees daarbij echter alleen naar Kiliaan en Stijevoort (refrein 242). Hetzelfde in Bax 1956: 51. Vergelijk ook De Bruyn 2001a: 459-460.]

 

Die Heimlichede van Mannen ende van Vrouwen ed. 1893 (1351)

  • 143 (verzen 757-761). Artestekst. Beschrijving van de mannelijke genitalia: Want die pesen, die daer bringen / Die gevoelnisse in allen dingen / Ende oec die genoechte mede, / Die nemen inde teser stede / Recht in thooft van der roeden.

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 91 (verzen 2603-2605). Rederijkersspel. De sinnekes spotten met wellustige meisjes: Vreese voor schande cant al bemantelen / Al drincken dees meyskens van calewaerts biere / Alst buycxken plat blijft. Calewaert = kaalkop = glans penis.

Die Evangelien vanden Spinrocke ed. 1910 (circa 1520)

  • C2r. Volksboek. In een dubbelzinnige passage: spelle(n) mit grote(n) hoefde(n). Spelden met grote koppen = fallussen met grote eikels.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 110 (refrein 186, verzen 10-11 / 36-37). Zot-erotisch rederijkersrefrein waarin de coïtus beschreven wordt in vogelvangsttermen, waarbij huben (uil) = fallus. De uil krijgt door het meisje een kapje (= vagina) opgezet: Tioncksken leenden huer sijnen huben ter stont / dit sal ic hem sprac sy ouer thooft gaen scuijven. Verder lezen we: Sy clokerden huben ouer thoot / en maecten hem tam ghelijc eender duijven.
  • 213 (refrein 242, verzen 31-44). Zot-erotisch rederijkersrefrein waarin een erotische ontmoeting tussen een man en een vrouw in een badstoof beschreven wordt. De vrouw die het hoofd van de man wast, verwijst metaforisch naar de coïtus: Lief seijdick ist moeghelick wilt v rasschen / volcht mij op die camer ist v gheuoech / Brenct mit v loghe en daer toe asschen / Want ghij moet doch mijn hooftgen wasschen / ic meen ict in langhen soe vuijl en droech / Voerwaer spracse heb ic loghen ghenoech / Ick sal thooft handele vingheren en duijmen / Sy stackt in haren scoot en mits dien sij loech / Hoofden te wasschen waren haer castumen / Ick werde veel lichter dan veeren of plumen / Sy beghoot myn hooft, het most syn nat, scoen / Neen seijdse ghi en moecht mij soe niet ontruijmen / Ghy moet wat tuuen, het gaet eerst scuijmen / Tfy vuijl lodderken soudi mij dat doen.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 267 (refrein 151, verzen 26-29). Zot-erotisch rederijkersrefrein over een meisje dat een jongen seksueel uitput: Doe leydse mont aen ende heeft hem ontscaect / Sijnen voorquispel dies hem sijn lenden besweken. / Hi hief sijn hooft op ende wildet wreken. / Tvrouken ghincker haer tegen setten.

Dat Bedroch der Vrouwen ed. 1983 (circa 1532)

  • F1r. Postincunabel met voorbeelden van vrouwenlisten. Een Franse prins is verliefd op een jonkvrouw die in dienst is van de koningin. Omdat zij elke nacht bij haar meesteres slaapt, moet zij een list verzinnen om met haar minnaar te kunnen samenkomen. Zij zal die avond het hondje van de koningin buiten sluiten. De prins moet dan het hondje doen janken door aan zijn oren te trekken. Als de koningin haar dienares dan vraagt om het hondje binnen te laten, kunnen ze in een aangrenzende kamer ongestoord het minnespel spelen. Zo geschiedt, maar de prins is zo nerveus dat hij niet in staat is te smedene op venus aambeelt. De geliefden gaan dus weer uit elkaar, maar diezelfde avond komt de prins nog twee maal terug: telkens wordt het hondje aan zijn oren getrokken, maar ook nu slaagt de prins er niet in tot enige prestatie te komen. Na de derde poging begint de jonkvrouw hem uit te schelden. Als de koningin dit hoort en om uitleg vraagt, zegt het meisje dat ze tegen het hondje bezig is: hi hadde hem gestelt onder een bancke ende als ic hem hadde vonden / so en wilde hi niet op staen / al wat ic hem dede / ick hadde hem gheerne in gehadt / maer hi en heeft zijn hooft niet op willen heffen / dus heb ic hem buyten ghelaten ende sloot hem die dueren voor zijn hooft in een spijte. Waarbij deur = vagina.

Siecke Stadt ed. 1917 (1539-64)

  • 36 (vers 1004). Rederijkersspel. Sinneke tot ander sinneke: En thooft sij clouwen, die v toonen een afkeringe (*).

Mars en Venus ed. 1991 (1551?)

  • 246 (vers 218). Rederijkersspel. De sinnekes zijn van plan Mars en Venus bij elkaar in bed te krijgen. Zij gaan het zo brouwen dat de gensters van minne in het dak vliegen: Al soumen bloots hoofts de haeren sack drieghen [al zou men met het blote hoofd de haren zak (= vagina) naaien].
  • 270 (verzen 631-632). De sinnekes over de geile Venus: Tis al om caluwaerde metten blooten bolle / Dat sij dus tvier heeft in die köcken. De kale met de blote bol (met het blote hoofd) = fallus. Blote bol = glans penis. Keuken = vagina.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 274 (fol. 307v, vers 35 – fol. 308r, vers 1). Zot rederijkersrefrein. Onsuccesvolle minnaar smalend over de aanstaande bruidegom van zijn geliefde: hu brocom [bruidegom] es een quaet veynt van veel vrome Lanchen / hy sal hu noch al dromende thooft eens in duwen.
  • 274 (fol. 308r, vers 14). Idem. De ‘Aucteur’ tot de ‘Venus Ianckerkens’: thooft naer stekende / daer ghy vyndt open de pot. Pot (kruik) = vagina.
  • 275 (fol. 308r, verzen 30-31). Zot-erotisch rederijkersrefrein. De vrouwelijke ‘ik’ tot de ‘ghildekens’: in myn kethel moetie zitten dan totten kinne / end hu blootshooft ontdecken dan in myn Fronsse. Fronsse (vouw) = vagina.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 72 (fol. 355r, verzen 17-20). Rederijkerslyriek. Ian van Rauezwan leghter oock goet fondament / met heyndricke zyn proper meeght Bekent / dat hy de zeepe doch niet verdiere / Loopt hy huer bloodshoofts int vleeschuus omtrent. Vleeshuis = vagina.
  • 85 (fol. 363r, verzen 5-8). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Ruters die straffe busschen verkiest / daer in ouerdaet doende foortse ende Cracht / dat ghij by dien middele thooft niet en verliest / doe ick gratie warachtich, ia wordet beniest.
  • 100 (fol. 372r, verzen 17-20). Rederijkerslyriek. Pupstekers die om den naeycoorf vechten / ende Venus zyn onderdaen / wilt den standaert vroylick Rechten / en bloodshoofts noch int vleeschuus ghaen. Vleeshuis = vagina.

De Groote Hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 19r (verzen 25-26). Rederijkersspel. De secretaris van de hel tot Lucifer: heere van sodorije een Lantschap vol growen / Daer doer mennich dat hooft om clowen (*). Grappig-dubbelzinnig?
  • 23v (vers 391). De secretaris van de hel somt de zondaars op. Duivels die de zondaars niet bestraffen, krijgen zelf straf: Diet niet onderhout beneemt hem hooft en staert. Dubbelzinnig (waarbij staart = penis en hoofd = glans penis)?

Het Leenhof der Ghilden / Parafrase ed. 1950 (kort na 1564)

  • 38 (regel 55). Rederijkerstekst. In een satirische opsomming van allerlei afkeurenswaardig vrouwengedrag gaat het onder meer over vrouwen die den mans hoeden berghen. De tekstbezorger noteert in voetnoot dat hij dit niet begrijpt, maar hij interpreteert hoeden als hoofddeksels. Hoeden = echter ‘hoofden’ (eikels van de penis). Hoofden bergen = coire. Ook de volgende regel bekritiseert overigens seksueel wangedrag: tijdens de zwangerschap copuleren.

Vesalius: Anatomie ed. 1980 (1568)

  • 55. Artestekst. T’hooft van de roede, d’welcke ander het praeputium heeten, niet willende dien name gheuen t’velleken daer de roede mede becleet is.

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 37 (nr. XI, verzen 24-27). Zot-erotisch rederijkersrefrein. De ik-verteller bespiedt een vrijend koppeltje dat naaktzwemt in een prieelvijver: Daer maeckte hij weel boetskens groot / Ende thadde geduert een lange vlaeghe, / Soo dat hij daer in schoot tot over thoot; / Doen loech sij, ich hoordert achter die haeghe. Letterlijk: hij schiet met zijn hoofd onder water. Figuurlijk-dubbelzinnig: tot over de eikel in de vagina.

Veel Volks Begeert Vrede ed. 1994 (XVIB)

  • 74r (vers 605). Rederijkersspel. Twist (een soort neefke) zegt: Wat sullen wij beghinnen / ick wert uuijt mijn sinnen / Moeten wij thooft clowen (*).

De saijer die goet saet saijde ed. 1994 (XVIB)

  • 113r (verzen 1021-1024). Rederijkersspel. Dialoog tussen de neefkens Smenschen Viant en Helsche Nidicheijt: Wast quaelick gebrowen / Wast quaelick getapt // Aerdiger cluijt / Isser noijt gespeelt // Thooft sachmen clowen (*) / Die broeck is gelapt // Wast quaelick gebrowen / Wast quaelick getapt.

Tgeslacht der Menschen ed. 1996 (XVIB)

  • 130v (verzen 295-296). Rederijkersspel. De neefkens over hun slachtoffer Tgeslacht der Menschen: Wij sullen hem noch doen groot wonder singen / Dat hij bij sonderlingen, noch sal sijn hooft clowen (*).

Coster Johannus ed. 1997 (XVIB)

  • 127v (verzen 409-410). Rederijkersklucht. Boerdelijck Geck vergelijkt de koster die overspel pleegt met zijn vrouw, metaforisch met een hond die hem thuis komt lastig vallen en die hij wil vangen: waer hij een podt vint die qualijck sluijt / daer steeckt hij sijn hooft in gelijck een rodt [rat]. Pot = vagina, hoofd = glans penis.

Etymologicum ed. 1974 (1599)

  • 196. Nederlands-Latijns woordenboek. Hoofdeken der mannelickheydt. Glans, penis suprema pars praeputio tecta [eikel, bovenste deel van de penis dat beschermd wordt door de voorhuid].

Nieuwe Nederduytsche Gedichten ende Raedtselen ed. 1972 (1624)

  • 73. Dubbelzinnig-erotisch raadseltje (weefspoel / penis): Aen ’t uyterste ben ick het hooft een weynich groot / Mijn Juffrouw wenscht my staech / oft heeft my in den schoot.

 

(*) Clowen (letterlijk: krabben) is een variant van crauwen. Onder verwijzing naar Gerritsen heeft Van Melle erop gewezen dat in het Gentse handschrift van De Borchgravinne van Vergi (XIV?) crauwen voorkomt in de betekenis van ‘masturberen’ [zie A.G. van Melle, “Maak van je hart geen open boek, want anders is het einde zoek…”, in: Queeste, jg. 5 (1998), nr. 1, pp. 88-90]. In de hierboven geciteerde rederijkersspelen wordt de formulering dat hooft clowen (telkens gebezigd door diabolische personages!) hoogstwaarschijnlijk scabreus-dubbelzinnig gebruikt (letterlijk: het hoofd krabben, figuurlijk: masturberen, waarbij hooft = glans penis). Ludo Jongen signaleert dat ook Rob Resoort [Resoort 1988: 84-85] het crauwen in De Borchgravinne van Vergi interpreteert als ‘masturberen’. Jongen zelf is het hier niet mee eens [Jongen 2003: 131-132 / 134]. De uitdrukking ‘het hoofd krabben’ (clowen / crauwen) komt in de normale, letterlijke betekenis onder meer voor in Werlts versufte maeltijt ed. 1994: 119r (verzen 173-174) [XVIB] en in Jan Fijnart ed. 1998: 6v (verzen 388-389) [XVIB].

 

2 De amoureuze topos ‘het hoofd in de schoot leggen’

[De minnaar die zijn hoofd (letterlijk!) in de schoot van zijn geliefde legt, is een topos uit het amoureus-hoofse genre. In het zot-erotische genre kon deze topos gemakkelijk gebruikt (misbruikt?) worden in een dubbelzinnige, scabreuze betekenis (hoofd = glans penis, schoot = vagina). Johan Vanhecke, Het hoofd werd op de tafel gezet, Tielt, 2000, p. 46, wees reeds op de erotische betekenis van het motief ‘het hoofd in de schoot leggen’ in sommige Middelnederlandse verzen.]

 

Walewein I ed. 1957 (circa 1250)

  • 294 (verzen 9863-9864). Arthur-epiek. Walenwein en de Zwarte Ridder liggen beiden versuft op de grond. De Zwarte Ridder komt bij en wil Walewein doodslaan: Daer hi al bloets hovets lach / In der joncfrouwen scoet.

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 276 (nr. 21, verzen 37-38). Amoureus lied. Sijn hooft leidi in haren schoot, / Met cussene bleven si ghemeine.

Gloriant ed. 1970 (circa 1408)

  • 106 (verzen 707-709). Abel spel. Gloriant zegt dat hij wil gaan slapen: Ic moet emmer legghen mijn hoet. Florentijn reageert: Soe legghet dan neder in minen scoet / Ende slaept, hoghe gheboren wigant.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 19 (refrein 5, vers 92). Amoureus rederijkersrefrein. Een venusjanker zegt tegen zijn geliefde: Ic legge myn hooft in uwen schoot.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 153 (refrein 41, strofe c, verzen 3-4). Amoureus rederijkersrefrein. Man zegt: Ic legge mijn hoodt / In uwen schoot, schoon rosemarijne.
  • 182 (refrein 48, strofe e, vers 3). Amoureus rederijkersrefrein. Vrouw (!) zegt tot geliefde: Siet, ic legge mijn hooft in uwen schoot.
  • 223 (refrein 59, strofe e, vers 5). Amoureus rederijkersrefrein. Man tot geliefde: Heb ic mesdaen, ic legge thooft inden schoot.
  • 249 (refrein 66, strofe c, vers 14). Amoureus rederijkersrefrein. Vrouw (!) tot man: Thoodt neempt in den schoot, oft ic verflouwe.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 110 (refrein 56, vers 89). Amoureus rederijkersrefrein. De ‘ik’ tot zijn geliefde: ic legghe mijn hooft in uwen schoot.

Het Zutphens Liedboek ed. 1985 (1537/40)

  • 86 (nr. 13, vers 24). Amoureuze ballade. Hie lede sien hofft in oren schoett.
  • 178 (nr. 45, verzen 9-10). Amoureuze samenspraak. Schonne junckfravv, inn sulcher matten [op die manier] leg ick mein hoefft inn ivven schoett.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 47 (nr. 42, strofe 4, verzen 1-2). Amoureus liedje over een jonkvrouw die een jonkheer afwijst: Hi seyde wel ouer schoone ioncfrouwe / Ick legghe mijn hooft in uwen schoot.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (XVIIa?)

  • 69 (strofe ? – vorig blad ontbreekt). Amoureus lied. En ben ick niet in grooter noot / Sy heeft mijn hooft in haren schoot / Begreepen, dat block dat moet ick slepen.
  • 171 (strofe 3). Vroed lied, lofzang op God. Legghen thooft in zijnen schoot. Hier dus een vroede versie van deze topos.

 

3 Iemand het hoofd verbinden = iemand bedriegen

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 138 (refrein 72, vers 31). Amoureus rederijkersrefrein. Een meisje klaagt tot haar vriendin over haar ontrouwe vrijer: mer mit loghenen heeft hy thoot ghebonden.

Catechismus der Minne ed. 1989 (1564)

  • 30 (vers 384). Rederijkerstekst. Een ridder vraagt of een vrouw een reine minnaar haar liefde moet tonen of verbergen. Een jonkvrouw antwoordt: tonen, dat is beter dan deur bedecte liefde hem thoofte te bindene.

De Katmaecker ed. 1932 (vóór 1578)

  • 79 (vers 430). Rederijkersklucht. Ic heb hem daer thoot verbonden.

 

4 Slechthoofd = domkop

 

Een Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983 (1554)

  • 211 (nr. 236, regel 6). Anekdotenverzameling. Slecht hooft als scheldterm = domkop.

 

[explicit 23 november 2016]