NET (strik)

 

1 De term ‘netteboef’

[D.Th. Enklaar, Uit Uilenspiegel’s kring, Assen, 1940, pp. 17-20: over het net als attribuut van bedrieglijke zwervers: een bedelzak die ook kon fungeren als kledingstuk of hoofdbedekking.]

 

Middelnederlandse boerden ed. 1957 (XIV?)

  • 97 (nr. XVI, verzen 40-41). De boerde ‘Dit es de frenesie’. Een verlopen student vertelt over zichzelf: Int leste hebbic an een net / ende bem een everardijn. Everardijnen = zwervende bedelmonniken.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 130 (nr. LXVII, verzen 16-20). Leerdicht. Sijn wy arm off sijn wy rijck, / In wat staden why sijn gheset, / Draghen wy pellen ofte net, / Wy moeten sijns [namelijk: God] ontsien al hier, / Off wy sullen sneven schier. Een ‘pelle’ is een kostbaar gewaad. Een ‘net’ was blijkbaar een typisch kledingstuk van armen.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 235 (Winterstuc, hoofdstuk 32, regels 763-766). Theologisch compendium. Over zij die zondigen tegen het 9de gebod: Die derde, die hier an sonigen, zijn die gheen, die haer guet verdobbelen of verspelen ende onnuttelick uutgheven of die speellude, netteboven, tusschers cleder, paerde of guet ghift.

Lodder ed. 2002 (circa 1408)

  • 130 (verzen 30-32). De boerde ‘Van III ghesellen die den bake stalen’. Doen sach hi comen in dlant / Sine II ghesellen bloet, / In netten, om der lieden broet. Zie ook Middelnederlandsche Boerden ed. 1957: 52 (nr. IX, verzen 30-32).

Noordnederlandse historiebijbel ed. 1998 (1458)

  • 532-533 (2 Kon. 6 = 2 Sam. 6). Doe David tot sinen hove quam, doe ghinc hem Mycol yegen ende seide tot hem: ‘Hoe vrolic was die coninc van Ysrahel huden, ende was opgescort ende spranc en speelde voer die diente sijnre knechten ende was ghecleet gelijc een nettenbove.

Seven wijse mannen van romen ed. 1898 (1479)

  • b1v. Volksboek. Die keyserinne seide tot den keyser O here ic bidde hebt medeliden mit mi. siet dese ionghelinc en is uwe kint niet. mer een ribald en(de) netteboeue. een vrouwen vercrafter.

Curia palacium ed. 1968 (circa 1500).

  • 206 (regels 17-18). Latijns-Nederlandse woordenlijst. Netbove = histrio.

Aluta ed. 1995 (1535)

  • 88 (vers 398). Neolatijnse schoolkomedie. De boeven die het boerinnetje bedriegen, maken gebruik van een net: Ubi retis est? [Waar is je net?]. Op pagina 19 vragen de tekstbezorgers zich af wat dit net precies was. Zij veronderstellen een bedelzak die tevens kon dienst doen als hoofddeksel of masker.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 68 (nr. 58, strofe 1 / 7). Lied. Het quamen drie ruyters geloopen. / So verre int duytsche lant / Met netten ende met knoopen, ia knoopen. / Het waren die beste diemen vant / (…) Die ioncste ruyter tooch wt zijn net / Ende worpt inder maghet schoot / daer stont die edel ruyter, ia ruyter. / In een wambeys van goude root. Zie ook Amoreuse Liedekens ed. 1984 hieronder.

Ulenspieghel ed. 1986 (XVIA)

  • 165 (hoofdstuk 32). Volksboek. In Lunenborch woonde een floytemaker dye metten nette ende metten lodderhout gelopen had achter lande so dat hi van alle scalcheyt wiste.

Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983 (1554)

  • 107 (nr. 79, regels 1-2). Kluchtboek. Voortijts syn scholieren om door die landen gheloopen die geheele netten aen den hals hadden, groote lye bedrieghers.

Fielen Vocabulaer ed. 1914 (1563)

  • 60. Volksboek. Figuren waarvoor de brave burger moet oppassen, onder meer: Aernouts ghesellen die met den nette loopen achter lande. Die inde tavernen gaen sprueken ende singen.

Ulenspiegel ed. 1987 (1580)

  • F2v. Volksboek. Te Lunenborch woonde een fluytmaker die metten nette en(de) lodderhoute lange achter lande gheloopen hadde soo dat hy alle schalcheyt wiste.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 60 (strofe 1 / 7). Lied. Het quamen drie Ruyters gheloopen / Soo verre in Duytsche Lant / Met netten en met knoopen, ja knoopen / Het waren die beste diemen vant / (…) Die Iongste Ruyter toogh uyt sijn Net / Ende wierpt inder Maghet schoot / Daer stont die Edel Ruyter, ja Ruyter / In een Wambays van Goude root. Een ‘net’ is dus een typisch kledingstuk van een bedelaar.

 

2 Net (strik) // iemand bedriegen, iemand in het ongeluk storten

[Vergelijk ook bij ‘Vogelvangst 4’]

[Grauls 1939/40: 153. Naar aanleiding van een 16de-eeuwse gravure van een marskramer die netten, trompen en fluiten verkoopt: ‘Net kwam vroeger en thans nog voor in verschillende uitdrukkingen welke aanduiden dat iemand wordt gevangen, zoo b.v. het net spannen, in het net loopen, iemand in zijn eigen netten vangen. Een kramer die netten, trompen en fluiten verkoopt is dus een bedrieger of een kwakzalver’.]

 

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 141 (nr. LXXIII, vers 179). Leerdicht. Aldaer die schalke sijn nette breyt.

Lippijn ed. 1992 (circa 1408)

  • 132 (verzen 142-143). Klucht. De ‘comere’ maakt Lippijn wijs dat hij bedrogen werd door ‘alven’ toen hij zijn vrouw overspel zag bedrijven: Ene elvinne heeft haer nette gespreidt, / Dat sie ic wel, om u te vaen.

Pastoor te Kalenberghe ed. 1981 (XVIa)

  • 73 (regels 906-908). Anekdotenbiografie. Een hertog over de pastoor van Kalenberg: Mijn kerckheere is wel geleert ende in sijner consten een wijs man. Ende oock en mach hem niemant lichtelijck in dat net brengen.
  • 75 (regels 951-952). Titel van een hoofdstuk: Hier comen vier van des hertogen dienaers ghereden tot den kerckheere, die hy oock in ’t net brachte.

Een sAnders Welvaren ed. 1920 (1511-12)

  • 73 (verzen 697-698). Rederijkersspel. Ghetughe der Waerheyt over list en bedrog: Dese doen Een sAnders Weluaren belet / Spreedende sjeghens tnet vul fenynegher quaetheyt.

Uure vander doot ed. 1944 (circa 156)

  • 89 (vers 372). Strofisch rederijkersgedicht. De Dood zegt: En al en can niemant wt minen stricke.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 17 (Boek I, refrein 5, strofe d, verzen 13-14). Vroed rederijkersrefrein. Het geloof vervalt tegenwoordig: Maer dnetken is so subtijl gespreyt, / Datter meest al in blijft ende niet uut en sceyt. Net = de verlokkingen van de ketterse (lutherse) leer.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 62 (verzen 1412-1414). Rederijkersspel. Scriftuerlicke Hoede zegt tegen Selfs Goetduncken: ik weet dat hier wolven de schapen willen verleiden, haer netten vuijtspreijen.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 112 (Boek II, refrein 5, strofe a, vers 2). Vroed rederijkersrefrein, tegen de lutheranen: Hoe deerlijc laet ghij u dnet trecken over thooft. Net = luthers bedrog.

Bekeeringe Pauli ed. 1953 (circa 1550)

  • 96 (verzen 913-814). Rederijkersspel. Discipel is bezorgd om Paulus: Och Paule, dies hebbense gespreijt hun net / Om u te vangene als een misdadere.

Menschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 649 (vers 837). Rederijkersspel. Over Christus die de ziel door Zijn kruisdood nam vanden strick des werlts.

Gemeene Duytsche Spreckworden ed. 1959 (1550)

  • 62 (regel 10). Spreekwoordenverzameling. Hy laet hem tNette ouer thoeft trecken.

Machabeen ed. 1992 (1590)

  • 34r (verzen 905-908). Rederijkersspel. De koning bedreigt Eleaser: en ghij sult u selven brengen int net.
  • 37r (vers 1207). Over Hamman zegt een sinneke: maer somen can betoogen, raeckter hij selffs int net.

Minckijsers ed. 1992 (XVIB)

  • 113v (verzen 970-973). Rederijkersspel. Sodt zegt: alle dagen ziet men te land en ter zee, En sietmen niet dat volck sijn netten spert / daer hij hem selven inne verwert. Te weten: door de ketterse leer aan te hangen, zich zondig te gedragen en zichzelf zo te bedriegen.

Mane ed. 1992 (XVIB?)

  • 145v (vers 91). Rederijkersklucht. Twee vrouwen gaan een dronken man voor de gek houden. Griet zegt: strickt ghij ic sal netten.

 

3 Net // erotische verleiding (van of door vrouwen of allegorische vrouwelijke personages)

[Vergelijk ook bij ‘Vogelvangst 2’ en ‘Vogelvangst 3’]

 

Ridder metter Mouwen ed. 1983 (circa 1320)

  • 84 (verzen 1178-1181). Arturroman. Het blijkt dat Amelant, net als de Ridder metter Mouwen Clarette bemint. De Ridder denkt: So menech spreiter om sijn net.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 139 (nr. LXXIII, vers 16). Leerdicht. Iedereen probeert Vrouw Eer te ‘vangen’: Blijft sy ghevanghen onder tnet. Net = ongewenst, oneerval gedrag.

Gruuthuse ed. 1966 (circa 1400)

  • 457 (nr. 105, vers 3). Amoureus liedje. Maer als men es ghevaen int net = als men verliefd is geraakt.

Ghevecht van Minnen ed. 1964 (1516)

  • 68 (verzen 729-730). Berijmde ars amandi. Dactoer over meisjes die verliefd worden en zichzelf seksueel geven: Si segghen suetelic: ‘mijn lief vercoren’, / Tot dat sy int net al heel zijn ghestrect.

Stove ed. 1944 (XVIa)

  • 154 (verzen 194-195). Strofisch rederijkersgedicht. Een goedgehuwde vrouw zegt tot een slechtgehuwde vrouw dat zij het huwelijk niet mag ontbinden, God alleen kan dat: vindij v dan int net, / Soect middel hoe ghijter v moeght wt verliesen.
  • 159 (verzen 319-320). De goedgehuwde vrouw over haar eigen man die ze met list en onderdanigheid ‘getemd’ heeft: Dus heb icken in mijn nette ghetrost / Daer hij met strafheden weer buyten bleuen.
  • 170 (vers 580). Over vrouwenlisten: Neen neen, daer sijse in haer net met spoorden.
  • 171 (vers 593). Goedgehuwde tot slechtgehuwde vrouw: zult gij een simpele hans niet subtijlijck wel in v net ghecrijghen?

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 34 (refrein 9, strofe c, verzen 1-3). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw. Haar ontrouwe minnaar was in het begin lief waerduer hij mij eerst int net getooghen heeft.
  • 52 (refrein 14, strofe c, verzen 1-4). Zot rederijkersrefrein over een pantoffelheld. Nu weet hij pas hoe ongelukkig hij is, als ic ben int net, / Daer ic niet uute gespringen en can.
  • 61 (refrein 16, strofe e, verzen 7-10). Vroed rederijkersrefrein, anti-huwelijk. Alse een vrouwe hebben int nette getoogen, dan is de liefde weg bij vele mannen. Door te trouwen worden vele vrouwen bedrogen. Hetzelfde in De Bruyne I ed. 1879: 58 (nr. 13, strofe 5, verzen 7-8).
  • 117 (refrein 32, strofe d, verzen 18-19). Amoureus rederijkersrefrein. Peyst hieromme, die dnetken van minnen spreyden: / Hoe blijder versamen, hoe droever scheyden.
  • 142 (refrein 39, strofe c, vers 8). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw. Ic ben heel in dnet.
  • 147 (refrein 40, strofe c, verzen 12-13). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw. Haar minnaar is ontrouw. Anderen proberen haar te versieren, zij geeft nog niet toe, maar zij vindt dat lastig: Want zeer subtijlijck sij haer netten spreyden / Om mij te vangene in haerder minnen.
  • 152 (refrein 41, strofe b, vers 12). Amoureus rederijkersrefrein. Zij wijst hém af: En gaet elders om troost u netken uut spreyden.
  • 191 (refrein 51, strofe a, verzen 16-19). Vroed rederijkersefrein over de gevaren van de liefde. Velen hebben veel zorgen alvorens zij in de liefde troost gewinnen: Eer sij liefte kinnen, zoo sijn sij binnen / Gesprongen in dnet.
  • 276 (refrein 74, strofe e, verzen 6-7). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw. Zij hoopt dat ze hém nog zal krijgen: Bij u, schoon figuere, zal ic mij vermeyden noch. / Om vanghen wil ic mijn netken uutspreyden noch.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 76 (refrein 32, vers 38). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Landen en steden in het verleden sijn bi ialoursse vrouwen int net gheiaecht.
  • 76 (refrein 32, verzen 46-48). Idem. In minnen doorlayt ben ic ontpayt, / int net gheuaen, onrustich int leuen / die mi met ialousien besprayt. Gevangen in het net = in een slechte toestand verkeren (door jaloezie op liefdesgebied).
  • 105 (refrein 55, verzen 31-32). Amoureus rederijkersrefrein. De ik moet zijn geliefde in het geheim versieren, uit angst voor nijders: neent, int doncker wil ic spreyen mijn netten, / dat ic beghere dat moet ghestolen sijn.
  • 145 (refrein 79, verzen 9-11). Amoureus rederijkersrefrein. Venus heeft de ‘ik’ zo met haar geschut getroffen Dat mijn herte wordt onder tnet ghetogen / Van liefden, dat niet en is mijn vermogen / Tontgane den strick der reynder kersouwe.

Vastenavondspel ed. 1988 (XVIA)

  • 329 (verzen 313-314). Vastenavondspel. De Nar zegt tot een meisje: oft ghij zoudt mij / in hu netkin bringhen.

Mars en Venus ed. 1991 (1551)

  • 236 (verzen 59-60). Rederijkersspel. Juno over Jupiter: En heeft hij niet Latona int nette ghecreeghen / Van minnen dör zijn bedrieglijck rocken.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 149 (nr. 123, strofe 5, verzen 17-18). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Over ontrouw in de liefde: Ontstrickende abuyselyck Venus net, / wie sal dan gestadich in minnen blyven?

 

4 Net : positieve connotaties

 

Brugman ed. 1948a (XVc)

  • 159 (preek 12, regels 49-52). Prekenbundel. Over 2 netten: het net van Sint-Petrus (de wonderbare visvangst!) = het Woord Gods. En het net van de geest = de inwendige krachten. Daar zullen wij de geest van de waarheid mee vangen.

 

[explicit 10 maart 2017]