MUTS

 

Op het middenpaneel van Bosch’ Tuin der Lusten dragen sommige personen merkwaardige, meestal plantaardige hoofdbedekkingen. Hebben zij last van ‘de mutse’?

 

1 Muts = dwaze verliefdheid

[Zie ook Coigneau II 1982: 383 (noot 309): ‘mutsebreyer’ = dartele, minzieke man / vrouwelijke vorm: ‘mutsebreyeghe’ = dartele, minzieke vrouw.

In 1599 verklaart Kiliaan ‘mutse’ als: caecus amor, amoris oestrum, amor impotens, caecus. En ‘de mutse hebben’ als: caeco amore ardere, miserè amare, perditè amare, insanire amore, caecum esse amore, efflictim deperire, insano amore capi. Zie Etymologicum ed. 1974: 329.]

 

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 7 (vers 179). Rederijkersspel. Tot datmen tmutsken heeft onder de kele.
  • 22 (vers 637). Sy ghespt u de mutse.
  • 43 (verzen 1213/1219). Ey mutse mutse.
  • 44 (vers 1251). Sy heeft de mutse.
  • 60 (vers 1710). Mijn weertste mutse.
  • 93 (vers 2626). Doet hem aen een nieu mutse gheraken.
  • 195 (vers 5537). Elck mach de mutse daerom vreesen swaer.
  • 214 (verzen 6074-6075). Elck mocht hem vervaren. / Elck mocht hem vereenen. / Jae voor dees mutse: sout dus vergaen.

Maria Hoedeken ed. 1920 (1509)

  • 22 (verzen 535-536). Rederijkersspel. Jc hoore wel zy slachten Venus kynders / Die hemlieden met mutsen dicwil gherieuen.

Ghevecht van Minnen ed. 1964 (1516)

  • 45 (verzen 1-7). Volksboek. Het opschrift van de druk luidt: Van Venus Ianckers ende haer bedrijven, / Hoe sy lopen en rinnen, hem wasschen en wrijven / Als si hebben die mutse onder de kinnen geknoopt / ende zijn in sint iorijs vissop ghedoopt. / Men sal ooc in dit boecxken vinden wel / Raet en remedie tegen die mutse fel, / Die den menighen maect crancke sinnen.
  • 50 (vers 135). Blijfdi bemutst op eene die dijns cleen acht.
  • 53 (verzen 202-203). Sonderlinge als si daerom labueren / om die mutse te spannen onder die kinne.
  • 56 (verzen 298-299). Hi en sal der mutsen – ic segt goet ront – / Als hi wil niet connen entghaen.
  • 68 (vers 728). Meisjes die op dees knechtkens vermutsen, verdoren.
  • 70 (vers 762). Dat meesken, vermutst met sueten accoorden.
  • 73 (vers 845). Een remedie ende raet tegen die mutse.
  • 73 (vers 846). Ghi iongers die metter mutsen sijt gequelt.
  • 73 (vers 850). Maer ghi die metter mutsen beladen sijt.
  • 74 (vers 857). Dus doende suldy seer die mutse veriaghen.
  • 74 (vers 859). Wildi die mutse gheestelijc wederstaen.
  • 74 (vers 864). Wildi der mutsen gheheelijck vry ontghaen.
  • 74 (vers 868). So is die mutse oock van mijne.
  • 75 (vers 882). Ghi die vander felder mutsen sijt gheraect.
  • 75 (vers 884). Vander vleeslijker mutsen wordi ontbonden.

Pyramus ende Thisbe ed. 1965 (circa 1520)

  • 166-167 (verzen 87-88). Rederijkersspel. Een sinneke tegen een ander sinneke: Venus, dats damoreuse goddinne! / Is onder dijn kinne ghecnocht haer mutskin?
  • 190 (verzen 387-388). Een sinneke tegen de moeder van Thisbe: U dochterken heeft die mudse ghecreghen / Op Pyramus haers sins iolijt.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 37 (refrein 16, vers 7). Zot rederijkersrefrein. Som geestgens willen die mutse vast binden.
  • 73 (refrein 37, verzen 32-34). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht: wat sy my de leeren wilt stellen / soe sal ic myn dwinghen wat min vertellen / ende myn mutsken vellen wat myns ghesciet.
  • 119 (refrein 61, verzen 40-43). Zot rederijkersrefrein. Als mijn mutskens niet en gheriefden / voertyts die ic was int herte ghewont / Soe bescheet ick mij dick van groter liefden / als ic voer mijns liefs veynster stont.
  • 121 (refrein 62, vers 46). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Dantasyen doen my die mutse weuen.
  • 225 (refrein 112, vers 23). Zot rederijkersrefrein. Denkende op de mutze veel reyskens.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 92 (refrein 177, verzen 23-24). Vroed-amoureus rederijkersrefrein. Ghy jonghers die tsamen loopt ghemene / om venus mutsken al sonder sparen.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 118 (refrein 32, strofe e, vers 18). Amoureus rederijkersrefrein. Hoordt die u dmutsken opt hooft hebt laten breyden.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 31 (refrein 11, verzen 82-85). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Och alle minners, siet dat ghi dus niet en mint / als allendich metter mutsen doorreden, / wacht v voor die mutse en dat versint: / mint dat ghi behouden muecht, so blijfdi in vreden.
  • 68 (refrein 28, verzen 1-2). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Och hoe wel is hi gerust van herten / die metter mutsen niet en is ghequelt.
  • 69 (refrein 28, verzen 46-51). Idem. Prince, die metter mutsen is belast / helper hem wt tsi cleyn oft groot, / want wiese geghespt sijn druck vast wast. / ic hadde mi liever bi der doot / een ghelapte baghijne op mijn hoot, / dan ic die mutse langher sou vueren.
  • 102 (refrein 51, vers 46). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Fantasie doet mi die mutse dus weuen.
  • 112-113 (refrein 58, verzen 3 / 8-9 / 13 / 29-31 / 37). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. En met die mutse is beluetert / (…) wie dat bemutst is en can hem niet ghesaten; / die mutse heeft menigen mensche besluetert / (…) hoe sou hem yemant tegen die mutse gewreken / (…) Och die noyt en was bemutst / mer sijn herte in vreden altijt gherust, / die en derf ouer die mutse niet claghen / (…) dus seggic die mutse is quaet om verdragen.
  • 113-114 (refrein 59, verzen 1-3 / 11 / 17-18 / 25-26). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Och god wie mach dat garen spinnen / daer dat mutsken af ghebreyt mach sijn, / het kittelt mi dicwil onder der kinnen / (…) dat vrouken dat mi dat mutsken aen bant / (…) Moet dat mutsken niet abelijc sijn gewracht: / al heb icse opt hooft men sietse doch niet / (…) Die cracht die dat mutsken aen hem heeft / die sijn ontallick om te vertellen.
  • 207 (refrein 114, verzen 31-33). Vroed rederijkersrefrein. Ick lache als ick tsauonts mach spueren / Dese iongen ionckerkens die selden trueren / Achter straten bisen metter mutsen gequelt.
  • 252 (refrein 141, vers 3). Zot rederijkersrefrein. Een verliefde jongen: Quam totter liefster als muts seer ghierich. Muts = ook: verliefde jongen.

Groot Labuer ende Sober Wasdom ed. 1920 (1530)

  • 266 (vers 54). Rederijkersspel. Hebge ooc de mutse dan?
  • 267 (vers 71). Sober Wasdom over zijn geliefde: myn mutskin die scoone sprute. Muts = ook: meisje waarop men verliefd is.
  • 269 (verzen 163-165). Sober Wasdom zegt: Groot Labuer, wat holpt versweghen / ende jc hebben beede, de mutse ghecreghen / Vp de dochter van Ghaerpennync ende Splyttemytte.

Bedroch der Vrouwen ed. 1983 (circa 1532)

  • G1r. Volksboek. Op ene tijt versloech hercules den coninc Pricus die veel dochteren hadde / daer een onder was bouen die anderen die schoonste / daer hi af bemuts(t) ende verlieft was / ende die geheeten was Jole.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 34 (verzen 853-854). Rederijkersspel. De sinnekes becommentariëren een vroed-amoureus refrein van Tminnende Herte (= Christus): der mutsen patere / heeft den bouck ghehouwen.
  • 34 (vers 857). Idem. Eij arm mutsaert.
  • 85 (vers 2016). Over goede christenen: vp die sulcke tminnende hert meest vermust wert. Hier: geestelijke verliefdheid.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 14 (nr. 11, strofe 2, vers 7). Amoureus liedje. De muts is mi swaer om dragen.
  • 14 (nr. 11, strofe 3, vers 7). Idem. De muts is mi swaer te dragen.
  • 104 (nr. 89). Zot liedje over de muts (verliefdheid). Naar verluidt is de auteur van het liedje een meisje dat die muts van neghen maenden had (ze is eraan gestorven). Muts = hier: zwangerschap.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 62. Kort rederijkersgedichtje. Die op een vraue moet bemudst ghenoost blaken.
  • 18. Amoureus rederijkersrefrein. Den valschen God van minnen bemudst my zoo, / Dat icks myn daghen en zal ghenesen.

Diversche Liedekens ed. 1943 (XVIb)

  • 59, nr. XXV, strofe 1, vers 3). Amoureus-erotisch rederijkersrefrein van Matthijs de Castelein. Dat zy / daer ic bemudst op was.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 264 (refrein 17, strofe C, verzen 3-4). Rederijkersrefrein. Tes pyne te zyne metter mutsen bevanghen, / Daerse te deghe wel es ghebreydt.
  • 342 (refrein 39, strofe A, verzen 1-2). Rederijkersrefrein. Na dat ick elcken versinnen can, / Zoe claeght elck tgrief der mutsen gheresen. En nog op vele andere plaatsen in dit refrein. Thema is: verliefd zijn is niet erg als de liefde beantwoord wordt, maar erg is ‘de blok te slepen’ als de liefde onbeantwoord blijft.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 182 (vers 816). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: O mutse, mutse! Wat condij brouwen ghij!
  • 196 (verzen 1231-1232). Het ene sinneke tot het andere over Dido: Neen! Ghij, Faeme, hör eerst bij ghebrocht hebt / En gheknocht hebt dmutsken onder de kinnen breedt.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 151 (fol. 238r, vers 12). Zot rederijkersrefrein. Wien de mudse verdooft.
  • 216 (fol. 275v, vers 25). Zot rederijkersrefrein. De mutsebreyeghen van stuuenbergh bekent.
  • 229 (fol. 283r, verzen 20-24). Vleeschelicke minne / daer menich naer loopt / ende onder de kinne / De mudse Cnoopt / vele esser onder ghehoopt.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 84 (fol. 362v, vers 6). Dwaze en verliefde oude mannen zijn: oude dasaerts metter mudse gheCnocht.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 88 (nr. 20, strofe 3, vers 1). Vroed rederijkersrefrein. Ghy, wellustige, diet mutsken int loeren weeft.

Luijstervinck ed. 1934 (XVIB)

  • 98 (vers 273). Rederijkersklucht. Jongelinck tot zijn lief: Sijdij daer? Op u so heb ick de mutse gecregen.
  • 116 (verzen 623-624). Jongelinck, op het einde: Tvalt de jongers somtijts veel te lanck, / Als sij het mutsgen beginnen te gespen.

Al Hoy ed. 1964 (circa 1600)

  • 2 (vers 29). Rederijkersspel. Willeken noemt de playboy Ydel Lustken: En [een] erm mutse breyerken.

Amsterdamsch Hoerdom ed. 1976 (XVII)

  • 192-193. Moraliserend traktaat. En soo den Waard geen muts op iemant heeft, moet hy hem daer en boven nog aan wysing doen, waer hy syn roemer gelaaten heeft, eer hy’er uit mag gaan. In 17de eeuw: ‘een muts op iemand hebben’ = iemand goedgezind zijn.

 

2 Aanvullingen

 

Schuijfman ed. 1932 (1504)

  • 5 (vers 85). Rederijkersklucht. Al en hoort sij niet nobis haeren mots sou loncken. Onduidelijke passage. De tekstbezorger brengt ‘mots’ in verband met het Hoogduitse mutz(e) dat ‘meisje’ en ‘vagina’ betekent.

Kaprijke: spel van sinne in Gent 1539 (1539)

  • 450 (verzen 216-217). Rederijkersspel. Neimt die mutse met die plume op thooft / En ghenaert u niet meer metten innocenten. Mensche krijgt van de sinnekes een muts met pluimen: dit duidt op het zich groot en verheven voelen, op wereldse ijdelheid (vergelijk de verzen 204-208).

 

[explicit 24 december 2016]