KAARS

 kaars1

1 Kaars = Christus

 

Legenda aurea I ed. 1993 (circa 1260)

  • 149 (hoofdstuk 37). Latijnse verzameling heiligenlevens. Naar aanleiding van Maria Lichtmis: On the feast day we too make a procession, carrying in our hands a lighted candle, which signifies Jesus, and bearing it into the churches. In the candle there are three things – the wick, the wax, and the fire. These three signify three things about Christ: the wax is a sign of his body, which was born of the Virgin Mary without corruption of the flesh, as bees make honey without mingling with each other; the wick signifies his most pure soul, hidden in his body; the fire or the light stands for his divinity, because our God is a consuming fire. De was = Zijn maagdelijk geboren lichaam, de wik = Zijn ziel, de vlam = Zijn goddelijkheid.

Tafel vanden Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 332 (Winterstuc, hoofdstuk 43, regels 199-207). Theologisch compendium. Naar aanleiding van Maria Lichtmis wordt Christus vergeleken met het licht van de kaarsen: Die ander reden is naden gelove, dat onse heer Ihesus Cristus, die een waer licht is, ghevoert wert in godliker becantenisse van allen gelovigen menschen. Want biden wasse is beteykent sijn vleysch ende lichaem, dat doer die bye, die heilige Gheest uuter bloeme Marien lijve is ontfaen, biden leemate sijn heilige ziel, die inden lichaem was verburgen, biden lichte sijn gebenedide godheit, die alle menschen verlichtende is, toecomende in deser werelt.

Die spieghel der menscheliker behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 57 (hoofdstuk 10, verzen 209-216). Berijmd stichtelijk traktaat. Naar aanleiding van Maria Lichtmis: Desen candelare es sinte marie, / Die moeder es ende maghet vrye; / Ende haer kerse, dats onse here, / Zullen wij te rechte eeren zere. Entie kersen ter lichtmesse / Offert men om beteikenesse / Der kersen cristus, dats waerhede, / Ende skandelaers marien mede.
  • 57-58 (hoofdstuk 10, verzen 227-254). Idem. Cristus, onse sceppre weert, / Es bi der kersen ghecompareert / Om die substancien drievout, / Die de kerse binnen haer hout: / Dats was, vier ende lenement. / Biden wasse es ons bekent, / Want ment mach pinen ende bouwen, / Gods lechame die was te blouwen / Ende ghepijntin groter noot; / Ten laetsten zo leet hi den doot. / Vander kersen dat lenement, / Daer es ons bi de ziele bekent, / Want zoe es, diet wil bekinnen, / Midden inden lechame binnen, / Als inde kerse es tleenement. / Ende ooc gheift zoe, es mi bekent, / Den mensche tleven, daer hi bi leift, / Also tleenement der kersen gheift. / Dat vier, daer es beteikent bi / Die godheit, want het doende zi / Altoos ende nemmer stille staet / Ende het altoos upwart gaet. / Dese zalighe kerse jhesus / Es gheoffert dan over huus, / Ende van hare es ons ghesicht / Ghegheven entie nacht verlicht, / Die vul waer der deimsterhede, / Ne ware deser kerse claerhede.

 

2 De topos ‘een kaars kan talloze andere kaarsen aansteken zonder haar licht te verliezen’ (religieus: kaars = Christus)

 

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 144 (verzen 166-169). Vroed rederijkersgedicht, lofdicht op het H. Sacrament: O jnghelicke spijze die niet en mindert / Oe vele datmen dij nut. of breict / Neent. niet meer. dant eender keersen jndert, / Daermen dusentich kerssen an ontsteict.

Handschrift-Jan Phillipsz. ed. 1995 (circa 1480)

  • 132 (nr. 112, verzen 166-173). Leerdicht. O Onspaerlike mildicheyt hoe vele men di nvt / Ouer alle die werelt tot enigen tijden / Nochtan blijft gans geheel geschut / Ongequest ongemindert dijn godlike verbliden / Gelike men teenre kersen mach tijden / Ende duysentich lichte dair an ontsteken / Al dat licht datmen dair van nemt besijden / En doet der kaersen gheen licht gebreken.

 

3 De topos ‘een kaars kan talloze andere kaarsen aansteken zonder haar licht te verliezen’ (religieus)

 

Dietsche doctrinale ed. 1998 (1345)

  • Boek I (verzen 787-793). Berijmd stichtelijk traktaat. Alse ene keerse bernet claer / Ende men ene andre ontsteect daer an / Haer licht en mindert niet nochtan / Maer dlicht twivuldicht dan / Aldus soe twivuldecht van / Aelmoesene dat goet / Diese wt goeder herten doet. De ene kaars kan de andere ontsteken = aalmoezen kunnen voordeel opbrengen.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 333 (verzen 54-59). Rederijkersgedicht, hekeldicht met als thema ‘de ene blinde leidt de andere’. Een neempt keerssen vol zijn handt / Steectse aen een bernende keersse inden brant / Sy sullen stappans licht ontfaen / Tsghelijcx wordt hier ende in elck Landt / Waere elcx anders duechdelijck onderstant / In wercken, elck soude wel vierich staen. Vele ‘blinden’ (zondaars) kunnen zich bekeren door één deugdzame na te volgen.

 

4 Uitdovende of uitgedoofde kaars = het snel voorbijgaande leven van de zondige, zwakke mens

 

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 117 (vraag 160, regels 22-24). Artestekst. Er zijn twee vreugdes voor de mens: lichamelijke en geestelijke. Wat de lichamelijke vreugde betreft: De lichamelike en es niet duerende ende lijt lichtelike ende gaet ute alse een licht van ere kersen dat van selve te nieute wert.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 71 (Winsterstuc, hoofdstuk 15, regel 68). Theologisch compendium. Over de zevende ‘ouderdoem’ van de mens, de dood: In desen staet gaet die mensch uut als een kaersse.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 239-240 (verzen 7-11). Vroed rederijkersrefrein. Hoe sullen wy verantwoorden ons sondich sneuen / Ten wtersten daermen houden sal consistorie [vonnis] / Ons besondighe hertkens die moghen wel beuen / Verstaende tnaeruolghende woords aencleuen / Als bernende keersse lijdt hier ons glorie.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 9 (refrein 1, verzen 7-11 / 28-30). Vroed rederijkersrefrein, thema: het leven is vergankelijk. In groter houerden merct wat ons leuen is / Als een kers die wt wayt mitten winde / Merct wat van adams kinder bleuen is / Der hier voertyts groet wonder of bescreuen is / Ende betert v die kers gaet ten eynde. / (…) Wat syn wy anders in dit dal van weene / Dan een kerse versmoert mit sonden onrene / Die al bernende gaet doer die leemde.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 37 (refrein 96, strofe 5, vers 10). Vroed rederijkersrefrein (van Anna Bijns?). Over het sterven: als een gebluste keerse gevet lichaem stanck.

 

5 Andere religieuze betekenissen van kaars

 

Sidrac ed. 1997 (circa 1320)

  • 698 (Tekst III.1, vraag 89, regels 30-38). Artestekst. Over zij die de leer van God onderwijzen maar zelf het slechte voorbeeld geven: Maer die dat volc instrueren ende leeren tgoede ende selue tquaede doen dat zijn quade sotten. Ende dese slachten der kersen die anderen lieden licht ende haer zeluen verteert ende verbrant Ende dese zullen vele wers hebben in dandre weerelt Dan die ghene die gheene doghet ne kennen.

Die Gheestelike Brulocht ed. 1932 (kort vóór 1343)

  • 148. Mystiek traktaat van Jan van Ruusbroec. Die gracie gods inder sielen es ghelijc der keersen inder lanternen ochte in eenen glasenen vate; want si verhit ende verclaert ende doer schijnt dat vat, dat es den goeden mensche. Kaars in lantaarn = de Gratie Gods in de goede mens.

Nieuwe doctrinael ed. 1915 (XIV)

  • 280-281 (verzen 2351-2361). Berijmde zondenspiegel. Een kaars die men vóór zich draagt, licht beter in de nacht dan een kaars die men achter zich draagt = beter zijn zonden uitwissen vóór de dood dan na dood: Dit voldoen [namelijk: zijn zonden biechten] es best ghedaen / Ghseonts lijfs, als men mach gaen / Ende men sin heeft ende macht, / Want die kerse liecht bat inder nacht / Die men vore draecht dan achter. / Aldus eest vele beter ende zachter, / Dat een binnen sinen ghesonden live / Hem clare ende al sijn smitte afwrive / Daer sijn ziele es mede belast, / Dan na der doot, als hi es gast / Alles des hi voren helt.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 332-333 (Winterstuc, hoofdstuk 43, regels 207-217). Theologisch compendium. Naar aanleiding van Maria Lichtmis wordt het licht van de kaarsen vergeleken met het goede geloof: Die derde zake is nader deucht ende den gelove. Want een barnende kaerse inder hant is een kersten gelove mit gueden wercken ende als een kaerse sonder licht hiet doot te wesen, also is die gelove doot sonder guede wercken ende guede wercken sijn doot sonder die gelove. Ende als dat leemate [de wik] is inden wasse verburgen, also is die guede meninge heymelick inder herten, al ghesciet oic dat werck int openbaer van buten. Aldus schijnt, dat die gheestelike kaerse voer Gode licht; waer gelove: dat wasse; guede wercke: dat licht; rechte meninge: dat leemate. Dat is die kaerse, die ons voer gaet ende leit in dat ewige leven.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 419 (Somerstuc, hoofdstuk 32, regel 94). Over zaken die nodig zijn bij het doopsel, onder meer kaarsen: die kaerssen om licht der wijsheit.

Jhesus collacien ed. 1962 (circa 1480)

  • 249-250 (22ste preek van de H. Geest, regels 2-32). Prekenbundel. Christus schenkt de zusters 7 kandelaars, die telkens verwijzen naar fasen in Jezus’ leven en lijden. De kaarsen in de kandelaars zijn de lof van de zusters hiervoor.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 93 (refrein 178, verzen 20-21). Vroed rederijkersrefrein. Tot de zondaars: Hebt consciencie wilt v tot beteren spueren / denct op die keerse die voor licht. Kaars = het geweten dat beterschap wil, weg van de zonde, en licht brengt.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 66-67 (verzen 1533-1538). Rederijkersspel. Scriftuerlijcke Hoede spreekt: Siet hier mijn lantaerne, ghij als duuels wreet, / die kennisse der sonden heet, v, die onghereet / verblint hertnackich selfs goetdunckende breet, / siet, hoe scoon mijn kaersse claer barnende steet, / daer dauid, den profeet, tot veel plaetsen of seet, / die euwangelije ghenomt, vol blijder maren. Lantaarn = kennis der zonden, kaars = het evangelie. In dit spel ook voortdurend de licht-metafoor = kennis van de ware religieuze leer.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 173 (Boek II, refrein 21, strofe b, verzen 11-12). Vroed rederijkersrefrein. De ‘geleerden’ gaan te weinig in tegen Luther: Gheleerde, die selck quaet te beletten plaghen, / Tsijn som schoon keersen, maer sij en lichten niet.

De Rijckeman ed. 1941 (1550)

  • 198 (regieaanwijzing). Rederijkersspel. Het personage Conscientie (Geweten) draagt in de rechterhand een kaars en deze heet: het Licht der Waarheid.

Evangelische maeltijt ed. 1992 (XVIB)

  • 66v (regels 116-118). Rederijkersspel. In de lijst met dramatis personae: Een ijegelijck als een borger met een Lantaern in sijn handt genaempt begeerlijcheijt de keerse genaempt eijgen liefde. Lantaarn = begeerte, kaars = eigenliefde.
  • 67r (verzen 161-162). Een Ijegelijck (Iedereen) spreekt: die kaers eijgen liefde Licht mij in rou en noot / om mijn te vinden alleen reen.
  • 81v (verzen 1610-1615). Een Ijegelijck spreekt: De Lantaern hiet begeerlijcheijt. tschrift besiet / den keers kendij die niet, tverwondert mij claer / sij hiet Eeijgen [sic] lieffde mijn Lieve caer / want door haer ick voorwaer mijn gaen vercloecken / mijn selven te soecken.

 

6 Stervenden kregen een kaars en een penning in de hand gestopt

 

Nieuwe doctrinael ed. 1915 (XIV)

  • 285 (2501-2510). Berijmde zondenspiegel. Men pleghet oec in menich lant, / Datmen den zieken gheeft in die hant / Een wassen kerse, bernende claer, / Ende enen penninc daer in, al daer / Hi cranct of leghet op sijn verscheet. / Dat meent dat hi soe is bereet, / Van allen sonden also claer / Als dat liecht dat bernet daer, / Ende met dier claerheit in ganser gheloven / Wil hi ter claerheit varen hier boven. Het licht van de kaars verwijst dus naar het vrij zijn van zonden en naar het licht van de Hemel.

Die Wonderlijcke Oorloghen van Keyser Maximiliaen ed. 1957 (circa 1531)

  • 154. Postincunabel. Over Maria van Bourgondië op haar sterfbed: Dye Bisschop van Doornijcke dede die keersse ontsteken, want hem docht wel dat vlues den tijt soude sijn dat si verscheeden soude. Die keersse was ontsteken, eenen gouden penninck daer in.

 

7 De topos ‘een kaars kan talloze andere kaarsen aansteken zonder haar licht te verliezen’ (profaan)

 

Clef d’Amors ed. 2001 (1280?)

  • 44. Oudfranse ars amandi. Over de vrouw: Als je je aan de liefde wilt wijden kun je daar niets bij verliezen, want al genoten er duizend mannen van jouw charmes, dan zouden deze er daarom toch niet minder op worden? Door vijlen slijt het ijzer, maar dat mag voor jou geen excuus zijn, want de kamer van de wijze Venus hoeft geen beschadigingen te vrezen. Wie is zo gek mij ervan af te willen houden als ik uit de zee een druppel water haal? Of als ik zonder rookwalm mijn kaars wil aansteken aan een andere? Zo moet ook jij datgene niet weigeren waarvan je geen schade zult lijden: geef zonder spijt toe aan het plezier van de ander dat van jou geen offers vraagt. Profaan-erotische context: één kaars steekt vele andere kaarsen aan // één vrouw kan vele mannen plezieren.

Spiegel Historiael I ed. 1982 (circa 1285)

  • 175 (I Partie, Boek IV, hoofdstuk 58, verzen 15-22). Berijmd traktaat van Jacob van Maerlant. Alexander de Grote verzoekt in een brief de ‘Bracmannen’ dat zij zouden delen in hun wijsheid: Ende wijsheit en scaet groet no clene, / Alsemense bringet int gemene. / Gelijc dat niet en scaet den brande, / Alsemen kersen menerande / (Daer) ane ontsteect, daer men af ziet, / Dan scaet den eersten viers niet: / Dus eist bider wijsheit dan, / Alser menech leeret an. Profane context.

The Book of the Duchess ed. 1987 (1369)

  • 342 (verzen 961-965). Middelengelse rijmtekst (Chaucer). De zwarte ridder over White/Blanche (in de hertaling van ed. 1983: 47): And she could be so blithe and gay / When so inclined, that I can say / That she was like a torch so bright / That everyone could take its light / Yet never make that light the less.

 

8 Kaars = fallus

[Herman Pleij, Het gilde van de blauwe schuit, Amsterdam, 1983, p. 85. In het Tafelspel van een personagie genaemt S. Lasant ende is een Pillegrom (1597) gaat een impotente oude pelgrim zijn ‘kaars’ ontsteken bij de vrouwelijke heilige Sint-Lasant. Ook vermeld in Hinke van Kampen e.a. (eds.), Het zal koud zijn in ’t water als ’t vriest, ’s-Gravenhage, 1980, p.40.]

[Marlies Caron (red.), Helse en hemelse vrouwen, tentoonstellingscatalogus, Utrecht, 1988, p.104. Op het schilderij Jozef en de vrouw van Putifar van Pieter Coecke: gebroken kaars = fallussymbool, hier verwijzend naar de weigering van Jozef om seks te hebben.]

[Petra van Boheemen e.a., Kent en versint Eer datje mint – Vrijen en trouwen 1500-1800, Zwolle-Apeldoorn, 1989, p. 186. In de gravure De tranen van de bruid (XVIB) van Pieter Baltens: kaars = duidelijk fallussymbool (waarbij de kan ernaast = vagina).]

[E. de Jongh, “Erotica in vogelperspectief”, in: E. de Jongh, Kwesties van betekenis, Leiden, 1995, p. 43. Over de kaars als fallussymbool in de zeventiende-eeuwse beelding. Met verwijzing naar de zestiende-eeuwse spreekwoordenverzameling van Sartorius.]

 

Coster Johannus ed. 1997 (vóór 1600)

  • 128r (verzen 478-479). Rederijkersklucht. Boerdelijck Geck tot de koster die met zijn vrouw aanhoudt: So salmen u Leeren u kaers ontsteecken / aen mijn wijffgens Lantaern tot eeniger spacij. Kaars = fallus, lantaarn = vagina.

 

9 Kaars als attribuut van prostituees

 

Willemyns 1979 (1485)

  • 96. Uit het Keurboek van Zierikzee (1485): Wy verbieden, dat gheen wareltwijf [publieke vrouw] vyer en baerne noch keerssen binnen hoeren huyse na der lester clocke, by eenre boete van X sc. Hieruit blijkt het verband kaars/hoer: hoeren gebruikten kaarsen om bij het ontvangen van klanten voor licht te zorgen. Bron: R. Willemyns, Het niet-literaire Middelnederlands, Assen-Brugge, 1979.

Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 121 (verzen 609-610). Rederijkersspel. Luxurie, een hoer, tot haar koppelaar: Gaet segge ick veure, ick volge u naer. / Ick sal den wech wel vinden sonder keersse. Hoeren droegen een kaars mee op weg naar de ‘kamer’. Deze hoer is zo geil dat ze geen kaars nodig heeft.

Die Trauwe ed. 1899 (vóór 1595)

  • 177 (verzen 1085-1086). Rederijkersspel. Het personage Allen Ambachten over de wijnhuizen: Die brouwen meer met eender kersen om winnen / Dan met seven voeder coelen, dit moet ick kinnen. Winst maken met een kaars, via hoeretjes die een kaars mee naar de kamer nemen. In die wijnhuizen werd dus aan prostitutie gedaan.

 

[explicit 21 november 2016]