KEI (Keisnijden)

 

1 Kei = symbool van dwaasheid, zotheid

[Van Belle 2001: 225. Over het spotgezelschap ‘de Gibeanen’ in Poperinge: ‘De kei van de Gibeanen zal ongetwijfeld verband houden met het symbool van de dwaasheid, zotheid etc. zo ondermeer met het bekende keisnijden. De kei te Poperinge zou ook verband houden met de koppigheid van de Poperingenaars die met de spotnaam “keikoppen” betiteld worden’.]

[Pleij 1983a: 31. Van de 14de tot de 17de eeuw noemde in Poperinge een feestgezelschap van carnavalvierders zichzelf ‘de Keikoppen’.]

[Aelwarich ed. 1980: 38-39. De zottenkei komt ook voor in een slechts fragmentarisch bewaard, scatologisch 15de-eeuws handschrift dat te Amsterdam bewaard wordt: Dit es van den scijtstoel. Het voorwerp dient aldaar om er het achterste mee af te vagen.]

[Coigneau II 1982: 299 (noot 124) / 424-431. Uitgebreid over de kei als dwaasheidstopos.]

[Viaene 1974b: 189. De rederijkersterm keyie = zotheid, dwaasheid, uitgelatenheid (met bronnen).]

 

Die pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 209 (regel 26). Allegorische prozatekst. Gracie Gods zegt tot de ik-verteller (een pelgrim): Nu segt mij, keysot. Handschrift H heeft: ‘dulsot’.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 41 (refrein 18, verzen 1-2 / 12-14). Zot rederijkersrefrein over een ‘arme bruiloft’, waar de gasten geen eten of drinken krijgen.. Een vrouken van keijhem ende ioncker dwaes / souden te samen in huwelyck vergaren / (…) duer tlanck beyen begonster veel te wincken / Wy moghen die bellen en die keyen doen clincken / sprac daer een.
  • 164-166 (refrein 85, verzen 1-62). Zot rederijkersrefrein op de stok ‘die keije verborghen onder die blesse bloot’. Ik geef van dit refrein een volledige hertaling in modern Nederlands. [strofe 1] O zeer beroemde Zotheid, / waarom laat de dwaas zijn voorhoofd zien / en verbergt hij de kei, die toch ook aan zijn hoofd vastzit? / Daar zijn talrijke redenen voor, die iedereen graag zou horen. / Het probleem heeft een oplossing gevonden. / Omdat de kei zich in het hoofd bevindt / heeft hij het voorhoofd onvruchtbaar gemaakt, / want hij heeft een droog karakter. / De kei blijft ook verborgen opdat het verzwegen / zou blijven of de kei klein of groot is. / Dat privilege heeft hij verkregen. / Dus is het geen wonder dat in het hoofd schuilt / de kei, verborgen onder het blote voorhoofd. / [strofe 2] De kei gedijt beter verborgen / dan bloot, zoals bij de raap het geval is. / Want als hij bloot lag, zou men hem uitsnijden, / en was hij uitgesneden, dat zou niet niet goed zijn. / Want half zot, half wijs maakt het leven aangenaam, / en dat is men dankzij de kei. Daarom is het noodzakelijk / voor ons welzijn dat hij verborgen blijft. / En zo blijft bij ons tot aan onze dood, / de kei, verborgen onder het blote voorhoofd. / [strofe 3] De kei is waardevoller dan ivoor, / dan drie of zelfs vijf, zes andere stenen. / Daarom moet hij bewaard worden in een ciborie [hostiekelk], / gemaakt van een betere stof dan goud of cipressenhout. / Men kan hem elders niet vinden dan onder het voorhoofd. / Daarom is de kei een fijne edelsteen. / Men kan hem vooral zien op de kermis, / onder het blote voorhoofd, al is het maar schijn. / Van nature kan hij zich niet stil houden, / en daarom moet het voorhoofd heel wat stoten verdragen. / Dan wordt het voorhoofd met veel pijn opengesneden, / want de hersenen worden niet met rust gelaten door / de kei, verborgen onder het blote voorhoofd. / [strofe 4] Al weet men niet zeker / of er een kleine of grote kei gegroeid is, / aan het dik, dun of klein zijn van het voorhoofd / kan men het zien en vermoeden. / Vooral als de bonen bloeien / en de appelbomen [wittinghen] in bloesem staan, / verkrijgen de keien grote kracht / en kwellen ze de voorhoofden met groot geweld. / De keien hebben ook wonderlijke kleuren, / maar meestal zijn ze nochtans wit of ook wel groen en rood. / Sommigen hebben weinig last van de kei, / anderen krijgen er een hoofd van zo zwaar als lood, / van de kei, verborgen onder het blote voorhoofd. / [strofe 5, Prinche] De kei, sterk als een geneesmiddel, / is soms groter dan de keidrager. / Nochtans blijft hij in zijn tabernakel zitten. / Maar hoe komt het dat hij, voorwaar als bij mirakel, / zoals de maan het hoofd bezwaart? / Want al is de mens tot volle wasdom gekomen, / de kei blijft nochtans met grote snelheid groeien. / Hoe ouder, hoe zotter: dat is een bekend spreekwoord. / Al kent dus de kei een snelle groei, / hij blijft toch onzichtbaar, en zo hoort het ook, / anders zou het gaan om een te grote bol. / En zo blijft ongezien in het reliekschrijn, / de kei, verborgen onder het blote voorhoofd.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 208 (refrein 114, verzen 44-45). Zot rederijkersrefrein. Oock seg ick al lotert mi die keye / Dlachen doet elcx herte verlichten.
  • 246-247 (refrein 138, verzen 7 / 23). Zot rederijkersrefrein. Daer een keyaert bi was ende een manckaert / (…) Dies weenden so iammerlic keiaert en soetaert.

Groot Labuer ende Sober Wasdom ed. 1920 (1530)

  • 273 (vers 302). Rederijkersspel. Et dynct my al keysaken.

Zeven bloetsturtynghen ed. 1920 (1530)

  • 456 (vers 139). Rederijkersspel. Jonsteghe Daet noemt Blyden Wille lieue keyaert.

Hoedeken van Marye ed. 1920 (1530-31)

  • 412 (vers 43). Rederijkersspel. Zinnelicheyt noemt Wille goe keyaerde.

Refereynen Gent 1539 ed. 2000 (1539)

  • F1v (vers 1). Zot rederijkersrefrein van Brugge, over dwazen: Tvolck dat hem raescoppigh, keybolligh ghenert.
  • F7v. Zot rederijkersrefrein van Meesene, over dwazen: Alle deze tooghen zotte manniere / Ende zijn meest inden key besmett.
  • G2r. Zot rederijkersrefrein van Nieuwkerke, over dwazen: De key beghintse int voorhooft te lueteren.
  • G2v. Idem: Die vanden verwaenden key zijn besmitt.
  • G6v. Zot rederijkersrefrein van Tienen, over dwazen: Dan deze keyaerts metten geschoren cranse.
  • G7r. Idem: Waer moghtmen meerder zotten ghevinden / Of die den keyaert beter onderwinden.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 35 (vers 865). Rederijkersspel. Een sinneke zegt smalend over een ander sinneke: Dat sprack een clerck, alias Jan achter lam, / den rechten fijnen stam van der keyen sap soet.

Sorgheloos ed. 1977 (1541)

  • 118 (vers 51). Rijmprent. Sorgheloos gaat dansen in de herberg en zegt tot een speelman/pijper: Dus speelt op een speelken hier van den keyen.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 7 (nr. 5, strofe 3, vers 3). Zot liedje, dialoog tussen man en vrouw. De man zegt: Eens ter weecken lotert haer de keye.
  • 194 (nr. 169, strofe 1, verzen 1-2). Zot liedje. Een aantal dwazen zingen over zichzelf. WY groeten myn heer, met grooter eer / Van keyenborch verheuen.
  • 259 (nr. 219, strofe 3, verzen 7-8). Politiek spotlied, over Hansken van Gelder: Met clappen vander vander keyen / Daer mocht ghi v toe bereyen.

Tugrobel ed. 1980 (1544)

  • 157 (regels 126-127). Spotprognosticatie. Eenyegelijck behoort hem te wachten keyen ende cassysteenen te swelghen.

Nichte ed. 1920 (XVIA)

  • 533 (verzen 5-6). Rederijkersklucht. Een bazige man over zijn vrouw: Myn wyf en sal huer, en jc can vry / Tmywaerts niet thooghen als donbesuuste keyen.

Duytsche Adagia ofte Spreecwoorden ed. 2003 (1550)

  • 252 (nr. 88.5). Spreekwoordenverzameling. Vande key gheraect. Zonder verdere uitleg.

Duypen en Gebuerinne ed. 1989-90 (circa 1550)

  • 171 (vers 26). Rederijkersklucht. Gebuerinne over Duypen: Jck moet hem al wat toegeuen want hem lottert de keije.

Sotslach ed. 1932 (circa 1550)

  • 34 (verzen 28-30). Rederijkersklucht. Myn dunckt dat mij de keij eerst begint te groeijen / ick meende datse rijp was en tijt om snoeijen.
  • 47 (verzen 303-304). Zang bij een eierdans: Dus salmen den gheck scheren, achter toor den keij / dat dwaesheijt mach vermeren, so danssen wij dat eij. Hieruit blijkt dat de kei niet alleen onder het voorhoofd maar ook achter het oor kon zitten.

Twee Sotten ed. 1937 (1559)

  • 32 (vers 70). Tafelspel. Den Gemaecten Sot zegt: gij motten eens cussen aen sijnen mont / weer segdijt soe sydij met allen keij.

Ulenspieghel ed. 1980 (1560)

  • 77 (vers 259). Spotprognosticatie. Over de Leuvense studenten die ’s nachts de bordelen aflopen: Ende want se van de Keyenberch soo sijn besmit.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 87 (fol. 199r, verzen 15-19). Zot rederijkersrefrein. Een besnotte ionghMelckmule zeyde tes gheck / diet een Letsken Redenlick had inden Beck / die wildhem daer onder de Clappaerts moeyen / en zeyde dat zulck mondwys hadde groot ghebreck / vanden key, int plecxken daer men slaet de Coeyen.
  • 96 (fol. 205v, verzen 1-13). Rederijkersrefrein. Over het ‘graveel’ (stenen in de blaas).
  • 122 (fol. 221r, vers 26). Zot rederijkersrefrein. Met datse waeren ghezeynt metten grooten key.
  • 149 (fol. 237r, vers 14). Zot rederijkersrefrein. Wel Riep doe tpottewyf, hoe speilt ghy int keye.
  • 260 (fol. 300r, verzen 16-17). Rederijkersgedichtje met als titel: Amoureuze Meyelynghen / die hem zomtyds in tkeye dwynghen.
  • 269 (fol. 304v, verzen 35-36). Meilied. Weist oock niet te key / Met dyn liefueken Inde Coele mey.

’s-Hertogenbosch: factie in Antwerpen 1561 ed. 1962 (1561)

  • 1. Rederijkersklucht. Vier dwaze koppels komen naar de ‘Patroon vanden Alven [zotten]’ om zich met een zalf te laten instrijken om nog zotter te worden. In de lijst met personages, onder meer: Maes van Keyendael.
  • 1 (verzen 6-8). De Patroon zegt: Ick canse, die na tstof vander muelen haken, / Daer de keye maer lotert aen den eenen cant, / Hiermede ghenesen, dats noch sotter maken.
  • 2 (vers 25). Versleghen van keydaels winden.
  • 4 (verzen 64-65). Een dwaze vrouw tot de Patroon: Patroon, van blyschap ghevoelen wy die keyen / Duer cracht van u salve alree daer loteren.
  • 9 (verzen 160-161). Des keyaerts mast staet hier door vast / Daer ghy u aen moet houwen.

Hel vant brouwersgilde ed. 1992 (circa 1561)

  • 3v (vers 252). Rederijkersspel. Over vervallen adel: Al sijn sij van keijenburch alse slechs van geboort eel sijn.

Bijstier ed. 1946 (vóór 1562)

  • 167 (vers 406). Rederijkersklucht. Een kwakzalver scheldend tot een dwaze man: Wat meent ghi daer mede ghi keije tote.

De Keyser 1939/40 (1563)

  • 130. Liedje uit 1563 over de nietswaardigheid van de aardse ijdelheden. Wat lotert hem anders dan de keye / Die sonder cause hem selven quelt, / Alsoot blijct in menich contreye / Deen soecket deere, dander tgelt.

Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 12 (vers 159). Satirisch strofisch rederijkersgedicht. Over een griffier: Maer Claes duechniet, al quelt hem de keye.
  • 21-22 (verzen 456-468). Een passage over de keyenberch (spottoponiem in verband met dwaasheid). Vergelijk Leenhof der Ghilden /Parafrase ed. 1950: 41 (regels 154-162) [tekstbron uit XVIB]: gelijkaardige passage over de Keijenberch.
  • 32 (verzen 799-800). Ghelijc of hy wou vanden muelenberch stallen / Tot op den keyenberch en daer in persisteerden. Vergelijk Leenhof der Ghilden/Parafrase ed. 1950: 45 (regels 333-334): gelijck oft ware van den vuylenberch tot op den Keyenberch ende daer in persisteerden.

Etymologicum ed. 1974 (1599)

  • 229. Nederlands-Latijns woordenboek van Kiliaan. Keye = cerebri morbus, cerebrum non sanum, insipientia, insania, phrenesis. / Keye = stultus, insanus, vacillans cerebro, lapide silice stultior. / Keyachtigh = saxosus. / Keyaerd = homo insanus, delitus, insipiens. Kiliaan vermeldt overigens ook: keyken = flos armerius, waaruit blijkt dat ‘keike’ ook naar een bloem kon verwijzen.

Huisvader ende Huismoeder ed. 1994 (XVIB)

  • 39r (vers 637). Rederijkersspel. Boose Viant Snoot (de duivel) zaait onkruid: Dit cruijt sop gedroncken bij stoopen, doet keij uuijtkijken. Het gaat over ‘maloten saet’ (dwazenzaad).

Grooten Honger ende Goeden Appetijt ed. 1998 (XVIB?)

  • 68v (vers 52). Tafelspel. Een landloper zegt: En Laet die caij springen vrij uuijt den mow.

Marot noodt ter bruijloft ed. 1998 (XVIB?)

  • 96r (vers 51). Tafelspel. Vreucht sal daer werden bedreven van gecken en caijen.
  • 96v (verzen 79-81). En als Den bruijdegom den bruijt sal beslaepen / soo sult ghij betraepen alsoo veel caijen / van die sottinnen die den bruijt bescreijen.
  • 97r (vers 103). Laet die caij toch groeijen, maect u bereijt.

Jonstige Minne en Boerdelick Weesen ed. 1998 (XVIB?)

  • 168r (vers 95). Rederijkersspel. Het ene personage scheldend tot een ander: Ghij besetten kaijaert.
  • 173r (vers 328). In een opsomming van zotheidstoponiemen: keijenburch sottingen, geckhooven beneven.

Lijs en Lippen Harman ed. 1997 (XVI)

  • 67r (vers 277). Rederijkersklucht. Lippen tot zijn vrouw Lijse: So sijdij al keij van sinne.

Coster Johannus ed. 1997 (XVI)

  • 124r (vers 49). Rederijkersklucht. Boerdelijck Geck voelt zich suf: Tis wonder dat mij die keij niet en Leutert.
  • 125r (vers 184). Een vrouw over haar man en zoon: Want die vaer is keij ende het kint is sodt.

Reijn Geneucht en Menich Vileijn ed. 1997 (XVI)

  • 131v (vers 297). Rederijkersspel. Menich Vileijn over zijn stiefzoon: Ick wil hem vraegen al schijnt hij wat keij.

Krimpert Oom ed. 1932 (XVI)

  • 67 (vers 434). Rederijkersklucht. De rechter tot Krimpert Oom: Loop, begindij met de keij te spelen [begin je gek te worden?].

Veelderhande Geneuchlijcke Dichten ed. 1977 (1600)

  • 94. Satirische rijmtekst, ‘Hoe Aernouts broederen sullen spreken metter Vrouwe als de Man van huys is’: Seght dat ghy oock kunt snijden den steen. Onduidelijk of het hier om de steen (kei) der dwaasheid gaat.
  • 186. Satirische rijmtekst, ‘De sotte Benedictie’. Wy Compaengioenkens, zijn al verdoenkens / Sotkens, Keykens, Leckerkens, Leykens.

Ruijt Verstant en drie bijbelse vrouwen ed. 1946 (circa 1600)

  • 214 (verzen 227-228). Rederijkersspel. Ruijt Verstant presenteert een steen. Rachel denkt dat het een kei is: Jae, een keij van redelijcken grootheijt, / Die hem vooren in hoot leijt, quaed om ghenesen.

Spiegel vanden Ouden ende Nieuwen Tijd ed. 1862 (1632)

  • 211. Gedicht van Jacob Cats met als titel ‘Wilt ghy wel scheren nae den aert? / Soo scheert voor eerst een geck sijn baert’. Dwaze ijdeltuiten stellen namelijk hoge eisen aan de kapper: Want daer leyt hem de key. Een hooft te bijster net / Heeft ick en weet niet wat, dat hem van binnen let.

 

2 Verwijzingen naar het snijden van de kei

[Mirakelen ’s-Hertogenbosch ed. 1998: 85. Het ‘snijden van de steen’ (nierstenen onder meer) is niet te verwarren met het ‘snijden van de kei’. Dit laatste was een schijnoperatie, berustte op bijgeloof en was een folkloristisch vermaak, uitgebeeld door onder meer Bosch, Bruegel, Steen.]

[Smeyers 1975: 40-41. Een misericorde van de koorbank in de Sint-Sulpitiuskerk te Diest (voltooid in 1494 door Jan Borreman?) = een nar met in de ene hand een marot en in de andere een kei. Diestenaars werden ‘Loterbollen’ genoemd.]

[Verellen 1952: 58. Vermelding van den keysnyder in de Sint-Woutruyden-ommegang te Herentals, midden 16de eeuw. Ook vermeld in Van Autenboer 1963: 118 (zie ook noot 38 over het keisnijden).]

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 181-182 (refrein 223, verzen 45-52). Zot rederijkersrefrein. Over een man die zijn vrouw afwisselend seksueel uitput en aframmelt: Haer man sou als een hatelic dwerch / tamersfoort eens om wytinghen rijen / Daer viel hij in enen keij op amersfoorts berch / die hem noch steeckt bij sommighe tijen / Niemant en canse hem wt ghesnijen / hy drachse int voorhooft meerden dan een not / Daer om heeft hij hem noch in alle sijen / al waert een out gheboren sot.

De Keyser 1939/40 (1563)

  • 135. Eigentijdse beschrijving van het 6de ‘punt’ (allegorische wagen) in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwe-ommegang van 1563. Den Tittel van teste Punt / Elck heeft een keyken dat hem somtijds quelt, / En hy en wilts niet weten dan alst hem selven melt. / Op den Waeghen wert eenen van de Key ghesneden gheheeten Hersseloos van Meester Faes Luerequack, met noch meer ander vrouwen ende mans, de welck van der keyen seer ghequelt sijn, daer by sijnde eenen Medecijn, dwater besiende, en een Heydensche Meesteresse, de welck eerst de handen besiet eer si ghesneden worden, daer het ghelt af ontfinck Eygen Baete. Hier achter rede te peerden eenen int Boonstroo, den tweeden in den Haeseler, den derden met een Muelen inde hant bestooven sijnde met den Meelbuydel om dat de sulcke haer wijsheyt verloren hebben. Ende noch volcht hier na eenen Brouwer de welcke vuldt vuyt eender cuypen veelderhande bieren, te weten Iuecsteert, Valvanderbanck, Hemmeken op, Gaeghel Cuyte, Sermuteyn cnol, Suer Meerts bier, Engelschen Ael, Ghentschen Crabbelaer, Mueseler, Val, Cuyse, daer af ghedroncken hebben die van der Keyen gequelt sijn, dwelck haer schaedelijck is, maar is Eyghen Baetens profijt. De ‘tittel’ ook vermeld in De Bruyne I ed. 1879: 64.

 

Rijcke Wrecke ende Lazarus ed. 1993 (XVIB)

  • 39v (verzen 157-160). Rederijkersspel. Deenvoudige Mensch zegt: Wadt mach die vergaedering der menschen beduijden / die nae den windt staen kijcken int noorden en zuijden / oft hier wel een out wijff vanden steen te snijden is / oft wil hier een lapsalver vercoopen sijn cruijden.

Quacksalver ende Boer ed. 1998 (XVIB?)

  • 156r (verzen 65-70). Rederijkersspel. Een kwakzalver prijst zichzelf aan: En daer heb ick noch een caij gelijck een aij / noijt sulck een hier int hoff en was / Die onstreeck ick een boer die plomp en groff was / van beeter stoff ras, hort mijn ontgorden / achter Dagen Daer naer is hij kerckmeester geworden / Dese groven gorden nae mijn verstant. Deze kwakzalver is dus duidelijk onder meer een keisnijder.
  • 157r (vers 100). Boer tot kwakzalver: Segt meester sout ghij wel conen den caij uuijtwinnen.
  • 157r (verzen 107-110). Idem (de boer is de kwakzalver aan het bedriegen): Neen ick certeijn soo waer ick gehoont / maer naest onsent woont een man ontstelt / die wort soo Deerlijcken vanden keij gequelt / soo Datse hem swelt ten halven thooft.

 

3 Kei // hardheid, verhardheid (onder meer in zonden)

 

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 293 (refrein 80, strofe b, vers 13). Vroed rederijkersrefrein. Lijdt met Christo, zijt niet verhert als een keye.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 33 (refrein 13, verzen 7-8). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Onghenadighe fortune, v seg ic tfy / duert deruen der liefster, herder dan keyen.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 432 (Boek III, refrein 61, strofe e, vers 17). Vroed rederijkersrefrein. Over zondaars: Blijvende in sonden verhert als keyen.

 

[explicit 5 januari 2017]