LUIT

 

1 Luit // religieuze vreugde, hemels vermaak (positief)

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 94 (refrein 49, verzen 37-41). Vroed rederijkersrefrein. God is te ontwaren in alle geschapen dingen, onder meer in herpen luijte fluyte en singhen / En in sueter melodyen omringhen / daermen somtijts van rechten vruechden weent / dan denc ic can dit sulcken belieuen bringhen / wat moet hi dan syn diet al verleent. [= Bijns ed. 1902: 240 (refrein 6, strofe c, verzen 10-14)]

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 329 (refrein 90, strofe i, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein, lof op Maria. U verstandt wildt scherpen, herpen doet clincken, / Blincken laet gulden trompetten, claretten, fluten, / Luten, velen wildt spelen zonder mincken.
  • 332 (refrein 91, strofe i, vers 3). Vroed abc-dicht, lof op Maria. Aansporing tot engelen en ‘virtuten’ om te zingen en te spelen op instrumenten: Appetijtelijc snaren clinckt, herpen en luten.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 30 (vers 372). Rederijkersspel. Cristenkercke is verheugd in het vooruitzicht van het huwelijk van haar dochter (het geloof) met Tminnende Herte (Christus): Herpen, velen, luijten, floijten, maect nv gheclanck.

 

2 Luit // amoureuze vreugde, vrolijke sfeer in het algemeen (positief)

 

Inglis ed. 1995 (circa 1475-80)

  • Fol. 7r. Getijdenboek van Maria van Bourgondië. In rechtermarge bij de maand juni een amoureuze scène: een man bespeelt een luit voor een vrouw in de vrije natuur.

Meester bxg, Musicerend liefdespaar in minnetuin (circa 1480)

  • Gravure (Oxford, Ashmolean Museum). In deze Duitse gravure zit een paartje in een ommuurde tuin te musiceren: hij bespeelt een luit, zij een citer. De instrumenten verschijnen hier in hoofse context en hebben dus blijkbaar geen negatieve connotatie. Het samen muziek maken kan hier de harmonie in liefde en huwelijk symboliseren. De erotische context is echter wel aanwezig.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 298 (verzen 42-43). Vroed rederijkersrefrein over de dood: Haerpe noch luyte en connen midts desen / Den sinnen ghebringhen een blijschap te goede.

Van den drie blinde danssen ed. 1955 (1482)

  • 3. Allegorisch leerdicht. De dichter over zijn opdrachtgeefster die eerlic tierde / Op herpen luyten op thoefsche spel.

Der Scaepherders Kalengier ed. 1985 (1513?)

  • I3r/v. Kalender/almanak. Recto een tekst over venuskinderen, waarbij liefde en muziek (onder meer de luit) belangrijk zijn. Verso: een houtsnede van die venuskinderen, met onder meer een luitspeler.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 46 (refrein 21, vers 4). Vroed-amoureus rederijkersrefrein. De liefde maakt blind. Alle vreugde van de wereld (geconnoteerd aan muziek en instrumenten, onder meer: luijten fluijten en dier ghelyke) ontsteken het liefdesvuur minder dan een intiem gesprek met de geliefde.
  • 51 (refrein 24, verzen 10-13). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. In my en mach gheen vruecht gespruten / doer herpen of luyten quenen en fluijten / van minnaers geacht. [= Doesborch II ed. 1940: 35-36 (refrein 14, verzen 10-13)]
  • 103 (refrein 54, verzen 37-41). Amoureus rederijkersrefrein. Trompetten claretten van schoon virtuten / herpen fluijten / orghelen en luijten / alle instrumenten diemen versint / sonder schoon vrouwen men achtes twint.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 79 (refrein 172, verzen 41-44). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Zang en muziek kunnen het liefdesverdriet van de ‘ik’ niet doen vergeten: Clocken die luyen voocen die clincken / herpen, luyten, fluyten, alle instrumenten / Sanck, dicht, en spel, myn blijscap mincken / want tdunct my al wispelinghe van serpenten.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 38 (refrein 15, vers 19). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Muziek (onder meer van tamboreynen, velen, herpen en luten) kan de ‘ik’ niet troosten.
  • 50 (refrein 20, vers 18). Amoureus rederijkersrefrein. Dansen en musiceren (harpen, luten, fluyten, danssen, springhen) gebeurt ter ere van de geliefde.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 36 (refrein 10, strofe b, vers 3). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Geluid van muziek (Tamboeren, vele, herpen ende luten) kan het liefdesverdriet van de ‘ik’ niet doen vergeten.
  • 127 (refrein 35, strofe b, verzen 9-10). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Geen spel en mach mij tot vruechden verwecken, / Luten oft velen.
  • 140 (refrein 38, strofe h, vers 2). Amoureus rederijkersrefrein. Meisje met ontrouwe vrijer krijgt advies van vriendin: Vermaeckt uwen geest met herpen, met luytkens.
  • 182 (refrein 48, strofe d, verzen 7-8). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Geluid van muziek kan liefdesverdriet van vrouwelijke ‘ik’ niet doen vergeten: Ic en hoore na luyten oft ooc na velen, / Hoe wel datse spelen.
  • 219-220 (refrein 58, strofe g, verzen 17-19). Amoureus rederijkersrefrein. Meisje tot minnaar: U soete woordekens, die uut u spruten, / Hoorde ic liever dan herpen oft luten, / Bommen oft fluten; och mijn lijden verschoondt.
  • 228 (refrein 60, strofe e, vers 5). Amoureus rederijkersrefrein, meivreugde: Men hoordt nu clincken herpen, luten, velen.
  • 297 (refrein 81, strofe e, vers 9). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Zang en muziek (al hoordic velen, schalmeyen, luten) kunnen het liefdesverdriet van de vrouwelijke ‘ik’ niet doen vergeten.
  • 317 (refrein 88, strofe a, verzen 7-8). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Scheiden van de geliefde is zwaar, Al hooren zij trompetten en schalmeyen slaen, / Herpen, luten, fluten.

Heffels 1981 (1531)

  • 170. Een houtsnede uit 1531 met venuskinderen. Erotiek + muziek (onder meer een luit).

Het Zutphens Liedboek ed. 1985 (1537/40)

  • 54 (nr. 2, verzen 30-31). Liedboek. Amoureus lied. Hor finngerkens spelt wal schnargeklannck, / op harpen end op lutten.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 285 (refrein 23, strofe c, verzen 2-4). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Waarom gedraagt een engelachtig mooi meisje, Weerdich dat voer haer imagie speelde / Herpen, luyten, fluyten en spel en sanck / Om haren danck, zich zo harteloos?

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 152 (nr. 132, strofe 4, verzen 5-6). Liedboek, amoureus lied. Meisje wijst minnaar af: Myn herteken op v niet en past / Noch op gheen spel van luyten.
  • 169 (nr. 148, strofe 2, verzen 3-4). Amoureus lied, liefdesklacht. Jongen zegt: Trompen, luyten ende harpen / En moghen van mi gheen vruecht ontfaen.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 246 (fol. 292v, vers 17). Amoureus rederijkersrefrein. Haerpen ende luten, Laet vruecht huutspruten.

Aert van idelheijt ed. 1998 (XVIB)

  • Boek I, fol. 178r (vers 48). Rederijkersspel. Den Geest van Amoureusheijt zegt: Roert clavecordijen / harpen / en Luijten.

Cat. Antwerpen 1976 (XVI)

  • 91 (cat. nr. 72A). Mei, gravure van Adriaan Collaert naar Hans Bol (Antwerpen, Museum Plantijn-Moretius, Stedelijk Prentenkabinet). In tuin van kasteel: adel die zich vermaakt met vrijen, picknicken en musiceren. Onder meer: een vrouw bespeelt een luit.

Amoreuse liedekens ed. 1984 (XVIIA)

  • 103 (kolom 2, strofe 4, verzen 5-6). Liedboek. Amoureus lied, liefdesklacht. Meisje tot vrijer: Mijn herteken op u niet en past / Noch op gheen spel van Luyten.
  • 173 (kolom 2, strofe 3, verzen 1-2). Amoureus lied, vrolijk gezelschap. Daer comen Harpen / Luyten / Fiolen / Schalmeyen meest.
  • 194 (kolom 2, strofe 5, vers 13). Amoureus meilied. Fiolen / Fluyten / Harpen en Luyten.
  • 198 (kolom 1, strofe 2, vers 5). Amoureus meilied. En brenght Harpen en Luyten by.
  • 204 (kolom 1, strofe 1, vers 9). Amoureus meilied. Met Luyten, Syters sticht alle vreught.
  • 210 (kolom 1, strofe 1, vers 7). Amoureus meilied. V Harpen en Luyten, haelt uyter muyten.

 

3 Luit als beeld van harmonie

 

Cat. Antwerpen 1994 (XVI-XVII)

  • 41-42. In 16de– en 17de-eeuwse beelding: luit // huwelijksmoraal. Meestal spelen mannen erop: man is de baas, leiderschap in huwelijk. Ook: harmonie der harten in huwelijk.

Van Huffel 1988 (XVI-XVII)

  • 14-15. In de emblematiek en schilderkunst van de 16de en 17de eeuw komt de luit voor als beeld van harmonie in de politiek, in de liefde, in het huwelijk en in het gezin. Ook in de 17de-eeuwse literatuur de luit als beeld van de harmonie in de liefde tussen man en vrouw.

Jacobowitz/Loeb Stepanek 1983 (1524)

  • 220 (nr. 86). Lucas van Leyden, De muzikanten, gravure, 1524. Een prent die blijkbaar niet door iedereen correct wordt begrepen. Het is een satire op de huwelijksharmonie: de oude vrouw die een vedel bespeelt, geeft de toon aan en de oude man die zijn luit aan het stemmen is, stemt zich op haar af. De man is dus een pantoffelheld. Vergelijk ook de gelaatsuitdrukkingen van de man en de vrouw. Cat. Antwerpen 1994: 105 (cat. nr. 54): die gravure naar Lucas van Leyden.

 

4 Luit = metafoor voor vagina

 

Lymant 1992 (XVB)

  • 26. Erotische muziekinstrumenten in kopergravures van Israhel van Meckenem. Harp en luit.
  • 28. Idem. Luit.

Meester bxg, Oude vrouw en nar (circa 1475-80)

  • Gravure (1ste staat) (Berlijn, Staatliche Museen, Kupferstichkabinett). In deze Duitse prent vormen de wijze waarop de vrouw de pot vasthoudt en de uitgestoken tong van de nar een duidelijk bewijs voor de seksuele dubbele bodem van de voorstelling. De betekenis van de luit die door de nar bespeeld wordt, ligt dan ook voor de hand.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 331 (refrein 36, strofe b, verzen 8-9). Zot rederijkersrefrein. De lente heeft de winter verdreven. Nu moghen zy achter de galghe gaen schuylen / Die gheerne heymeleyc spelen met der luten.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 36 (nr. 31, strofe 1). Liedboek, amoureus lied. Dat meysken opter laden lach / Si weende also seere / Hadde ick nv eenen knaep / Die mi dat luytken sloech / ende ic een kindeken van hem droech. Ook vermeld in De Jongh/Luijten 1997: 63.
  • 246 (nr. 209, strofe 2). Zot-erotisch lied. Ick quam ghereden al door een lant / Daer ick twee ionghe vroukens vant / Spelende al op die luyte / Sy ghinghen te smaen eenen ghanck / Sy ghinghen metten naeykorf uyte.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 331 (refrein 36, strofe B, verzen 8-9). Zot? Rederijkersrefrein over de komst van de lente. Nu moghen zy achter de galghe gaen schuylen / die gheerne heymelyc spelen met der luten. Reeds vermeld in Bax 1948: 193 (noot 84) [Bax 1979: 252], Bax 1956: 101 (noot 9) en Bax 1983: 139 (noot 323) / 157 / 233. Vandenbroeck 1989: 86: op de luit spelen = erotisch symbool, nog in 17de eeuw bekend (noot 496 = Bax 1948: 193 = Bijns ed. 1902, dus nog altijd dat éne voorbeeld!).

De Jongh/Luijten 1997 (circa 1550)

  • 63-66 (nr. 5). Frans Huys, Meester Jan Slechthoofd, gravure, ca. 1550 (Amsterdam, Rijksprentenkabinet). ‘De luit fungeert hier als beeld van het vrouwelijke geslachtsdeel en in die functie komt het instrument bij herhaling voor in de literatuur en beeldende kunst van zestiende en zeventiende eeuw. (…) De “luit slaan” betekent in dit geval onmiskenbaar het bedrijven van geslachtsgemeenschap. Uitdrukkingen als “de luit versnaren” en “de luit stellen”, zoals gebezigd in het onderschrift op de prent van Huys, komen op hetzelfde neer.’ Vergelijk over deze gravure Cat. Rotterdam 2015: 135 / 137 (afb. 128). Bax 1948: 193 [Bax 1979: 252] vermeldt een gelijkaardig schilderij: ‘Cornelis Metsys schilderde vrouwen die luiten aan een luitenhersteller brengen’. Cat. Antwerpen 1994: 105 (cat. nr. 53): die prent van Frans Huys / 42-43: de luit als erotisch symbool in de 16de– en 17de-eeuwse beelding. Mannen spelen erop, vaak al stemmend. Prent van Lucas van Leyden. Luiten herstellen/versnaren = erotisch, zie prent van Frans Huys. Veel referenties hier aan Vandenbroeck 1987. Zie ook Cat. Antwerpen 1976: 96 (cat. nr. 90) en De Jong 2008: 71 (met bijkomend tekstbewijs uit Bredero).

Lebeer 1969 (1556)

  • 52-55 (afbeelding op p. 53). Verzoeking van de H. Antonius, burijngravure van Pieter van der Heyden (?) naar Bruegel, uitgegeven door H. Cock in 1556. In rechterbenedenhoek: vlak naast Antonius, in holle boom, een diabolische vrouw (zie het hoornkapsel) = een hoer die op de luit speelt (linkerhand = vaginagebaar / rechterhand geheven, als groet?). Tussen haar en Antonius een varken. Erotische toespeling! Zie ook Marijnissen 1988: 82-83.

Marijnissen 1988 (1557)

  • 97-98. Bruegel, Patientia, burijngravure. Bax 1983: 34 (noot 85): man (monnik?) met luit zit naast hoer. Luit heeft hier seksuele betekenis.

De luijstervinck ed. 1934 (XVIB)

  • 103 (verzen 356-357). Rederijkersspel. Na een nachtje seks zegt een jongen tot een meisje: Ick sal mijn oock wel hertelijck vercloecken / En comen tavont weer speelen op u luijtgen.

Cat. Rembrandt 1971

  • 174-175 (afbeelding 12). Gravure van Bartholomeus Dolende (ca. 1571-ca. 1629) naar Lucas van Leyden: ‘Fluitist’. In begeleidend versje: Wel lustich fluyterken / wilt mynen lust coelen // fluyt met u luytken / dat ickt mach voelen. Fluiten = copuleren, luit = vrouw/vagina. Op pagina 178 lezen we: ‘Over de luit als erotisch symbool worden we alleen al door opschriften op prenten ruimschoots geïnformeerd’. Noot 130 verwijst naar een artikel: D.P. Snoep, “Een 17de eeuws liedboek met tekeningen van Gerard ter Borch de Oude en Pieter en Roeland van Laer”, in: Simiolus, 1968-69, pp. 77-134, in het bijzonder p. 96. Zie ook De Jongh 2008: 72-73.

David Teniers de Jonge (1610-1690), Duo (Antwerpen, KMSK) (XVII)

Een man bespeelt de luit (= vagina), een vrouw bespeelt de fluit (fallus). Achter de deur (rechts) staat een koppelares het tafereeltje te bespieden. De erotische betekenis van de scène blijkt alleen al uit de geile gelaatsuitdrukking van de luitspeler. Zie voor de erotische dubbelebodem van dit paneeltje Richard D. Leppert, “David Teniers the Younger and the Image of Music”, in Jaarboek KMSK Antwerpen, 1978, pp. 83-85 (met verwijzing naar het Landelijk concert van Titiaan).

Van Huffel 1988 (XVII)

  • 14-15. In de 17de eeuw is de luit soms een beeld voor de onkuisheid en de wellust, en voor de vagina (op schilderijen worden hoeren vaak afgebeeld met een luit).

 

5 Luit // afkeurenswaardig, dwaas, losbandig-zondig vermaak (negatief)

 

Cat. Antwerpen 1994

  • 23-24. Luit = het burgerinstrument bij uitstek in 16de-eeuwse beelding. Soms positief: het wellustige in het gehoor (in allegorieën op het gehoor). Vaak ook op voorstellingen van losbandige gezelschappen een luit (minder: dwarsfluit en viool). Luit bespeeld door man of vrouw. Ook vaak verband luit // dronkenschap // wellust.
  • 101. In de 16de-eeuwse beelding vaak een luit bij afbeeldingen van losbandigheid en verleiding. Meest traditioneel: man speelt luit terwijl vrouw zingt of viool in de hand houdt (zie rolpatronen).

Inglis ed. 1995 (circa 1475-80)

  • Fol. 124r/v. Nicolas Spierinc, Getijdenboek van Maria van Bourgondië (Wenen, Nationale Bibliotheek). Op elke folio een vrouwenfiguur (onderaan beest, bovenaan vrouw – gekleed) die een luit bespeelt. In de hoofdminiatuur recto: Maria Magdalena ontmoet Christus als tuinman, verso: de H. Catharina. Recto: in de miniatuur verschijnt Christus als tuinman aan de H. Maria Magdalena. In de randversiering onderaan onder meer een merkwaardige hybride figuur: een luitspeelster met een dierlijk onderlijf, waarvan de voorpoten hoeven, de achterpoten klauwen hebben. Deze figuur verwijst naar het onkuise, door dierlijke driften beheerste leven dat de heilige vóór haar bekering leidde. De pauw rechtsboven is een symbool van de hoogmoed, de haan linksonder van de onkuisheid of van de bekering tot het christendom (vergelijk Petrus en de driemaal kraaiende haan). De luit verschijnt in deze laat-vijftiende-eeuwse miniatuur eenduidig in een negatief-erotische context. Verso: de H. Catharina is altijd maagd gebleven en onderdrukte dus haar seksuele driften.
  • Fol. 25r/v. Getijdenboek van maria van Bourgondië. Telkens een figuur, onderaan beest, bovenaan man met rode mantelkap, die een luit bespeelt. Pejoratief?

Das Narrenschiff (1494)

  • Houtsnede uit Sebastian Brant, Das Narrenschiff (Basel, 1494): ‘Nur Narren lassen die haüsliche Kammer im Stich um sich nachts in Gassen herumzutreiben’. In de Middelnederlandse versie gelijkaardige houtsnede bij hoofdstuk 59, dat nachtbrakers bekritiseert: Nochtans vintmen veel ionghe sotten sonder alle die oude/ die by nachte voor haers boels oft liefs veynster singen ende spelen oft haer clachte doen oft ghiften geuen ende maken vanden nacht haren dach ende vanden daghe haren nacht want si al den dach dicwijl slapen [Der Sotten Schip ed. 1981: R2r (hst. 59)]. Op de begeleidende houtsnede bespeelt één van de narren een luit.
  • Houtsnede uit Sebastian Brant, Das Narrenschiff (Basel, 1494): ‘Des Weisen Sinn auch den Schmerz betracht, ein Narr hat nur auf Possen acht’. In de Middelnederlandse versie gelijkaardige houtsnede bij hoofdstuk 51, dat ongepast gedrag (steeds zijn eigen wil willen doorzetten en zich nooit aanpassen aan de omstandigheden) bekritiseert: Die sot en ontfaet noch en hoort gheen woorden si en sijn nae sijn ghenoechte. Ende daer bi dye sotten pijpen altijts op haer ghewoonte/ ende sijn si ghewone op een musele oft sack pijpe te pijpen te vergeefs gaue men een harpe oft luyte want si haer spel niet veranderen en willen [Der Sotten Schip ed. 1981: P2r (hst. 51)]. Doedelzak, harp en luit hebben hier dus niets met losbandigheid te maken, wel met koppigheid en dwaasheid (en dan nog slechts zijdelings: dat de doedelzak een pejoratieve connotatie zou hebben, en de luit en de harp niet, blijkt nergens uit de commentaar).

Anoniem, Voluptas (De Wellust) (1497)

  • Houtsnede uit Sebastian Brant, Stultifera Navis (Basel, 1497). Hier hebben de harp en de luit een onbetwistbare negatieve symboliek: zij treden immers op als attributen van de wellust.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 69 (refrein 35, verzen 23-24). Zot rederijkersrefrein. ‘Venus ionckerkens’ die ’s nachts voor de deur van de geliefde musiceren (Herpen luijten pijpen en tambueren / brenghen sy snachs voer haer liefkens doeren), gedragen zich zot en dwaas.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 190 (refrein 229, verzen 14-16). Vroed rederijkersrefrein. Al had de ‘ik’ dagelijks aan zijn tafel muziek (Al had ick alle instrumenten / Daghelicks tot mynder tafelen te renten / musijcken herpen veelen ende luijten), zonder deugd is het allemaal niets waard (stokregel).

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 30 (Boek I, refrein 9, strofe b, verzen 10-11). Vroed rederijkersrefrein, kritiek op lutheranen. Van dagen te daghen slaense op de lute, / Na ander doctoren sij niet en vraghen. Woordspel Luther / lute!
  • 37 (Boek I, refrein 11, strofe d, vers 15). Vroed rederijkersrefrein. De leken die de clerus bekritiseren, deugen zelf niet: Sij herpen, sij luten, sij pijpen, sij bommen. [= De Bruyne I ed. 1879: 84 (refrein 19, strofe d, vers 13)]
  • 46 (Boek I, refrein 14, strofe c, vers 13). Vroed rederijkersrefrein. Kritiek op de lutherse leer, die anderen bekritiseert: De snaren slaen discoort int vier metter luten. Woordspel Luther/luten. [= Bijns ed. 1902: 223 (refrein 3, strofe c, vers 13)]
  • 51 (Boek I, refrein 14, strofe o, vers 8). Vroed rederijkersrefrein. Kritiek op lutherse leer: Alomme spreect men van luten, van fluten. Woordspeling Luther/luten. [= Bijns ed. 1902: 229 (refrein 3, strofe 14, vers 8)]

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 24 (refrein 7, strofe a, verzen 8-10). Vroed rederijkersrefrein, geestelijk meilied. De jeugd vermaakt zich (Der vruechdelijcken ganck zietmen nu maken, / Met herpen, met luten zelck sanck, zelck spranck). Dit is echter ‘cranck iolijt’ (vers 12): wij moeten ‘geestelijcke blijscap’ nastreven (vers 13).
  • 188 (refrein 50, strofe c, verzen 11-13). Vroed rederijkersrefrein. Vermaning aan rijke wellustelingen. Aan hun tafels wordt gemusiceerd, gezongen en gedanst (Over haer tafel spelen herpen en luten, / Accoordt van fluten, daer andere op singen. / Sij dansen, sij springen). Maar aalmoezen geven zij niet en daarom zullen zij een zware dood sterven. [= De Bruyne I ed. 1879: 38 (refrein 10, strofe b, verzen 11-13)]
  • 269 (refrein 72, strofe b, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Waarschuwing gericht aan meisjes: al maken de jongens muziek voor je deur (Al sitten zij zomtijts van vreesen en crimpen / Voor tduerken en spelen met herpen en luten), wil toch niet te vlug ja zeggen en huwen.

De Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 245 (verzen 1-4). Sermoen van ‘Sencte Reinhuut’: Nu commen de Sanghers tot Reinhuuts dienst, / Dese Musicienen, Dichters ende Fluters, / Aerpenaers, Schalmeyers, Trompetters, Luters, / Dees ruters en laten tgheld niet vermossen.

Marijnissen 1988 (1557)

  • 90-91. Bruegel, Superbia, tekening. Linksonder een kapperszaak. Er hangt een luit uit.

Mertens/Torfs VI 1976 (1561)

  • 511. In een Antwerpse ommegang van 1561: Ydel Blyschap wordt gevolgd door maagdjes die muziekboeken, luiten, harpen en andere instrumenten hebben, haren tyd in groote ydelheid overbrengende.

Marijnissen 1988 (circa 1562)

  • 195. Bruegel, Triomf van de dood (Madrid, Prado). Rechterbenedenhoek scène van de aardse ijdelheid, een musicerend fraai gekleed koppel. Hij speelt de luit, zij zingt, Dood bespeelt vedel.

Vrou Lorts ed. 1994 (1565)

  • 33r (verzen 397-398). Rederijkersspel. Loon Nae Werken vermanend tot Tgemeen Volck: Selden wast heijlige dach off een buert wasser buijten / met harpen met Luijten ghij wistet te passen.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 327 (Boek III, refrein 31, strofe d, vers 17). Vroed rederijkersrefrein. Stichtelijke vermaning aan de ‘minnaers van de wereld’ en de ‘malle venusklerken’: Die u vermaect met herpen, Luyten, Fluyten.
  • 362 (Boek III, refrein 41, strofe c, verzen 5-7). Vroed rederijkersrefrein. Berouwvolle ‘ik’ betreurt vroegere zondigheid: Ic hoorde veel liever herpen en luyten, / Bommen en fluyten oft een ander instrument / Dan tgodlijc woort, vol van virtuyten.

De Meij ed. 1996 (vóór 1568)

  • 50v (verzen 73-75). Rederijkersspel. De maand april kondigt mei aan: Laet ons u speelen met pijpen met fluijten / met harpen met Luijten, in deese contreije / siet hier compt aen Die coele Meije.
  • 51v (verzen 153-154). Onbedochte Jonckheijt tot zijn lief Aertsche Genoecht: Laet ons gaen buijten, en speelen op Luijten / op pijpen op fluijten, Den coelen meij ter eeren.
  • 56v ( verzen 473-475). Onbedochte Jonckheijt en Aertsche Genoecht zingen met twee neefkes: Gaet met u Lijefken buijten, al in dat soete pleijn / blijft nu niet in muijten / speelt op harpen en oick op Luijten. In de laatste twee passages wordt het meivertier gediaboliseerd en geconnoteerd aan zondig vermaak en losbandige aardse ijdelheden.

De Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 151 (verzen 1325-1326). Rederijkersspel. Warachtich Bewys vermaant degenen die geen aandacht schenken aan de werken van de Heer, maar wel aan wijn, vrouwen en muziek: Dies, wee hem die wyn hebben in hare brasserien, / Oock herpen ende luuten, tot haerlieder mellodien.

Becooringe des duvels ed. 1996 (vóór 1598)

  • 48v (verzen 1142-1144). Rederijkersspel. Het neefken Ewige Haet geeft het publiek slechte raad: Laet u Dienen met costelijcke Juweelen / met Leckkere morseelen wilt Dansen en spelen / met Luijten met veelen, met harpen en santorijen.

Avont, nacht ende morgenstont ed. 1992 (XVIB)

  • 41r (verzen 579)583). Rederijkersspel. Twee neefkens spelen muziek in het bordeel van Nacht om Menijch Mensch te verleiden tot wellust en aardse ijdelheden. (Aertsch Appetijt:) Ick gae mijn Luijt stellen… (Ipocrisije:) En ick mijn veeltgen / dus maecken wij een speeltgen van soeter accoorden.

Christum liefde bewijsen ed. 1993 (XVIB)

  • 73r (verzen 1073-1075). Rederijkersspel. Neefke Eijgen Wellust tot Den Aertschen Mensch: maer neempt u gangen In Onse contreijen / daer ghij u In alle wellusten sult verbreijen / met fluijten schalmeijen herpen Luijten en velen.

Onbedochte Jonckheijt ed. 1998 (XVIB)

  • 136v (verzen 22-25). Rederijkersspel. Onbedochte Jonckheijt (de aan aardse ijdelheden verhangen jeugd) zegt: en alle melodije van musijcke dagelicxs te geneeren / en met vrowe keelkens partije te singen / sonder swaericheijt te maecken in eenijge Dingen / oick Die Luijt te gebruijcken soo Lange sij ons is beseven.

Een niev clucht boecxken ed. 1985 (circa 1600)

  • 35 (nr. 29). Kluchtboek. Een raadsel: Hier voortijts was ic verworpen, / nv diene ic steden ende dorpen, / ick worde gespant ende getogen [getrokken] / van mij sijnder vele bedrogen, / seer contrarie gebruyct men my, / doode ende leuende hem verblijden. Antwoord: Een luyt: wanneer de snaren daer op zijn gebruyctmense in danssen ende andere blijschappen der werelt; desghelijcken ooc den Pater noster wordt met de snaren gesnoert, daer mede dat men bidt voor leuende ende doode.

 

6 Luitspeler/luitspeelster als figuur die tot zonde verleidt

[Zie uitgebreider De Bruyn 2001a: 79-80.]

 

Van den drie Blinde Danssen ed. 1955 (1482)

  • 11. Moraliserend-allegorisch droomvisioen. Cupido en Venus worden begeleid door en doedelzakspeler en een luitspeelster.
  • 12. De vrouwe persoen mitter luyte heet ledicheyt. De doedelzakspeler heet Ydel Begheerte.
  • 13. De luitspeelster en de doedelzakspeler (dese speelluyden) bedriegen de mensen: zij verdoven hun rede, trekken hen dus naar de aardse ijdelheden.
  • 29. Ledichede en Didel Begheerte lokken de mens tot de ‘liefde’.

Joncheyt ende Redene ed. 1920 (XVIA)

  • 476/480 (verzen 105-111). Tafelspel. De zondige verleidster Zinnelicke Ghenouchte heeft als attribuut een instrument (harp, luit of ‘vere’) met als naam sWeerels Vruecht.

De wellustige mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 95 / 128 (verzen 736-750) / 129-130 (verzen 764-794). Rederijkersspel. De speelman Corte Weelde (een man met een luijte) met zijn luit ‘Verganckelijcke Vreucht’ helpt de hoofdpersoon aansporen tot zondig gedrag in een bordeel.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 38-39 (verzen 937-948) / 40 (verzen 975-980). Rederijkersspel. De ‘luytslagher’ Wanende Waers met zijn luit ‘Gheveijnstheijt’ helpt de hoofdpersoon verleiden tot losbandig en zondig gedrag.

 

7 De term ‘Zuster Luit’ = losbandig-zondige geestelijke vrouw (negatief)

[Reeds vermeld in Bax 1948: 76/193 (Bax 1979: 97/252). Bax 1983: 255-257: Zuster Lute bij Pieter Huys en Maarten de Vos.]

 

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1390)

  • 415/417 (nr. 86, verzen 8/47). Coïtuslied. Over een ‘Zuster Lute’ en een ‘Broeder Lollaert’: Peinst om mi, zuster Lute / Die Luten leven eerst began.

Truwanten ed. 1978 (circa 1400)

  • 31 (verzen 140-141). Klucht. Verlopen broeder tot verlopen zuster: Achter lande salic v leiden / Ghelijc of ghi waert suster lute. In de commentaar bij vers 141 [p. 64]: Lute = Lutgardis, Lutgaert (komt zo voor in vers 155: Nv volghet mi suster lutgaert). Het substantief ‘lute’ kan etymologisch verband houden met een aantal, meestal pejoratieve Germaanse woorden. Er is ook een verband met de luit: in Antwerps Liedboek luit = vagina en ook in 17de-eeuwse Hollandse schilderkunst heeft de luit seksuele associaties. ‘Misschien zou verder onderzoek naar de symboliek van de luit in middeleeuwse literatuur (en beeldende kunst!) hierover nader uitsluitsel kunnen geven’. Vergelijk ook pp. 95-96.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 51 (refrein 23, vers 53). Zot rederijkersrefrein. Soort zoekt soort in de liefde: Erm bruerkens soeken erm susterluytkens.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 171 (refrein 217, verzen 40-41). Zot rederijkersrefrein. Apologie van de vrije seksuele beleving. En acht niet suster luijte of bruer coppen / die iesus roipt alsmen der af spreeckt. ‘Zuster Lute’ blijkt hier seksualiteit af te keuren. [= Doesborch II ed. 1940: 234 (refrein 129, vers 53]

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 248 (refrein 139, verzen 11-12). Zot rederijkersrefrein over winden-latende begijnen. Tis haest ghecomen alst wil ghelucken, / Sprack doe die derde ende heet luyte. Eén van de begijnen heet dus ‘Luyte’ (Lutgard).

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 109 (fol. 49r, verzen 6-8). Rederijkerslyriek. Over een vreemd ‘cloosterken’ van de orde van ‘zuster lute’. Erotische toespeling via ‘messeliuun’ (mis luiden) met een ‘paterken’.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 142 (fol. 233r, vers 18). Rederijkerslyriek. Loflied op de visser. Quaczaluen en zuster luten komen ook goedkoop vis kopen.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 98 (fol. 371v, vers 21). Rederijkerslyriek. Paters nonnen baghijnkens end zusterluten. Context: verlopen clerus.

De menschwerdinge Christi ed. 1992 (XVIB)

  • 20v (vers 557). Rederijkersspel. Misbruijck, kibbelend met Doodende Letter: hoe smaeckt u de peper seght suster Luijtte. ‘Zuster Luit’ hier gebruikt als invectief.

 

8 Luit // het diabolische (negatief)

 

Vreese des Heeren en Wijsheijt ed. 1968 (circa 1550)

  • 389 (vers 667). Rederijkersspel. De sinnekes halen hun slag niet thuis. Dongerechticheyt (een vrouwelijk sinneke) zegt: Die helsche lute hier slappen toon geeft.

Eneas en Dido ed. 1982-83 (1552)

  • 181 (vers 775). Rederijkersspel. Sinnekes zijn blij dat Venus hen helpt: Hör snaeren die dienen fijn ûp ons luijte (= wij passen goed bijeen).

Die Trauwe ed. 1899 (vóór 1595)

  • 139 (verzen 13-14). Rederijkersspel. De sinneks zeggen van zichzelf dat zij zijn Een clinckende snaerken / Op Lucifers luyte.

 

9 De luit als bedelaarsinstrument

 

Bax 1956

  • 100. De luit was een instrument van gewone speellieden en bedelaars.

 

De Mirimonde 1971 (1504)

  • 48 (noot 20). Meester van Alkmaar, De zeven werken van barmhartigheid, paneel, 1504 (Amsterdam, Rijksmuseum). Detail van Het spijzen der hongerigen. Een rijk geklede jongeman deelt brood uit aan een bedelares en bedelaar. Deze laatste bespeelt een luit en is vergezeld van een hondje (vergelijk de bedelaar-duivel in AM!). In een afbeelding als deze heeft de luit wel geen symbolische betekenis: hier wordt gewoon de alledaagse werkelijkheid weergegeven. Doordat de luit echter een typisch bedelaarsinstrument was én daarnaast een erotisch symbool, kon Bosch in TR beide aspecten combineren om zo het losbandig leven van rondtrekkende bedelaars-muzikanten aan te klagen.

Der fielen vocabulaer ed. 1914 (1563)

  • 48. Volksboek. Platschiereren zijn valse bedelaars die vóór de kerk op een stoel luitspelen en zingen van landen waar ze nooit geweest zijn.

 

Denis 1944

  • 111. Over de sociale achtergrond van de luit in de late Middeleeuwen: ‘De 15de eeuw is inderdaad het tijdperk waarop de luit in heel Europa tot haar volle recht komt. Vóór 1400 is zij een tweederang-speeltuig waarvan weinig gewag wordt gemaakt. Nochtans, reeds in 1363 zingen verscheidene menestrelen met begeleiding van de luit voor Wenceslas, hertog van Brabant; en in 1395 is een luitspeler toegelaten in den ommegang van Dendermonde. Na 1400 zullen dergelijke feiten zich vermenigvuldigen zoowel in de andere landen als te onzent. Alle edellieden hebben dan luitspelers in hun dienst, en verscheidene onder hen bespelen zelf de luit. Deze vervangt stilaan de harp in kasteelen en steden, en wordt op haar beurt het geliefkoosde speeltuig van adel en rijke burgerij. De groote mogelijkheden welke de luit biedt als solo- en als begeleidingsinstrument zullen haar de eerste plaats verzekeren in het Europeesche instrumentarium, van het einde der 15e tot ver in d 17e eeuw’.

 

DE LUIT BIJ BOSCH

 

Bosch, Hooiwagen-drieluik (Madrid, Prado / Escorial)

Middenpaneel: luitspeler bovenop de hooiwagen. Context: zondige losbandigheid.

Zie hierover De Bruyn 2001a: 77-80.

 

Bosch, Narrenschip (Parijs, Louvre)

In een bootje, gevuld met losbandige pretmakers, zijn een luitspelende non of begijn en een monnik aan het koekhappen. Context: losbandigheid. Duidelijke afbeelding in kleur: Marijnissen/Ruyffelaere 1987: 317.

 

Bax 1948

  • 193 [Bax 1979: 252]. De luit heeft in de 16de-eeuwse taal en beelding erotische betekenis. ‘Spelen met der luten’ = het minnespel spelen. Noot 84 verwijst naar Bijns ed. 1902: 331. Cornelis Metsys schilderde vrouwen die luiten aan een luitenhersteller brengen. Bosch gaf in de non met luit een ‘suster Lute’ weer = een verlopen non of begijn, of pseudo-geestelijke vrouw.
  • 76 [Bax 1979: 97]. Over die ‘suster Lute’ in Narrenschip: komt samen met ‘broeder Lollaert’ in literatuur voor.

 

Bosch, Tuin der Lusten (Madrid, Prado)

Rechterbinnenluik: in de hel fungeren een reusachtige luit en harp als folterinstrumenten voor zondige zielen. Context: zondige losbandigheid + diabolisch.

 

Bax 1948

  • 301 (Bax 1979: 393c1). Luit werd ook door gewone speellieden en bedelaars gebruikt. De zondaars in de buurt zijn speellieden die een losbandig leven geleid hebben.

Bax 1956

  • 98. De grote luit in TR is een straf voor losbandige speellieden. Zwervende speellieden werden vaak gehekeld door Nederlandse moralisten in 15de/16de eeuw: zij traden in slechte herbergen op, maakten dansmuziek, zetten jonge mannen en vrouwe aan tot het zingen van onkuise liedjes. Noot 5 verwijst naar Bax 1948: 153 e.v.
  • 100. De luit was een instrument van gewone speellieden en bedelaars.
  • 101 (noot 9). De luit als geslachtelijk symbool in de Nederlandse volkstaal. Alleen verwijzing naar dat ene voorbeeld in Bax 1948: 196 (noot 84) = Bijns ed. 1902: 331.
  • 144. Aantal snaren op luit kon in 15de eeuw variëren (5 of 6).

 

Bosch, Antonius-drieluik (Lissabon, Museu Nacional de Arte Antiga)

Middenpaneel: een diabolische speelman met een everzwijnengezicht en een kerkuil op zijn kop, met een luit onder de rechterarm en een hondje met een narrenkap aan een touw, begeleidt een blinde en kreupele, diabolische (zie de lange staart) bedelaar-muzikant met een draailier aan zijn zij. Context: zondige losbandigheid + diabolisch.

 

Bax 1948

  • 49 [Bax 1979: 61]. De luitspeler = een aan lager wal geraakte speelman die zich verwaand en trots gedraagt.

 

Bosch, Laatste Oordeel-drieluik (Wenen, Akademie)

Middenpaneel: een aapachtige duivel bespeelt een luit die bovenop zijn kop ligt. Context: zondige losbandigheid + diabolisch.

 

Bax 1983

  • 156. Duivel met luit op hoofd.
  • 157. Luit in 15de-16de-eeuwse Nederlanden vrouwelij seksueel symbool (genitals). Noot 65: gravure van Meester ES: nar met fluit naast naakte vrouw met luit.

 

Bosch, Laatste Oordeel-drieluik (Wenen, Akademie)

Middenpaneel: een monsterlijk gedrocht met een luit op de rug doorsteekt met een wapen een naakte zondaar. Context: zondige losbandigheid + diabolisch.

 

Bax 1983

  • 136. Duiveltje met luit op rug.
  • 139. Dit duiveltje wijst op speellieden die losbandig gedrag bevorderen via hun muziek. Luit was in 15de-/16de-eeuwse Nederlanden een vaginasymbool [noot 323 verwijst naar Bax 1948: 193 / 196 (noot 84) en naar Bax 1956: 101 (noot 9) = dus nog altijd maar één voorbeeld].

 

Bosch, Laatste Oordeel-drieluik (Wenen, Akademie)

Rechterbinnenluik, onderaan links: een diabolische muziekscène, één van de duivels bezit een luit. Context: zondige losbandigheid + diabolisch.

 

Bax 1983

  • 233. Speelman-duivel met luit onder de arm bij naakte zondares. De jonge vrouw is waarschijnlijk een hoer. Luit = vrouwelijke genitalia in 16de eeuw.

 

Bosch, Zondvloed-panelen (Rotterdam, Museum Boymans Van Beuningen)

Linkerbinnenluik: een aapachtige monster-duivel bespeelt een luit die met de snaren naar boven gekeerd op zijn linkerschouder ligt. Context: diabolisch.

 

Bosch-atelier, Laatste Oordeel-drieluik (Brugge, Groeningemuseum)

Middenpaneel, midden-links: een reusachtige luit met een uil in het klankgat.

 

Bax 1983

  • 139 (noot 323). Verband met uil in fonteinholte in TL.
  • 359. Uil = fallus, luit = symbool van vagina.
  • 384. Idem.

Vandenbroeck 1989

  • 100. Uil = fallus, luit = gangbaar vrouwelijk geslachtelijk symbool (noot 582: De Jongh 1979: 175, niet in bibliografie).
  • 110. Idem. + ‘gaetkijn’ = vagina (met referentie aan drie plaatsen in Stijevoort, zie noot 630).

 

Bosch, Tekening (Wenen, Albertina)

In een omgevallen bijenkorf knielt een man met ontbloot achterwerk. Een man bovenop de korf slaat met een luit op het achterwerk, waaruit vogels te voorschijn komen. Context: ?

 

Bosch, Tekening (Wenen, Albertina)

Allerhande soorten bedelaars. In de linkerbovenhoek bespeelt een nar een luit. Bij drie bedelaars komt een luit voor. Context: ? Vergelijk hierover Dequeker e.a. 2001.

 

Bax 1948

  • 50 [Bax 1949: 64]. Bosch beeldde op een schetsblad arme speellieden af, onder meer met een luit.

 

Wandtapijt H. Antonius (kort na 1550)

 

Bax 1983

  • 139 (noot 323). Hoer-duivel in grot. Aan haak hert met pijl + luit.

 

Pieter Huys, Verzoekingen van de H. Antonius (Anderlecht, Erasmushuis)

 

Bax 1983

  • 255-257. Zuster Lute bij Huys en Maarten de Vos.

 

[explicit 5 december 2015]