JAGEN (jacht, jager, net, strik)

 

1a Jager = de duivel die zielen vangt

[Vergelijk ook ‘Vogelvangst 1’]

 

Dialogus miraculorum II ed. 2004 (1219-23)

  • 375 (afdeling 12, hoofdstuk 20). Geestelijk prozatraktaat (Latijn). Plotseling klonk uit de verte een roep als van een jager die dreigend op zijn hoorn blies en bovendien het blaffen van jachthonden die voor hem uit renden. (…) Toen de helse jager dichterbij kwam, zei de vrouw tegen de ridder (…). De duivel zat haar op de hielen, greep haar en slingerde haar op zijn paard.

Pierre de Beauvais: Bestiaire ed. 1980 (XIIIa)

  • 40. Frans Bestiarium. Naar aanleiding van de bever: du chasseur, c’est-à-dire du Diable.

De Spiritualibus Ascensionibus ed. 1988 (XIVd)

  • 295. Geestelijk prozatraktaat. Mensen die geestelijk willen opklimmen zonder gids, trappen gemakkelijk in de vallen van de jagers (= duivels).

Navolghinghe Ons Heren Jhesu Christi ed. 1954 (XVA)

  • 85 (Boek I, hoofdstuk 24, regel 47). Stichtelijk prozatraktaat. Die dat oerdel Godts after set, die en sel niet langhe moghen staen int guet, mer hi sel haestelic lopen in die stricke des duvels.

Pelgrimagie vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 445 (regels 28-31). Stichtelijk prozatraktaat. Over Sathanas: Ende oec om die ghene die hy peynst te vlien uter zee van deser werelt soe es hij worden jaghere ende heeft sijne stricken ghesperret ende sijnen banden om hem lieden te aresterene ende te vanghene dat sij hem niet en ontgaen.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 143 (refrein 74, verzen 32-34 / 37-39). Vroed rederijkersrefrein. Over hebzuchtige bedriegers die door de duivel gegrepen worden: Meer is te scouwen die jaghen boos / jaghen altoos / mit helhonden zielen te bespiene / (…) Titeuillus die iagher is wel tonsiene / welc viant duet is der temptacien slaende / Daer hy veel lepe hasen in is vaende.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 172 (Boek II, refrein 21, strofe a, vers 3-. Vroed rederijkersrefrein. De helsche jagher, die sijn net altoos spreyt.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 176 (nr. 41, strofe 5, verzen 5-6). Vroed ABC-dicht. Over de duivels: sy spreyen behendich een bedriechlyc net; / om my te vangen sy neerstich waecken.

Goodts Goetheijt ed. 1998 (XVIB?)

  • 148r (verzen 145-148 / 155-158). Rederijkersspel. Goodts Goetheijt en Duvels Nijdicheit zijn twee jagers die elk met twee honden jagen op herten (harten). Duvels Nijdicheit (de duivel) zegt: Maer ick ben Duvels Nijdicheijt / vol toorn en strijdicheijt ben ick tallen Daegen / Ick weet Die herten inden doot te Jaegen / binnen mijnder Laegen tot elcker keer / (…) Dat is mijn te prijsen / ick weet mijn honden die herten te wijsen / Dat sij Daer nae bijsen vroe ende spae / haestich en drae.

 

1b Jager = duivel / vrouw = de strik of het net van de duivel

[Bange 1986: 148, noteert: ‘Maar ook onkuisheid wordt meer dan eens met de duivel in verband gebracht: hij verblijdt zich hierover en gebruikt de vrouw als instrument om mensen naar de hel te brengen’.]

 

Orloy der ewigher wysheit ed. 1926 (XIVA)

  • 127 (regels 5-7). Stichtelijk prozatraktaat. De discipel brengt zijn verlangen naar de Wereld in verband met woorden die voorgelezen worden in zijn klooster (vergelijk Ecclesiastius 24): Ic hebbe gevonden een wiif die bitterre is dan die doot, die een stric der iagher is. De Wereld wordt hier als een vrouw voorgesteld.

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 11 (verzen 776-780). Stichtelijk rijmtraktaat. Bij ‘oncuuschede’: Scrifture ons des bekennen doet, / Dat des duvels hinghen ende net / Dats dat schone wijf met toomsel omset, / Want si trecken mit snelre vaert / Den mensche ter dieper hellen waert.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 118 (refrein 190, vers 17). Vroed rederijkersrefrein. De dichter zegt tegen een losbandige vrouw: Al sydy sviants net om zielen te vane. Hetzelfde in Doesborch II ed. 1940: 155 (refrein 83, vers 17).

Bedroch der Vrouwen ed. 1983 (circa 1532)

  • A4v. Volksboek. In de proloog worden de ‘prouerbien van Salomon’ geciteerd: Ic heb gheuonden wat bitters dan die doot / dat is die vrouwe / welcke is dat stricke der iagers ende haer handen zijn banden der gheuanghen / ende die god behaghet / vliet van haer / ende dat een sonder is wert van haer geuangen.

Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • n2r (hoofdstuk 43). Moraliserend traktaat. Over onvroom gedrag in de kerk: En de sijn ooc onwijse sottinnen die hem pareren ende bereyden om den menschen te behaghene ende tot vleysschelijcker begheerten te trecken die des viants van der hellen netten sijn daer hi veel sielen mede vanghet.
  • z4r (hoofdstuk 87). Over ijdele vrouwen: Vrouwen wildi onsen heere behaghen / So en suldy gheen ander cleeder draghen / Dan uwen state toe behooren / Deckt v voorhooft ende stopt v ooren / Ende en draecht v lichaem niet te coope / Want sulcke die viant met grooten hoope / Ter hellen treckt ende maecktse strecken / Om ander sielen daer me te trecken.

 

1c Strik = middel van duivel of duivels personage om zielen te vangen

 

Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 346 (paragraaf 238). Stichtelijk prozatraktaat. Si sijn verlost ende vry vander doot, vanden duvelen, vanden sonden, van alle periculen, van allen temptaciën van stricken deser werlt.
  • 381 (paragraaf 315). Voersienighe wijsheit bewaert den mensche, dat hi mit ghenen stricken des viants ghevanghen of bedroghen en worde.

Eerste Bliscap van Maria ed. 1978 (1448)

  • 57 (verzen 93-95). Mysteriespel. Nijd tot Lucifer: Maer dbest es: pinen wijs ons te wrekene / Ende met ons int strec te bringene, / Die nu bi hem sijn, ic weetse te ringene.

Een sAnders Welvaren ed. 1920 (1511-12)

  • 72 (verzen 660-661). Rederijkersspel. Ghetughe der Waerheyt tot Meest Elc: So sult ghy hu vut strec des vyants thoom / Cortelic vynden.

Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 96 (verzen 20-21). Rederijkersspel. De sinnekes zeggen: Jae wij, als vrinden / Die hem int strick binden van veel ijdel gebodts.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 391 (Boek III, refrein 49, strofe d, verzen 7-8). Vroed rederijkersrefrein. Dus verlost mijn siele / Uuten stricke, eerse de viant verniele.

 

1d Net = middel van duivel of duivels personage om zielen te vangen (duivel = vogelvanger of visser)

 

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 2 (nr. I, verzen 127-129). Leerdicht. Zij die hun berouw alsmaar uitstellen en op Gods genade blijven hopen Die sijn sonderlinge bedrogen / Ende over thoeft een net getogen, / Daer si hem selven in verwerren. Net = bedrog (implaciet: van de duivel).
  • 14 (nr. VI, verzen 7-9). Leerdicht. Hebzucht en eerzucht zijn de duivel zeer aangenaam: Want geen dinc en helpt hem bat / Den sunder driven onder dat net / Van rijcheit ende hoverdie.
  • 237 (nr. CXI, verzen 100-101). Leerdicht. Die daer bevallet onder tnet, / Dat hem die bose heeft ghespreit.

Dietsche Lucidarius ed. 1998 (1400-20)

  • Vers 1832. Stichtelijk rijmtraktaat. Want wi waren alle in ’s duvels net.

Spieghel der Menscheliker Behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 44 (hoofdstuk 8, vers 50). Stichtelijk rijmtraktaat. Tot God: Lost ons van des viands netten.
  • 168 (hoofdstuk 28, vers 199). Over de duivels die ons met de Zeven Hoofdzonden proberen te vangen: Ons, die zij brochten gherne int net.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 240 (verzen 24-26). Vroed rederijkersrefrein over het zondige, vergankelijke leven: Onse vrije wille, quaet bouen conden / Ten diuerssschen stonden brengt ons int net / Midt ydel glorie om claer vermonden.
  • 241 (vers 14). Vroed rederijkersrefrein over zondaars die zich niet bekeerden: Pharao, Giesy, dese bleuen inden nette.

Elckerlijc ed. 1979 (circa 1496)

  • 26 (verzen 408-410). Rederijkersspel. Elckerlijc tot Tgoet: Och, valsche Goet, vermaledijt! / Hoe hebdi mi in u net bevaen, / Verrader Gods.

Mariken van Nieumeghen ed. 1980 (circa 1516)

  • 46 (prozastuk tussen verzen 156 en 157). Mirakelspel. Die viand, die altijd zijn strikken ende netten spreidt, hakende na die verdoemenis der zielen.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 106 (refrein 184, vers 39). Vroed rederijkersrefrein. Al es die rijke vrecke in sduuels net.

Spel van V vroede ende van de V dwaeze Maegden ed. 1979 (XVIa?)

  • 143 (verzen 638-640). Rederijkersspel. De dwaze maagd Hoverdie over haar eigen ijdelheid: Vermeledijde hoverdie en mach mij niet meer baten. / Ic diese zo lustelic hebbe ghehantiert, / Ben in haer nette nu wel ghepiert.
  • 147 (vers 697). De duivel Scerpondersouc over de vijf dwaze maagden: Wij hebbender vijve in de nette ghevaen.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 41 (refrein 11, strofe c, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. In Gode wilt al u betrouwen setten; / Alle creaturen zijn stricken en netten. Hetzelfde in De Bruyne II ed. 1880: 158 (nr. 78, strofe 3, verzen 1-2).
  • 291 (refrein 79, strofe f, verzen 5-6). Vroed rederijkersrefrein. Al come ic spade met goeder moeten; / Ic heb ligghen wroeten in sviandts net.
  • 344 (refrein 94, strofe b, vers 11). Vroed rederijkersrefrein. Ic, weese, vreese als meese int net ghebleven. Waarbij ‘mees’ = de zondige mens.

Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 101 (verzen 115-116). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: Hoe doen wij met smeeckender taelen / Veel menschen daelen in ons netten.
  • 138 (verzen 975-976). Een sinneke spreekt: Ghaen wij tot den dach der trijbulatie / Ghepasseert is, dan willen wij weer ons netten spreijen.

Kaprijke: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 461 (vers 422). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: Daer werter noch eer langh int netkin ghecreghen.

Verloren Sone ed. 1985 (1540)

  • D3r. Volksboek. Een vriend van de Verloren Zoon tot de Verloren Zoon: Vliet voordaen die sondighe plaghen / Des vyants die veel laghen / Leyd om u in sijn net te houwen / En u siele te versmoren.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 151 (Boek II, refrein 15, strofe e, vers 11). Vroed rederijkersrefrein, over de wantoestanden in de wereld: Om dat de werelt is vol duvels netten.
  • 156 (Boek II, refrein 16, strofe f, vers 3). Vroed rederijkersrefrein. Uitgetreden lutheraans gezinde kloosterlingen krijgen spijt van hun uittreden: Dan crijchtse de viant vast dieper in sijn net.

Crul ed. 1954 (XVIA)

  • 47 (verzen 57-58). Vroed rederijkersgedicht. Over de vijanden van de ‘ik’ (duivels of aardse bekoringen?): Zij spreyen behandich een bedrieghelic net; / Om mij te vanghen zij neerstich waken.

Menschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 602 (verzen 23-27). Rederijkersspel. Duvel tot tVleesch: Ghy kond staen lueren / als een hoot vrouwe met lacke vuere / de netten en snueren met listighe tueren / aen clercken en bueren.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 159. Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Maria = Iudith die ons lost uut tviands nette.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 324 (Boek III, refrein 30, strofe f, vers 10). Vroed rederijkersrefrein. Loopt tot hem [God] en vliet uuter vianden net.
  • 326 (Boek III, refrein 31, strofe c, verzen 6-7). Vroed rederijkersrefrein. Den ouden mensch, die Gods scherpe wegen haet, / Doet menigen door wellust in sviants net springen.
  • 349 (Boek III, refrein 37, strofe c, vers 11). Vroed rederijkersrefrein. Netten spreyen mij de helsche Mooren.
  • 369 (Boek III, refrein 43, strofe e, verzen 8-9). Vroed rederijkersrefrein. Tot God: Ic loop wel alleene in sviants net, / Maer sonder u ic daer niet uut en gerake.
  • 427 (Boek III, refrein 60, strofe c, verzen 4-7). Vroed rederijkersrefrein. Hoe wijs ons pijnen, met onsen stavene / En cunnen wij den rechten wech niet gevinden, / Want duysent netten / Werden ons ghespreydt; wie sal ons ontsetten?

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 176 (nr. 41, strofe 5, verzen 5-6). Rederijkersgedicht. Over de vijanden (duivels of ketters?) van de ‘ik’: Sy spreyen behendich een bedriechlyc net; / om my te vangen sy neerstich waecken.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 68 (nr. 58, strofe 2, vers 13). Vroed rederijkersgedicht. De ‘ik’ tot God: sterk mij dat ick des vyants net breke.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 174 (verzen 332-334). Rederijkersspel. De sinnekes zien zich de Verloren Zoon ontglippen: Ontvliecht hy ons uutten nette, / tWerdt qwaelcke bewaert dat wy in onse daghen / Hebben connen belaghen.
  • 182 (verzen 493-495). Omwille van het verlies van de ziel van de Verloren Zoon zullen de sinnekes zich wreken op de mensheid: Jaet, mannen ende vrauwen! / Want duer myn brauwen van nu ghespreedt zyn, elcxs macht schuwen, / Nedtten ende vluwen [visnetten].

Hoerengordynxkens ed. 1988 (1592?)

  • 103 (verzen 141-143). Toneelstuk. Zondelicke Vleische probeert pater Cnipschaere tot wellust te verleiden via het nonnetje Johanna: En hy is ree in de nettekens / hem ghespannene / ghevangen.

Propheet Eliseus ed. 1992 (XVIB?)

  • 70r (vers 765). Rederijkersspel. Het ene neefke tot het andere: Cousijn ghij selffs sijt het die het net so vierich spreijt.

Wie haer op troost verlaeten ed. 1992 (XVIB)

  • 124r (vers 188). Rederijkersspel. Beswaerde Consiencie zegt: op dat ick door wanhoop niet en coom int net. Te weten: in het net van de sinnekes.
  • 127r (verzen 481-482). Een sinneke zegt: dat hij mocht comen door mijn uuijt net.

Seven wercken der barmherticheijden ed. 1993 (XVIB)

  • 34v-bis (verzen 1076-1077). Rederijkersspel. Het neefke Eijgen Vernuft zegt: Jae gaet vrij heen, wij hebben wadt anders bedacht / om seer Lustich en sacht ons nedt te spreijen.

Geslacht der Menschen ed. 1996 (XVIB)

  • 132r (vers 409). Rederijkersspel. De neefkes over Tgeslacht der Menschen: Nu raect hij int Net Hij macht niet ontcoomen.

Mennich Goet Hart ed. 1996 (XVIB)

  • 145v (verzen 160-161). Rederijkersspel. Het ene neefke tot het andere over de hoofdpersoon Mennich Goet Hart: maer wat sillen wij te gaer Lesen dat hij tot verlet comt / en Doer ons ingeven reijn middel int net plomt.
  • 148v (verzen 373-374). Mennich Goet Hart zegt: wat is doch tleven des werlts dan strickken en netten / Daerder veel in verpletten, Dit is dat ick bequeel.

Vruechde en Vreetsaemichghe Liefde ed. 1998 (XVIB)

  • 13v (vers 874). Rederijkersspel. Het sinneke Onachtsaemheijt zegt: Het gheeft hem meest al ghevanghen In onsse netten.

Evangelische maeltijt ed. 1992 (XVIB)

  • 68v (verzen 289-290). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: Wadt netten sullen wij toch daer best tusschen spreden.

 

2a Jagen = nastreven van aardse ijdelheden

 

Sancti Hieronymi Epistulae ed. 1991 (394)

  • 213-215 (Brief LII, paragraaf 9). Latijnse brief. There are some who give a trifle to the poor that they may themselves receive a larger sum, under the cloak of almsgiving seeking their own personal gain. Such conduct should be called alsmhunting [venatio] rather than almsgiving.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 235 (Winterstuc, hoofdstuk 32, regels 766-769). Over zij die zondigen tegen het 9de gebod: of mit iaghen ende queesten ende mit ander wildicheit [hun goederen] overbrengen. Of die in wijn baden of op laken dansen of mit vogelen of mit weyde-spil cost doen. Dat is alder armen guet, datmen aldus onnutlic verteert.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 324 (Somerstuc, hoofdstuk 19, regels 179-180). Theologisch compendium. Over de goede bisschop: Hi en sal niet iagen noch riden, noch hof van vrouwen te houden.

Navolghinghe Ons Heren Jhesu Cristi ed. 1954 (XVA)

  • 134 (boek III, hoofdstuk 24, regel 6). Stichtelijk prozatraktaat. Daer om selmen mu alle dinc bevelen, ende bewaer dit selven in gueden vrede, ende laet de jaghenden jagen also veel als hi wil.

Sorgheloos ed. 1977 (1541)

  • 117 (verzen 1-5). Moraliserende rijmtekst. Ick, Sorgheloose, stel my ter jacht fray ende lustisch [sic] / met Weelde, mijn lief, die ick beminne, / Ghemack, mijn pagie, is oock seer rustich, / op welcke twee ick fondeer mijn hert ende sinne, / want duer haer beyder aenschouwen solaes ick vinne. Ed. 1977: 107-108, signaleert de topos ‘jacht’ met de connotatie van genot en verkwisting, van een uitbundige levenswijze (steeds in pejoratieve context). Deze visie wordt nog eens bevestigd in Armstrong 1990: 26-27 (in verband met de Sorgheloos-tekst).

Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 109 (verzen 302-303). Rederijkersspel. Wellustige Mensch komt ten tonele: Heden vroech ick mijn hondekens husten [aanhitste], / Om een appetijcken ginck ick wadt jaegen.
  • 115 (vers 458). Daegelijckse Predicatie (een priester) houdt een preek: Dus u selven weert van dit ijdel jaegen.

Hel vant Brouwersgilde ed. 1992 (circa 1561)

  • 3r (vers 225). Rederijkersspel. Lucifer somt de zondaars op. Onder meer koorzangers die alle dagen loopen en Jaegen uuijt en in de taverne.

Meestal verjaecht Neering ed. 1941 (circa 1564)

  • 79 (verzen 98-99). Rederijkersspel. Welvaart tot Meest Al: Met uw jagen, met uw reizen en zoudij niet konen / Uzelven helpen in geender manieren.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 253 (boek III, refrein 9, strofe e, vers 12). Vroed rederijkersrefrein. Al wat wij hier jagen, onsen vanck is niet.

Voorleden Tijt ed. 1932 (XVI?)

  • 42 (vers 639). Rederijkersspel. Goedertierenheijt Godts zegt tot Elck Een: Gij jaecht u selven in den sack [= de hel].

 

2b Jagen en vliegen = nastreven van de aardse ijdelheden

[MNW IX, 617: ‘vliegen’ = met jachtvogels jagen, op vogels jagen.]

 

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 235 (Winterstuc, hoofdstuk 32, regels 763-769). Theologisch compendium. Zij die zondigen tegen het 9de gebod (goederen verkwisten aan slechte dingen): Die derde, die hier an sondigen, sijn die gheen, die haer guet verdobbelen of verspelen ende onnuteelick uutgheven of die speellude, netteboven, tusschers cleder, paerde of guet ghift of mit iaghen ende queesten ende mit ander wildicheit overbrengen. Verder: die in wijn baden of op laken dansen of mit vogelen of mit weydespil cost doen.

Esopus ed. 2016 (1485)

  • 412-414 (nr. 161). Fabelverzameling. Vele luyden tsamen sprekende vander overtallighe neersticheyt, ya dwaesheyt, der gheenre die honden ende vogelen voeden om te jaghen ende vliegen (…). (…) Dit bewijs geeft te verstaen dat die naerstichheyt des jaghens ende vlieghens es die alre meeste dwaesheyt, ten ware somtijts ende dat vanden zere rijcken ende om oefeninge wille ende tijtcortinge.

Joncheyt ende Redene ed. 1920 (XVIA)

  • 479 (vers 71). Rederijkersspel. In een opsomming van handelingen die te maken hebben met het nastreven van ijdel genot: Caetsen scieten vlieghen jaeghen.

Reyne Maecxsele ed. 1906 (XVIB)

  • 34 (vers 692). Rederijkersspel. De sinnekes beraden zich over de vraag hoe ze zielen naar de hel kunnen slepen: Tsya! Laet vlieghen en jaghen.

Onbedochte Jonckheijt ed. 1998 (XVIB)

  • 136r (verzen 15-17). Rederijkersspel. Onbedochte Jonckheijt (de aan aardse ijdelheden verhangen jeugd) zegt: Tis niet dan vruecht en solaes dat ick gae hanteeren / te Loopen te Jaegen te vliegen te rennen / in alle wellusticheijt, en venus werck te beminnen.

Voorleden Tijt ed. 1932 (XVI)

  • 36 (verzen 529-530). Rederijkersspel. Magere Tijt zegt waar Elck Een zich bevond: Int Bos van Ondanckelijchede / Daer jaecht hij, daer weunt hij, daer vliecht hij.

 

2c Vliegen = nastreven van aardse ijdelheden

 

Voorleden Tijt ed. 1932 (XVI)

  • 24 (verzen 335-336). Rederijkersspel. Elck Een (een jager) over zijn hoorn: Dit korenken heet Geconfijte Leugen, / Gij hoorde noijt geen scherper vliegerken. Vlieger = jager (met vogels), met allegorische connotatie van aardse ijdelheden.

 

3a Jagen = nastreven van de geliefde (positief-amoureus)

[Vignau Wilberg-Schuurman 1983: 27-28, brengt 15de-eeuwse jachttaferelen in verband met de adel en het stedelijk patriciaat. De jacht verwijst allegorisch naar het minnespel (een hoofse topos, die door de burgerij geparodieerd wordt. Met verdere bibliografie (zie noot 4).]

[Zemel 1989: 272, signaleert: ‘De literair geschoolde hoorder kon hier denken aan een vooral door Ovidius beïnvloede metaforiek waarin voorstellingen ontleend aan de jacht worden gebruikt als beeld voor de weg tot het veroveren van de geliefde’. Noot 39 verwijst naar M. Thiébaux, “The Stag of Love – The Chase in Medieval Literature”, Ithaca-Londen, 1974, chapter III.]

[Lymant 1992: 11, signaleert de jacht als erotische metafoor in de literaire minne-allegorie en in de liefdespaariconografie.]

[Porteman 1994: 52, stelt dat de metafoor van de hertenjacht voor de liefde een bekend, aloud en wijdverbreid gegeven is in de literatuur. De man is daarbij vaak de jachthond (‘canificatie’). Noot van ons: is de man niet vaker de jager?]

 

Lanseloet van Denemerken ed. 1979 (circa 1408)

  • 115 (verzen 380-386). Abel spel. De Ridder over Sanderijn: Bi den Here die mi ghewrochte / Ic sie ginder porren een wilt / Daer mijn herte op es ghestilt / Ic wane noit man op ghenen dach / Alsoe sconen wilt en sach / Als ghinder staet op ghene fonteine / Ene scone maget ende ene reine.
  • 130 (verzen 660-663). De Warandehuedere tot Reinout over de ridder en Sanderijn: Hi brachse mit bliden moede ghevaen / Ende riep hi hadde wel ghejaecht / Want hi bracht ghevaen een maecht / Die scone was ende wel gheboren.

Der minnen loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 9 (Boek I, vers 169). Ars amandi. Potter over zijn vroegere ongelukkige liefdesavonturen: Wes ic jaechde was onghevanghen.
  • 9 (Boek I, vers 176). Die honden heeft die jaghe(n) voert.
  • 19 (Boek I, verzen 431-432). Helpt my beclaghen, vrouwen, maechden, / Die ye na rechter liefde yaechden.
  • 36 (Boek I, vers 927). Over dwaze jongens die hun geliefde te schande maken: Op datsi werven dat si jaghen.
  • 48-49 (Boek I, verzen 1259-1271). Vergelijking liefde / jacht: de ‘jagher’ vangt het ‘wilt’ vaak pas met de zesde poging. Een minnaar krijgt vaak pas het ja-woord na verscheidene verzoeken.
  • 49 (Boek I, verzen 1280-1286). Over 5 gezellen die de ‘wilde witte haas’ pas vangen na drie jaar.
  • 50 (Boek I, verzen 1289-1301). De jongeren hebben tegenwoordig geen geduld meer. Zij vinden dat ze veel moeten lijden (als het meisje de eerste maal ‘nee’ zegt): Si willen recht ten eersten spronghe / Vanghen twilt daer sy na ylen.
  • 126 (Boek II, verzen 92-94). Ars amandi. De auteur (Dirc Potter) over zijn eigen schrale liefdesleven: Doe viel ic neder op die ruste / Ende liet ander luden jaghen, / Die vorsche honden te bringhen plaghen.
  • 177 (Boek II, verzen 1489-1490). Folkas heeft een oogje op de koningin (zijn tante) en vraagt aan een dienares van de koningin of hij kans maakt. Zij antwoordt: Sij sprac: Heer laet sijn u jacht. / Het is om niet dat ghi veel wacht.
  • 209 (Boek II, vers 2367). Fortuna kwelt de man soms op liefdesgebied: Hi bidt, hi jaecht jaer ende daghe.
  • 210 (Boek II, verzen 2386-2388). Over Fortuna en de liefde: Minne is tam, bi wilen wilt, / By wilen is si guet te vanghen, / By wilen wil sy al ontganghen.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 314 (verzen 55-60). Rederijkerslyriek, liefdesklacht van man. Ghelijck de Jaghere dwilt pleech te iaghene / Dwelck hy meynt ter doodt te plaghene / Subtijlick hem doende veel gheteens / Dus vingt ghy my met dijnen ghewaghene / Dwelck my langhe sal staen te claghene / Want dwoordt en therte en warens niet eens.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 11 (refrein 2, vers 21). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Onrustige, troosteloze minnaar over zichzelf: Hoe magher als een iagher die niet en rust.
  • 48 (refrein 22, vers 28). Amoureus rederijkersrefrein. Over de liefdesactiviteiten zoals kussen, omhelzen, lachen… : dloiroghen tketelen tiaghen tketsen.
  • 69 (refrein 35, vers 9). Zot rederijkersrefrein. De ik observeert jonge vrijers: Als icse dan sie queetsen biesen ende iaghen.
  • 70 (refrein 35, vers 29). Idem. Nochtans jaghensi eenpaer vast opten spoere.
  • 90 (refrein 47, vers 24). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Lijf en ziele staet al te iacht.
  • 167 (refrein 83, verzen 22-25). Amoureus rederijkersrefrein met als thema: de onsuccesvolle minnaars. Sy sleepen sy trecken euen dichte / sy ketsen sij iaghen sij lopen sij rinnen / Hen herten sijn altoos vast in sulc gestichte / op huer diese met herten minnen.
  • 69-70 (refrein 35, verzen 9-11 / 27-30). Zot rederijkersrefrein. Over de ‘venus ionckerkens’ wordt gezegd: Als icse dan sie queetsen biesen ende iaghen / mit allen niet wetende van venus ghescil / Soe lich [lach] ic dat ic bersten wil / (…) Van coude soe verliesen sy haer coloere / half twyuelende daer is een ander in / Nochtans jaghensi eenpaer vast opten spoere / peynsende van geluc sy groot ghewin.
  • 90 (refrein 47, verzen 23-24). Amoureus rederijkersrefrein. De verliefde ‘ik’ zegt: thert is nu van binnen allso bedacht / Lijf en ziele staet al te iacht.

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 2 (verzen 34-35). Rederijkersspel. Dus wordt hier blootelijck inne ghebracht / Sulck die ontroostelijck loopt er jacht.
  • 53 (verzen 1521-1522). Dierick zingt: Samblant tgheveynsde naeyken naeyende / Mach wel segghen dat hy zijn jachten jaecht.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 69-71 (refrein 29). Amoureus rederijkersrefrein op de stok och mocht ic vanghen dat ic jaghe, waarin de jacht op een hert = het trachten te veroveren van de geliefde met duidelijk seksuele bedoelingen.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 93 (refrein 25, strofe c, verzen 1-3). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw. Haar minnaar spreekt ook tegen andere vrouwen die ooc gheerne zouwen u vriendtscap beiagen.
  • 153 (refrein 41, strofe d, vers 5). Amoureus rederijkersrefrein. Vrouw wijst man af: Gaet elwaerdt iagen.
  • 192 (refrein 51, strofe b, verzen 14-22). Vroed rederijkersrefrein over de gevaren van de liefde. Zij die tevergeefs een vrouw proberen te versieren, zijn zot: men wordt bespot en kwijnt weg want zij niet en vangen, wat dat sij iagen (vers 16).
  • 223 (refrein 59, strofe d, vers 14). Amoureus rederijkersrefrein. Vrouw tot minnaar, afwijzend: Tes anders verlooren, al dat ghij iaeght.
  • 273 (refrein 74, strofe a, verzen 1-4). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw. Zij vroeg naar hém eertijds, soe Eurialus nae Lucretiam iaegchde.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 161 (nr. 141, strofe 2, verzen 1-4). Amoureus lied. De minnaar zegt: Schoon lief ick sou v vraghen / Woudijt in duechden verstaen / Sal ic noch langer iagen / Eer ic v sal connen gheuaen.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 193 (verzen 1151-1158). Rederijkersspel. Dido nodigt Eneas uit tot de jacht: So bid ick u dan om een versolaceeren saen, / Want de lustelijcke meij is nu int saijsûene: / De bûsschen sijn becleedt, de velden staen grûene / En avondt en nûene, dach en nacht, grûijen; / Dat wij ons tsaemen morghen vrûech ter jacht spûijeb, / Mit alder neersticheijdt, mit clûecke manieren, / Ûp dat wij moghen sien loopen, springen en tieren / Alderhande dieren in bûsschen, valeijen.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 57 (strofe 5, vers 1). Amoureus liedje. Spoet u ter jachten vryelijc sonder vragen.
  • 152 (strofe 4, verzen 1-2). Amoureus liedje. Princesse ist niet een groot verdriet / Dat ick u dus seer nae jage.
  • 176 (strofe 3, verzen 7-8). Amoureus liedje. Minnaar tot maagd: Sal ick noh langher moeten jaghen / Eer ick u lief sal connen ghevaen.
  • 188 (strofe 4, verzen 3-4). Amoureus liedje. Haestigh rijt op de jacht / Tot dat ghy haer ontmoet.
  • 205 (strofe 2, verzen 1-2). Amoureus liedje. Om u ist dat ick jaghe / Schoon edele Godin.

 

3b Jagen en vliegen = nastreven van de geliefde (positief-amoureus)

 

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 74 (nr. 34, verzen 94-115). Gedicht. Dus claechde mi dat goede wijff: / ‘Ic moet hem volghen die mi vlyet, / Als menighen jagher is ghechiet, / Die twilt ontghinc dat dat hi opdede, / Ende vincket na ter ander stede. Wye dat ghedurich blijft int jaghen, / Twilt en cans niet al ontdraghen, / Die honden en treckent som ter neder. / Woude elck jagher keren weder, / Als hy ten eersten niet en vinghe, / Menich wilt dan wel ontghinghe, / Dat na mit honden wort versnelt. / Aldus ist noch mit mi ghestelt,’ / Sprac die joncfrou goedertieren, / ‘Ic wil al voert sonder faelgieren, / Gheliken als die jagher doet, / Die ymmer twilt verduren moet, / Sel hijt vanghen of ghecrighen. / Die wille doet mi dairwaert nighen, / Ic moetet soeten mitten suren / Beyde tsamen avonturen, / Tsy verlies of tsy ghewin’. Jager = vrouw op zoek naar man, wild = man, jagen : het liefdesspel.
  • 85 (nr. 41, verzen 68-70). Gedicht. Alsoe soud een man, die nauwe spaert [gierig is], / Dicke sonder vanghen jaghen, / Woude hi hoghe minne draghen.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 99 (refrein 52, verzen 29-30). Amoureus rederijkersrefrein. De ik heeft liefdesverdriet, kan niet meer genieten van het leven: Al sie ic vlieghen iaghen nae wilde dieren / al sie ic allent solaes derwerlt hantieren.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 51 (refrein 20, vers 21). Amoureus rederijkersrefrein. Iaghen, vlieghen, als fiere ionghelinghen.
  • 85 (refrein 41, vers 6). Amoureus rederijkersrefrein, lof op de natuur en op de gezonde erotiek. Iaghen, vlieghen na wilde dieren.

 

4a Jagen = nastreven van onkuisheid en wellust

[Cat. Utrecht 1988: 69, signaleert een gravure van Lucas van Leyden, waarin een hertenjacht een beeld is van het zondig leven van Maria Magdalena.]

 

Der minnen loep II ed. 1846 (1411-12)

  • 9 (Boek III, verzen 222-223). Ars amandi. Over Pasiphaë die met een stier gemeenschap had: Dit was een wonderlike jacht, / Die dit wijff int harte droech.
  • 121 (Boek IV, verzen 1966-1970). Over vrouwen die hun mannen controleren en zelf niet deugen: Ic hebbe dicke segghen horen: / Wye den anderen jaghen sal / Die en mach selve niet rusten al, / Ende die den anderen oick verlaecht, / Wort selve duck int net gheyaecht.

Pyramus ende Thisbe ed. 1965 (circa 1520)

  • 191 (verzen 404-406). Rederijkersspel. De moeder van Thisbe tot de sinnekes over Thisbe: Ic mene ghi sout / haer gheerne jaghen int wilde woudt / met venus dienaers sonder bestier.

Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • e4r (hoofdstuk 13). Moraliserende prozatekst. Die hoeren iaghen sijn sonder ghetal / Elck wijse hem van venus wachten sal.

Hel vant Brouwersgilde ed. 1992 (circa 1561)

  • 3v (verzen 254-255). Rederijkersspel. Lucifer somt de zondaars op. Onder meer berooide edellieden: waer sijn haer edele wercken doch ingelegen / int pomposich plegen, dobbelen drincken en hoer Jaegen.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 275 (fol. 308v, vers 18). Zot rederijkersrefrein. Comt Alle wiltIaeghers in venus warandekens.

 

4b Jagen en vliegen = nastreven van onkuisheid en wellust

 

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 187 (refrein 50, strofe a, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Over de zondige, wellustige mensen: Sij iagen, zij vliegen, zij triompheeren. Hetzelfde ook in De Bruyne I ed. 1879: 37 (refrein 10, strofe 1, vers 9).

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 63 (vers 1439). Rederijkersspel. Een sinneke spoort aan tot wellustig leven: ende als morghen vlieghen jaghen wellust ghewaghen.

Der Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • n2r (hoofdstuk 43). Moraliserend prozatraktaat. Over onvroom gedrag in de kerk: Dat huys des heeren sal eck man eeren / Ter goeder leeren, ende gods dienste keeren / Ten is gheen bosch daermen sal iaghen / Hoeren oft beesten, oft voghelen draghen.

Vier Wterste II ed. 1965 (1583)

  • 45 (strofe 90, vers 1168). Stichtelijk rijmtraktaat. T’Vleesch spreekt tot de dichter: Jaghen vlieghen caetsen spelen en tuysschen.
  • 311 (strofe 622, vers 8081). De dichter vermaant de hovelingen omwille van hun wellustigheid: V caetsen v spelen v iaghen v vlieghen.

 

5 Jagen en vliegen = typisch tijdverdrijf voor de adel

 

Achte personen wenschen ed. 1992 (circa 1408)

  • 27 (verzen 31 / 58). Wensdicht. De ridder wenst onder meer vlieghen, jaghen met winde en de jonkvrouw wenst onder meer vlieghen ende jaghen.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 80 (refrein 18, strofe 5, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein. De adel klaagt erover dat de kooplui haar imiteren: Ghy hoort hoe den eeldom over den coopman claecht: / dat hy syn habijt draecht, dat hy vliecht en jaecht, / en dat hy heerlycheden en wapenen coopt.

Veelderhande Geneuchlijcke Dichten ed. 1977 (1600)

  • 99. De satirische rijmtekst ‘Hoe Aernouts Broeder sal doen als de Dorpvrou klaeght dat haer Boter ontoovert is’: Daer nae loopt in Wijn oft Bierhuys / Sprekende stoutelijck sonder confuys / Soo ghy daer vint Heere, Ridders ende knapen / Leecken, Klercken ende Papen / Soo sult ghy daer nieuwen dinghen beginnen / Te segghen van weyspel ende van minnen / Van Hasen, van Herten ende van iaghen / Daer af suldy spreken ende ghewaghen.

 

6 Jagen (en vliegen) = iets nastreven (verschillende contexten)

 

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 226 (nr. 106, verzen 22-25). Gedicht. Wat wij ook dichten, zegt de auteur, wij krijgen altijd kritiek van het volk: Doch ic wil op goeden waen / Mercken wye den jagher slacht, / Die den honden inder jacht / Volghen dar, al vaet hi niet. Jagen = niet ophouden met dichten, zelfs al ‘vangt’ men niet direct iets.

Der minnen loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 157 (Boek II, vers 937). Ars amandi. Over Floris van Hollant die door de minnen stierf ende nye dan duecht en heeft gheyaecht.
  • 198 (Boek II, verzen 2070-2071). Sonder wijsheit veel te jaghen / Maect arbeit groet ende cleen ghewin.

Der minnen loep II ed. 1846 (1411-12)

  • 6 (Boek III, vers 137). Ars amandi. De Italianen voeren altijd oorlog en strijd: Die een pertye dander yaecht.
  • 61 (Boek IV, vers 351). Clytaemnestra wist wel dat Agamemnon met dat meisje dat hij meebracht uit Troje niets slechts deed: Ende niet dan doecht en yaechde.
  • 119 (Boek IV, verzen 1925-1926). Over een vrouw in Gent die haar man bespioneerde: Sij hadde veel bet hoir eer ghewacht, / Dan hoir man op sulker yacht.

Eerste Bliscap van Maria ed. 1978 (1448)

  • 92 (verzen 889-890). Mysteriespel. Innich Gebet zegt: Mijn jagen, mijn vliegen ende mijn volgen / En baet niet. ‘Jagen en vliegen’ slaat hier op de ‘snelheid’ van het gebed. Vergelijk verzen 882 en 924-925.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 5 (verzen 110-111). Rederijkersspel. Vprecht Scriftuerlick Bewijs in de proloog: nv mijn vriendt, wildij inder scriftueren waranden / jaghen naer v selfs ende uwen naestens profijt. Jagen in het woud = het goede leren uit de Bijbel.
  • 79 (verzen 1859-1863). In een wachterlied: aansporing tot de standen om vroom te leven. Tot de heren wordt gezegd dat zij het wild moeten gaan jagen int bosch groen, dats scriftuer. Wild jagen = het goede leren uit de Bijbel.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 268 (refrein 19, strofe A, verzen 10-11). Vroed rederijkersrefrein. Over de wantoestanden in de maatschappij: Ick vindt even quaet, waer ic ketse [rondloop] oft jaghe, / Niemant en dunct my wel tzyne [nl.: zijn hart] behouwen.

Ontrouwen Rentmeester ed. 1899 (circa 1587)

  • 109 (vers 870). Rederijkersspel. Straff Waerschouwen tegen Oetmoedighen Dienst (zij zijn er niet in gelukt Tgroot Getal te bekeren): This al verlooren, broeder, geketst, gejaecht.

 

7 Jagen: restmateriaal

 

Ferguut ed. 1982 (circa 1250)

  • 65 (vers 574). Arturrroman. Ferguut (nog als ‘knaap’) vecht met rovers. Hij heeft ze allemaal overwonnen en gaat er nu twee hun hoofd afslaan: Want hine conste vlien no jagen. Vlieden en jagen = uitwijken en aanvallen? Aantekening noteert: bij gebrek aan tegenstanders kon Ferguut het spel van uitwijken en aanvallen niet voortzetten…

Proverbia Communia ed. 1947 (circa 1480)

  • 94 (nr. 649). Spreekwoordenverzameling. Ten sijn niet al iaghers die horen blasen.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 113 (refrein 31, strofe b, verzen 6-7). Zot rederijkersrefrein. Een ongelukkig gehuwde man over zijn vrouw: Och mocht icse verbasen gelijc de hasen, / Ic jaechdese metten honden over tveldt.

 

[explicit 10 maart 2017]