MES (dolk)

 

Volgens Bax 1948: 13-14, is het mes bij Bosch (vaak) een teken van vechtlust en losbandigheid. Het zou verwijzen naar toorn die opgewekt wordt door dronkenschap.

Gerlach 1968d: 77 (noot 52) [ook Gerlach 1988: 111 (noot 52)], wijst erop dat de M op de messen bij Bosch een merkteken is van een Bossche messenmaker. Vanaf 1471 verplichtten de Bossche smedengilden zich tot het plaatsen van een merkteken op hun messen.

 

1 Mes = penis

 

Van Altena ed. 1987 (circa 1100)

  • 65 (nr. X, cobla 5). In een Occitaans lied van Guilhem IX (1071-1127): Hoe vreemd sist daar een sluwe slang / die mij wil scheiden, levenslang, / van mijn zo Goede Buur! Venijn, / door roddeltongen opgewekt! / Zij missen waar wij één in zijn: / uw vlees waarin mijn dolk zich strekt. In een aantekening (p. 72) noteert de vertaler: ‘Letterlijk staat in het origineel: “wij hebben het mes en het stuk (vlees)”. Ik koos voor iets poëtischer duidelijkheid’.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 258 (refrein 145, verzen 42-43). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Aansporing tot seks: Wiltse vechte, spaert uwen knijf niet, / Swijcht, steect en stommelt met uwer pinnen.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 244 (nr. 207, strofe 5). Zot-erotisch lied over twee geile meisjes in Haarlem: Noch quam ick in die turf steech / daer ick noch eenen vechtmes creech / Ick weerde mi dapper van onder / En dat ick daer af geen kint en droech / Dat gheeft mi seluen root wonder. Vechtmes = pars pro toto voor ‘man’.

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 618 (vers 273). Rederijkersspel. Erotische context: en elcx pennemes vind daer syn cokere.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 216-217 (fol. 275v, vers 34 – fol. 276r, verzen 1-2). Zot rederijkersrefrein. Erotische context: want een man zonder wyf, es een versteken verblyf / maer een alf Lichaeme, om Venus werck verweruen / een mes zonder schee.

Matt Kavaler 1986 (1567)

  • 19. Over een marktkramer in het schilderij Marktkramers (Wenen, Kunsthistorisches Museum) van Joachim Beuckelaar (zie afbeelding hierboven): ‘Maar het schilderij bevat ook een seksuele verwijzing van meer visuele aard, nl. de beurs en de messenhouder van de man, die zeer suggestief in zijn schoot hangen. De inhoud van de beurs puilt uit in twee verschillende massa’s die een anatomische vorm aannnemen, en het mes in de schede is zodanig geplaatst dat het de geprikkelde toestand van de man suggereert’.

Etymologicum ed. 1974 (1599)

  • 379. In Mariken van Nieumegen pleegt de tante van Mariken zelfmoord met een ‘opsteker’. Zij zegt: Daar met steek ik dien opsteker in mijn storte [strot] [Mariken van Nieumegen ed. 1980: 62 (vers 430)]. In het Nederlands-Latijns woordenboek van Kiliaan lezen we: Op-steker: Culter, ensis, ensiculus, sica [mes, zwaard, klein zwaard, dolk]. En ook: Op-steken het sweerd: Recondere gladium in vaginam, vagina ensem condere [het zwaard in de schede steken]. De seksuele connotatie van ‘zwaard’, ‘mes’ en ‘schede’ liggen voor de hand.

Avont, Nacht ende Morgenstont ed. 1992 (XVIB)

  • 39r (vers 379). Rederijkersspel. Erotische context. Een neefke zegt: Hoe gloeijt hem sijn Cockmes.

Nieuwe Nederduytsche Gedichten ende Raedtselen ed. 1972 (1624)

  • 170. Zot-erotisch rederijkersrefrein. Hy boot haer ‘tscherpe van Adams knijf. Adams mes = penis. ‘Adams knijff’ = penis komt ook voor in een (niet in moderne editie bereikbaar) refrein uit 1590. Zie Coigneau II 1982: 304.

Amsterdamsch Hoerdom ed. 1976 (XVII)

  • 55. Moraliserende prozatekst. Twee hoertjes maken ruzie omdat de ene van de andere zegt dat zij ‘ongezond’ is. De hoerenwaardin komt erbij en de aanklaagster zegt: Wel ’t is de waarheid Juffrouw, zei d’andere; want de kleyne Blond heeft ‘er noch onlangs een kwaad mes afgehaald.

 

2 Mes: restmateriaal

 

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 413 (nr. 85, verzen 31-38). Het ‘Kerelslied’ (met kritiek op de boeren). Hier meer bepaald op de wellust van de boeren na het dronken drinken: Met eenen zeeuschen knive / So gaet hi duer sijn tassche. Bij Lubbert Das (Keisnijding – Prado) steekt er ook een mes door zijn tas.

Triumphe ende ’t palleersel van den vrouwen ed. 1996 (1514)

  • 293-295 (hoofdstuk 12). Kledingallegorie. Gedicht over D’mes der justicien. Een vrouw moet een klein mes bij zich dragen en dit verwijst allegorisch naar ‘justicie’ (correct oordeelsvermogen?) en dit mes kan alle oneer en schande verjagen, zorgt ervoor de vrouw in deugdzaamheid kan leven.

Kaprijke: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 450 (verzen 214-215). Rederijkersspel. Mensche krijgt van de sinnekes in plaats van een ‘palstre’ (pelgrimsstaf) een mes: dit mes (…) van wraken [vergelding].
  • 451 (verzen 223-224). Mensche voelt zich met dit mes den qwaen gille. Hij vreest nu niemand meer.

 

[explicit 21 januari 2017]