KAT EN MUIS

 

1 Kat die muizen vangt / eet = men (de vrouw) kan niet tegen zijn (haar) natuurlijke aanleg ingaan

 

Die Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 157 (verzen 9137-9146). Allegorische rijmtekst. De aard van de vrouw wordt door het personage Ami op weinig vleiende wijze in verband gebracht met de aard van de kat. De man die zijn vrouw slaat om haar liefde af te dwingen, handelt naar verluidt verkeerd: Want wie sijn wijf te slane begint, / Om meer van hare te sine gemint, / Slacht den genen die sine catte / Sleet ende roepse weder na datte, / Om te bendenne ende te vane: / Aldus betert een wijf van slane: / Want mach die catte hem ontspringen / Sine coemt weder meer int thingen. / Hi salse laten comen ende gaen / Na haren wille, dats wel gedaen. Met andere woorden: katten en vrouwen moet men niet in een keurslijf proberen te dwingen, want ze zijn zo verwaand en zelfgenoegzaam dat ze toch altijd hun eigen willetje doen. Zie voor het Franse origineel Roman de la Rose ed. 1974; 276-277 (verzen 9733-9742). Een Nederlandse vertaling van deze laatste passage in Roman van de Roos ed. 1991: 265 (verzen 9703-9712). Ami zegt daar: Belaad je vrouw nooit met verwijten / en ga haar ook niet slaan of smijten, / want hij die denkt met slaan te winnen / dat zij hem méér zal gaan beminnen / als hij daarna haar troost of sust, / is als de man die welbewust / zijn kat slaat om het dier te drillen; / daarna kan hij wel roepen, gillen: / ‘Kom hier, je moet je halsband om!’ / Het dier blijft weg, het is niet dom. Een gelijkaardige passage treffen we ook aan in de zogenaamde Tweede Rose of Vlaamse Rose (circa 1290), de tweede (veel vrijere) Middelnederlandse bewerking van de Roman de la Rose. Het enige verschil is dat hier de man die zijn vrouw terechtwijst, niet vergeleken wordt met een man die zijn kat slaat, maar (duidelijk minder gelukkig als beeldspraak) met een vrouw die haar kat slaat: Want ic wille dat ghijs getruwet / So wie dat wijf castijt of bluwet / Om hare te doene met crachte minnen / Hi sal int ende dar an so winnen / Als dwijf die hare catte vaet / Ende sint om hare te tammene slaet / Ende sprect toe met arden worden / Ende bintse met vasten corden / Want mach die catte den bande ontgaen / Twijf mach wel messen ant weder vaen [Tweede Rose ed. 1958: 142 (verzen 571-580)]. Zie voor de datering en benaming van deze tweede bewerking Van der Poel 1989: 15 / 18.
  • 161 (verzen 9357-9372). Een 200-tal verzen na het hierboven geciteerde fragment brengt het personage Ami de natuurlijke verwaandheid en zelfgenoegzaamheid van de vrouw een tweede maal in verband met de aard van de kat, ditmaal meer bepaald naar aanleiding van de natuurlijke geneigdheid van de kat om muizen en ratten te vangen: Men mach dat wijf castien niet, / Maer laten gewerden wies si pliet, / Gelijc die katte, die bi naturen / Can die siencie alle uren / Ratten ende musen te vane, / Sonder leren en tscole te gane, / Aldus can twijf hare jugement, / Dat si bi naturen vent. / Wat si werct ende wat si doet, / Dat dinct hare algader wesen goet; / Ende si es niet so menichvoldech, / Dat sine doet dinc, sine esse sculdich / Te doene bi naturen wale: / Daeromme verliest hise altemale, / Diese castijt ende wilt blameren / Van dingen, die si wilt anteren. Zie voor het Franse origineel Roman de la Rose ed. 1974: 282 (verzen 9963-9986). Een Nederlandse vertaling van deze laatste passage in Roman van de Roos ed. 1991: 270-271 (verzen 9933-9956): Een vrouw ziet zich niet graag vermaand, / ze is van nature zo verwaand / te menen dat geen mens haar van / haar ambacht nog iets leren kan;/ dus als je haar maar nooit ontraadt / haar wil te doen, wordt ze nooit kwaad. / Zoals de kat van huis uit weet: / zó krijg je ’t beste muizen beet / en daarvoor niet naar school toe moet / en ’t nimmer afleert, wat je ook doet, / zo weet de vrouw, toch dwaas geboren, / uit haar instinct al van tevoren / bij wat ze doet, of ’t recht of krom, / en goed of fout is, wijs of dom, / en of, met wat jij van haar eist / ze ook zichzelf een dienst bewijst. / Geen leraar schenkt haar dat idee, / ze kreeg ’t bij haar geboorte mee; / die kennis gaat ook nooit verloren, / daarvoor is die té ingeboren, / geen vrouw die daarop blokken moet, / het minnen zit haar in het bloed, / want al wie denkt haar te bevelen, / zal nooit haar liefdessponde delen. Men notere dat in deze twee fragmenten de verwaandheid van de vrouw betrokken wordt op de man-vrouw-relatie. De expliciete vermelding van het jagen op muizen én ratten in de Middelnederlandse tekst (althans wat vers 9361 van handschrift A betreft; handschrift C vermeldt in vers 9191 alleen ‘muse’, zie ed. 1976: 16) wordt in het Franse origineel slechts weergegeven door het woordje ‘surgeüre’ (bespringen). Dat de verwaandheid en de zelfgenoegzaamheid van de vrouw in de 13de-eeuwse Roman de la Rose metaforisch in verband wordt gebracht met de kat, is niet zo verwonderlijk als men weet dat in de contemporaine Latijnse artesliteratuur regelmatig de anekdote opduikt van de kat die verliefd wordt op haar eigen spiegelbeeld in het water en daardoor verdrinkt. We treffen dit verhaal onder meer aan in het 22ste boek van Albertus Magnis De animalibus (13de eeuw) [Animalibus ed. 1987: 162 (Boek XXII, tractatus 2, caput 1, paragraaf 121)] en in het 4de boek van Thomas van Cantimpré’s Liber de natura rerum (13de eeuw) [De natura rerum ed. 1973: 152 (Boek IV, paragraaf 76, regels 21-27)] wordt deze hebbelijkheid vooral van toepassing geacht op wijfjeskatten. Albertus schrijft (Engelse vertaling van het Latijn): When it [de kat namelijk] spies itself in a mirror, it makes sport with the image, especially in its early years as a kitten when it revels in playful romping. Cats have been known to see their reflection in a deep well and, wishing to play with the reflected image, have fallen into the water and drowned. En Thomas noteert (onze vertaling vanuit het Latijn): De kat wordt zo hevig aangetrokken door alles wat op haar lijkt, dat zij, wanneer zij boven een put staat en haar weerspiegeling in het water ziet, in vervoering raakt van haar eigen beeld. Zij springt spontaan naar beneden, verdwijnt in de diepte en wordt zo bedrogen door de valse schijn van haar spiegelbeeld: zij verdrinkt in het haar verzwelgende water. Dit gebeurt vooral wanneer het wijfje op zoek is naar een mannetjeen aangestoken wordt door blinde paringsdrift, en in het bijzonder gebeurt het bij jonge katten, die nog weinig ervaren zijn en het gevaar niet kennen.

Proverbia Communia ed. 1947 (circa 1480)

  • 42 (nr. 24). Spreekwoordenverzameling. Als die catte iongen heeft so muyst si wel.
  • 52 (nr. 143). Catten kinder die muysen ghaerne. / Cattorum nati sunt mures prendere nati [wat van katten geboren is, is geboren om muizen te vangen].

Salomon ende Marcolphus ed. 1941 (1501)

  • 23-24. Gedrukte moraliserende grappenverzameling. Salomon heeft een kat die tijdens de maaltijden een brandende kaars vasthoudt. Marcolphus laat echter muizen los. Bij de derde muis loopt de kat erachter: Marcolf liet doe wtlopen die derde ende als die catte die sach en conste sy haer niet langher onthouden sy werp die kaerse daer henen ende spranc na die muys ende greepse Doe Marcolf dat sach seyde hi den coninck Here nu heb ic voer u gheproeft ende bewesen dat nature gaet boven leere.

Seer schoone spreeckwoorden ed. 1962 (1549)

  • 39 (nr. 653). Spreekwoordenverzameling. Qui de chatte naist / souriz prend. Die van catten compt / muyst wel. Vergelijk Harrebomée 1980 (I.385 / III.247).

Gemeene Duysche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 10 (regels 22-25). Spreekwoordenverzameling. Aert laet van aert niet. Die Katte laet haer muysen niet / Die natuere gaet voer die leere / Die aert gaet voer alle gewoenheyt. / Die Aexter can haer huppen niet laten. De spreekwoorden in deze verzameling zijn niet alfbetisch gerangschikt, maar werden geordend volgens andere principes: soms hebben een groep op elkaar volgende spreekwoorden één woord gemeenschappelijk, andere keren is een reeks spreekwoorden bij elkaar geplaatst omdat zij eenzelfde thema behandelen (vergelijk Meadow 1992: 150). Bij de hierboven geciteerde vier spreekwoorden is het tweede principe van toepassing: alle vier betekenen zij dat men aangeboren neigingen moeilijk kan overwinnen en dat dit vaak onverstandige of dwaze handelingen tot gevolg heeft. Dit laatste onderdeel van de betekenis wordt slechts expliciet vermeld in het spreekwoord ‘die natuere gaet voer die leere’ [vergelijk over dit spreekwoord Stoett 1981: 229 (nr. 1100), en Ter Laan 1984: 233], maar doordat de spreekwoorden bij elkaar staan en eenzelfde thema behandelen, is het logisch dat zij elkaar aanvullen en verduidelijken. Warnersen gebruikte als bron voor zijn Gemeene Duytsche Spreckwoorden onder meer de Duitse spreekwoordenverzameling van Johannes Agricola von Eisleben (zie ed. 1959: VII-X, en Meadow 1992: 156-158). In zijn editie van de Gemeene Duytsche Spreckwoorden bezorgde Kloeke een paralleluitgave van de met Warnersens spreekwoorden overeenkomstige teksten uit Agricola, waarbij hij gebruik maakte van een druk uit 1534. In deze druk wordt de hierboven geciteerde spreekwoordenreeks als volgt weergegeven: Art lest von art nicht, die Katze lesst yhres mausens nicht / (…) Marcolfus beweisete, Art gieng für alle gewonheyt. / Die krawe geet yhres hupffens nicht ab [ed. 1959: 10* (Ag 131-132)]. Marcolphus is één van de twee hoofdfiguren uit een in de Middeleeuwen zeer populaire traditie die de lelijke maar listige boer Marcolphus confronteert met de wijze koning Salomon. In 1501 verscheen te Antwerpen bij Henrick Eckert van Homberch Dat Dyalogus of Twisprake tusschen de wisen coninck Salomon ende Marcolphus, een zogenaamd ‘volksboek’ in proza dat een Middelnederlandse exponent vormt van deze traditie. In het eerste deel voeren Salomon en Marcolphus een discussie die bestaat uit een reeks spreuken die afwisselend door de twee gesprekspartners naar voren worden gebracht. Het tweede deel bestaat uit een opeenvolging van dertien anekdoten, waarin Marcolphus zich steeds de meerdere toont van Salomon. Het ‘Marcolfus beweisete’ van Johannes Agricola slaat ongetwijfeld op de zesde van deze anekdoten (zie supra).
  • 50 (regel 23). Twil al muysen / dat van Catten compt.

Lebeer 1939/40 (1577)

  • 186/202. Een spreekwoorenprent van Jan van Doetinchem uit 1577. Bij een kat die op een muis zit te loeren, staat de tekst: Twill al muusen watt van Catten comt. Het feit dat de titel van deze prent luidt: De Blauwe Huijcke is dith meest ghenaemt, maer des Werrelts Idel Sprocken hem beeter betaemt [zie Lebeer 1939/40: 171, en De Meyer 1970: 334/340 (nr. 56)], wijst erop dat de uitgebeelde spreekwoorden een pejoratieve connotatie met zich dragen, met andere woorden: de situaties en de personen waarnaar de uitgebeelde spreekwoorden metaforisch verwijzen, zijn steeds in een of ander opzicht afkeurenswaardig. Toen Stoett het spreekwoord ‘het muist wat van katten komt’ verklaarde als ‘de jongen vertonen de aard van de ouden, aangeboren eigenschappen laten zich niet verloochenen’, voegde hij daar dan ook terecht tussen haakjes aan toe: ‘Meestal in malam partem’ [Stoett 1981: 225 (nr. 1084)]. Andere moderne auteurs beperken zich vaak ten onrechte tot de neutrale verklaring ‘kinderen hebben de aard van hun ouders’. Vergelijk onder meer Ter Laan 1984: 160, en Cox e.a. 1988: 22 (nr. 9). Zie Lebeer 1939/40: 202-203, voor een vergelijking van de teksten op acht bekende varianten van deze prent.

Sinnepoppen ed. 1949 (1614)

  • 103 (Tweede Schock, nr. XLII). Embleem. Het motto luidt: ’t Wil al Muysen wat van Katten komt. Dit spreekwoord wordt toegepast op de wapens van edellieden, die vaak dieren bevatten en aangeven dat de edellieden in kwestie hun vaderland willen en kunnen beschermen. De nakomelingen van de vroegere edellieden voeren nog steeds deze wapens en genieten dankzij de dapperheid van hun voorvaderen nu nog bepaalde voorrechten.

Lebeer 1939/40 (XVIII)

  • 191/228. Een spreekwoordenprent, uitgegeven door L.J. Fruytiers [geboren te Mechelen in 1713, overleden te Antwerpen in 1782, zie Lebeer 1939/40: 164 (noot 4)] te Antwerpen in de 18de eeuw. De prent is een burijngravure die 80 spreekwoorden uitbeeldt, met Frans-Nederlandse bijschriften. Op het rechtergedeelte van de prent zit net onder het midden een kat op een muis te loeren, en boven de kat staat de tekst: Le naturel du chat cest / prendre des souris / Twilt al muysen wat / van catten comt. Zie voor een afbeelding de omslagwikkel van Harrebomée 1980. Voor jongere vindplaatsen van dit spreekwoord, zie Harrebomée 1980 (III.247-249). De prent is vrijwel een kopie van de burijngravure die door Théodore Galle uitgegeven werd te Antwerpen na 1600 (1ste staat) en door Jean Galle te Antwerpen, waarschijnlijk na 1633 (2de staat). Nochtans komt de kat met de muis niet voor op de prenten van de Galles.

Iconologia ed. 1971 (1644)

  • 392b-393ab. Bewerking van Ripa’s iconologisch traktaat. Rebellione (oproer) wordt weergegeven door een gewapende jongeman met een kat op zijn hoofd. Hy draeght den Kat op ’t hoofd: om dat dit Dier een beeld van de Vryheit is, niet willende in bedwangh staen, maer vry zijn, en daerom voerden de oude Alanen, Burgundiers en Swaben, gelijck Merodius syt, een Katte in haere Vaendels, om te betoonen, dat zy, gelijck de Katten, het onlijdlijck achteden, van iemant onderdruckt te werden.
  • 573b-574a. Liberta (vrijheid) wordt uitgebeeld door een vrouw met naast haar een kat. De Katte bemint de Vryheyt boven maeten, en daerom voerden de Oude Alanen, Burgundiers en Swaben, dieselve, gelijck Metodicus Macrobius verhaelt, in haere Vaendelen, om te betoonen, dat, gelijck dit Dier niet magh lijden, dat het in eens anders geweld opgeslooten is, alsoo achteden zy oock onlijdelijck de slavernie te verdraegen.

 

2 Kat die muizen/ratten vangt/eet // bedrog

 

De natura rerum ed. 1973 (XIII)

  • 151 (Boek IV, caput 76, regels 4-6). Latijnse artestekst van Thomas van Cantimpré. Hij schrijft over de kat onder meer: Het is een vuil en hatelijk dier. Het jaagt op alle soorten muizen. Als de kat hen gevangen heeft, put zij hen eerst uit door ermee te spelen, en daarna eet zij de bedrogen muizen op (onze vertaling).

Der naturen bloeme I ed. 1980 (circa 1270)

  • 126 (Boek II, verzen 2853-2858). Artestekst van Jacob van Maerlant. Over de kat onder meer: Onreyne es soe, muse ende ratten / Dit sijn alle proie der catten. / Als sise vaen, so spelen sier mede, / Ende na menighe onsalichede, / Die si hem hebben ghedaen, / Eten sise danne saen.

Die Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 179 (verzen 10.392-10.398). Allegorische tekst. Het personage Valsch Gelaet vergelijkt zijn eigen bedrieglijk gedrag met het gedrag van een kat die ratten en muizen vangt: Want waer ic ga, mi es altoes met / Baraet [Bedrog]; ine soeke niet el dan datte. / gelijc niet el en soect die catte / Dan die ratten ende musen / Harentare ende achter huse. / Aldus so jagic minen staet, / Daer ic met decke mijn baraet. Zie voor het Franse origineel Roman de la Rose ed. 1974: 308 (verzen 11.065-11.070). Een Nederlandse vertaling van deze laatste passage in Roman van de Roos ed. 1991: 298 (verzen 11.034-11.040). Valse Schijn zegt: Wat mij betreft, ‘k richt mijn lantaren, / wat ik ook doe, steeds op ’t misleiden. / Zoals kater Tibert zich wijdde / gelijk, zou ‘k zeggen, alle katten, / aan vangst van muizen en van ratten, / zoek ik, en ik ben eerlijk toch? / altijd, alom naar het bedrog.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 45-46 (Winterstuc, hoofdstuk 11, regels 81-98). Theologisch compendium. Dirc van Delf vergelijkt de grilligheid en onbetrouwbaarheid van de menselijke fantasie, één van de vijf ‘inwendige zinnen’ met de kat die met de muis speelt: Die vierde is fantasia, dat is fantasie, properlic een wijsrasen. Dese sinne heeft hoor celle boven inden hoofde ende staet als dat ruwe bloemkijn opten appel of als een punt in een cirkel. Dese celle is seer ruum ende slecht ende daer in so valt veel wercs: op ende neder, hoghe ende laghe, ghins ende weder, verre en na vermengelic die beelde op te halen ende weder wech te werpen: als een cat speelt mitter muus, also kiestse ende verwerptse mit veel ghedenckens. (…) Dese tymmert burghen in Arabien ende werptse weder neder mit veel ghedenckens, si suect goutberghen in Vrieslant; also vreemde settet si haer saken. Si is also wel onledich slapende als wakende, want si staet recht als een onrust in een ureclock.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 39 (Boek I, refrein 12, strofe a, verzen 13-14). Vroed rederijkersrefrein over de warrige tijden en over het bedrog en de ontrouw van de mensen: Tvolk speelt met malcanderen, gelijc de catte / Speelt metter ratte; men siet trouwe verstijven.

Verloren Sone ed. 1985 (1540)

  • A2v-A3r. Gedrukt volksboek. De Verloren Zoon zegt tot zijn vader over zijn broer: Maer ic en achs niet twee gruysen / Alle sinen nidighen spijt / Noch sijn smeckende [vleierige] muysen. ‘Muizen’ (werkwoord) betekent hier: (bedrieglijk) spreken.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 47 (regel 11). Spreekwoordenverzameling. Hy speelt daer mede / als die Catte mit der Muys.

Etymologicum ed. 1974 (1599)

  • 227. Nederlands-Latijns woordenboek van Kiliaan. Katten-spel. ludus sive iocus hostilis & simulatus: post lusum enim devorat aelurus murem captam [vijandig en vals spel of gescherts: na het spel verslindt de kat immers de gevangen muis].

 

3 Kat die muizen vangt/eet = duivel die zondaars te pakken krijgt (connotatie: bedrog)

 

Fabulae ed. 1985 (XIIIb)

  • 88 (nr. 26). Latijnse fabelverzameling. For over the unjustly acquired morsel sits the Devil, the cat who devours souls.
  • 163 (nr. 115). Such are many men who do not want to obey either mother church or their parents or their masters. Instead, they prance boldly about. Thence the mouser – that is the Devil – comes forth against them… tempting them. And he devours them all, down to the last one, and casts them into Gehenna!

Des coninx summe ed. 1907 (1408)

  • 418 (paragraaf 412). Biechtspiegel. Ende die duvel speelt dicwijl mit dustanighen menschen, recht als die catte mitter muys die si ghevanghen heeft, want als si daer lanc ghenoech mede ghespeelt heeft, so eet sijse.

Christoffel Wagenaer ed. 1913 (1597)

  • 61. Volksboek. De hoofdpersoon roept een duivel op: Op den anderen dach riep hy synen Geest Averhaen, de welcke niet lange en vertoefde, maer quam terstont synen Heere te dienst, want hy wachte op hem, gelijck die Catte op die Muys.

 

4 Kat die muizen (of ratten) vangt/eet = sterkeren verdrukken de zwakkeren

 

Duytsche adagia ofte spreecwoorden ed. 2003 (1550)

  • 221 (nr. 57.2). Spreekwoordenverzameling. Ghelijc de cat met de muys. Dat is alsmen met yemant speelt ende men gheeft hem eenen stoet dattet bloet daer nae volghe, soo seytmen, hy speelt met hem ghelijck de cat met de muys, dat is: hy bruyckt nijcheyt [felheid] in sijn speelen.

Weydts ed. 1969 (1567)

  • 15 (strofe 1, verzen 9-10). Het manifest als katholieke propaganda tegen de protestanten bedoelde strofische gedicht ‘Gesten vande guen’. Een berouwvolle geus en beeldenstormer wordt aan het woord gelaten. In de eerste strofe klaagt hij over de verdrukking die de geuzen moeten lijden vanwege de katholieke overheid, waarbij hij de katholieke ‘heren’ vergelijkt met katten en de geuzen met muizen: Nieuwers en cryghen wy eeneghe addresse / de groote catten met ons als met de musen jocken. De grote katten = de katholieke heren, die de muizen (= de geuzen) in hun macht hebben.

Verberckmoes 1998 (XVId)

  • 164 (afbeelding). Een zilveren draagpenning, Nederlands, na 1583: vóór de troon van Granvelle speelt een gemijterde kat met een muis. Op pagina 166 wordt uitgelegd: die kat en die muis = Granvelle die met de Nederlanden speelt.

Moorkensvel ed. 1977 (1600)

  • 36. Toneelspel. Geesken geeft zich over aan haar man: Ick sie wel het is verloren arbeyt / Dat haer de Muys teghen de Katte leyt.

Voorleden Tijt ed. 1932 (XVIIa)

  • 30 (verzen 437-438). Rederijkersspel. Magere Tijt bedreigt Elck Een. Deze laatste wijst hem spottend terecht: Ick soude u te niete doen met allen, / Gelijck de katte speelt met de muijs.

 

5 Kat die muizen vangt/eet = hoerige vrouw die mannen verleidt (connotatie: bedrog)

 

Die Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 217 (verzen 12.831-12.848). Allegorische tekst. In een lange monoloog houdt een oude koppelares een pleidooi voor het recht van de gehuwde vrouw op buitenechtelijke relaties. De natuurlijke aard van de vrouw is immers gericht op vrijheid, zoals de natuurlijke aard van een kat is gericht op het vangen van muizen of ratten, en het zich binden aan één partner binnen het huwelijk is daarmee niet in overeenstemming: Hier bi terechte Venus soude / Onsculdich sijn, want si woude / Hanteren ende doen hare vrihede. / Ende oec alle vrouwen mede, / Die hare vriheit willen plien, / Al brekense huwelic mettien; / Want die Nature doetse wecken, / Diese ter viheit [lees: vriheit] wart wil trecken. / Lieve kint, die name ene catte, / Die noit ne sach mues no ratte, / Ende nauwe van musen ware gehoedt, / Ende verweindeleke ware gevoedt, / Ende worde si ere mues geware, / Dat si liepe neven hare, / Si soudse sonder twifel vaen / Ende al hare gerechten laten staen: / Men mochte met en genen saken / Tusschen hem beiden den pays maken. Het ‘jagende kat’-motief verbeeldt hier metaforisch het overspelige gedrag van gehuwde vrouwen en wordy bovendien gekoppeld aan de ‘natuur gaat boven leer’-idee. Zie voor het Franse origineel Roman de la Rose ed. 1974: 382-383 (verzen 14.031-14.052). Een Nederlandse vertaling van deze passage in Roman van de Roos ed. 1991: 372-373 (verzen 14.001-14.022): Dit moge Venus verontschuldigen, / zij moet de vrijheid altijd huldigen / en met haar alle andre vrouwen / die ’t liefdesspel, ondanks hun trouwen, / graag spelen buiten ’t echtelijk bed: / Natuur stelt haar daarin de wet. / Natuur is zo sterk inderdaad, / dat zij zelfs opvoeding verslaat. / Mijn zoon, bedenkt eens dat het katje / dat nooit een muis zag of een ratje, / dat steeds gespijzigd werd in huis / en nooit een rat zag of een muis / en dat z’n napje nimmer leeg / steeds heerlijk voorgeschoteld kreeg, / wanneer het plots een muis ontwaart / zich toch daarop stort met een vaart / en die onmiddellijk op zal vreten, / niet talend naar het lekkerst eten: / al is z’n honger nog zo groot, / de jacht gaat boven melk en brood; / een kat sluit met een muis nooit vrede, / hoe ook elk smeken, elke bede.

The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 284 (Fragment IX, Group H, verzen 160-162/175-182).’The Manciple’s Tale’. Een Nederlandse vertaling in The Canterbury Tales ed. 1995: 559-560 (verzen 18.041-18.043/18.056-18.063): Maar God weet dat geen man door te beminnen / Een neiging temmen kan die door natuur / in ’n schepsel is gezaaid in ’t eerste uur. / (…) Of neem een kat, voer die te allen tijde / Met zacht vlees, melk, bekleed zijn mand met zijde, / Maar ziet hij dan een muis nabij de muur, / Dan laat hij vlees en melk staan en vol vuur / Werpt hij zich op die muis, vergeet daarbij / Wat er voor hem klaarstaat aan lekkernij. / Kijk, daar krijgt lust gewoon de overhand / En die schuift goede zeden aan de kant.

Der minnen loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 153 (Boek II, verzen 813-818). Ars amandi. Het gaat over de vier fasen van de ‘goede minne’. De eerste fase bestaat erin dat de twee partners elkaar zien in gezelschap van derden. Hij wandelt met vrienden voorbij haar huis, en wanneer hij haar opmerkt, dan overvalt hem een grote vreugde. Zij moet hem dan vriendelijk toeknikken, zodat hij er ’s nachts nog ligt aan te denken: Hier op zo zijn zij wael ghemoet / Ende hopen twart noch alle goet. / Sijn zij in kercken of in cluusen, / Die cat siet altoos na den musen / Dus draghen zij die lieve min / In horen eersten aenbeghin. Kat en muis = man en vrouw die loeren op elkaar. Maar wie is de kat en wie is de muis? Onduidelijk. Blijkbaar onderling te verwisselen hier.

Das Narrenschiff ed. 1854 (1494)

  • 34-35 (hoofdstuk 33, verzen 47-52). Moraliserend traktaat van Sebastian Brant. Een houtsnede toont een nar aan een keukentafel die door de vingers van zijn linkerhand zit te kijken. Naast hem staat een vrouw die met de linkerhand blijkbaar een stokje vasthoudt. Het andere uiteinde van het ‘stokje’ bevindt zich tussen de opgeheven linkerhand en de mond van de nar. Onder de tafel zien we drie muizen op de vlucht slaan voor een kat. De kat heeft reeds één muis gevangen. Deze houtsnede illustreert het 33ste hoofdstuk, dat getiteld is ‘Von eebruch’ [Over echtbreuk]. De houtsnede wordt begeleid door het opschrift: Wer durch die fynger sehen kann / Vnd loszt syn frow eym andern man / Do lacht die katz die müsz süssz an [wie door de vingers kan zien en zijn vrouw aan een andere man geeft, daar lacht de kat de muizen zoetjes toe]. In de eigenlijke tekst van het hoofdstuk lezen we bovendien: Eyn katz den müsen gern noch gat / Wann sie eynst angebissen hat. / Welch hatt vil ander man versucht / Die würt so schamper vnd verrucht / Das sie keyn scham noch ere me acht / Irn mutwill sie alleyn betracht [een kat blijft van muizen houden, zodra ze er één geproefd heeft. Zij die veel mannen heeft uitgeprobeerd, die wordt zo brutaal en eigengereid dat ze op geen schande of eer meer let en alleen nog haar zinnetje doet]. De kat verwijst hier metaforisch naar de wellustige vrouw die het niet nauw neemt met de huwelijksnormen en zich seksueel afgeeft met meerdere mannen (= muizen). Naar verluidt kan de vrouw het overspel niet laten, van zodra zij het eenmaal bedreven heeft, net zo min als een kat het muizen vangen kan laten, van zodra zij eenmaal een muis gevangen heeft. Zarncke heeft erop gewezen dat het ‘stokje’ in de houtsnede in feite een strohalm is, en dat de vrouw in de houtsnede dem manne das hälmlein durch den mund (zieht), wat naar verluidt een bekende zegswijze is die betekent dat men iemand door middel van vleierij bedriegt (zie Das Narrenschiff ed. 1854: 366).

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 168 (refrein 215, verzen 28-30). Zot rederijkersrefrein, klacht van een hoorndrager over zijn ontrouwe vrouw. Het refrein heeft als stok ‘isse sulc soe isse soos es’ en is een variant van refrein 32 uit dezelfde bundel. Eén van de varianten betreft het vers ‘can sy wel sonder mauwen muijsen’ dat uit het gedicht verdwenen is. In de plaats daarvan lezen we nu in de derde strofe: Looptse vast nae tallen huijsen / Can sy nae dubbele ghesellekes muijsen / teghen stoilen en bancken euen stijff? ‘Dubbele ghesellekes’ in vers 29 heeft ongeveer de betekenis van ‘valse, onbetrouwbare fuifnummers’ en met het ‘muijsen’ wordt bedoeld dat de vrouw deze ‘ghesellekes’ tot een seksuele relatie probeert te verleiden. Vergelijk over dit refrein ook Coigneau I 1980: 53-54 (nr. 48), en Coigneau II 1982: 352-353.

Der Sottten Schip ed. 1981 (1548)

  • k3v-k4r (hoofdstuk 33). Middelnederlandse bewerking van Das Narrenschiff. De houtsnede bij hoofdstuk 33 is een nagenoeg exacte kopie van de houtsnede uit 1494 (zie supra). In dit hoofdstuk 33 worden mannen bekritiseerd die oogluikend toelaten dat hun echtgenote geld verdient door middel van prostitutie en overspel. De iconografie van de begeleidende houtsnede wordt (afgezien van het feit dat de man als een nar is uitgebeeld) in feite slechts op één punt verklaard: dat de nar de vingers van zijn linkerhand voor zijn ogen houdt, betekent dat hij het onkuise gedrag van zijn vrouw ‘door de vingers ziet’ (stilzwijgend tolereert). Dit is af te leiden uit het distichon dat dienst doet als hoofdstuktitel en dat blijkbaar door de nar wordt uitgesproken: Ick sie door die vingheren ende moet ghedooghen / Al dat mijn wijf wilt die verblindt mijn ooghen. Van de strohalm in de hand van de vrouw en van de op muizen jagende kat is echter nergens sprake. De context waarin kat en muizen hier voorkomen, wordt wel ondubbelzinnig weergegeven via de berijmde moraal op het einde. Daar wordt het goede huwelijk, waarin man en vrouw een zuivere eenheid vormen, expliciet als voorbeeld gesteld tegenover het huwelijk waarin de vrouw zich met instemming van de man overgeeft aan overspel en hoererij, en dit alles vanuit de typisch stedelijk-burgerlijke bezorgdheid voor de problemen die bastaardkinderen en erfeniskwesties met zich kunnen brengen.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 145 (verzen 116-118). Rederijkersspel. Het sinneke Quaden Wille zegt: Dats waer, want alle de hoeren / Cryghen met hare voeren de proye in haer bedwanck. / Zy weten den rechten ganck. Impliciete ‘kat vangt muis’-topos.

 

6 Kat met rat / muis

[Van Oostrom 1996: 447. In een handschrift uit de abdij Ter Soest een plaatje van een kater die een penis meetroont en achternagezeten wordt door een vrouw met een spinrokken: naar verluidt een verwijzing naar een passage uit Van den Vos Reynaerde (ofschoon daar de kater Tibeert een testikel en geen penis wegklauwt van de pastoor).]

 

Ysengrimus ed. 1987 (circa 150)

  • 280-210 (Boek I, verzen 61-73). Latijns dierenepos. Ysengrimus bijt Reinardus. Dit wordt vergeleken met de kat die met de muis speelt: de muis ontsnapt ten slotte. Moraal: wie een vijand wil vernietigen, daar loopt het slecht mee af. Kat = hier: een meedogenloze, wrede persoon met wie het verkeerd afloopt (Ysengrimus dus in dit geval). Letterlijk de ‘luditur illusor’-topos (bedrieger bedrogen) (zie vers 69). Uitgelegd op p. 20.

The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 70 (Fragment I, Group A, verzen 3345-3347). ‘The Miller’s Tale’. De koster begeert de jonge vrouw van de timmerman: She was so propre and sweete and likerous. / I dar wel seyn, if she hadde been a mous, / And he a cat, he wolde hire hente anon [hij zou haar meteen gegrepen hebben]. Kat = man, muis = vrouw.

Getijdenboek van Maria van Bourgondië ed. 1995 (1475-80)

  • Fol. 158r. Getijdenboek. Een grote kat (bijna een tijger) ligt in de bas de page op een muis of rat te loeren.

Doctrinael des tijts ed. 1946 (1486)

  • 143 (hoofdstuk XXII). Allegorisch-moraliseende tekst. In uw sprake ende contenanciën toent u lofferlic, nijpt u mondekijn voer toe ende als ghi hoest, pijpt als een muys die de cat bijt.

Wonder van claren ijse en snee ed. 1946 (1511)

  • 21 (verzen 105-108). Strofisch rederijkersgedicht over een sneeuwpoppenfestival te Brussel in 1511. Voer thof van Nassouwen, auont ende morghen, / Stont een sot, en daer lach een wilde catte; / Si lecte haren eers, al souse verworghen; / In haren poot hadse een groote ratte. Zeer merkwaardig, maar moeilijk op een sluitende manier te interpreteren: vlak vóór het hof van Hendrik III van Nassau lag dus, uitgebeeld als sneeuwpop, naast een nar een wilde kat die haar aars likte en in haar poot een grote rat vasthield. We kennen deze sneeuwpop doordat de Brusselse stadsichter Jan Smeken haar beschreef in een rijmverslag van het sneeuwfestival, dat in 1511 gedrukt werd door Thomas van der Noot. De vermelding van het feit dat de kat haar aars likt en de aanwezigheid van een nar maken het aannemelijk dat deze sneeuwpop in negatieve zin dient geduid te worden, meer bepaald als een verwijzing naar verwerpelijk seksueel gedrag. Het merkwaardige aan dit hele geval is dat Hendrik III van Nassau kandidaat-opdrachtgever is (en in elk geval bezitter was) van Jheronimus Bosch’ Tuin der Lusten-triptiek. Pleij [1988: 297-300] heeft gesuggereerd dat de door Smeken beschreven sneeuwpop misschien een toespeling inhield op het losbandige leven van Hendrik (op seksueel en culinair gebied): een boeiend idee, vooral in het kader van de vergaande erotische beeldraadseltjes op het middenpaneel van de Tuin, maar helaas niet definitief te bewijzen.

Peeter van Provencen ed. 1982 (circa 1517)

  • I3r. In verband met het ‘kat vangt muis’-motief binnen de profane iconografie rond 1500. Circa 1517 verscheen te Antwerpen bij Willem Vorsterman de prozaroman Die Historie van Peeter van Provencen [vergelijk over deze postincunabel Debaene 1951: 141-146, en Pierre Vinck, “Het volksboek Die Historie van Peeter van Provencen ende die schoone Maghelone van Napels”, in: Jaarboek De Fonteine, XXVII (1976-77) – deel I, pp. 3-45]. Op fol. I3r bevindt zich een houtsnede, waarvan Vinck de volgende beschrijving gaf: ‘Binnen in een kamer staat een jonkvrouw. Links van haar op de vloer zit een dier, waarschijnlijk een kat, die een muis tussen de poten houdt. Ook nog links hangt een ontrolde perkamentrol’ (p. 17). Vinck beperkt zich tot deze beschrijving, maar signaleert nog wel dat dezelfde houtsnede ook (twee maal zelfs) voorkomt in een latere 16de-eeuwse druk van de prozaroman (Antwerpen, Claes van den Wouwere, circa 1565). De houtsnede bevindt zich op die plaats van de tekst waar de Provençaalse ridder Peeter zijn geliefde, de mooie Italiaanse prinses Maghelone van Napels (die met hem van het kasteel van haar ouders is weggevlucht) slapend in het woud heeft achtergelaten. Hij doet dit om een roofvogel te kunnen achtervolgen die de drie ringen die Peeter aan Maghelone had geschonken, gestolen heeft. Dan volgt onderaan fol. I2v een nieuwe tussentitel (Hoe Maghelone ontwaeckende haer seluen allen vant) en zien we bovenaan fol. I3r de bewuste houtsnede. Vervolgens vernemen we hoe Maghelone verscheurd wordt door verdriet, boosheid en twijfel. Eerst denkt zij dat Peeter is verloren gelopen, dan vermoedt ze dat hij haar in de steek heeft gelaten, maar als ze merkt dat hun twee paarden nog in de buurt staan, heeft ze direct spijt van haar lelijke gedachten (waarbij ze zichzelf valsche katiue noemt) en vermoedt ze dat de duivel hen heeft willen straffen, omdat zij en Peeter zich in hun liefde kuis (sonder dorperheyt) hebben gedragen [zie voor een volledige samenvatting van de inhoud ed. 1982: 15-17, en Vinck 1976-77: 19-22]. Nergens in de tekst is echter sprake van enige metaforiek in verband met een muizen vangende kat. De tekst geeft hier en daar wel een vage aanleiding tot een mogelijke metaforische interpretatie. Slaat de muizen vangende kat op het aanvankelijk vermoeden van Maghelone dat Peeter haar bedrogen heeft? Verwijst de kat naar de duivel die de mens wil bedriegen en verleiden? Of vormt de kat een parallel met Maghelone zelf omdat ze onheuse gedachten koestert tegenover Peeter, waarbij dan het ‘valsche katiue’ een (vergezochte) woordspeling zou inhouden op ‘valsche kattinne’? Aan een drukfout waarbij de ‘u’ van ‘katiue’ als een ‘n’ zou dienen gelezen (een drukfout die overigens niet ongewoon is in laatmiddeleeuwse drukken) valt hier wel niet te denken, omdat dan ook nog eens een ‘t’ en een ‘n’ zouden moeten zijn weggevallen. Ik zou hier bij de huidige stand van zaken eerder pleiten voor een dosis voorzichtigheid. Het gebeurde wel vaker in laatmiddeleeuwse drukken dat men houtsneden in een tekst plaatste, die uit een andere druk afkomstig waren en dus vaak slechts een zeer los verband vertoonden met de tekst in kwestie (vergelijk hierover Vinck 1976-77: 12). Het feit dat de jonkvrouw in de houtsnede zich binnenskamers bevindt en niet in een bos, gekoppeld aan de vaststelling dat de perkamenrol géén tekst bevat, wettigt het vermoeden dat deze houtsnede oorspronkelijk voor een totaal andere druk bedoeld was. Vorsterman zou de houtsnede dan op deze plaats in de Peeter van Provencen-editie van circa 1517 hebben ingevoegd, louter en alleen omdat er een jonkvrouw op wordt afgebeeld, wat dan in zijn ogen voldoende was om de link met Maghelone te leggen. Onderzocht moet in elk geval nog worden of een gelijkaardige houtsnede ook voorkomt in de Franse druk (Lyon, circa 1485) die Vorsterman hoogstwaarschijnlijk als voorbeeldtekst gebruikte (zie ed. 1982: 9) en of in die Franse druk wellicht sprake is van het ‘kat vangt luis’-motief. Indien de houtsnede uit de Vorsterman-editie werkelijk uit een andere druk afkomstig is, dan is het vanzelfsprekend van essentieel belang deze andere druk indien mogelijk op te sporen en na te gaan of de context ons daar verderhelpt.

Nyeuvont, Loosheit ende Practike ed. 1910 (1566-68)

  • 34. In de inleiding wordt geciteerd uit Van die beroerlicke tijden (1566-68) van Marcus van Vaernewijck. Het betreft een rel naar aanleiding van relieken die rondgedragen worden: Hierom tracmen blancke zweerden uut ende hieuwen melcanderen up dlijf, trocken ende soochden dees figuere, ghelijck de katte de muus doet, vielen ende rolden vanden beerch van boven nedere ende ooc de figuere ofte beeldekin mede.

 

7 Kat die muist zonder mauwen = in het geheim (seksuele) handelingen verrichten

[Coigneau II 1982: 351 (noot 254), signaleert dat ‘sonder mauwen muijsen’ = iets doen in het geniep, heimelijk genieten.]

 

Handschrift-Van Hulthem I ed. 1999 (circa 1410)

  • 593-594 (nr. 127). Het strofische gedicht ‘Van Mauwene: dat es een edel poent’. Uit dit gedicht, dat bestaat uit vijf strofen met als stokregel ‘muset wel maer en mauwet niet’, is de precieze betekenis van het spreekwoord dat als stokregel fungeert, af te leiden. In de eerste twee strofen wordt uitgelegd dat wie de lof van de vrouwen en van de mensen in het algemeen wil verkrijgen, zich verre dient te houden van ‘mauwene’. Trouw en standvastigheid, zo leert ons de derde strofe, zijn immers ‘ghefondeert op helen’, maar trouw is nu dood en ontrouw heeft overal haar netten gespeid ‘ende si geet met mauwene spelen’. De vierde en de vijfde strofe ten slotte verklaren omstandig de stokregel. De vierde strofe luidt: Wildi met gemake sijn, / Soe swijghet, siet ende hoert. / Van alder quaetheit es venijn / Mauwen, want daer meneghe moert / Af es comen ende groet discoort. / Nv verstaet die woorde mijn, / Ic sal v raden: nv verhoert / Welc dat meest die baten sijn. / Wel helen, verstaet den sin. / Noch soe singic altoes mijn liet: / Muset wel maer en mauwet niet. En de vijfde strofe: Reinder dinc en wert nie vonden, / In desen werelt op desen dach, / Dan enen suueren mont in allen stonden, / Want ons die bible doet gewach: / Houdt uwen mont altoes gebonden, / Dat hi geen quaet spreken en mach. / Soe saeltu ten lesten worden vonden / Los ende vri van allen sonden. / Hier met indic nv mijn liet: / Muset wel maer en mauwet niet [ed. I 1999: 594 (nr. 127, verzen 34-54 – de moderne interpunctie in deze passage is door mij aangebracht]. Uit deze verzen blijkt manifest dat met ‘mauwen’ bedoeld wordt: spreken, zijn mond roeren, kwaad spreken, bepaalde dingen niet kunnen verbergen (helen) door erover te praten. Vergelijk ook MNHW 1981: 350, dat bij ‘mauwen’ als verklaring geeft: ‘Mauwen, miauwen, janken; zijn mond roeren, kwaad spreken’. De betekenis van het werkwoord ‘musen’ staat echter niet expliciet vermeld in het gedicht. Volgens Dini Hogenelst [in Pleij e.a. 1991: 179] betekent ‘musen’ letterlijk: ‘op muizenjacht zijn, op muizen loeten’, en in verband daarmee: ‘smakelijk eten, smullen’. Volgens haar is het duidelijk waar ‘musen’ in het Hulthem-gedicht op slaat: (stiekem) genieten van de liefde. Deze interpretatie is echter mijns inziens onvolledig. Bij Kiliaan (1599) [Etymologicum ed. 1974: 328] lezen we immers bij het lemma ‘muysen’: Mures capere, captare, venari, tacitè quaerere: insidiari muribus, metaphoricè, Abdita magno silentio inquirere. Becanus. ang. muse.i. cogitare [muizen vangen, grijpen, jagen, in stilte opsporen: op muizen loeren. In figuurlijke zin: het verborgene in grote stilte nastreven (…), nadenken]. Ongetwijfeld is ‘het verborgene in grote stilte nastreven’ de metaforische betekenis die we ook aan het ‘musen’ in Van Mauwene moeten toekennen. De betekenis van het spreekwoord ‘muset wel maer en mauwet niet’ laat zich dan als volgt omschrijven: handelingen die aanleiding kunnen geven tot kwaadsprekerij en nijd, voer je beter uit in het geheim zonder er in het openbaar over te praten. Dat deze handelingen in Van Mauwene zouden slaan op liefdesaangelegenheden – zoals Hogenelst stelt – is slechts correct voor zover het de eerste strofe betreft. In de volgende strofen wordt het ‘mauwen’ breder uitgewerkt (‘in dese werelt wijt’, ‘in alder tijt’) en toegepast op het heimelijk te werk gaan (‘helen’) en laten gaan (‘swijghet, siet ende hoert’) in het algemeen. In de laatste strofe ten slotte wordt dit in verband gebracht met de Bijbel, die eveneens aanraadt om de tong te beteugelen en het kwaadspreken te vermijden. In de eerste strofe wordt gezegd dat wie van vrouwen hebben sal prijs, op zijn woorden moet letten en zich bovenal moet hoeden van mauwene, want daer geen goet af en compt. Hier betekent de stokregel ‘muset wel, maer en mauwet niet’ dus wel degelijk: in het geheim een liefdesrelatie hebben, zoals Hogenelst stelde. Zij beperkt het adagium in dit gedicht als geheel echter ten onrechte tot zijn erotische betekenis. Coigneau [II 1982: 351 (noot 254)] interpreteert de betekenis van ‘sonder mauwen muijsen’ correcter als: iets doen in het geniep, heimelijk genieten. Ook deze omschrijving houdt echter te weinig rekening met alle connotaties van het adagium (zie bijvoorbeeld het aspect ‘geen kwaad spreken van anderen’).

Proverbia Communia ed. 1947 (circa 1480)

  • 84 (nr. 517). Spreekwoordenverzameling. Muyst wel ende mauwet niet. / Prendite feruenter mures abs voce latenter [vang de muizen met geestdrift, maar zonder geluid, in stilte]. Het spreekwoord ‘vang muizen maar miauw niet’ (wij zouden het tegenwoordig eerder een spreuk of een adagium noemen) was volgens de tekstbezorger ook bekend buiten de Nederlanden, blijkbaar vooral in het Duitse taalgebied [zie ed. 1947: 239 (nr. 517)].

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 65 (refrein 32, verzen 23-25). Zot rederijkersrefrein. Een monoloog van een gehuwde man met als stokregel ‘esse sulc soe esse soe ses’. De man is een hoorndrager die klaagt over de ontrouw van zijn vrouw. Zij wil ‘in vreemde broixkens weijden’ (in vreemde weiden grazen) en hem ‘tblou huijxken om hanghen’, maar als een ware pantoffelheld legt hij zich daar gelaten bij neer, en hij herhaalt in de stokregel telkens vrij laconiek: ‘Is ze zo, dan is ze zoals ze is’. In de eerste drie verzen van de derde strofe stelt hij zichzelf en de lezer drie retorische vragen: Can sij dan thoiresoonken luijsen / mint sij meer myn gelt dan mijn lyf / Can sy wel sonder mauwen muijsen? ‘Zonder miauwen muizen vangen’ betekent hier dus: in het geheim een seksuele relatie hebben. Vergelijk over dit refrein ook Coigneau II 1982: 350-351. Coigneau interpreteert ‘het hoerenzoontje luizen’ als een omschrijving van het seksueel verkeer van de vrouw of van ‘de echtgenoot bedriegen’. Ik ben van mening dat ermee bedoeld wordt dat de overspelige vrouw haar bastaardkind verzorgt.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 91-92 (refrein 177). Vroed-amoureus rederijkersrefrein met als stokregel ‘Wat ghi hoert of siet muijst mer en mauwet niet’. In deze tekst waarschuwt de auteur jonge geliefden die ‘den boeck der minnen syn lesende’ voor de ‘nyders tonghen’. Hij raadt iedereen aan het stilzwijgen te bewaren in amoureuze aangelegenheden, ‘tsy can v seluen oft anderen’. De derde strofe (verzen 23-33) verwoordt heel duidelijk de betekenis van de stokregel: Ghy jonghers die tsamen loopt ghemene / om venus mutsken al sonder sparen / Syt huechs van monde vertrect redenen ghene / daer namael of comen mocht enich beswaren / Horende weest dorende al sonder verclaren / als Ouidius dat bescryft in syn vermonden / Al ghebuert v ijet of yemant van uwen charen / weest secreet in allen stonden / Men vinter die somtyts gheluc hadden vonden / mer duer haer gesellen vermonden, syn comen int verdriet / dus wat ghi hoort of siet muijst mer en mauwet niet. De stokregel slaat dus manifest op het bedrijven of laten bedrijven van de liefde, zonder erover te spreken tegen anderen.
  • 169 (refrein 216, verzen 25-26). Zot rederijkersrefrein. Een apologie van de hoerige, overspelige echtgenote op de stok ‘sijdij sulck soe sijdj soe ghij sijt’. Een blijkbaar erg levenslustige vrouw klaagt tegenover haar echtgenoot over zijn erbarmelijke prestaties in sexualibus (vwen achter waghen en dooch niet int lamoen / vwen gilleman is veel te slap). Zij is echter niet ‘van steenen noch van beenen’ en dus moet hij maar verdragen dat zij elders bevrediging zoekt, want ‘ick storf van hongher en creechic geen pap’. De verzen 25-26 (de eerste twee verzen van de derde strofe) luiden: Tsyn goey catgens die musen sonder mouwen / Wanneert mij ioeckt soe doe ict mij crouwen. Waarbij ‘katjes die muizen zonder miauwen’ duidelijk slaat op het geheime, overspelige gedrag van wellustige echtgenotes. Zie over dit refrein ook Coigneau II 1982: 352-353.

Der Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • g1v-g2r (hoofdstuk 19). Een waarschuwing tegen loslippigheid, grootspraak en kwaadsprekerij, in verband gebracht met de Bijbel én met het ‘muyst wel ende mauwet niet’-motief, treffen we (ook) aan in de Middelnederlandse bewerking van Das Narren Schiff. In het 19de hoofdstuk van Der Sotten Schip oft dat Narren Schip (1548) worden die dwazen op de korrel genomen die hun tong niet kunnen bedwingen. Het hoofdstuk vangt aan met twee Bijbelcitaten (Spreuken 10, 19 en 13, 3), die beide wijzen op de gevaren van het onverstandig spreken. Vervolgens lezen we: Ende om dies wille dat die mensche wtwendlic geen edelder werc en can dan spreken ende gheen beter dan wel spreken so heeft ons natuere twee doren ghegheuen en die altijts open ende mer een tonghe ende die met twee sloten dat is metten lippen ende tanden besloten om dat wi bereyt souden zijn in hooren ende traech in spreken want mids qualic spreken menich man bedoruen is. Ghelijc die exter schaterende haer ionghen wroecht ende die muys om dat si sonder gheruchte niet gheten en can haer seluen verraet. Conste de catte muysen sonder mauwen/ ende die sot winnen sonder hem beroemen si souden beyde haer proye behouwen. Zowel de ekster die door haar geschater haar nest verraadt, de muis die gerucht maakt als zij eet en de kat die miauwt bij het muizen vangen, worden hier dus in figuurlijke zin gebruikt voor de dwaas die niet kan zwijgen en die zichzelf door zijn grote mond in moeilijkheden brengt. Het spreekwoord ‘muyst wel ende mauwet niet’ hield dus in de late Middeleeuwen een waarschuwing in tegen dwaas en onverstandig gedrag, meer bepaald tegen het niet kunnen verzwijgen van dingen die beter in het verborgene zouden gebleven zijn. Deze spreekwoordelijke aansporing tot ‘horen, zien en zwijgen’ in het sociale verkeer is overigens een typisch kenmerk van de laatmiddeleeuwse burgermoraal zoals die nog op vele andere plaatsen in de stedelijke literatuur en cultuur rond 1500 tot uiting komt. Zoals uit recent onderzoek is gebleken, wordt daar voortdurend vanuit een steeds waakzame bekommernis om eerverlies en schande aangezet tot behoedzaamheid, terughoudendheid en wantrouwen tegenover de buitenwereld. Vergelijk Vandenbroeck 1987a: 100-104, Vandenbroeck 1990b: 24-25, Pleij e.a. 1991: 166-183. Deze auteurs wijzen er overigens op dat de door de burgermoraal gepropageerde houding van wantrouwen in het sociale verkeer reeds vóór de 15de eeuw kan gesignaleerd worden, en dit zowel bij de hoogste als de laagste standen (adel/boeren). De burgercultuur heeft hier – zoals wel vaker het geval was in de late Middeleeuwen (vergelijk onder meer Pleij 1988: 331 e.v.) – gedachtegoed uit de hofcultuur én de plattelandscultuur geannexeerd en geadapteerd.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 71 (regels 30-32). Spreekwoordenverzameling. Weest stille ende duyr. / Muyset, ende maeuwet niet / Roepet niet luyde.

Mont toe, borse toe ed. 1950 (XVIA/1583)

  • 54. Rederijkersgedicht met als thema: horen, zien en zwijgen = oppassen voor verraad, list en bedrog. Daaronder het versje: Hoort, swijcht, end siet: / Muyst, maer en meaut niet.

 

[explicit 15 december 2016]