MUIS

[Zie ook bij KAT EN MUIS]

1 Exotische muizen die groter zijn dan bij ons

 

Spiegel Historiael I ed. 1982 (circa 1295)

  • 167 (Partie I, Boek IV, hoofdstuk 45, verzen 40-43). Berijmde wereldkroniek. Over Alexander de Grote in Indië: Musen quamen daer na gestreken, / Meerre dan vossen, alse wijt weten. / So wat beesten dat si beeten, / Dat moeste altehant doot wesen.

 

2a Muis in val = (stichtelijk) mens die zonde begaat

 

Maria Hoedeken ed. 1920 (1509)

  • 28 (vers 731). Rederijkersspel. Quaet Beleedt, die de monnik Goet Gheselscip ziet aankomen (men gaat hem als rovers overvallen): Hy es ghelyc de muus jnde valle.

Werck der apostolen cap. 3, 4 en 5 ed. 1903 (XVIA)

  • 347 (verzen 9-10). Rederijkersspel. Valsch Propheet over de tegenstanders van Annas (= de paus): Annas beschouwt iedereen die hem tegenspreekt (= de apostelen = de protestanten) als ketters en Die moeten als catyuven / Inde valle blyuen, verplet als muysen.

Lichamelijcke huis ed. 1994 (XVIB)

  • 22r (vers 94). Rederijkersspel. Die Gheest der Sonden naar aanleiding van Adams zondeval: tmuijsken int sondich valleken gecroopen is.

 

2b Muizenval (voor de duivel) = de kruisdood van Christus

[Friedmann 1980: 26-27. Het motief van de muizenval in sommige laatmiddeleeuwse schilderijen gaat waarschijnlijk terug op Sermoen 263 van Augustinus: de muis is de duivel en de muizenval is de kruisdood van Christus. Werd gesignaleerd door Meyer Schapiro naar aanleiding van het Mérode-altaarstuk, waar Jozef muizenvallen aan het maken is (zie noot 20).

Pleij e.a. 1991: 252. Over de twee muizenvallen in het Mérode-altaarstuk: de muis = de duivel, de muizenval = het kruis van Christus.]

 

Legenda aurea I ed. 1993 (circa 1260)

  • 210. Verzameling heiligenlevens. Naar aanleiding van de Passie: de kruisdood van Jezus is volgens Augustinus een muizenval voor de duivel.

 

2c Muis in val (amoureus-erotisch) = man die verleid of betrapt wordt in sexualibus

[De Jongh 1995a: 43. Muizenval (met of zonder kat in de buurt) = embleem voor de gevangen liefde bij Heinsius en Cats.]

 

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 119 (verzen 3363-3365). Rederijkersspel. Dierick waarschuwt voor liefdesverdriet: Want als die muys is in die valle / Sy geraect seer qualijcken weder uut den stalle: / Hy is sot die hem selven bedroeft.

Bedroch der Vrouwen ed. 1983 (circa 1532)

  • K1r. Moraliserende verhalenbundel. Een man heeft de minnaar van zijn vrouw betrapt en gevangen gezet: die muys is in die valle.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 175 (verzen 621 / 627 / 633). Rederijkersspel. Het sinneke Faeme van Eeren drie maal over Eneas die zich gaat laten verleiden tot een relatie met Dido: Hûe gaet de muijs int valleken!

 

2d Muis in val: andere betekenissen

 

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 99 (verzen 7763-7774). Berijmde zondenspiegel. Bij ‘Gierichede’: verkwisters die rijke heren geschenken geven om zelf iets terug te ontvangen, worden vergeleken met hen die vet vlees in muizenvallen plaatsen, om er muizen mee te vangen.

 

3 Muis // zondige mens

 

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 247 (refrein X, strofe B, vers 14). Vroed memento mori-rederijkersrefrein. Verhoet u eer die vloet [vloed = de dood] u metter muys domt.

 

4a Muis die maar één hol heeft (spreekwoord)

 

Seer schoone spreeckwoorden ed. 1962 (1549)

  • 32 (nr. 544). Spreekwoordenverzameling. La souris est tost prinse qui na quung pertuis. De muys is haest gheuanghen die maer een hol en heeft. Vergelijk Harrebomée 1980 (I.314).

Duytsche adagia ofte spreecwoorden ed. 2003 (1550)

  • 254 (nr. 90.7). Spreekwoordenverzameling. Tis een arme muys die maer een hol en heeft. Dat is: tis een arm mensch die maer eenen raet en weet.

 

4b Muis die maar één hol heeft = vrouw die maar één partner heeft

 

Die Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 206 (verzen 12.139-12.146). Allegorische rijmtekst. De oude koppelares vermaant Suetonfaen (een vrouw) dat vrouwen hun hart niet aan één minnaar mogen geven: Die mues die waer [lees: maer] een hol en weet, / Ic segge u dat hare sorgeleke steet. / Van elken wive aldus so eest, / Dat si vander marc vrouwe weest [handschrift D heeft hier: Sijn si vrauwen van haren live]. / Elke soude nemen, waer si mochte, / Have ende goet datmen daer brochte, / Ende si ware sere uut haren sinne, / En leide si ware tere stat hare minne. De vertaling van de oorspronkelijke Franse versie in de Roman de la Rose [Roman van de Roos ed. 1991: 350 (verzen 13.120-13.129)], waar Le Vieille zegt: De muis die zoekt in alle hoeken / is voor de kat een dodenkind / wanneer hij slechts één gaatje vindt. / En zo ook is het met de vrouw, / de heerseres van ‘ marktgebouw / waarin een elk haar graag wil winnen, / dààr moet zij bij een elk gaan innen / en zou ze dan niet dwaas zijn, gek, / als, ’t overdenkend, zij haar trek / toch naar één minnaar uit liet gaan?

The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 112 (Fragment III, Group D, verzen 572-574). ‘The Wife of Bath’s Prologue’. De Wife of Bath is gehuwd, maar versiert een jonge kerel, Jankyn: I holde a mouses herte nat worth a leek / That hath but oon hole for to sterte to, / And if that faille, thanne is al ydo. Met andere woorden: een muis met maar één hol is niet veel waard, zij gaat eraan.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 216 (refein 58, strofe b, verzen 5-8). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw. Een vrouw die een ontrouwe minnaar heeft, wordt getroost door een vriendin: Wilt hij u om een ander liefken laten, / Gaet, tapt ghij ooc vrueght uut niewen vaten. / Verliest de muys een hol, zij soeckt elders gaten, / Dit seytmen gemeene. Verliest men een geliefde, dan zijn er nog vele andere te vinden.

 

5 Muis in erotische context

 

De natura animalium III ed. 1972 (circa 200)

  • 26-27 (Boek XII, paragraaf 10). Grieks prozatraktaat van Aelianus over dieren. Muizen zijn naar verluidt zeer wellustig.

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 166 (vers 4712). Rederijkersspel. De sinnekes maken Dierick wijs dat Katherina hem ontrouw is met een ander: Sy jaghen tmuysken achter de camere. Erotische uitdrukking.
  • 189 (verzen 5365-5366). Dierick is aan het ijlen (door liefdesverdriet): Daer loopt een muysken achter die camere. / Valsch wijf gaet uut mijnen ooghen.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 152 (refrein 207, vers 32). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Een venusjanker bespiedt zijn geliefde terwijl zij met een ander in haar slaapkamer de bloemetjes buitenzet: Hij doordese piepen als die muijs int holleken. Muis = vrouw.

Diversche Liedekens ed. 1943 (XVIb)

  • 7-8 (nr. III). Liedboek. Amoureus liedje. De ik tot zijn geliefde: Als soudick terstont een muysken werden: / Ghelijc dat muysken thol souct zoud’ ic my thuwaert spoen / By u te crupen haic stont of stede. Muis = man (minnaar).

 

6 Muis = persoon die iets in stilte doet

 

Ferguut ed. 1982 (circa 1250)

  • 70 (verzen 726-727). Berijmde Arthurroman. Over Ferguut die door een stad rijdt: Ende voer stille alse een muus / Achter straten.

Scaecspel ed. 1912 (1403)

  • 144 (regels 11-13). Moraliserend traktaat. Een huisvader moet oppassen voor ontrouwe dienstboden, het zijn heimelijke verraders die in stilte te werk gaan: Dese viant is dat vier in den bosem, een serpent in den scoot ende een muus in den casten, want so waer du di bekeerste hi is altoos bi di omme dijn goet ende eer te verderven.

Drie daghe here ed. 1907 (circa 1410)

  • 125 (vers 220). Klucht. Jan mag thuis drie dagen de baas spelen over zijn vrouw Bette. Jan over zijn vrouw: Daer sitsi stilder dan ene muys.

Der minnen loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 161 (Boek II, vers 1057). Ars amandi. Thisbe ziet een leeuw: Ende hilt hoir stilre dan een muys.

Een sAnders Welvaren ed. 1920 (1511)

  • 68 (vers 528). Rederijkersspel. Suptyl Bedroch tot Practyckeghe List: Laets slachten den muus doen ende zwyghen.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 37 (refrein 16, vers 26). Zot rederijkersrefrein. Over een ‘geestken’ dat ’s nachts inbreekt in een mooi huis. De mensen in het huis horen het en dan niet meer: Tis wel soe stille al waert een getemde muijs.

Dryakelprouver ed. 1920 (1528)

  • 206 (verzen 279-282). Rederijkersklucht. Knecht zegt: Nu willic allomme ghaen kycken met zinnen / Om te zoucken een houcxskin binden huse / Daer jc heymelic secreit als den muse / My seluen mach berghen ende houden stille.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 39 (Boek I, refrein 12, strofe b, verzen 2-4). Vroed rederijkersrefrein. Over de chaos in de Kerk: Tginc bat te wercke, doen dabdijen waren clusen, / En doen de abten woonden als musen / In gaten, in holen.

Tielebuijs ed. 1934 (1541)

  • 24-25 (verzen 28-29). Rederijkersklucht. Tielebuijs zegt: Vaerken, is Ronsefael in huijs? / Stille als een muijs, vrij, sonder tamboere.
  • 35 (vers 181). Vroedvrouw over Tielebuijs: Stilder dan een muijs sallicken timmen [temmen].

Diversche Liedekens ed. 1943 (XVIb)

  • 31 (nr. XIII). Liedboek. Amoureuze klacht: Al stille zwijgh’ ick ghelijck den muyse.

Mont toe, borse toe ed. 1950 (1583)

  • 51 (vers 168). Strofisch rederijkersgedicht, een tijdsklacht. Context: overal is verraad, bedrog en list: De Muyskens sitten in alle hoecken. Volgens aantekening: muisjes = afluisteraars, met bijgedachte aan het fijne gehoor van muizen.

Lijs en Lippen Harman ed. 1997 (XVI)

  • 72r (verzen 853-855). Rederijkersklucht. Jan Vleermuijs gaat zijn minnares Lijs ‘bezoeken’: hier staettet veijnster als mijn geseijt is / dus hoe dat feijt is, Al soud Ick werden confuijs / so sluijpt Icker inne al waer Ick een muijs.

 

7 Muis = bange, laffe persoon

 

Ysengrimus ed. 1987 (circa 1150)

  • 312 (Boek III, verzen 267-268). Latijns dierenepos. Koning Leeuw tot de wolf: als je in een muizenhol kan kruipen, blijft er dan niet buiten.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 319 (refrein 32, strofe A, vers 16). Zot rederijkersrefrein over een pantoffelheld: Zy sou my doen in een muysen hol cruypen.

Goosen Taeijaert ed. 1938 (1594?)

  • 34 (vers 120). Rederijkersklucht. Goosen heeft schrik van zijn vrouw: Gans longeren, sij jaecht mij noch in een muijse codt.

Trauwe ed. 1899 (vóór 1595)

  • 190 (vers 1489). Rederijkersspel. Girichyt zegt: Ick croep in een gaetken, waer ick een muys!

Dove bitster ed. 1997 (XVI)

  • 61r (vers 349). Rederijkersklucht. De ongelukkige vrijer Heijn Leechderm vlucht voor een boer in een schoorsteen: Ick soude wel in een muijsen hol cruijpen.

Moorkensvel ed. 1977 (1600)

  • 22. Tafelspel. De Moeder over haar eerste man, een pantoffelheld. Als zij kwaad werd, Soo was hy seer vervaert, ende gingh hem versteken / In een muysen-hol had hy hem beleyt.
  • 29. Geesken wil haar man afrossen: Dat ghy sult moeten in mijn [lees: een] Muysen-hol kruypen.

 

8 De uitdrukking ‘tot muizenmeel malen’ = vermorzelen

 

Sacramente vander Nyeuwervaert ed. 1955 (circa 1500)

  • 158 (vers 587). Rederijkersspel. Een duivel zegt: Lucifer sal ons malen ten musen mele.
  • 201 (vers 1270). Een duivel zegt: Te musenmele wordij wij gemaelt.

Schuijfman ed. 1932 (1504)

  • 14 (vers 304). Rederijkersklucht. Sloef zegt: Duijckt! Twijff mocht ons te muijsemeel malen.
  • 19 (vers 414). Dochter zegt: Och, och, ick duchte, sij sal ons te muijssemeel malen!
  • 24 (vers 547). Sone zegt: Hij mocht ons te muijsemeel maecken en malen.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 71 (vers 1631). Rederijkersspel. Een sinneke vol schrik over Scriftuerlick: tJan, hij soude ons te muijsmele ghemaelt hebben.

Jan Goemoete ed. 1946 (1559)

  • 17 (vers 383). Rederijkersklucht. Meester Proefal tot het ‘spook’ Jan: Ja, of ic zal ut tot muijse mele malen.

Blinde die tgelt begroef ed. 1934 (XVIB)

  • 73 (vers 195). Rederijkersklucht. De Blinde heeft gedroomd van spoken. Als hij er iets tegen zou gezegd hebben, Sij hadden mijn te muijsmeele gemalen.

Luijstervinck ed. 1934 (XVIB)

  • 93 (vers 172). Rederijkersklucht. Een meisje heeft een zogenaamde geest ontmoet die haar heeft bedreigd: Off ick sal u al (te) muijssemeele maelen.

 

9 Witte en zwarte muis = dag en nacht

 

Veer utersten ed. 1975 (XV)

  • 21 (regels 5-9). Stichtelijk traktaat. Barlaam secht: Des mynschen leuent is ghelick enem bome, to wes wortelen sitten twe muse, (de) ene wit vnde de ander swart, dat is de dach vnde de nacht, dede wortelen van vnsem leuende alweghe suder vnderlat byten vnde vorteren.

 

10 Muis: restmateriaal

 

Consolatio philosophiae ed. 1990 (524)

  • 99 (Boek II, 6de proza). Stichtelijk Latijns traktaat. Over het belachelijke van mensen die macht over anderen uitoefenen: wij zouden immers ook lachen als we zouden zien hoe in de muizenwereld de ene muis zich macht over de andere aanmatigt.

Ysengrimus ed. 1987 (circa 1150)

  • 226 (Boek I, vers 398). Latijns dierenepos. Kracht wordt gevangen door list (ars), zoals een muis door de muizenval.

The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 108 (Fragment III, Group D, vers 246). ‘The Wife of Bath’s Prologue’. De Wife of Bath over één van haar mannen: Thou comest hoom as dronken as a mous.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 141 (Boek II, refrein 2, strofe b, verzen 4-6). Vroed rederijkersrefrein. Over lutheranen en wederdopers die beiden even verwerpelijk zijn: Wat wildt de duvel den necker verwijten? / Om den cuere en gaef ick niet twee mijten: / Want muys en moeyer es van eenen hare. Muis en muizenmoeder zijn hetzelfde.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 11 (regel 11). Spreekwoordenverzameling. Als de Muys sat is / so is dat meel bitter.
  • 43 (regel 5). Het is eerdtfael. Muys fael. Zo grijs (vaal) als een muis.
  • 72 (regel 2). Hy ruyckt Muysen.

Meer Gheluck ende Heer Profijt ed. 1946 (circa 1550)

  • 77 (vers 21). Rederijkersklucht. Meer Gheluck tot Heer Profijt: Ic wedde ghi zult vruechd bijt muijsken vaen. Volgens aantekening (p. 243): vreugde bij het muisje ontvangen = genoegen van het werk beleven, een verder onbekende uitdrukking.

Crijsman die eens buermans paert steelt ed. 1946 (vóór 1555)

  • 60 (vers 138). Rederijkersklucht. Jonkwijf over Crijsman, die samen met de waard veel gedronken heeft en nu uitgeteld is: Den crijschman lijd ook [ligt ook] als een versleghen muijs.

Vanden .X. Esels ed. 1946 (1558)

  • 9 (regels 27-28). Stichtelijke prozadruk. Over een pantoffelheld die altijd thuis zit en wacht de muysen wt den viere.

Goosen Taeijaert ed. 1938 (1594?)

  • 36 (vers 171). Rederijkersklucht. De vrouw van Goosen beseft dat de koe verkocht is: Hier is certeijn een muijs inde melck verdroncken. Uitdrukking: hier is iets misgelopen.

Becooringe des Duvels ed. 1996 (XVI)

  • 48v (verzen 1130-1131). Rederijkersspel. Ewige Haet geeft slechte raad aan het publiek: Dient u selven bij Dagen en bij nachten / off ghij sult versmachten als hongerige velt muijsen.

Reijn Geneucht en Menich Vileijn ed. 1997 (XVI)

  • 131r (vers 258). Rederijkersklucht. Joncheijt over zijn gefopte, dronken stiefvader: Hij siet gelijck een muijsgen uijt den meel podt.

Josep ende Maria ed. 1994 (XVIB)

  • 12v (verzen 1088-1089). Rederijkersspel. De vrouw Begeert zegt: Wat muijs heeft nu over touter geloopen / off isser een slack met gemack over twarmoes gelopen. Uitdrukking: wat is er nu aan de hand?

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 209 (strofe 3). Winterlied. Vermaning aan de vrijers om ’s winters niet in het openbaar te vrijen met het liefje, maar wel binnen, dan zien de nijders het niet en is er dus geen geroddel. Muysken wacht u staertjen.

 

[explicit 25 december 2016]