MUILEZEL

 

1 Muilezel // wellust, onkuisheid

[Vergelijk Tobias 6, 17: De boze geest heeft macht over hen, die zó het huwelijksleven beginnen, dat ze God buiten hun hart en hun geest verbannen, en enkel zinnelust zoeken als een paard of een muilezel, zonder verstand.]

[Vergelijk Psalm 32 (31), 9: Wees niet als paarden / Of muilezels zonder verstand, / Die men moet mennen met toom en gebit / Of ze gehoorzamen niet.

 

De amore ed. 1982 (circa 1185)

  • 222-223 (boek I, hoofdstuk XI, paragraaf 1). Latijns prozatraktaat. Over het seksuele leven van boeren: Dicimus enim vix contingere posse quod agricolae in amoris inveniantur curia militare, sed naturaliter socut equus et mulus ad Veneris opera promoventur, quemadmodum impetus eis naturae demonstrat [ik beweer dat boeren praktisch nooit kunnen gevonden worden in dienst van het hof van de Liefde, maar zij oefenen de liefdesdaad uit als een paard of een muilezel, precies zoals de natuur hen daartoe aanspoort].

Dialogus miraculorum I ed. 2003 (1219-23)

  • 197 (afdeling 4, hoofdstuk 1). Stichtelijk Latijns prozatrakaat. Van de wereldlijken en de vleselijken evenwel die naar het vlees leven, zegt men in oneigenlijke zin dat ze beproefd worden, want zodra ze de bekoringen bespeuren, gaan ze door de knieën of bieden ze maar slapjes weerstand, gelijk aan het paard en de muilezel, die geen verstand hebben. Vergelijk Psalm 32 (31), 9.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 178 (Winterstuc, hoofdstuk 25, regels 220-224). Theologisch compendium. Over de dochters van Luxuria: Die eerste is subversio racionis, dat hiet ommekeringe der reden; als een in desen sonden sijnre reden so seer uutgaet, dat hi wert als een mule ende een paert, daer ghien verstant in en is, so misschiet der menscheit alte cleyn [zo wordt de menselijke natuur zeer weinig recht gedaan].

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 495 (Somerstuc, hoofdstuk 40, regels 217-220). Theologisch compendium. Over de leeftijd van 18 tot 30 jaar: Ende dan soe gheeft die natuer den menschen lust sijns levens ende wert losse tot oncusscheden, als een mule ende als een paert, daer ghien verstant in en is. De tekstbezorger verwijst naar Psalm 32 (31), 9.

Noordnederlandse historiebijbel ed. 1998 (1458)

  • 679 (Tobias 6). Doe seide die engel: ‘Hoert na mi wie diegene sijn daer die duvel macht over heeft: over alle diegene die also hilic annemen dat si om Gode niet en denken, mer vergaderen om genoechte des vleis, als die ezelen ende die mulen doen, die geen verstant en hebben; over die heeft die duvel macht.

 

2 Muilezel // allerlei ondeugden en gebreken

[Pleij e.a. 1991: 134. Over het Ridderboec (XVa): ‘Honend vergelijkt de auteur mensen die zich laten voorstaan op hun adellijke afkomst met muilezels die er prat op gaan dat hun oom het ros van de koning is’.]

 

Seer Schoone Spreeckwoorden ed. 1962 (1549)

  • 20 (nr. 332). Spreekwoordenverzameling. Il est plus estourdy que vne mulle sauluaige / que vng oyson. Hy is dulcoppigher dan eenen wilden muyl / dan een gans. Vergelijk Harrebomée I.201. Muilezel // koppigheid.

Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983 (1554)

  • 114 (nr. 92, regels 1-7). Anekdotenverzameling. Een muilezel pocht over zijn vader (het paard van de koning van Spanje), maar zijn moeder was de ezel van een molenaar. Muilezel = kind van een hoer en een ‘goetman’ // hovaardigheid (van bastaards).

Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 27 (verzen 626-627). Satirisch rederijkersgedicht. Over opvliegende personen die met eenen woorde / Terstont geseten zijn op haer muylen. Wij zouden nu zeggen: die direct op hun paard zitten. Muilezel // opvliegendheid.

 

3 De woordspeling ‘op muilen rijden’ (een muilezel berijden / door de koude aangetaste voeten hebben / pantoffels dragen)

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 128 (refre, 66, verzen 1 / 5 / 10). Zot rederijkersrefrein (stokregel: Tes wel een erm bruloft daer broot gebrect). Een satire op de armoede. Daer die brugo in vier syden beroyt es / (…) en muylen heeft aen al syn teenen / (…) Dit moet wel een mottich bruloft syn.

Sorgheloos ed. 1980 (circa 1540)

  • 125 (regels 59-60). Spotprognosticatie. Over januari: Ende veel sullender op muylen rijden sonder sadel.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 263 (refrein 17, strofe B, verzen 4 / 8). Rederijkersrefrein. Senen [zenuwen], pocken, mazelen, muylen, / (…) Tes al gheen pyne voer ialozye.
  • 331 (refrein 36, strofe B, verzen 2-3). Rederijkersrefrein, over de lente die de winter verjaagt: Zy gaen nu te voete die reden op muylen, / Het meys slyck can doen zoe grooten boete.
  • 337 (refrein 37, prinche, verzen 1-2 / 14-15). Rederijkersrefrein over de winter: Princen en princessen, die ryden op muylen, / En al die zyn in Sint Anthonis gulde; / (…) Als smeys slyc sal de kachielen boeten, / Reysen de Vriesen na Walcheren, zoe zy pleghen [met andere woorden: dan smelten ijs en sneeuw].

Knollebol ed. 1980 (1561)

  • 95 (verzen 206-209). Spotprognosticatie. Over de winter: En daer salder veel, ick derf ’s wel belijen, / Al en sijn ’t gheen jonckers, op muylen rijen. / En menighen ezel, al mach ’t er vuylen, / Sal oock willen rijen op muylen, / Maer si sullen goeden coop wesen dit jaer, / Want om twaelf stuyvers cooptmer wel een paer. Zoals Pleij in de commentaar noteert, wordt hier een woorspeling gemaakt op ‘muylen’ = muilezels / ‘muylen’ : pantoffels.

Etymologicum ed. 1974 (1599)

  • 327. Nederlands-Latijns woordenboek van Kiliaan. Muyl / kack-verssen: Pernio, vulgó mula.
  • 217. Kack-hiele / kack-verssen / schijt-verssen: Pernio, morbus calcem pedis precipuè infestans prae frigore. Het laatste betekent: ‘ziekte aan de voet, die vooral de hiel aantast door de koude’. Dit kan dus slaan op een winterhiel of wintertenen.

Lijs en Lippen Harman ed. 1997 (XVI)

  • 68r (verzen 417-420). Rederijkersklucht. Twee zwervers ironisch over zichzelf: [Sober Costgen:] Wij sijn als heeren nu… / [Slickmorsel:] Jae die op muijlen rijen…

 

4 Muilezel als typisch rijdier van adellijke dames

[Sibilla ed. 1988: 91 (commentaar bij regel 178). ‘Muilezels zijn niet zo groot als, en hebben een zachtere gang dan een paard, vandaar dat vrouwen (die volgens het middeleeuws fatsoen de benen niet mochten spreiden maar de zogenaamde amazone-zit dienden in te nemen) bijvoorkeur van de muilezel gebruik maken’.]

[L.J. van der Klooster, “Opnieuw de Nassause tapijten”, in: Oud Holland, jg. 104 (1990), nr. 3/4, pp. 142-143. Op een ontwerptekening van Barend van Orley voor een wandtapijt dat werd vervaardigd in opdracht van Hendrik III van Nassau (voorstellende Hendrik III als ruiter en zijn drie echtgenotes als amazones) berijdt Mencia de Mendoza (Hendriks derde vrouw) als enige een muilezel. Dit zou een verwijzing zijn naar haar Spaanse afkomst. In Spanje werd de muilezel in de Middeleeuwen veelvuldig gebruikt als rijdier, in tegenstellng tot het noorden van Europa. Spaanse muilen werden in de Middeleeuwen geprezen om hun zachte gang. Na de reis van Karel V naar Spanje: vanaf 1517 ook belangstelling bij Nederlandse kunstenaars voor de muilezel.]

 

Menichfuldicheit des Bedrochs ed. 1903 (circa 1539/40)

  • 385. Rederijkersspel. Oerspronck der Sonden over de winst die gemaakt wordt met aflaatbrieven: By dese brieuen van groter weerden / Hefter menich gereden op muylen en peerden / By dese brieuen houtmen menighe boelagie. Op muilezels en paarden rijden = op grote voet leven, met die winst grote sier houden (wie op een muilezel of een paard kan rijden, is niet arm).

 

5 Muilezel: restmateriaal

 

Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983 (1554)

  • 192 (nr. 207/1, regel 14). Anekdotenverzameling. Een koning wil weten hoe hij zijn zout kan beschermen tegen de motten en wormen. Hij krijgt als raad het zout te besprenkelen met muilezelmelk, soo sal ’t voor wormen behoet worden (want dese esels syn onvruchtbaer).

 

[explicit 31 maart 2017]