MAST

 

1 Mast = de betrouwbare steun en toeverlaat geboden door iets of iemand (religieus)

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 26 (refrein 147, verzen 76-77). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Mer ic roepe aen v reijn troostelick mast / o schone maria staet my in staden. Mast = Maria.
  • 249 (refrein 155, vers 21). Vroed rederijkersrefrein. God dalder sterctse, die hoghe hemels mast. Mast = God.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 33 (Boek I, refrein 10, strofe c, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Petrus, die int geloove sterc als een mast was, / Viel bij quaet geselscap, hij die so vast was. Mast = Sint-Petrus.

Maria ghecompareirt byden scepe ed. 1920 (1530)

  • 340 (verzen 446-455). Rederijkersspel. Nu moeter de mast staen / Jnden middel vanden scepe, daermen onghedraelt / Met den rae tseyl lancx vppe haelt / Jn wat scip et zy creveel of buche. / Dat ghelyckic et weerde heleghe cruche / Daer de levende Gods zuene van Maria ontfanghen / Als zeyl om ons salicheyt was an ghehanghen / Jn allendegher pyne ende groote smerte. / De mast des lydens stont in huer herte / Van hueren zuene te dier spacien. Mast = het Kruis, zeil = Christus.
  • 341 (verzen 480-485). Dyueersche tauwen anden mast ghebreken / Met weuelynghe daer men vp ende neder ghaet / Twelc hem de twaelf apostelen verstaet / Ende huerlieder artyckelen ons ghegheuen / De welcke met Christus wandelden jnt leuen / Die als mast hemlieden ghaf leerynghe diere. Mast = Christus, touwen aan de mast = de twaalf apostelen : de Twaalf Artikelen des Geloofs.

Tienen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 355 (verzen 253-254). Rederijkersspel. Stervende Mens zegt: In der helygher kaercken bestieren / Comt mijn gheloove ten rechten maste. Mast = de H. Kerk.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 5 (vers 118). Rederijkersspel. Gharen Tbest Willen Weten zegt in de proloog, naar aanleiding van een les van zijn gesprekspartner Vprecht Scriftuerlijck Bewijs: och of meest eklckerlicx scip sulcken mast hadde, twaer een jolijt groot inden cristenen houe. Mast = het goede christelijke geloof.
  • 28 (verzen 676-677). Christus tot Cristenkercke (de moeder van zijn ‘lief’): Wellecom, vrou moedere mijns bruijts, en mast / mijnder vijf zinnen en mijn volmaecte rast. Mast = H. Kerk.
  • 83 (vers 1957-1958). Het sinneke Hertnackich Wille zegt: nv, het loopt alst wille, wij moeten voort, / al sou ouerboort zeijl, spriet ende mast waijen. Zonder mast (= het goede geloof) is dus negatief. Met mast is positief.
  • 100 (verzen 2359-2360). Het sinneke Hertnackich Wille zegt: want elck wil die scrift na zijn blindt verstandt spelden, / niet merckende al sonder zeijl, spriet, oft mast blijven. Idem.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 93 (fol. 39r, verzen 10-11). Vroed rederijkersrefrein, lof op Sint-Petrus. Christus heeft vp hem [Petrus] zyn kercke te stichtene ghepast / Als zynde een Columne, sterck onbuugsame mast. Mast = Sint-Petrus.
  • 238 (fol. 126r, verzen 11-12). Rederijkerslyriek. De twaelf articlen des gheloofs die als staende mast / vanden twaelf apostolen niet hebben bezweken. Mast = De Twaalf Artikelen des Geloofs.

Lieft boven al ed. 1994 (1579)

  • 46v (verzen 718-719). Rederijkersspel. Eenvoudich Verstant zegt: tgelooff maect mijn seeker die hoop onversleegen / en sterct mijn gemoet gelijck als een mast. Mast = het christelijke geloof.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 81 (nr. 107, strofe 1, verzen 1 / 6). Vroed rederijkersrefrein. Waer mach den mens meerder victorie sporen, / (…) dan in Christo Jesu, den bloeyenden mast. Mast = Christus.

 

2 Mast in andere religieuze contexten

 

Speghel der Wijsheit ed. 1872 (circa 1400)

  • 66 (verzen 1593-1600). Stichtelijk rijmtraktaat. Vrouwe, bedi doet mine bede; / het wort u nutte ende salich mede: / ghi sult ontzeilen uwen mast / als ghi in storme wort verlast, / dat es, dat ghi sult uwe meeninghe / met omoede zo wel bedwinghen, / dat der quader Hoverden wint / daer in gheene stede vint. Storm = hovaardigheid, het zeil neerlaten van de mast = ootmoedigheid. Vergelijk p. 19 (verzen 453-456): Maer smenschen herte es de scepman, / de mast es de nature zijn, / dat zeil, als ict ghemerken can, / mach wezen zine meeninghe aenscijn.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 253 (refrein 256, verzen 35-37). Vroed rederijkersrefrein. Tfij v onwerdich gast / die den weert van eeren / Mits uwer sondenmast doet van v keren. Mast = de ‘kracht’ van iemands zonden (negatief!).

Evangelische Maeltijt ed. 1992 (XVIB)

  • 75v (vers 987). Rederijkersspel. Gods Goetheijt zegt: ick wil mijn woort vercondicht hebben alle sondige masten. Masten = zondaars?

 

3 Mast = de betrouwbare steun en toeverlaat geboden door iets of iemand (profaan)

 

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 300 (nr. 32, verzen 8-9). Amoureus liedje. Hi zeilt met ene zekren maste / Die vroilic scuwet der zoorghen pijn. Mast = zorgeloze (liefdes)vreugde.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 12 (refrein 2, vers 58). Amoureus rederijkersrefrein. De (blijkbaar vrouwelijke) ‘ik’ tot de geliefde ‘prince’: Altijt suldi mijnde rherten pilaer en mast sijn. Mast = de geliefde (man).

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 274 (refrein 74, strofe b, verzen 13-15). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw. Boven smaeck van wijne / Was ic hem zoete; tscheen dat hij een mast was, / Die in trouwen vast was. Mast = de geliefde (man).

 

4 Mast in andere profane contexten

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 186 (refrein 226, verzen 34-37). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. O princesse kersouwe verheuen / bij wiens liefde ic mij ontpaste / Vruecht ende weluaert syn achter bleuen / die hebt ghij verdreuen, mit twyfels maste. Mast = twijfel (aan geliefde) (negatief!).

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 25 (refrein 9, verzen 27-28). Amoureus rederijkersrefrein. Och bloeme vermeert, waert dat ic v so paste, / ic trocke te maste tseyl van groter vramen. Zeil heisen aan mast // (liefdes)vreugde.

 

5 Mast = fallus (waarbij breken van de mast = orgasme, ejaculatie)

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 157-159 (refrein 82, verzen 14 / 40-42). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Een coïtus tussen een schipper en een meisje wordt beschreven in scheepvaarttermen. Vers 14 luidt: Coompt rasch sprac tscipperken, helpt mij de mast richten. In de laatste strofe komt de schipper (te vroeg) klaar, wat als volgt beschreven wordt: Dit scipperken verstaeck daer tusschen twe staken / wat dat hy royde, syn riemen braken / die mast es daer oock bij nae doerspleten. Vergelijk over dit refrein Coigneau II 1982: 277.

Coster Johannus ed. 1997 (XVI)

  • 123v (verzen 34-37). Rederijkersklucht. Eén van de personages zingt een kort liedje waarin een coïtus wordt beschreven in scheepvaarttermen. Het liedje gaat als volgt: Int swarte gadt Lach Ick versteecken / daer seijldick mijnen mast ontwien / mijn schip begon van onder te Leecken / adieu ghij hebt mijn niet meer gesien. Dit liedje wordt ook geciteerd in Coigneau II 1982: 277 (noot 74).

Brabbeling (1614)

  • Geciteerd in Coigneau II 1982: 277 (noot 74). In Roemer Visschers Brabbeling (Het tweede Schock van de Quicken, nr. 38) komen de volgende verzen voor: Al datmen mach dencken gaet Marten beginnen: / Maer gheen ding can hij maken ree. / Daerom denck ick, als hij zijn Wijf sal minnen / Soo breeckt die mast ter halver zee.

Nieuwe Nederduytsche Gedichten ende Raedtselen ed. 1972 (1624)

  • 27. Gedichtje in een bundel erotische teksten. De coïtus wordt beschreven in scheepvaarttermen (waarbij zeil = vagina). Het klaarkomen van de man wordt metaforisch beschreven als een storm: Dan so leytmen daer in noot / Dan so strijcktmen daer de schoot / Dan so leyt het Mastjen slecht / Dat te vooren stont gherecht.

 

6 Mastklimmen als volksvermaak

[Stoett/Kruyskamp 1981: 123 (nr. 557a). Het ‘mastklimmen’ is een zeer oud volksvermaak. De prijs (die in de mast/paal hing) was soms wel een stuk vlees.]

[Viaene 1977a: 10 (noot 5). Over mastklimmen te water als kermisvermaak rond 1500.]

 

[explicit 31 mei 2017]