KIP

 

1a Kip die haar kuikens beschermt = Christus

[Deze beeldspraak is gebaseerd op Mattheus 23, 37 en Lucas 13, 34 (Jerusalem, Jerusalem, dat de profeten doodt, en dat stenigt die tot u zijn gezonden: hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, zoals een hen die haar kuikens onder haar vleugels verzamelt; maar gij hebt niet gewild).

Bruyn 1988: 106-108 (afb. 20), signaleert een schilderij van Frans Floris: Christ gathering the faithful together as a hen gathers her chickens (paneel, 1562, Parijs, Louve). De gekruisigde Christus heeft vleugels, uit Zijn mond komt het hierboven geciteerde bijbelvers en op de voorgrond zit een kip met haar kuikens. Bruyn brengt dit schilderij in verband met het gedicht Gallina (circa 1528?) van Alardus Aemstelredamus, waarin het beeld van de hene n haar kuikens een metafoor is voor huwelijks- en kinderliefde. Bruyn noemt dit gedicht het ‘onmiddellijke prototype’ voor het schilderij, maar is blijkbaar onbekend met het feit dat het hier om een wijdverbreide bijbelse topos gaat.

Bartelink 1990/91: 12, verwijst naar het bijbelse beeld (Mattheus 23, 37) van de kip (Christus) die haar kuikens beschermt tegen roofvogels (duivels). In middeleeuwse kloosterteksten verwees de kip ook vaak naar de abt.]

 

Fabulae ed. 1985 (XIIIb)

  • 108 (nr. 49: ‘The Chick, the Hen, and the Kite’). Latijnse fabelverzameling. Een kip beschermde haar kuikens onder haar vleugels tegen een wouw. Eén kuiken bleef echter aan een worm pikken en werd gegrepen door de wouw: Thus does the Lord call unto us – so that, fleeing from sins, we may flee in under the wings of His protection. But many men, the Devil willing, do not flee to Christ. Instead, they stay right there with their grubworm of sin, with a prostitute or with drunkenness of covetousness. And the kite (i.e. the Devil) comes and seizes so foolish a chick.

Rijmbijbel II ed. 1859 (1271)

  • 613-614 (Evangeliën, hoofdstuk 83, verzen 25.553-25.560). Berijmde historiebijbel. Jhesus keerde die tale van hem / ende seide: ‘O du! Jherusalem / hoe dicken wildic ghewillike / dijn volc vergadren dies ghelike / dattie hinnen hare kiekine broet / ende du ne wils in dinen moet / niet bekinnen dat verdriet / dat u die prophete behiet!’

Tleven Ons Heren Ihesu Christi ed. 1980 (1409)

  • 93 (hoofdstuk XVII). Jezusleven. Sich hem nu aen te gader mit sinen jongheren neder climmende vanden berghe ende vriendelic mit hem sprekende over den wech gaende, ende hoe dat die schare van simpelen luden te gader hem volghet, niet curioselic gheordiniert ende ghestelt die een na den anderen, mar als kuken na der hennen.
  • 152 (hoofdstuk XXVI). Sich nu aen die jongheren gaende na hem ende mit hem, hoe hem elc pijnde als hi best mocht hem te ghenaken ende sich, hoe si vergadert ghaen recht als die kuken nader hennen.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 76 (Boek I, refrein 20, strofe a, verzen 8-9). Vroed rederijkersrefrein. God roept tevergeefs tot de mens: Ic heb u, seyt hij, dicwils willen versamen, / Gelijc een hinne haer kiecxkens onder mij vrij.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 292 (refrein 798, stroge g, vers 11). Vroed rederijkersrefrein. Berouwvolle zondige mens tot Christus: Laet mij, U kiecxken, schuylen onder U vlercken.

Evangelische Leeraer ed. 189-90 (1532 of 1542)

  • 44 (verzen 369-371). Rederijkersspel. Christus tot ‘Jerusalem’ (= de zondige mensheid): Ick hebbe u so dickwils onder my willen versamen / ghelijck een hinne haer kiexkens door mijnen staet, / maer ghy en hebt niet gewilt, dus muechdy u wel schamen.

Siecke Stadt ed. 1917 (1539-64)

  • 30 (verzen 823-824). Rederijkersspel. In een refrein van Amstelredam: Maer o Jherusalem, hoe dick heb ick v willen vergaeren, / gaet Chrijstus verclaeren, als een henne haer kiecxkens doet.

Van Autenboer ed. 1962 (1563)

  • 262. Rederijkerslied uit 1563, verzen 37-38: Soo onder s’Hinnekens veren / Den Kieckens niet can deren.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 127 (refrein 29, strofe 3, verzen 9-10). Vroed rederijkersrefrein. Over Christus: My soeckende als een hin, die haer kiecxkens vergaert / voer der wouwen clauwen doer der liefden brandt. Wouw = duivel.
  • 130 (refrein 30, strofe 2, vers 6). Vroed rederijkersrefrein. Over Christus: My bewaerende als een hin haer kiecxkens siet.

Evangelische maeltijt ed. 1992 (XVIB)

  • 75r (verzen 927-928). Rederijkersspel. Goetheijt Goods zegt: O Jerusaelem hoe dick heb ick u willen vergaeren / als een henne haer kuijckens ghij moechtet wel beschreijen.

Geslacht der Menschen ed. 1996 (XVIB)

  • 135r (verzen 657-661). Rederijkersspel. Want godt den heer boven alle heer scaeren / wil sion sijn bruijt die int hart verheeven is / niet eewich verlaeten in dit beswaeren / maer wilse als een henne noch eens vergaren / onder sijn vleugelen en haer soo bewaeren.

 

1b Andere toepassingen van de topos ‘kip die haar kuikens beschermt’

 

Den Triumphe ande ’t palleersel van den vrouwen ed. 1996 (1514)

  • 335 (verzen 12-14). Gedrukte kledingallegorie. Over de wijsheid: Boecius ghelijct se oock, sonder were / Eender hinnen die met grooten ghere / Haer kiecxkens verwaert met diligencien.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 158 (verzen 148-149). Rederijkersspel. Rhetorijckelijck Gheest over Karel V: En diemen sijn gheemnte so trouwelijck siet beschermen, / Ghelijck een henne hör kiecxkens onder hör vlercken dûet.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 454 (Boek III, refrein 67, strofe e, verzen 1-6). Vroed rederijkersrefrein. Experientie leert, tis een gemeyn seggen, / Als de Herden dolen, de Wolf de schapen hoet, / En als de hinnen haer kiecxkens laet alleen leggen, / So heeftse de wouwe te overgapen goet. / Ghij, wachters des volcx, Predicanten, Papen vroet, / Als ghij siende doolt, wie sal de blinde leyen? Kip die kuikens alleen laat = de slechte clerus die de gelovigen overlevert aan de duivel (wouw). Vergelijk ook ibidem, 465 (Boek III, refrein 70, strofe h, vers 12): De catte leyt de kiekenen, de wolf de schapen (vroed rederijkersrefrein).

Veldman 1992 (circa 1600)

  • 247-248. Eerste prent uit een reeks (circa 1600) van Crispijn de Passe de Oude naar Maarten de Vos: Diligentia et Sedulitatis typus. Een kip met kuikens onder haar vleugels = de Ijver (Diligentia).

 

1c Kip = Christus

 

Brugman ed. 1948a (vóór 1473)

  • 230 (preek XIX, regels 130-134). Prekenbundel. Over Christus aan het kruis: Onse lieve heer is recht gelijc enen geplucte hoen ende elck heilich heeft hem gepijnt een veder daer-af te crighen. Siet bhoe dat hi hanget aent cruyce, recht als een gepluct hoen. Susteren, laet ons pijnen elc een veder daer-af te crighen.

 

2 Kip = iets van weinig waarde

 

Goetheijt, Lijefde en Eendracht ed. 1994 (1579)

  • 156r (vers 669). Rederijkersspel. Het ene neefke tegen het andere: Ick gaeff niet een hoen, voor beij onse eer.

Eenvoudige Mensch en Schijn van Deuchden ed. 1996 (XVIB)

  • 108r (verzen 1228-1229). Rederijkersspel. Die Stemme Goodts over de vijanden van het geloof: Dus al haer verwoen / acht niet een hoen, tmach u niet beswaeren.

 

3 Kip = dwaze persoon

 

Drie daghe here ed. 1907 (circa 1410)

  • 123 (vers 160). Klucht. Bette denkt dat haar man Jan dronken is: Ghi staet en daesbolt als een kieken.

Herentals: proloog in Antwerpen 1561 ed. 1962 (1561)

  • 87 (verzen 20-21). Rederijkersspel. Landen tot Dorpen (edelman tot boer): Ghy schijnt een broethinne, / Die my dunct dat versch comt uuten nest ghevloghen.

 

4a Kip = slachtoffer van iets of iemand

 

Nyeuwen priestere ed. 1920 (circa 1530)

  • 430 (vers 259). Tafelspel. De zot Twyffelic Zin denkt zijn tegenspelers te kunnen pakken op het wangedrag van vele priesters. Hij zegt: Kip jc hebge, daer zoudet nyppen.

Nichte ed. 1920 (XVIA)

  • 541 (vers 336). Rederijkersklucht. Vrouw slaat man: Ghy moeter naerder, of jc smythu als een ghevilt hoen.

Machabeen ed. 1992 (1590)

  • 27v (vers 265). Rederijkersspel. Hertelijck Medogen gaat van de scène, eer men ons compt plocken en tesen, gelijck een hoen. Geplukte hoen = persoon die (godsdienstig) vervolgd wordt.

Veel Volks begeert Vrede ed. 1994 (XVIB)

  • 74r (vers 603). Rederijkersspel. Nijt tot Twist (twee neefkens): Springter uuijt goet hoen, eermen ons broen, Laet ons raet howen.

Moorkensvel ed. 1977 (1600)

  • 28. Tafelspel. Geesken scheldt tegen haar man: Ick soude v ooghen in v handt geuen / Ende daer toe verworghen als een hoen.

 

4b Kip = zondige persoon, slachtoffer van duivel

 

Groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 27v (verzen 711-713). Satirisch rederijkersspel (duivelsspel). Een duivel zingt: Soo meuchdij inder hellenn broen / een [lees: en] eewelijck worgen als een hoen / en bitterlijcken screijen.

Christum liefde bewijsen ed. 1993 (XVIB)

  • 69r (vers 677). Rederijkersspel. Een neefke smalend over de toekomstige ondergang van zijn slachtoffer: En leeren hem noch spille voen als een verworcht hoen.

Goodts Goetheijt ed. 1998 (XVIB)

  • 147r (vers 98). Tafelspel. Duvels Nijdicheijt tot Goodts Goetheijt: Ick woutmen u aen tspit als een hoen bonck.
  • 152v (verzen 373-375). Duvels Nijdicheijt jaagt op mensen: Nu sal ick mijn best doen / en als Duvels nijdicheijt naer die Rest spoen / Dat ick als een gemest hoen sal inden noot wrijven.

 

4c Kip // hoogmoed

 

Spiegel der Sonden II ed. 1901 (1434-36)

  • 268 (regels 1-6). Zondenspiegel. Die sijn doget bi roem seet, die slachten der hennen die al om gaet kakelen, als si een ey geleet heeft, daer bi wort mens gewaer, soe datment daer bi verliest. Des gelijckx verlieset die romer sijn doget.

Pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 340 ((regels 4-7). Stichtelijke allegorie. Hoogmoed zegt: Seker weet, dat ic hier hebbe alsoe groten genuechte als een hinne doet, de welke haer ey niet verswijgen en wille. Want sij kakelt zere, om dat haer dunct groot eere datmen tot hare neste comt sien wat daer inne is. Ende aldus eest van mij in mijn blasen.

 

5a Kip (hen, hoen, tijte) = vrouw

[Vergelijk ook bij HAAN]

 

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 84 (vers 2378). Rederijkersspel. Katharina betreurt haar afgewezen liefde: Als een ghecraechde hinne.

Stove ed. 1944 (XVIa, vóór 1522)

  • 159 (verzen 322-323). Strofisch rederijkersgedicht. Een slechtgehuwde vrouw zegt: Het stonde mij wel eewich te verwijte / Stondick nv als een vervaerde tijte.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 254 (refrein 142, vers 38). Zeer onduidelijk zot-absurd rederijkersrefrein. Hout v enge baycupe, wacharmen tijte.

Colloquia familiaria ed. 2001 (1533)

  • 197. ‘Colloquium senile’. Polygamus over zijn Franse vrouw en zijn kinderen: In één woord, toen mijn vader maar bleef tieren – hij weigerde ‘zulke kippetjes’ in zijn huis te onderhouden en dreigde voortdurend met onterven – pakte ik mijn biezen en ik, de haan, ging met mijn kippetje elders wonen. Ze gaf me een toom kuikentjes.
  • 197. Idem. Polygamus zegt: Nee, ik vind het wat jammer dat ik geen twee of drie vrouwtjes tegelijk mag hebben, zoals een haan zijn hennen.
  • 207. ‘Franciscani’. Een pastoor tegen twee franciscanen: Als jullie in mijn huis een kippetje of wat kuikens zouden zien, halen jullie me morgen in een preek voor het volks over de hekel.
  • 406. ‘Agamos gamos’. Petronius zegt dat ongezonde, schurftige vrouwen die huwen een kuisheidsgordel moeten aankrijgen. Gabriël repliceert: Zo had je tenminste een middel gevonden om geen slechte kuikens te krijgen van slechte kippen.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 325 (refrein 34, strofe A, vers 8). Zot rederijkersrefrein. Een pantoffelheld spreekt: Noyt man en creech zoe aelweerdighe tyte. Coigneau II 1982: 347 (noot 248), vertaalt ‘aelweerdighe tyte’ als ‘onbezonnen kuiken’. Volgens ons betekent ‘tyte’ hier ‘kip’ (zie ook bij 5c).

 

5b Kip (hen, hoen, tijte) = lichtzinnige vrouw, hoer

[De Jongh 1995a: 28, signaleert de betekenis ‘kip’ = meisje van losse zeden. Ook de uitdrukking ‘kippen (of duiven) op zolder houden’ = bordeel houden (met in noot verwijzing naar een Duits boek en naar het WNT).

Vergelijk ook bij HAAN.]

 

Vlaamse Rose ed. 1958 (circa 1290)

  • 186 (vers 233). Allegorie. De minnaar die de roos van zijn geliefde wilde plukken, is afgewezen. Zij zegt: Faet elre nv v hoenre vaen.

Mariken van Nieumeghen ed. 1980 (circa 1516)

  • 42 (verzen 76-77). Rederijkersspel. De boosaardige tante zegt tegen Mariken: Wachermen, tijte! Zorgdi nu zo zere voor uwen maagdom, God woud’s?

Ghelasman ed. 1990 (XVIA)

  • 260 (vers 53). Strofisch rederijkersgedicht. Een herbergmeid tot een flirtende oude marskramer: Ontbeit, en saechdi nye out vet hoen? Zij bedoelt: zoek jezelf een oud wijf dat je bevalt, en laat mij met rust.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 267 (fol. 304r, vers 7). Zot meiliedje. Aansporing, gericht tot jonge meisjes, om seks te hebben: Laet deyns en danssers plaeren, drynct wyn helpt schueren thoen. Het hoen schuren = ontmaagden? Onduidelijk.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 211 (fol. 442r, vers 30). De bekende ‘Adieu’ van De Dene. Opsomming van allerlei figuren van wie hij afscheid neemt: Tytiens die hebben huutgheleydt haar Randekens. Meisjes dus wier ‘randen’ zijn uitgezet omdat zij (ongewenst?) zwanger zijn en hun buik dus groter wordt.

Groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 26v (verzen 647-650). Satirisch rederijkersspele (duivelsspel). Schijn van Geestelickheijt (een monnik die allegorisch naar de clerus verwijst) over ijdele jongedames: Besiet hoe sij nu in haer bonte cleeren gaen strijcken / als Jonckvrouwen Die prijcken, want daer iser veel nu / sij Dragen Damast sijde en fruweel nu / sij sijn oick eel nu Dese hovaerdige hennen.

Leenhof der Ghilden/Parafrase ed. 1950 (XVIB)

  • 44 (regel 281). Satirisch-allegorische tekst. Context = bordeelseks. Ick moet oick somtijts kiecken vlees eten. Kip = prostituee.

 

5c De term ‘tijte’ = kip

[Bij Kiliaan (1599) lezen we: Tijte tijtken: Pullus gallicaneus: avis quaelibet minutior: vulgó titus, tita, titis. De iuvenibus ignavis vulgó dicitur, quód sunt pulchri titi [kuiken: om het even welke kleine vogel: in volkstaal titus, tita, titis. Van losbollige jongeren zegt men gemeenlijk dat het schone ‘tijten’ (kuikens) zijn] [Etymologicum ed. 1974: 557]. MNHW 1981: 606, geeft: tijtkijn = kuiken.

Dat ‘tijte’ wel degelijk ook ‘kip’ kon betekenen, blijkt uit een refreinwedstrijd van de Brugse rederijkerskamer De Heilige Geest in april 1534. De opgegeven stokregel voor het zotte refrein was: De tite es up huer eijeren vonden. ‘Tite’ betekent hier manifest ‘kip’ en niet ‘kuiken’. De zotte refreinen in kwestie zijn helaas niet bewaard gebleven [Muller/Scharpé 1920: XIV, ook vermeld in Coigneau I 1980: 195]. In Meester Hoon en Lippen Slechthooft ed. 1932: 100 (vers 169), een rederijkersklucht die waarschijnlijk uit de zestiende stamt, heet de kip van boer Lippen Slechthooft trouwens Tijtken!]

 

Een spel ed. 1976/77 (1567-76)

  • 82 (vers 43). Rederijkersklucht. Een bazige vrouw tegen haar pantoffelheld: Wagh aerme tyte. Aantekening signaleert: ‘tyte’ als term voor man blijkbaar heel zeldzaam. Waarschijnlijk betekent ‘tyte’ hier dus ‘kuiken’.

Blinde die tgelt begroef ed. 1934 (XVIB)

  • 75 (vers 224). Rederijkersklucht. Uitroep van de Cnape: Wacharmen tijte. Hij heeft het blijkbaar over zichzelf (hij wordt door de blinde die hij begeleidt, vals beschuldigd het geld geroofd te hebben). Hier dus ook: kuiken?

 

‘Tijte’ (kip) liet overigens gemakkelijk een woordspeling toe met ‘titte’ (vrouwenborst, tiet).

Die Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 143 (verzen 8431-8432). Allegorie. Besiet die scoenheit vanden rosen, / Van violetten, tidelosen. Volgens voetnoot (met referentie aan Kiliaan): tijd-loose = narcissus. Etymologicum ed. 1974: 557, geeft: ‘Narcissus’, maar ook: ‘Colchicum, hermodactylus, bulbus agrestis’. Met als uitleg: ‘Bloem die slechts één dag bloeit’.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 329 (nr. 35, strofe D). Rederijkersrefrein op de stok ‘Hoe souden ezels pooten op herpen spelen’. Een esel en dient by gheen vroukens ter feesten / Hy versmaedt violetten en pryst tydeloosen. Tijdelozen = hier, net als violetten, een bloemsoort, maar tegelijk: oude verlepte vrouwen (tietlozen, met verlepte tieten)? Hier toch wel onwaarschijnlijk.

Lieripe ed. 1980 (1561)

  • 177 (regels 152-153). Spotprognosticatie. Men sal groote cracht van tyteloosen ende van vuylpruymen vinden. Vuilpruim = pseudo-fruitnaam. Dubbelzinnig voor ‘slonzige vrouw’ met vulgaire bijklank (pruim = vagina). Tyteloose = soort bloem die op ongewone tijden bloeit + hier dubbelzinnig voor ‘slonzige, verlepte vrouw’ (tietloos: zonder borsten, met slappe borsten). Titte = Mamma, mammilla % Papilla (vrouwenborst, borstje % tepel) [Etymologicum ed. 1974: 558]. ‘Tidelose / tijtlose / titelose = naam van verschillende bloemen, niet alleen van de herfsttijloos’ [MNHW 1981: 604]. Vergelijk ook ‘Tette / tet = vrouwenborst, vrouw’ [MNHW 1981: 604].

 

6a Een kip speten = coire (waarbij kip = vrouw, meisje)

[Cat. Antwerpen 1992:162-163 (cat. nr. 69, met afbeelding in kleur en commentaar van Leo Wuyts). Paneel van Joachim Beuckelaer, Bordeelscène, 1563, Antwerpen, KMSK. Bevat heel wat erotische symboliek, onder meer een vogelkooi aan de zoldering (embleem van een bordeel) en links: een keukenmeid die een kip aan het spit steekt. Haar rechterhand, waarmee zij de kip bij de poten vasthoudt en waarnaar het uiteinde van het spit wijst, maakt het ‘vaginagebaar’. Vergelijk over dit schilderij ook Wuyts 1987c.]

 

Mariken van Nieumeghen ed. 1980 (circa 1516)

  • 57 (verzen 352-353). Rederijkersspel. De boosaardige tante zegt tegen de oom van Mariken over Mariken: Ik schat zi ievers in een kamer gemuut zit, / Daar men zulken tijtkens om een grootken speet. Connotatie: prostitutie.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 238 (refrein 118, vers 4). Zot rederijkersrefrein. Zij die in de gilde mogen worden ingeschreven, zijn onder meer: Makelaers die mitten ionghers thoijn speten. Connotatie: prostitutie.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 18 (verzen 412-413). Rederijkersspel. Dialoog tussen sinnekes: zij gaan de maagd Vprecht Simpel Gheloven helpen verleiden. Het ene sinneke zegt: Men mach altijt gheen ghesouten vleijs eeten, / men moet somtijts een kiecxken naden eijs speten. Connotatie: prostitutie.

Werlts versufte maeltijt ed. 1994 (XVIB)

  • 117v (verzen 22-24). Rederijkersspel. Tjonstich Hart in de proloog: Wat isser te Doen / salmen Iewerts Jaghen, off steeken een hoen / of wat anders bevroen, al hier ter spacij. Een dubbelzinnig aardigheidje?

 

6b Speten, aan het spit rijgen (zonder expliciete vermelding van kip) = coire

[De Jongh 1995a: 36, signaleert: aan het spit rijgen = coire in de 17de-eeuwse beelding en literatuur.]

 

Roman van de Roos ed. 1991 (circa 1270)

  • 361 (verzen 13.571-13.572). Allegorie. Als zij er meerdere kan krijgen / die haar aan ’t braadspit willen rijgen. Het originele Frans heeft ‘metre en broche’ [Roman de la Rose ed. 1974: 372 (vers 13.602)].

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 170 (refrein 217, verzen 9-13). Zot-erotisch refrein op de stok ‘Tquaetst datter af coomt syn beruoete kinderen’ (een onbeschaamde apologie voor de vrije liefde). Al saechdi stpit duer die coeken trecken / om troost te speten wat macht v hinderen / Denct natuere doetser toe verwecken / Ende wat wilmen dan scimpen of ghecken / tquaetst datter af coomt syn beruoete kinderen [= Doesborch II ed. 1940: 232 (refrein 129, verzen 9-10) (tekstbron ut 1528-30): Al saechdi den spit voor die cuken trecken / Om den roost te speten, wat macht v hinderen].

sMenschen Gheest van ‘tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 636 (vers 573). Rederijkersspel. Duvel smalend tot de hoer Vleesch (duidelijke erotische context): Ghevaerken ghy sult noch menich spelle speeten.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 93 (fol. 368r, vers 28). Zotte rederijkersballade over de kermis en de daarmee gepaard gaande erotische escapades: tspit zy voor de Cueckene vpRechten.

Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 19 (verzen 376-377). Satirisch rederijkersgedicht. Context = misbruiken van juristen. Dees Hoerkens manen eer sy zijn beseten / Om dat syse selfs souden hechten en speten.

Een spel ed. 1976/77 (1567-76)

  • 81 (verzen 21-24). Rederijkersklucht. Een man vraagt zijn bazige vrouw wie in de keuken het vlees zal speten. De vrouw antwoordt: Ey, ghy zullet speten, wat vraghe es datte? / Wie pleghet te doene anders dan de mans, ziet! Dubbelzinnige passage: pantoffelhelden moeten in de keuken werken (vrouwenwerk doen) + mannen ‘speten het vlees’ (coïtus).

 

7 Het achterwaarts scharrelen van kippen = iets pejoratiefs

[Dat kippen inderdaad achterwaarts scharrelen blijkt uit het spreekwoord hoender scherren al achterwaert [zie Proverbia Communia ed. 1947: 74 (nr. 418) [tekstbron uit circa 1480)].

Lulofs 1972: 49. Naar aanleiding van het grafschrift van de kip Coppe in Van den Vos Reynaerde: Hier leghet Coppe begraven / Die so wale conste scraven (A461-462). Scraven = naar verluidt scharrelen = wormen vangen / copuleren. Kip = naar verluidt meisje, vrouw, met nadruk op haar seksuele beschikbaarheid (dit alles gesuggereerd door Lulofs, niet aangetoond in de brontekst).]

 

Esopus ed. 2016 (1485)

  • 226 (nr. 48). Fabelverzameling. Een man wil weten waarom kippen kakelen. Ende vraghede eenre hinnen, die hi in sijn huys hadde, waer om dat sij altijt achterwaert scarrede, daer si nochtans koerns ghenoech by haer hadde na haren appetite. Welcke antwoerde ic op dese tijt ter eeren van alle vrouwen zwijghen wil ende niet meer daer af segghen wil. Nou!

Appelboom ed. 1979 (XVIa)

  • 33 (verzen 9-11). Rederijkersspel. Goet Ront zegt klagend: Al dat ick doe / gaet mij voorwaerts so Gelucken schrapt, / als in droeffheden. Met ‘Gelucken’ (Geeltje) wordt zijn kip bedoeld. Zoals kippen achterwaarts scharrelen, zo gaat dus ook het geluk van Goet Ront achteruit.

Minckijsers ed. 1992 (XVIB)

  • 117v (verzen 1198-1200). Rederijkersspel. De ‘sodt’ over het (ketters) denken van de hoer Alderhande Gebreck: recht alsomen de pijcken in vlaenderen draecht / oft voorwaerts so de hoenderen schraven. Dat denken verloopt dus scheef én achterwaarts, met andere woorden verkeerd (want ketters).

 

8 De pluimen hebben het vlees (de kip) weggedragen = zegswijze wanneer iets of iemand ontsnapt

 

Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983 (1554)

  • 175 (nr. 177, regels 76-77). Kluchtboek. Een waard wordt door een aventuerder bedrogen. Deze laatste is gevlucht en de waard beseft dat hij hem niet meer moet verwachten: die hoenderen en waren noch niet gebraden, want die pluymen hadden dat vleesch wech gedraghen.

Jan Goemoete ed. 1946 (vóór 1559)

  • 23 (vers 486). Rederijkersklucht. Jan die de benen neemt, zegt: Adieu, seght de plumen hebben tvleijs ontdraghen.

 

9 Restmateriaal

 

Spiegel der Sonden I ed. 1900 (XIV)

  • 126 (hoofdstuk 55, verzen 9851-9854). Zondenspiegel. Dieren die een voorbeeld zijn voor de mens, doordat zij ernstig doen wat ze moeten doen, en zo roekeloosheid vermijden. Bijvoorbeeld de kip: Merct die henne, die kiekene broet, / Hoe grote ernsticheit si doet / Tote dat si hare jonghen up brinct, / Daer se allene nature toe dwinct.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 114 (refrein 31, strofe c, verzen 15-16). Zot rederijkersrefrein. Een pantoffelheld over zijn vrouw: Haeldese een necker tot zijn coeke, / Fraey als de cloecke trade ic lancx der straten. Man die trots als een kloek over straat loopt (blij dat hij van zijn vrouw af is).

Weydts ed. 1969 (XVId)

  • 21 (Gesten, strofe 14, vers 10). Strofisch gedicht. Een geus zegt: Wy saghen naer het hennen ey en tgansen ey lyeten wy vaeren. De geuzen hebben hun zaak niet goed verdedigd. Kippenei = minder belangrijke zaken, ganzenei = belangrijke zaken.

 

[explicit 23 december 2016]